‘Wijkzorg van nu vraagt nieuw beleid’

 

De wijkzorg nieuwe stijl zal leiden tot incidenten, is de waarschuwing. “De wijkverpleegkundige heeft scholing en een duidelijk beroepsprofiel nodig.”

Volgens Helma Zijlstra, directeur van Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland, zullen incidenten na alle vernieuwingen in de zorg onvermijdelijk plaatsvinden. “Maar dat moet niet gelijk weer leiden tot nieuw beleid”, zegt ze tegenZorg+Welzijn.

De wijkverpleegkundige wordt weer een belangrijke professional. “Zoals ze ooit was: een zelfstandige beroepskracht in het gezin, maar dan in een modern jasje,” zegt Zijlstra. Het grote verschil: vroeger nam de wijkverpleegkundige de zorg van de cliënt over. Nu moet ze samen met andere professionals in het sociale wijkteam het zelfmanagement van de cliënt ondersteunen.

Indicatie

Vanaf 2015 gaat de wijkverpleegkundige zelf de zorg indiceren. Het ministerie van VWS heeft V&VN opdracht gegeven een indicatie-instrument te ontwikkelen als hulpmiddel voor wijkverpleegkundigen bij het vaststellen van de zorg en de zorgtoewijzing. De projectgroep is vorige maand begonnen en zal per 1 juni 2014 het resultaat opleveren aan staatssecretaris Van Rijn.

Sociale taken
Taken in het sociale domein maken geen onderdeel uit van het indicatie-instrument, verzekert de directeur van Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland. “De wijkverpleegkundige heeft een signaleringstaak, bijvoorbeeld bij schulden, eenzaamheid of vervoersproblemen. Zij gaat dit soort problemen niet zelf oplossen, maar zoekt contact in het sociale wijknetwerk. De wijkverpleegkundige moet zich wel bij de leest houden. We moeten er voor waken dat ze een klein indicatieorgaantje in de wijk wordt. Dan gaat de wijkverpleegkundige te ver weg van haar centrale taak: de zorg.”

Wat is nodig voor de wijkverpleegkundige nieuwe stijl? “Scholing en een duidelijk beroepsprofiel,” vindt de directeur. Ondersteuning van de cliënt vraagt volgens haar een andere ‘attitude’, bij zorgverlener en bij de cliënt: “Wijkverpleegkundigen moeten om kunnen gaan met het zelfmanagement van cliënten. Verder moeten ze verschillende rollen kunnen vervullen. Niet alleen die van zorgverlener, ze krijgen ook de coördinerende taken om de gehele zorg van een cliënt goed te laten verlopen.”

Of alle wijkverpleegkundigen blij zijn met die nieuwe taken? “Die wij spreken wel. We moeten ze op hun kracht aanspreken: hun kijk op de totale situatie van de cliënt.”

Projecten als “de Zichtbare schakel” hebben de wijkverpleegkundige al gepositioneerd als centrale hulpverlener in de wijk. Zijn de taken zo helder? “Er is altijd een grijs gebied,” zegt Zijlstra.

“Het is niet de bedoeling dat wijkverpleegkundigen alles zelf gaan doen. Voor de uitvoering van zorgtaken werkten ze samen met verpleegkundigen en verzorgenden. De wijkverpleegkundige werkt ook op de grens van zorg en welzijn. De grote uitdaging wordt hoe dat in de wijk te organiseren en financieren.” Volgens Zijlstra is dat een kwestie van afspraken maken in de regio tussen gemeenten, verzekeraars en zorgaanbieders. “Ik schat in dat het wel twee tot drie jaar gaat duren voor we met elkaar een goed werkend systeem kunnen neerzetten. Ik denk niet dat de invoering moet worden uitgesteld.”

Incidenten
Er zitten wel adders onder het gras van de ‘nieuwe zorg in de wijkteams’ volgens Helma Zijlstra. De overgang van de zorg uit de AWBZ naar verzekeraars en gemeenten zal niet overal gladjes verlopen. “Er zullen zich ongetwijfeld incidenten voordoen met cliënten die te weinig of niet de juiste zorg krijgen,” verwacht Zijlstra. “Het is te hopen dat daardoor niet weer meer regels komen, die de ruimte van de professional beperken. In de werkpraktijk moet je ontdekken waar de problemen zitten en daar gezamenlijk aan de oplossingen werken.”

april 30, 2014Permalink

Project Hype

 

ACHTERGROND Maandagavond begint Project P, een tv-programma over pesten. Dat fenomeen kan al langer rekenen op grote belangstelling van de media. Twee wetenschappers leggen uit hoe dat niet zelden leidt tot dubieuze hypes.

DOOR Haro Kraak 28 april 2014

Op donderdag 13 maart, vlak voor vier uur ’s middags, springt een 12-jarig meisje uit het Brabantse Maarheeze voor de trein. Een dag later vertelt een verslaggever van Omroep Brabant, met de bewuste spoorwegovergang op de achtergrond, dat haar geruchten hebben bereikt dat het meisje jarenlang gepest is. ‘Al op de lagere school gebeurde dat’, zegt een buurtbewoner. ‘Ze heeft dit gedaan omdat ze werd gepest en het niet langer kon verdragen.’

En zo was de oorzaak van de zelfmoord gevonden. Zaak gesloten. Of niet?

Geruchten

De dagen erna wordt het nieuws, inclusief het causale verband, op veel plekken overgenomen. De Telegraaf, AD, The Post Online en PowNedmelden het incident, alle berichten noemen de pesterijen, de meeste al in de kop. Intussen spreken steeds meer bronnen de geruchten tegen. De school zegt de pestverhalen niet te herkennen, klasgenoten beweren hetzelfde en in de afscheidsbrief stond niets over pesten.

Zes dagen na het overlijden schrijft de oom van het meisje in een open brief in het Eindhovens Dagblad dat van pesten geen sprake was. Omroep Brabant heeft weliswaar op zijn aandringen de artikelen aangepast, maar, zegt de oom, ‘het kwaad is al geschied’. Landelijke media verbeteren hun berichtgeving niet.

Kort geding

Om 20.30 uur begint op RTL 5 het programma Project P, waarin gepeste kinderen met verborgen camera’s opnames maken van hun pestkoppen. Later worden de pestkoppen en de rest van de klas door presentatoren Dennis Weening en Johnny de Mol geconfronteerd met de beelden. Ook de schoolleiding krijgt de beelden te zien en gaat in gesprek met Weening en De Mol. De pesters komen onherkenbaar in beeld. Twee scholen toonden zich ontevreden met de werkwijze van Project P en het Einstein College in Hoogvliet spande een kort geding aan om de privacy van de kinderen te beschermen. Ook ouders van leerlingen stapten naar de rechter. Maandag 12 mei komt de zaak voor in de rechtbank van Lelystad.

Conclusies

Deze zaak is kenmerkend voor de manier waarop pesten in de media wordt behandeld, zegt Peter Vasterman, mediasocioloog van de Universiteit van Amsterdam. ‘Als een kinderzelfmoord in de media opduikt, worden al snel conclusies getrokken. Zodra er een signaal van pesten wordt gevonden, is het onderzoek afgerond. Niet gek, want het is een aantrekkelijk beeld voor de media. Je hebt duidelijke bad guys en good guys, een emotioneel verhaal en een urgent maatschappelijk probleem.’

Pesten staat met de reeks pestprogramma’s op tv in de belangstelling. Maar of dat helpt, is de vraag

In de beelden die tot nu toe zijn vrijgegeven van Project P, het controver­siële pestprogramma dat vandaag op RTL 5 begint, wordt ook gesuggereerd dat pesten vaak tot zelfmoord leidt. Maar het causale verband tussen pesten en zelfmoord is nooit aangetoond. Wel concludeerden Leidse wetenschappers onlangs op basis van 34 studies dat er een relatie is tussen gepest worden en gedachten aan zelfdoding. ‘Maar bij zelfmoord is er altijd zo veel meer aan de hand’, zegt Vasterman. ‘Door te stellen dat pesten de enige oorzaak is, simplificeer je de zaak. En daarmee verklein je het publieke begrip van zowel pesten als zelfmoord.’

Pesten staat met de reeks pestprogramma’s op tv (Dag tegen pesten, ­Project P, Over de streep, Gepest) in de belangstelling. Maar of dat helpt, is de vraag. Linda Duits, sociaal wetenschapper gespecialiseerd in jeugdcultuur, weet het antwoord wel. ‘Al die bewustwordingsprogramma’s op tv brengen niets teweeg’, zegt de UvA-­docent. ‘Dat pesten slecht is, vindt iedereen. Ook de pestkoppen. Doordat die programma’s zich concentreren op de extreme gevallen herkennen de pesters zich niet en komen ze niet tot ­inkeer.’

Hartjes winnen

De programma’s zijn volgens Duits vooral een veilige manier voor omroepen om hun maatschappelijke betrokkenheid te tonen. ‘Hartjes winnen’, zoals zij het noemt. Het liefst ziet zij dat de aandacht wordt gericht op het kleine alledaagse pesten. Duits: ‘Het werkt net als met racisme. Bij dat woord denk je aan mensen uitschelden of in elkaar slaan. Bijna niemand voelt zich aangesproken als die praktijken worden aangekaart. Juist het alledaagse racisme – naar je portemonnee grijpen als er een donkere man langs­loopt in de tram – zou moeten worden benoemd.’

Maar dat kleine pesten levert natuurlijk geen spannende tv-programma’s op, realiseert Duits zich. ‘Dat is het lastige van sociale problemen, die los je niet op met een tv-programma.’ Zij maakt zich zorgen over de verschillende ‘petten’ die de tv-maker opzet. ‘Op tv zie je steeds vaker dat de journalist ook therapeut is. De vraag waarom dat eigenlijk op tv moet, wordt zelden beantwoord. Er is ook geen goede reden voor te bedenken. Behalve dat het scoort.’

Dat het een groeiend probleem is, is een suggestie die wordt gewekt door de toenemende media-aandacht

Peter Vasterman, mediasocioloog van de Universiteit van Amsterdam

De reden dát het zo scoort, is natuurlijk dat het pesten een groot maatschappelijk probleem is. Een probleem dat bovendien groter wordt. Toch? Vasterman: ‘Het is een veelgehoorde aanname dat er steeds meer wordt gepest. Maar daarvan zijn geen harde cijfers bekend. Dat het een groeiend probleem is, is een suggestie die wordt gewekt door de toenemende media-aandacht. Pesten staat nu op de agenda, zoals in de jaren tachtig kindermisbruik binnen de familie dat stond. Nu hoor je daarover niets meer, maar dat betekent niet dat het is verminderd.’

Neiging

Media hebben de neiging problemen uit te vergroten, volgens Vasterman, die promoveerde op media­hypes. ‘Een incident duikt op in de media, vaak gaat dat gepaard met halve waarheden of verkeerde interpretaties. Vervolgens wordt het een maatschappelijk thema, wat weer een reden is voor journalisten om er nieuwe vergelijkbare incidenten bij te zoeken. De definities van het probleem worden opgerekt, waardoor er steeds meer onder dezelfde noemer valt.’

Als voorbeeld noemt hij de zaak van Amanda Todd, de Canadese tiener die in 2012 zelfmoord pleegde en vorige week weer in het nieuws was omdat er een Nederlandse verdachte is aangehouden die haar digitaal zou hebben gestalkt.

Vasterman: ‘Dit gaat maar zeer zijdelings over pesten, maar toch is het vaak gebracht als een pestverhaal.’ In het stuk over Todd in de Volkskrantvan 19 april werd nog een duidelijk onderscheid gemaakt tussen pesten en digitaal stalken, maar die nuance verdween toen hetzelfde verhaal werd geplaatst in de Belgische krant De Morgen. De kop luidde: ‘Nederlander pestte Amanda Todd dood.’

Als wetenschapper heb je er niets aan om verschillende fenomenen onder één noemer te brengen. Als journalist heb je wel baat bij dat sneeuwbaleffect, dat geeft je stuk urgentie

Linda Duits, sociaal wetenschapper

‘Naast cyberpesten heb je tegenwoordig ook pesten op het werk en pesten onder ouderen’, zegt Vasterman. ‘Door telkens nieuwe vormen van pesten te benoemen, wordt het probleem uitvergroot.’ Duits herkent dit ook. ‘Homofobie en racisme worden vaak onder pesten geschaard. Als wetenschapper heb je er niets aan om verschillende fenomenen onder één noemer te brengen. Als journalist heb je wel baat bij dat sneeuwbaleffect, dat geeft je stuk urgentie.’

De journalisten die wel kritische vragen stellen, lopen het risico te worden verguisd, volgens Vasterman. Toen Tim Ribberink in november 2012 zichzelf van het leven beroofde, publiceerden zijn ouders zijn afscheidsbrief in TC Tubantia. ‘Lieve pap en mam, ik ben mijn hele leven bespot, getreiterd, gepest en buitengesloten. Jullie zijn fantastisch. Ik hoop dat jullie niet boos zijn.’ Het was het startschot van een pestdebat in de media.

Twijfel

VARA-journalist Bert Molenaar ging op onderzoek uit en kon de verhalen over pesten nergens geverifieerd krijgen. Uiteindelijk bleek dat de brief eigenlijk een niet-verstuurde sms was op de telefoon van Ribberink. Maar ook dat trok Molenaar in twijfel. ‘Misschien is er wel geen sms’, zei hij inNRC Handelsblad. ‘Ik sluit niks uit. Een kind is dood, dat is niet te verdragen. De ouders schamen zich. Met zo’n brief is dan alles opgelost. Dan heb je een externe vijand: het pesten.’

De suggestie dat de brief verzonnen was, kwam Molenaar op zo veel kritiek te staan dat hij niet anders kon dan inbinden. De VARA stelde een onderzoek in, waarvan de uitkomsten intern bleven. Of Molenaar integer heeft gehandeld, is nog steeds niet bekend. Toch is het goed dat hij het ware verhaal achter deze mediahype probeerde te achterhalen, vindt Vasterman. ‘Pesten is nooit de enige aanleiding. Dat doet geen recht aan de complexe aard van zelfmoord.’

Geen verband

Ook in het geval van de 15-jarige Fleur Bloemen, die op 11 december 2012 voor de trein sprong in Staphorst, blijft er onduidelijkheid over de rol van pesten. Direct na haar overlijden wees alles erop dat pesten de oorzaak was. In een afscheidsbrief zou ze hebben geschreven dat ze werd gepest. Maar een half jaar later concludeerde een onderzoekscommissie dat Fleur niet chronisch werd gepest en er geen rechtstreeks verband was met haar dood.

Een goede vriend van het meisje zat twee weken geleden in de studio van het BNN-programma Dag tegen pesten. ‘Dit is het laatste wat ik voor Fleur kan doen’, zei hij. ‘Wat doe je dan nu?’, vroeg presentator Arie Boomsma. ‘Proberen ervoor te zorgen dat er zo min mogelijk wordt gepest. Dat mensen die nu kijken denken: dit is echt heftig. Ook al maak ik maar één iemand bewust, dan heb ik een goed gevoel.’ 

Dat er twijfels zijn over de oorzaak van haar zelfmoord werd niet gemeld. 

Project P: Stop Het Pesten. Vanaf vanavond elke maandag 20.30 uur, RTL 5.

april 29, 2014Permalink

Cloud in de zorg zo veel beren op de weg

Ik werk als adviseur in de ICT. Steeds vaker praat ik met klanten over de cloud in de zorg. De voorspelbare maandelijkse kosten, grote schaalbaarheid en snelle levering van ICT-diensten maken dit business model aantrekkelijk. Ook zorginstellingen tonen soms interesse, al merk ik dat zij er nog ietwat afwachtend tegenover staan. Dat komt mijn inziens doordat ze wel de negatieve signalen oppikken maar de kansen van cloud diensten onvoldoende op waarde weten te schatten.

Continue reading

april 29, 2014Permalink

Zorgkoekoeksjong AWBZ

Een paar maanden geleden is mijn vader naar een verzorgingstehuis gegaan. Hij is 90 en het kon niet langer. Na elk bezoek was ik als de dood dat hij het gas had laten aanstaan en het huis de lucht in vloog. Ik heb gezien hoe zo’n verhuizing verlies en verdriet brengt. Weg zijn je spullen, je kennissen en buren, weg is je hobby – in het geval van mijn vader een verdieping vol boeken. Nu zit hij in een zonnige flat, daar niet van. Maar er staat één IKEA-boekenkastje en hij is intussen vrijwel opgehouden met lezen.

 

Ik ben dus ervaringsdeskundige in de zorg. En ik begrijp de mevrouw van de tv die vermagerde en depressief werd omdat ze naar een ander verzorgingstehuis moest. Ze komt prominent voor in het SP-verhaal over ‘gedwongen verhuizingen’. Ben je eindelijk gewend, weer verkassen omdat je verzorgingstehuis dichtgaat. Dat is pijnlijk maar een ‘meldpunt gedwongen verhuizingen’ lijkt me overdreven. Het is de Goelag niet. Deze week was kortom weer zorgweek in de Tweede Kamer, over de bezuinigingen op zorg voor langdurig zieken en bejaarden. De SP is mordicus tegen, de Abvakabo demonstreerde, prominenten pleitten paginagroot voor een jaar uitstel.

Beeldvorming

Over de langdurige zorg is een slag in de beeldvorming gaande. De media spelen niet zo’n mooie rol. De regelingen zijn enorm ingewikkeld en dus is casuïstiek keukenmeester. Staatssecretaris Martin van Rijn kan niet op tegen één treurig geval op tv, maar laten wij het oog op de bal houden zoals ze in Den Haag zeggen.

De AWBZ, waarin de vergoedingen zijn geregeld, is een alles verscheurend monster. De zorg in zijn geheel kost nu 90 miljard per jaar – het complete lager onderwijs staat voor zes weken zorg. De AWBZ: 25 miljard per jaar. De kosten van de gehandicaptenzorg zijn sinds de eeuwwisseling verdubbeld, terwijl er nauwelijks meer gehandicapten zijn. Geestelijke gezondheidszorg: idem. Het is een koekoeksjong, om met de econoom Flip de Kam te spreken, dat alle andere prioriteiten over de rand duwt.

Nu vindt Actiz-directeur Koster dat er geen tehuizen dicht mogen. ‘Breek niet af wat je misschien nog nodig hebt.’

Het is veel geld en dus is er geen gebied waar de belangen zo groot zijn. Vandaar die slag om de beeldvorming. De gedwongen verhuizingen zijn een goed voorbeeld. Er gaan tehuizen dicht en dat staat niet mooi voor de regering. Meer bejaarden, minder plaatsen, dat kan toch niet. De SP is tegen en weet zich verrassend aan de zijde van zorgwerkgeverskoepel Actiz. Twee jaar geleden vonden ze bij Actiz nog dat er nodig iets moest gebeuren aan de AWBZ. ‘Dat bastion moet gesloopt.’ Nu vindt Actiz-directeur Koster dat er geen tehuizen dicht mogen. ‘Breek niet af wat je misschien nog nodig hebt.’

260414 © de Volkskrant - rb. Bron: CBS

260414 © de Volkskrant – rb. Bron: CBS

Maar niet alles is de schuld van de regering. Het aantal plaatsen in verzorgingstehuizen neemt al af sinds 1985 (!). Omdat ouderen inderdaad zo lang mogelijk thuis willen blijven. Ze willen ook niet meer naar zo’n kleine flat. Als er dan toch moet worden verhuisd, dan liever naar een aanleunwoning met up-to-date-service. Bij Actiz geven ze achter de hand toe: er zijn nogal wat tehuizen die achterlopen. Klanten komen niet, leegstand dreigt en een financieel debacle voor de instelling. Dan komt zo’n actie tegen ‘gedwongen verhuizingen’ mooi uit, en een staatssecretaris als kop van jut. Maar ‘follow the money’ is nog altijd een uitstekend instrument om de verontwaardiging te peilen.

Ontslagen

Zoveel zielen, zoveel belangen. De gemeenten vochten om hun deel van het been, de ggz, de gehandicapten. Abvakabo zegt voorlopig nee tegen alles, onder steeds straffere SP-leiding. En het helpt, 600 miljoen verzachting, 100 miljoen voor de herplaatsing van ontslagen medewerkers uit de thuiszorg. Dat is het tweede gegeven waar voor de regering nauwelijks tegenop te argumenteren is: meer dan vijftigduizend ontslagen in de thuiszorg. Hoe kan dat, terwijl er juist steeds meer hulpbehoevende ouderen thuis moeten blijven?

Van Rijn is een fijne kop van jut... Foto ANP

Van Rijn is een fijne kop van jut… Foto ANP

Ook hier heeft het AWBZ-monster zijn werk gedaan. In geen enkel ander land wordt huishoudelijke hulp voor bejaarden vergoed. Die hulp wordt afgesplitst naar gemeenten die moeten beoordelen wie in aanmerking komt. Dat gaat gepaard met veel ontslag. Ook dat is pijnlijk, maar wie bezuinigt in de zorg, bezuinigt nu eenmaal op salarissen. 3 miljard minder uitgeven betekent honderdduizend banen minder, als het gemiddelde jaarsalaris ruwweg 30 duizend euro is. Het is kil gereken maar het staat nog altijd in geen verhouding tot de AWBZ-groei van de afgelopen tien jaar.

Het zou anders kunnen als de mensen zelf meer betalen. Als ervaringsdeskundige kan ik bevestigen dat ouderen inderdaad rijk zijn. Mijn vader heeft een prima pensioen van de Hoogovens, waar hij bedrijfsverpleger was. Dat is heus geen directiebaan. Om onduidelijke redenen heeft hij de eerste periode in het tehuis niet meer dan 400 euro per maand betaald. Hij vergat alles en werd onderwijl rijk. Per mei gaat hij de volle mep betalen, AOW plus een deel van het pensioen. Het is nog altijd riant. Zoals ze in Den Haag zeggen, hou het oog op de bal.

Marcel doet het weer...Foto ANP

Marcel doet het weer…Foto ANP

PS. A propos de Van Dam-onomics van deze week. Marcel deed het weer, uitleggen dat de zorg gemakkelijk te betalen is uit de economische groei. Zijn bewijsvoering bestreek de periode 1975-2007, waarin de economische groei vooral in het begin keurig opliep met een bescheiden toename van de zorgconsumptie. Mooi beweerd, briljant gelogen. Want waarom precies tot 2007? Omdat het sindsdien crisis is en dus andere koek. In de zeven jaar nadien beloopt de groei bij elkaar nauwelijks 10 procent. Terwijl het zorgkoekoeksjong in dezelfde tijd zo’n 35 procent is toegenomen. Ik heb even geen vragen meer over de betaalbaarheid van de zorg.

april 28, 2014Permalink

De macht van het woord

Het begon met een onschuldig bericht op Twitter. Ik deelde een artikel dat ik zojuist was tegengekomen, over de ervaringen van een Aziatische transvrouw. Doordat ze eerst als man en daarna als vrouw had geleefd, had ze een scherp inzicht in sekse-stereotypen gekregen – ze zijn er altijd, overal, en dwingend – wat ik interessant vond.


Op mijn berichtje kwam een onverwachte reactie. ‘Trans vrouw. Niet transvrouw’, corrigeerde één van mijn lezers me. Ze stuurde een blogpost mee, waarin het nut van deze extra spatie werd toegelicht met een hartstocht die ik normaliter niet associeer met interpunctie. ‘Ik ben verbijsterd dat ik ooit heb gedacht dat het oké was om het als één woord te schrijven’, stond er. Blijkbaar, zo las ik, impliceer je door geen spatie te gebruiken dat er twee soorten vrouwen zijn: echte vrouwen en transvrouwen. Door een spatie toe te passen verbreek je dat onderscheid; dan is ‘trans’ immers slechts een bijvoeglijk naamwoord en horen alle dames, trans of niet, zelfstandig naamwoordsgewijs weer gewoon bij dezelfde groep.

Een woord als ‘autist’ is niet langer toegestaan. Dit moet ‘mensen met autisme’ zijn, want anders reduceer je hen tot hun stoornis en dat is niet cool.

Het was niet de eerste keer dat ik in zo’n taalkundige discussie terecht kwam. Zo mag je tegenwoordig niet meer zeggen ‘PvdA’ers zijn gek’, want dat is niet accepterend tegenover lieden met psychische problemen (de voormalig gekken). Het woord ‘blank’ (als in: huidskleur) kun je het beste vervangen door ‘wit’, om de bijsmaak van puur en smetteloos te vermijden. Over ‘neger’ hoeven we het niet eens te hebben; dat is inmiddels zo beladen dat het in de categorie ‘zwartjes’ en ‘bruinjoekels’ thuishoort. En homoseksuelen zijn al geruime tijd niet meer homofiel, en hebben daarnaast geen seksuele voorkeur of geaardheid meer, maar een oriëntatie (ik weet even niet meer precies waarom). Ook een woord als ‘autist’ is niet langer toegestaan. Dit moet ‘mensen met autisme’ zijn, want anders reduceer je hen tot hun stoornis en dat is niet cool.

Om eerlijk te zijn krijg ik er soms een punthoofd van. Als schrijver heb ik namelijk graag mijn beschikking over het volledige palet der Nederlandse taal. Daarnaast doet de spatiehebbende ‘trans vrouw’ onze spellingsregels geweld aan: het Groene Boekje stelt duidelijk dat men woorden met voorvoegsels van Griekse of Latijnse oorsprong als samenstelling dient te schrijven (zoals ook locoburgemeester, coassistent).

Leidt dit geklets over goede en foute woorden niet af van waar het echt om gaat?

Komt bij dat door al die verboden woorden toch al niet eenvoudige discussies over seksualiteit, racisme, psychiatrie en gender veranderen in een mijnenveld. Taalkundig micromanagement maakt dat je nauwelijks meer vrijuit en openhartig kunt spreken zonder ergens de mist in te gaan. Bovendien oogt het allemaal zo ontzettend lullig; hebben we bijvoorbeeld qua racisme niet veel meer te vrezen van een Duindorper die zijn wijk wil schoonvegen dan van een verder welwillend persoon die zwarte mensen halsstarrig ‘negers’ blijft noemen? Leidt dit geklets over goede en foute woorden niet af van waar het echt om gaat, namelijk de vrij beroerde manier waarop we in Nederland met minderheden omgaan? En, vraag ik me dan af: als de strijd om emancipatie van die minderheden op woordniveau gevoerd moet worden, is hij dan niet eigenlijk al verloren?

En toch. Ik kan ook niet ontkennen dat taal macht heeft. Anderhalve week geleden schreef psychologiehoogleraar Mark van Vught in zijn blog op Vonk over de ontmenselijking die voorafging aan de genocide op de Tutsi’s in Rwanda, tien jaar geleden. Hij vertelt hoe een radiostation de Hutu’s herhaaldelijk opriep om ‘de kakkerlakken uit te roeien’. Hier werden woorden een soort wapens.

Van een compleet andere maar toch schokkende orde waren de woorden die schrijfster Yvonne Kroonenberg uitte in een interview dat ze gaf aan HP/De Tijd. Ze noemde Noord-Amsterdammers en mensen bij de Action primitief. ‘Ik liep daar rond en probeerde die mensen te begrijpen, op dezelfde manier als dat ik me probeer te verdiepen in het geestelijk leven van dieren.’ En: ‘Iedereen noemt zich ook maar mens tegenwoordig.’

Dat laatste was volgens Kroonenberg een grapje, maar dit is wel precies wat er aan de basis ligt van die ogenschijnlijke muggenzifterij over taal. Wanneer we iemand een autist noemen, of neger, of transvrouw, zetten we hem of haar daarmee apart van de rest van de mensen. Een buitencategorie. Niet als wij. Anders. Vreemd. Niet echt een mens zoals ik een mens ben. Zelfs als dat onbewust of uit onnadenkendheid gebeurt, hebben zulke woorden de macht om de kloof tussen wij en zij te scheppen of te bevestigen. Ik ben verbijsterd dat ik ooit heb gedacht dat dit oké was.

 

april 28, 2014Permalink

De macht van het woord

Het begon met een onschuldig bericht op Twitter. Ik deelde een artikel dat ik zojuist was tegengekomen, over de ervaringen van een Aziatische transvrouw. Doordat ze eerst als man en daarna als vrouw had geleefd, had ze een scherp inzicht in sekse-stereotypen gekregen – ze zijn er altijd, overal, en dwingend – wat ik interessant vond.


Op mijn berichtje kwam een onverwachte reactie. ‘Trans vrouw. Niet transvrouw’, corrigeerde één van mijn lezers me. Ze stuurde een blogpost mee, waarin het nut van deze extra spatie werd toegelicht met een hartstocht die ik normaliter niet associeer met interpunctie. ‘Ik ben verbijsterd dat ik ooit heb gedacht dat het oké was om het als één woord te schrijven’, stond er. Blijkbaar, zo las ik, impliceer je door geen spatie te gebruiken dat er twee soorten vrouwen zijn: echte vrouwen en transvrouwen. Door een spatie toe te passen verbreek je dat onderscheid; dan is ‘trans’ immers slechts een bijvoeglijk naamwoord en horen alle dames, trans of niet, zelfstandig naamwoordsgewijs weer gewoon bij dezelfde groep.

Een woord als ‘autist’ is niet langer toegestaan. Dit moet ‘mensen met autisme’ zijn, want anders reduceer je hen tot hun stoornis en dat is niet cool.

Het was niet de eerste keer dat ik in zo’n taalkundige discussie terecht kwam. Zo mag je tegenwoordig niet meer zeggen ‘PvdA’ers zijn gek’, want dat is niet accepterend tegenover lieden met psychische problemen (de voormalig gekken). Het woord ‘blank’ (als in: huidskleur) kun je het beste vervangen door ‘wit’, om de bijsmaak van puur en smetteloos te vermijden. Over ‘neger’ hoeven we het niet eens te hebben; dat is inmiddels zo beladen dat het in de categorie ‘zwartjes’ en ‘bruinjoekels’ thuishoort. En homoseksuelen zijn al geruime tijd niet meer homofiel, en hebben daarnaast geen seksuele voorkeur of geaardheid meer, maar een oriëntatie (ik weet even niet meer precies waarom). Ook een woord als ‘autist’ is niet langer toegestaan. Dit moet ‘mensen met autisme’ zijn, want anders reduceer je hen tot hun stoornis en dat is niet cool.

Om eerlijk te zijn krijg ik er soms een punthoofd van. Als schrijver heb ik namelijk graag mijn beschikking over het volledige palet der Nederlandse taal. Daarnaast doet de spatiehebbende ‘trans vrouw’ onze spellingsregels geweld aan: het Groene Boekje stelt duidelijk dat men woorden met voorvoegsels van Griekse of Latijnse oorsprong als samenstelling dient te schrijven (zoals ook locoburgemeester, coassistent).

Leidt dit geklets over goede en foute woorden niet af van waar het echt om gaat?

Komt bij dat door al die verboden woorden toch al niet eenvoudige discussies over seksualiteit, racisme, psychiatrie en gender veranderen in een mijnenveld. Taalkundig micromanagement maakt dat je nauwelijks meer vrijuit en openhartig kunt spreken zonder ergens de mist in te gaan. Bovendien oogt het allemaal zo ontzettend lullig; hebben we bijvoorbeeld qua racisme niet veel meer te vrezen van een Duindorper die zijn wijk wil schoonvegen dan van een verder welwillend persoon die zwarte mensen halsstarrig ‘negers’ blijft noemen? Leidt dit geklets over goede en foute woorden niet af van waar het echt om gaat, namelijk de vrij beroerde manier waarop we in Nederland met minderheden omgaan? En, vraag ik me dan af: als de strijd om emancipatie van die minderheden op woordniveau gevoerd moet worden, is hij dan niet eigenlijk al verloren?

En toch. Ik kan ook niet ontkennen dat taal macht heeft. Anderhalve week geleden schreef psychologiehoogleraar Mark van Vught in zijn blog op Vonk over de ontmenselijking die voorafging aan de genocide op de Tutsi’s in Rwanda, tien jaar geleden. Hij vertelt hoe een radiostation de Hutu’s herhaaldelijk opriep om ‘de kakkerlakken uit te roeien’. Hier werden woorden een soort wapens.

Van een compleet andere maar toch schokkende orde waren de woorden die schrijfster Yvonne Kroonenberg uitte in een interview dat ze gaf aan HP/De Tijd. Ze noemde Noord-Amsterdammers en mensen bij de Action primitief. ‘Ik liep daar rond en probeerde die mensen te begrijpen, op dezelfde manier als dat ik me probeer te verdiepen in het geestelijk leven van dieren.’ En: ‘Iedereen noemt zich ook maar mens tegenwoordig.’

Dat laatste was volgens Kroonenberg een grapje, maar dit is wel precies wat er aan de basis ligt van die ogenschijnlijke muggenzifterij over taal. Wanneer we iemand een autist noemen, of neger, of transvrouw, zetten we hem of haar daarmee apart van de rest van de mensen. Een buitencategorie. Niet als wij. Anders. Vreemd. Niet echt een mens zoals ik een mens ben. Zelfs als dat onbewust of uit onnadenkendheid gebeurt, hebben zulke woorden de macht om de kloof tussen wij en zij te scheppen of te bevestigen. Ik ben verbijsterd dat ik ooit heb gedacht dat dit oké was.

april 24, 2014Permalink

Hoe ideeën de wereld veranderen

 

Het is een harde waarheid: mensen veranderen bijna nooit van mening. Toch wordt de geschiedenis geregeerd door ideeën, alleen op een heel andere manier dan politici en journalisten vaak denken. Dat is, ironisch genoeg, de belangrijkste les van het neoliberalisme. En het verklaart ook waarom er zo weinig is veranderd sinds de uitbraak van de crisis in 200

Correspondent Vooruitgang

Rutger BREGMAN

'Als de werkelijkheid schuurt met onze diepste overtuigingen, dan morrelen we liever aan die werkelijkheid dan aan ons wereldbeeld.’ Foto: Getty Images
‘Als de werkelijkheid schuurt met onze diepste overtuigingen, dan morrelen we liever aan die werkelijkheid dan aan ons wereldbeeld.’ Foto: Getty Images
In de nazomer van het jaar 1954 zag een jonge, briljante psycholoog, een merkwaardig bericht op de achterpagina van zijn krant.‘PROFETIE VAN PLANEET. LUIDE ROEP NAAR STAD: VLUCHT VOOR DIE VLOED.’De psycholoog, Leon Festinger genaamd, fronste zijn wenkbrauwen. ‘De stad zal vernietigd worden door een grote vloed vlak voor zonsopgang op 21 december,’ stond er verderop in het bericht. Dat zou een huisvrouw uit een buitenwijk van Chicago hebben gezegd. ‘De boodschap is haar gezonden door superieure wezens van een planeet die “Clarion” wordt genoemd. Deze wezens hebben de aarde bezocht in vliegende schotels.’Dit was waar Festinger op zat te wachten. Al jaren deed hij onderzoek naar de vraag wat er gebeurt als mensen een hevige crisis doormaken in hun denken. Hoe zou de vrouw reageren als de vliegende schotels haar niet zouden komen redden? Of erger nog: als die grote vloed nooit zou komen? Festinger ontdekte dat Dorothy Martin niet de enige was die geloofde dat de wereld ten onder zou gaan op 21 december. Een stuk of tien van haar volgelingen – intelligente, hartelijke en eigenlijk best gewone Amerikanen – hadden zelfs hun baan opgezegd, hun bezittingen verkocht of hun echtgenoot verlaten.

Hoe zou de vrouw reageren als de vliegende schotels haar niet zouden komen redden?

Festinger besloot de sekte te infiltreren. Het viel hem op dat de gelovigen nauwelijks moeite deden andere mensen ervan te overtuigen dat het einde nabij was. Na de publicatie van het krantenbericht had mevrouw Martin namelijk bezoek gehad van buitenaardse wezens, die haar opdroegen haar kennis zoveel mogelijk voor zich te houden.

Op de ochtend van 20 december 1954 was het bijna zover. Mevrouw Martin kreeg een nieuwe boodschap van boven. ‘Om middernacht zullen jullie in geparkeerde auto’s worden meegenomen naar een plaats waar jullie aan boord van een vliegende schotel zullen gaan.’ Er ging een golf van opwinding door de groep. Halsoverkop werden alle metalen voorwerpen opgeborgen (die zouden problemen opleveren in de vliegende schotels). De telefoon werd niet meer opgenomen.

Het grote wachten begon.

Het is toch nog vijf voor twaalf

23.15 uur: Mevrouw Martin krijgt bericht dat de groep de jas moet aantrekken en klaar moet staan.

23.30 uur: Een van de aanwezigen herinnert zich dat er metaal zit in de punt van zijn schoen. Na een korte discussie wordt voorgesteld dat hij zijn veters losmaakt, zodat hij zijn schoenen snel uit kan doen voordat hij de vliegende schotel instapt.

23.35 uur: Festinger zegt dat hij zijn gulp, die van metaal is, nog in zijn broek heeft zitten. Er wordt geschokt gereageerd. Iemand snijdt zijn gulp er haastig uit.

23.50 uur: Festingers broek wordt weer dichtgenaaid.

24.00 uur: Er gebeurt niets.

0.05 uur: Een van de gelovigen ziet dat er nog een andere klok in de kamer hangt, waarop het nog vijf voor twaalf is. De groep stemt in: het is nog geen middernacht.

0.10 uur: Bericht van de buitenaardse wezens. De vliegende schotels hebben wat vertraging opgelopen.

0.15 uur: De telefoon gaat een paar keer. Journalisten willen weten of de wereld al vergaan is.

2.00 uur: Een van de jonge volgelingen, die had verwacht nu een paar lichtjaren verderop in de ruimte te zijn, herinnert zich dat zijn moeder de politie zou bellen als hij niet voor twee uur thuis zou zijn. Hij neemt snel afscheid. De anderen verzekeren hem dat zijn vertrek een offer is om de rest van de groep te redden.

4.00 uur: ‘Ik heb alles opgegeven,’ merkt een van de gelovigen op. ‘Ik heb mijn rug naar de wereld toegekeerd. Ik kan het me niet veroorloven om te twijfelen. Ik moet geloven.’

4.45 uur: Mevrouw Martin heeft een nieuw boodschap doorgekregen. God heeft besloten de aarde te sparen. Er is die nacht door de kleine groep gelovigen zoveel ‘licht’ verspreid, dat de aarde gered is.

4.50 uur: Nog een boodschap van boven. De buitenaardse wezens willen dat het goede nieuws zo snel mogelijk aan de pers wordt verteld.

Vanaf dat moment wordt de sekte missionair. Nog voor de zon is opgegaan, zijn alle lokale kranten en radiostations geïnformeerd.

 


Een ufo gefotografeerd in 1979 vanuit een vliegtuig nabij de Clarence-rivier in Nieuw-Zeeland. Foto: Getty Images

 

De aarde warmt helemaal niet op

‘Een man met een overtuiging is moeilijk van gedachten te veranderen,’ zo begon Leon Festinger zijn beroemde verslag When Prophecy Fails, dat in 1956 verscheen. Het wordt nog altijd als een van de belangrijkste werken in de sociale psychologie gezien. ‘Vertel de man dat je het met hem oneens bent en hij draait zich om,’ schreef de jonge psycholoog. ‘Confronteer hem met de feiten en cijfers en hij stelt vraagtekens bij je bronnen. Appelleer aan de logica en hij begrijpt niet waar je het over hebt.’

Het is makkelijk om te grinniken bij het verhaal van mevrouw Martin. Maar wat Festinger hier beschreef, daar lijden we allemaal aan. ‘Cognitieve dissonantie,’ noemde hij het. Als de werkelijkheid schuurt met onze diepste overtuigingen, dan morrelen we liever aan die werkelijkheid dan aan ons wereldbeeld. Sterker nog, dan klampen we ons nóg harder vast aan de overtuigingen die we al hadden.De journalist Joe Keohane schreef een paar jaar geleden een interessant stuk over dit ‘backfire’-effect. Net als mevrouw Martin.

Sinds 21 december 1954 zijn er talloze studies gedaan die de ontdekking van Festinger hebben bevestigd. Let wel: het gaat hier niet om onbenullige ideeën (Hoe krijg ik een vlek uit mijn broek? Wat is de beste manier om een komkommer te snijden?). In zulke gevallen willen we best de mening van een ander aannemen. We worden pas halsstarrig als het om onze politieke, ideologische of religieuze overtuigingen gaat.

Neem de volgende opvattingen:

‘Het heeft geen zin misdadigers nog strenger te straffen.’
‘Seks voor het huwelijk is een zonde.’
‘De opwarming van de aarde is een leugen.’

Dit zijn stuk voor stuk ideeën die mensen niet zomaar kunnen opgeven. Ze hebben er meestal te veel in geïnvesteerd. Afscheid nemen zou de identiteit en de positie in een sociale groep (kerk, vereniging of familie) kunnen aantasten. Als het om zulke ideeën gaat staat er veel meer op het spel dan die ideeën alleen.

Hoogopgeleide mensen klampen zich juist het sterkst vast aan hun overtuigingen

Eén ding is het in ieder geval niet: domheid. Onderzoekers van de Universiteit van YaleHier vind je de website van de onderzoeksgroep aan de Universiteit van Yale. hebben juist laten zien dat hoogopgeleide mensen zich het sterkst vastklampen aan hun overtuigingen. Een opleiding helpt je om je mening nog beter te verdedigen. Slimme mensen zijn uiterst bedreven in het vinden van nieuwe argumenten, experts en onderzoeken die bevestigen wat ze al geloven. En reken maar dat Google het nóg makkelijker maakt je eigen mening te consumeren: dat extra stukje bewijs is altijd slechts een muisklik verwijderd.

Slimme mensen gebruiken hun verstand niet om het juiste antwoord te krijgen, concludeert de journalist Ezra Klein,Ezra Klein schreef hier een mooi stuk over voor de website Vox.com ze gebruiken hun verstand om het antwoord te krijgen waarvan ze wíllen dat het juist is.

Toen mijn klok 12 uur sloeg

Een halfjaar geleden schreef ik een stuk over waarom we de werkweek moeten inkorten. Ik had er allerlei argumenten voor gevonden. Zo is minder werken goed voor het klimaat en worden we er nog gelukkig van ook. Ik moest denken aan dat stuk terwijl ik over het werk van Festinger las. En dan met name aan een artikel dat ik indertijd was tegengekomen. ‘Shorter Workweek May Not Increase Well-Being,’ stond erboven.Het stuk in The New York Times vind je hier. Het was een bericht inThe New York Times over een studie uit Zuid-Korea waar de werkweek met 10 procent was ingekort, zonder dat mensen er gelukkiger van waren geworden. Toen ik verder googeldeHet stuk in The Telegraph. las ik in The Telegraph dat minder werken zelfs slecht voor de gezondheid zou kunnen zijn.

Mijn klok had twaalf uur geslagen. Ik zette meteen een paar defensiemechanismen in werking. Om te beginnen had ik mijn twijfels bij de bron: The Telegraph is een nogal populistische krant, hoe serieus kon ik dat bericht eigenlijk nemen? En in The New York Times stond er ‘may’ in de kop. Hoe zeker waren de onderzoeksresultaten eigenlijk? Verder dacht ik: ach, die Zuid-Koreanen zijn totale workaholics, die hebben vast buiten de baas zijn tijd doorgewerkt. En geluk, kun je dat eigenlijk wel meten? Nee toch?

Ik heb het onderzoek niet verder bestudeerd. Ik had mezelf er al van overtuigd dat het niet relevant was. 

Wat heb je eigenlijk aan een idee?

‘Hamer lekker verder op je aambeeld,’ sneerde iemand een tijd geleden op Twitter.Bekijk die Twitter-conversatie hier. Ik had hem net een paar van mijn stukken toegestuurd, over die kortere werkweek en waarom we een basisinkomen zouden moeten invoeren. Maar zijn boodschap was helder: wat heb je aan zulke rare ideeën als een kabinet al over iets knulligs als het begrotingstekort kan vallen?

Toen vroeg ik het me af: kunnen nieuwe ideeën eigenlijk wel de wereld veranderen?

Als dit waar is, dan klopt het centrale uitgangspunt van onze democratie, onze journalistiek en ons onderwijs niet

In eerste instantie zou je zeggen: nee, mensen hameren toch wel verder op hun eigen aambeeld. Aan de andere kant: als ons wereldbeeld niet op harde feiten en argumenten is gestoeld, dan moeten ideeën misschien gewoon genoeg gepredikt worden om impact te hebben. Het gaat er niet om een enkele discussie te winnen, het gaat om het verschuiven van een hele agenda. Bedenk: de tijdgeest is nu totaal anders dan in de jaren zeventig, toen werkloosheid nog als een collectief probleem werd gezien, het strafklimaat veel milder was en pedofilie tot in de Eerste Kamer werd vergoelijkt. Wat dat laatste betreft: pas toen kindermoordenaar Marc Dutroux werd opgepakt, in 1996, veranderden we echt van mening.Andere Tijden maakte hier een prachtige aflevering over.

Een plotselinge schok kan, met andere woorden, wonderen doen. James Kuklinski van de Universiteit van Illinois heeft ontdekt dat als je iemand zo direct mogelijk met nieuwe, ongemakkelijke feiten confronteert,Zie pagina 810 van dit paper. hij dan eerder geneigd is van mening te veranderen. 

Dit is nogal wat. Als het waar is, dan klopt het centrale uitgangspunt van onze democratie, onze journalistiek en ons onderwijs niet. Dan is het verlichte model van hoe mensen van mening veranderen – door zich goed te informeren en rustig argumenten uit te wisselen – slechts een verdediging van de status quo. Dan zal diegene die zich blindstaart op het belang van rationaliteit, nuance en compromissen nooit begrijpen hoe ideeën de wereld daadwerkelijk regeren.

Een wereldbeeld is geen blokkendoos waar zo nu en dan een blokje bijkomt en weer afgaat. Een wereldbeeld is een kasteel, dat met hand en tand wordt verdedigd, dat onder druk zelfs sterker wordt, tenzij de druk zo groot wordt dat de muren het begeven.

Neem het succes van Pim Fortuyn, die al in 1997 zijn pamflet Tegen de islamisering van onze cultuur publiceerde, maar pas echt furore maakte na de val van de Twin Towers. Ineens schoof de hele Nederlandse politiek op naar rechts. Problemen die jarenlang taboe waren, werden ineens een nationale obsessie. Ook het neoliberalisme kreeg politici van rechts tot links in haar greep – van Ronald Reagan tot Bill Clinton, van Ruud Lubbers tot Wim Kok. Toen Margaret Thatcher werd gevraagd wat ze als haar grootste overwinning beschouwde, antwoordde ze: New Labour. Zelfs de sociaaldemocraten hadden haar ideeën overgenomen.

Mensen hebben ‘een grootse opvatting van de politiek’

Mensen zijn dan ook kuddedieren. Terwijl Leon Festinger de sekte van mevrouw Martin infiltreerde, liet de psycholoog Solomon Asch zien dat we onder groepsdruk zelfs bereid zijn onze zintuigen te negeren. In een beroemd experiment liet hij een proefpersoon een kaartje met drie lijnen zien. Vervolgens vroeg hij welke lijn het langste was. Als de mensen om de proefpersoon heen (in werkelijkheid de collega’s van Asch) allemaal hetzelfde, overduidelijk verkeerde antwoord gaven, dan deed de werkelijke proefpersoon dat ook.

In de politiek is het niet anders. De Vlaamse socioloog Mark Elchardus heeft laten zien dat mensen niet zozeer stemmen op basis van hoe ze hun eigen leven ervaren, maar op basis van hoe ze de samenleving zíen. We willen niet weten wat Den Haag voor ons alleen kan doen; we willen weten wat Den Haag voor ons allemaal kan doen. Mensen hebben, schrijft Elchardus, ‘een grootse opvatting van de politiek.’Dat schreef hij in dit stuk in NRC Handelsblad.

Toch ontdekte Solomon Asch nog iets anders, zestig jaar geleden: één tegenstem kan cruciaal zijn. Wanneer een enkele collega in het experiment pal voor de waarheid bleef staan en de juiste lijn aanwees, dan bleef de proefpersoon ook veel vaker op zijn eigen zintuigen vertrouwen. Laat dat een aanmoediging zijn voor eenieder die zich een roepende in de woestijn voelt: hamer lekker verder op je aambeeld. Ooit komt jouw moment.

 


Een ufo gefotografeerd in 1957 op vijftien minuten van de Holloman Air Development Center in New Mexico. Foto: Hollandse Hoogte

 

De nacht was nog lang

In 2008 leek het zover. De grootste cognitieve dissonantie sinds de jaren dertig van de vorige eeuw, was daar. Op 15 september viel de zakenbank Lehman Brothers, waarna het mondiale bankwezen in dreigde te storten. In de maanden die volgden sneuvelde het ene na het andere dogma van de vrije markt.

Neem Alan Greenspan, voormalig baas van de Amerikaanse Centrale Bank, die jarenlang als een financiële halfgod was beschouwd. Tijdens een hoorzitting van het Congres zei hij dat hij ‘in staat van geschokt ongeloof’Zo rapporteerde The New York Times. verkeerde. Zijn geloof in het kapitalisme was zwaar beschadigd. ‘Ik heb een fout gevonden. Ik weet niet hoe belangrijk of permanent deze is. Maar ik ben er nogal ondersteboven van.’ Toen een Congreslid hem vroeg of hij misleid was door zijn ideologie, antwoordde Greenspan: ‘Absoluut, precies. Weet je, dat is precies de reden waarom ik zo geshockeerd was, omdat ik al veertig jaar aanzienlijk bewijs had dat het juist heel goed ging.’

De klok had twaalf uur geslagen. De vliegende schotels waren niet geland. Maar de nacht was nog lang.

De les van 21 december 1954 is dat alles om dat moment van crisis draait – en wat er dán gebeurt. Een crisis kan leiden tot een nieuwe, totaal andere overtuiging, maar het kan ook de oude ideeën nog sterker maken. Wat gebeurde er na 15 september 2008? Natuurlijk, deOccupy-bewegingDaar schreef correspondent Jelle Brandt Corstius eerder over. maakte even furore, maar zakte al snel weer ineen. De demonstranten misten een wezenlijk alternatief. Ondertussen verloor links de verkiezingen in de meeste Europese landen. In Griekenland en Italië werd de democratie min of meer afgeschaft. Onder druk van de trojka moest worden hervormd naar neoliberaal model: kleine overheid, flexibele arbeidsmarkt. Maar ook in Noord-Europa was het tijdperk van bezuinigen, en de beruchte 3-procentnorm, begonnen.

En Alan Greenspan? Toen een verslaggever hem een jaar later vroegDat zei hij tegen ABC News. of er nog iets mis was met zijn ideologie, antwoordde de bankier resoluut. ‘Helemaal niet. Er is geen alternatief.’

We verkeren niet in crisis, maar in coma: een diepe, droomloze slaap

Van een fundamentele hervorming van het bankwezen is het niet gekomen. Op Wall Street werden vorig jaar de hoogste bonussen sinds de crash uitgekeerd.Dat rapporteerde Reuters vorige maand. De buffers van banken zijn nog altijd minuscuul. Joris Luyendijk, die twee jaar onderzoek deed naar de financiële sector in Londen, vatDat zei Luyendijk in dit interview. het als volgt samen: ‘Je staat bij Tsjernobyl en je ziet dat ze die reactor weer hebben aangezet, met het oude management.’

Een paar vragen dringen zich op: Was de cognitieve dissonantie van 2008 wel groot genoeg? Of juist te groot? Hadden we al te veel in onze oude overtuigingen geïnvesteerd? Waren er eigenlijk wel alternatieven?

Die laatste vraag knaagt het meest. Het woord ‘crisis’ komt uit het oud-Grieks en betekent letterlijk ‘scheiden,’ of ‘schiften.’ Een crisis zou een moment van de waarheid moeten zijn; een moment waarop een fundamentele keuze wordt gemaakt. Maar het leek net alsof wij die keuze niet konden maken, in 2008. Er waren geen echte alternatieven toen we met de brute, plotselinge disconfirmatie van omvallende banken werden overvallen. We konden slechts doorgaan op de oude weg.

Wat dat betreft verkeren we niet in crisis, maar in coma. Ook dat is oud-Grieks. Het betekent: ‘diepe, droomloze slaap.’

Een kapitalistische verzetsgroep

Dan komen we op een diepe ironie.

Als er twee mensen zijn geweest die jarenlang door de woestijn van ideeën hebben getrokken, helemaal losgingen op hun eigen aambeeld en geloofden dat er eens een crisis zou komen die hun gelijk zou bevestigen, dan waren het de grondleggers van het neoliberalisme. Ik ben een groot bewonderaar van allebei: de ongrijpbare filosoof Friedrich Hayek (1899-1992) en de briljante redenaar Milton Friedman (1912-2006).

‘Neoliberaal’ is tegenwoordig een scheldwoord – iedereen waar Emile Roemer het niet mee eens is komt ervoor in aanmerking. Maar Hayek en Friedman waren trotse neoliberalen. Ze zagen het als hun dure plicht het liberalisme opnieuw uit te vinden.Zie bijvoorbeeld dit essay van Friedman uit 1951 over de toekomst van het neoliberalisme. ‘We moeten het bouwen van een vrije samenleving eens te meer een intellectueel avontuur maken,’ schreef Hayek. ‘Wat we missen is een liberaal Utopia.’De citaten van Friedman en Keynes in dit stuk komen grotendeels uit dit boek van Angus Burgin.

Zelfs als je denkt dat het schurken waren, dat we alle ellende van de afgelopen dertig jaar aan hen te danken hebben, dat ze het graaien hebben uitgevonden en hoofdverantwoordelijk zijn voor de Grote Recessie die miljoenen mensen in ellende heeft gestort – zelfs dán kun je nog veel leren van Friedrich Hayek en Milton Friedman.

‘We moeten het bouwen van een vrije samenleving eens te meer een intellectueel avontuur maken. Wat we missen is een liberaal Utopia’

De een kwam uit Wenen, de ander uit New York. Allebei geloofden ze in de kracht van ideeën. Jarenlang behoorden ze tot een kleine minderheid, een sekte bijna, die buiten de cocon van het mainstream denken opereerde. Maar samen hebben ze die cocon verbrijzeld. Samen hebben ze de wereld op zijn kop gezet zoals geen dictator of multimiljardair hen dat na had kunnen doen. Ze maakten gehakt van het levenswerk van hun grote rivaal, de Britse econoom John Maynard Keynes. Met die laatste waren ze het over één ding namelijk wel eens: de ideeën van economen en filosofen zijn veel belangrijker dan de gevestigde belangen van zakenlui en politici.

Het verhaal begint op 1 april 1947, bijna een jaar na de dood van Keynes. In een klein Zwitsers dorpje, Mont Pèlerin genaamd, kwamen veertig filosofen, historici en economen bijeen. Sommigen hadden weken op zee gezeten om erbij te kunnen zijn. ‘Er zijn nog maar weinig mensen over die geen socialist zijn,’ had Hayek eerder al verzucht. Zelfs een voorzichtige verdediging van de vrije markt werd in 1947 nog als door en door reactionair gezien. Hayek voelde zich ‘hopeloos uit de toon met zijn tijd.’

Maar in het Zwitserse dorpje kon vrijuit worden gesproken. Samen vormden de veertig denkers een kapitalistische verzetsgroep tegen een socialistische overmacht. Ook Milton Friedman was van de partij, die eerste van april. ‘Hier was ik dan, een jonge, naïeve Amerikaanse provinciaal,’ herinnerde hij zich later. ‘Ik ontmoette mensen van over de hele wereld, die allemaal aan dezelfde liberale principes waren toegewijd, belegerd in hun eigen land. Maar sommigen van hen waren al beroemde wetenschappers, en anderen waren voorbestemd dat te worden.’ Uiteindelijk zou de Mont Pèlerin Society maar liefst acht Nobelprijswinnaars voorbrengen.

Samen vormden de veertig denkers een kapitalistische verzetsgroep tegen een socialistische overmacht

In 1947 kon niemand dat nog bevroeden. Grote delen van Europa lagen in puin. Tijdens de wederopbouw zouden de idealen van Keynes de boventoon voeren: volledige werkgelegenheid, het indammen van de vrije markt en het reguleren van het bankwezen. De oorlogsstaat werd omgevormd tot verzorgingsstaat.

Toch waren het deze jaren waarin het neoliberalisme wortel schoot. De Mont Pèlerin Society groeide uit tot een van de belangrijkste denktanks van de twintigste eeuw. Het werd een broedplaats van ideeën, die het gedachtegoed van Keynes uiteindelijk te grave zou dragen. ‘Samen brachten ze een wereldwijde verandering van beleid tot stand,’ schrijft de historicus Angus Burgin, ‘waarvan de gevolgen nog decennia zullen doorwerken.’

In de jaren zeventig nam Friedman de voorzittershamer van Hayek over. De kleine Amerikaan met de grote bril overtrof de Oostenrijker in energie en enthousiasme. Eigenlijk was er geen probleem of Friedman gaf de overheid er de schuld van. En steeds zag hij de markt als oplossing. Werkloosheid? Schaf het minimumloon af. Natuurramp? Laat private organisaties de hulp organiseren. Slechte scholen? Privatiseer het onderwijs. Dure zorg? Ook privatiseren, en schaf dan ook de inspectie af. Drugsmisbruik? Legaliseren en handelen maar.

Friedman deed er alles aan zijn ideeën aan de man te brengen. Lezingen, opiniestukken, radio- en televisieoptredens, populair geschreven boeken en ook een documentaire behoorden tot zijn repertoire. In het voorwoord van Capitalism and Freedom, zijn grootste bestseller, schreef hij dat het de taak van denkers is om alternatieven beschikbaar te houden. Ideeën die nu nog ‘politiek onmogelijk’ leken, zouden later ‘politiek onvermijdelijk’ kunnen worden.

Het was alleen nog wachten op het juiste moment. Alleen een crisis, echt of ingebeeld, kon volgens Friedman reële verandering brengen. ‘Als die crisis plaatsvindt, dan hangt het antwoord af van de ideeën die op dat moment de ronde doen,’ schreef hij. En de crisis kwam, in 1973. In oktober van dat jaar stelde de Organisatie van Arabische Olie Exporterende Landen een embargo in. De inflatie knalde de lucht in, terwijl de recessie zich verdiepte. ‘Stagflatie’ wordt dit ook wel genoemd en het was iets wat helemaal niet kon volgens de Keynesiaanse modellen. Maar Friedman had het al voorspeld. Hij beleefde zijn finest hour.

Alleen een crisis, echt of ingebeeld, kan volgens Friedman de wereld veranderen

De rest van zijn leven bleef hij erop hameren dat zijn succes ondenkbaar was zonder het voorwerk dat sinds 1947 was verricht. De opkomst van het neoliberalisme verliep als een estafette: de denktanks gaven het stokje door aan de journalisten, die het weer doorgaven aan de politiek. Onder de bekeerlingen bevonden zich de machtigste leiders van het Westen: Margaret Thatcher en Ronald Reagan.

Ideeën die aanvankelijk als radicaal en marginaal waren afgedaan, gingen de wereld regeren.

 


Een ufo boven Seattle (VS) in 1947. Foto: Frank Ryman/Hollandse Hoogte

 

De les van het neoliberalisme

Links en rechts bestaan niet meer, hoor je nu vaak. Ik weet niet of dat waar is, maar wat ik wel weet is dat beide geen heldere visie op de toekomst hebben. Het is de ironie van het neoliberalisme: een gedachtegoed dat begon bij een Oostenrijker en een Amerikaan die heilig geloofden in de kracht van ideeën, knijpt de toevloed van nieuwe ideeën af. We zouden aan het ‘einde van de geschiedenis’ zijn gekomen, met de westerse democratie als laatste station en de vrije consument als laatste mens.

Tegen de tijd dat Friedman voorzitter werd van de Mont Pèlerin Society waren de meeste filosofen en historici al vertrokken.  De debatten werden steeds technischer en economischer van aard. Met de komst van Friedman ving een tijdperk aan waarin economen de belangrijkste denkers van de westerse wereld werden.Stephanie Mudge, hoogleraar sociologie, schreef hier onlangs een mooi stuk over. Dat tijdperk is nog altijd niet voorbij.

We leven nu in een wereld van managers en technocraten. Zij bepalen de grenzen van het politiek denkbare. ‘Laten we gewoon de problemen oplossen,’ klinkt het dan. ‘Tijd om het huishoudboekje van de overheid op orde te brengen.’ Politieke keuzes worden voortdurend als een noodzakelijkheid gepresenteerd. Als iets neutraals. Keynes merkte het jaren geleden al op: ‘Praktische mannen, die denken dat ze immuun zijn voor welke intellectuele invloed dan ook, zijn meestal de slaaf van een of andere dode econoom.’

Toen op 15 september 2008 Lehman Brothers viel en de grootste crisis sinds de jaren dertig begon, waren er geen echte alternatieven voorhanden. Het voorwerk was niet verricht. Intellectuelen, journalisten en politici hadden jarenlang betoogd dat we aan het einde van de ‘grote verhalen’ waren gekomen. Dat de ‘ideologische veren’ waren afschud.

Keynes schreef: ‘Praktische mannen, die denken dat ze immuun zijn voor welke intellectuele invloed dan ook, zijn meestal de slaaf van een of andere dode econoom’

In de afgelopen jaren hebben we ons nog wel druk gemaakt over de vrijheid van meningsuiting. Politici en opiniemakers buitelden over elkaar heen in een discussie over de grenzen van het vrije woord, met het proces tegen Geert Wilders als voorlopig hoogtepunt. Maar de vraag is: wat hebben we aan de vrijheid van meningsuiting als we niets nieuws te verkondigen hebben? Kiezers zijn gaan zweven, inderdaad, maar niet omdat partijen zo van elkaar verschillen. Ze zijn steeds meer op elkaar gaan lijken.Dat blijkt bijvoorbeeld uit deze mooie analyse van politicoloog Tom van der Meer.

‘Mensen twijfelen eraan dat ideeën de belangrijkste motor van de geschiedenis zijn,’ schreef Hayek lang geleden, toen nog bijna niemand van het neoliberalisme had gehoord. ‘Dat komt omdat we het zo moeilijk vinden om ons voor te stellen dat ons geloof straks anders kan zijn dan nu.’ Het kan wel een generatie duren, dacht Hayek, voordat nieuwe ideeën de overhand krijgen. Juist daarom zou er niet alleen behoefte zijn aan denkers met geduld, maar ook aan denkers met ‘de moed om utopisch te zijn.’

Laat dat de les zijn van Mont Pèlerin. Het is een les die iedere wereldverbeteraar in zijn oren mag knopen, voordat de klok weer twaalf uur slaat en er niets gebeurt, zoals zestig jaar geleden in een huiskamer in Chicago en zes jaar geleden over de hele wereld. Ideeën, hoe wereldvreemd ze ook zijn, kunnen de wereld veranderen. ‘Waarlijk,’ schreef Keynes, ‘de wereld wordt door weinig anders geregeerd.

 

 

 

 


 

april 24, 2014Permalink

Onbetaalbare zorg

DOOR Marcel van Dam 24 april 2014

Een flinke meerderheid van de spraakmakende gemeente in Nederland, waaronder het neutrale NOS Journaal, verkondigt dag na dag dat de zorg onbetaalbaar is geworden. ‘Onbetaalbaar’ heeft drie betekenissen. Bedoeld kan worden dat je te weinig geld hebt om iets te kunnen betalen, dat je iets te duur vindt om te kopen of dat je wilt uitdrukken dat iets heel erg bijzonder en waardevol is.

 

In het politieke debat domineert de eerste betekenis. De stelling is dat er te weinig geld is om de zorg te kunnen blijven betalen omdat de uitgaven sneller stijgen dan het bruto binnenlands product. Voor die stijging zijn drie oorzaken. In de eerste plaats de technologische vernieuwing. Er komen steeds meer nieuwe medicijnen op de markt en er worden steeds meer nieuwe behandelmethoden toegepast. In de tweede plaats zijn de prijsstijgingen (loonkostenstijging) in de zorg hoger dan in de rest van de economie omdat de kosten vooral uit personeelskosten bestaan. Zorg is bijna niet te automatiseren. In de derde plaats door de vergrijzing. Het aantal oudere mensen wordt groter en ouderdom komt met gebreken. Bovengenoemde drie oorzaken dragen in die volgorde voor ongeveer 50 procent (meer en betere behandelingen), 35 procent (prijsstijgingen) en 15 procent (vergrijzing) bij aan de kostenstijging. Overigens: van de totale zorgkosten gaat niet meer dan 18 procent naar ouderenzorg.

We hebben dus niet te weinig geld om de zorg te kunnen betalen, zoals door veel politici wordt beweerd, maar die politici kiezen ervoor het geld aan iets anders te besteden

Betekent deze kostenstijging dat we te weinig geld hebben om die te betalen? Geenszins. Tussen 1975 en 2007 stegen de zorgkosten gemiddeld per jaar 1 procent meer dan het bruto binnenlands product. Een groei van het bbp met 1,5 procent per jaar is ongeveer 9 miljard euro. Een groei van de zorgkosten met 2,5 procent is ongeveer 1,4 miljard. Volgens deZorgbalans 2013 van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (alle bovenstaande feiten zijn daaraan ontleend) blijft er voldoende ruimte in de economische groei over om de groei van andere collectieve uitgaven te bekostigen.

We hebben dus niet te weinig geld om de zorg te kunnen betalen, zoals door veel politici wordt beweerd, maar die politici kiezen ervoor het geld aan iets anders te besteden. Bijvoorbeeld: volgens minister Dijsselbloem is er dit jaar een meevaller op de zorguitgaven van minstens een miljard. Ons nationale kabinet van VVD, PvdA, D66, ChristenUnie en SGP heeft besloten de helft van die meevaller niet te gebruiken om de stijgende zorgkosten te betalen maar om de belasting van mensen met hogere inkomens te verlagen.

Die meevaller van een miljard had natuurlijk veel beter kunnen worden gebruikt om de decentralisatie van de zorg naar de gemeenten en de enorme reorganisatie waarmee die gepaard gaat geleidelijker en zorgvuldiger te laten verlopen. Het is op zichzelf geen slecht idee om veel zorgarrangementen door gemeenten te laten uitvoeren. Hoe dichter bij huis de zorg is georganiseerd des te beter. De uitkomst zou ook kunnen zijn dat op die manier de zorg goedkoper wordt.

Pervers

Maar niet het beter organiseren van de zorg is hoofddoel, maar de bezuiniging er op. Onder het eufemisme ‘zorg op maat’ zal er minder of vaak helemaal geen zorg meer worden verleend. Met perverse gevolgen. Zoals de massaontslagen die er in de thuiszorg zullen plaatsvinden. ‘Witte’ thuiszorg zal worden vervangen door ‘zwarte’ werksters. Behalve natuurlijk bij ouderen met de laagste inkomens. Die kunnen gewoon lekker goedkoop vervuilen. Zo niet erger. 

Er wordt zelden gesproken over de opbrengst van de zorg. Enorm veel ziekten worden succesvol bestreden, wat niet alleen goed is voor de mensen die er aan lijden maar ook voor hun werkgevers. In het algemeen leven we gemiddeld steeds langer en steeds langer gezond. Na mijn staaroperatie ging er weer een wereld van licht en kleur voor me open. Ik had het ook laten doen als ik het zelf had moeten betalen. Zo niet mensen met een laag inkomen. Per definitie bedreigen bezuinigingen op de zorg vooral mensen met  inkomens waarvan geen (dure) zorg kan worden betaald.

Het is nu al zo dat mensen met een lage opleiding ongeveer zeven jaar korter leven dan mensen met een hogere opleiding

Zo zijn er columnisten die vinden dat er te veel wordt uitgegeven aan mensen die in hun laatste levensfase verkeren. Impliciet pleiten zij ervoor dat arme mensen die nog maar kort hebben te leven dat maar beter nog korter kunnen doen. Rijke mensen redden zichzelf wel. Het is nu al zo dat mensen met een lage opleiding ongeveer zeven jaar korter leven dan mensen met een hogere opleiding.

Omdat zo gezond mogelijk langer leven voor arm en rijk zo bijzonder en waardevol is, is goede zorg voor mij onbetaalbaar.

Marcel van Dam is socioloog.

april 24, 2014Permalink

Ik heb niets te verbergen

In discussies over privacy duikt steeds dit argument op: ‘Ik heb niets te verbergen’. Waarom zou je je dan zorgen maken over de NSA of Facebook? Rob Wijnberg en ik geven elf redenen waarom dit een fundamenteel verkeerd argument is.

Nee, je hebt wél iets te verbergen

Correspondent Technologie & Surveillance

Maurits MARTIJN

Privacy is het vermogen te bepalen wat onbelicht blijft. Beeld: (Untitled 2007), Popel Coumou
Privacy is het vermogen te bepalen wat onbelicht blijft. Beeld: (Untitled 2007), Popel Coumou

Van het massaal surveilleren van burgers door de Amerikaanse inlichtingendienst National Security Agency (NSA) tot de verplichte vingerafdruk in het paspoort: onze privacy staat onder druk. In Nederland worden de zorgen hierover niet breed gedeeld. Voortdurend steektGordon bij RTL Late Nighthet sussende geluid van dit ene hardnekkige argument de kop op: ik heb toch niks te verbergen? En zijn broertjes ‘ik doe toch niks fout?’ en ‘ik doe toch niks illegaals?’ vergezellenGroenhuijsen bij KvdBhem met grote regelmaat. Volkszanger Gordon is ervan overtuigd.Journalist Charles Groenhuijsen vindt het ook. En op Twitter wordt het vaak beaamd. Tijd om de elf meest fundamentele tegenargumenten in stelling te brengen‘Niets te verbergen’ op Twitter..

1. Er is geen ‘ik’ zonder iets te verbergen

Privacy wordt bijna altijd gezien als een juridisch begrip (‘dat is een inbreuk op mijn recht op privacy’) of cultureel fenomeen (‘een Amerikaan vindt het geen probleem om te vertellen hoeveel hij verdient’). Maar daarmee wordt een belangrijke denkstap in de discussie over privacy meteen al overgeslagen. Want privacy is, op een fundamenteler niveau, meer dan een recht of culturele waarde. Privacy voert terug naar wat ons mens maakt en gaat daardoor vooraf aan het belang dat we al dan niet aan privacy hechten. Een zinnige discussie over privacy, en dus over de zin en onzin van het argument ‘ik heb niks te verbergen,’ zou daarom altijd moeten beginnen bij de constatering dat privacy, boven alles, een menselijke eigenschapLees hier meer over op het filosofieblog van The New York Timesis.

De meest elementaire verschijningsvorm van privacy is namelijk de private ruimte in ieder mens: mijn gedachtenwereld, mijn gevoelsleven, mijn innerlijk. Deze ruimte, waar mijn gedachten en gevoelens zich ophouden, is privé in de zin dat ze voor niemand toegankelijk is behalve voor mijzelf. Niemand kan zomaar zien wat ik op ieder moment van de dag denk, voel of ervaar. Dat betekent: het ‘ik’ is een voortdurende manifestatie van privacy.

Het ‘ik’ is een voortdurende manifestatie van privacy

Dat wil niet zeggen dat het innerlijk nooit naar buiten treedt. In de meeste gevallen kiezen we er bewust voor deze vorm van privacy open te stellen: door te communiceren en daarmee met de buitenwereld te delen wat er in ons omgaat. In sommige gevallen doen we dat onbewust en ongewild: door te blozen of te huilen bijvoorbeeld. Of door, in een dronken bui, onze mond voorbij te praten. Maar de fabrieksinstelling van onze geest is die van het private. Het meeste van wat we denken, voelen en ervaren is het grootste deel van de tijd privé.

Dit is een fundamenteel gegeven. Het private karakter van ons innerlijk is namelijk een belangrijke voorwaarde voor het hebben van een ik. Stel je maar eens voor dat alles wat je denkt en voelt altijd en voor iedereen zichtbaar zou zijn: dat verandert de aard van je ‘ik’ volledig. Wie je bent, hangt grotendeels af van je vermogen om te bepalen welk deel van je innerlijk je deelt met anderen en welk niet. Zou de fabrieksinstelling van je innerlijk zijn dat alles wat je denkt, voelt en ervaart openbaar was, dan was het onmogelijk ‘jezelf te zijn’ zoals je dat nu bent.     

Wie zich bedient van het argument ‘ik heb niks te verbergen’, gaat dus voorbij aan de notie dat de ‘ik’ in die zin al veronderstelt dat je iets aan het verbergen bent. Wat je eigenlijk zegt als je zegt ‘ik heb niks te verbergen’ is: mijn ‘verborgen innerlijk’ heeft niks te verbergen. Dat is een filosofische contradictio in terminis.

 

Beeld: (Untitled 2004), Popel Coumou

 

 

 

 

2.  Sociale relaties zijn niet mogelijk zonder iets te verbergen

Wie je bent, wordt grotendeels bepaald door het private karakter van je innerlijk. Privacy is dus een belangrijke eigenschap van je ‘ik’, maar geen noodzakelijke voorwaarde: ook een (hypothetisch) volledig doorzichtige ‘ik’ is nog steeds een ik. 

Maar hier komt de sociale component van privacy om de hoek kijken. Want het ‘ik‘ waar we naar verwijzen als we het over onszelf hebben, is niet statisch: wij zijn, door de sociale context waar we ons het grootste deel van de tijd in bevinden, niet één ik. Bij mijn ouders thuis ben ik iemand anders dan wanneer ik op stap ben met mijn vrienden.

Het vermogen om de ene ‘ik’ (de keurig opgevoede ‘ik’ die mijn ouders graag zien) verborgen te houden voor de andere ‘ik’ (de stoere, zuipende ‘ik’ die mijn vrienden leuk vinden), is een wezenlijk onderdeel van wat het betekent om ‘jezelf te zijn’. Simpeler geformuleerd: een mens is, in verschillende contexten, op verschillende momenten, in het bijzijn van verschillende mensen, steeds weer iemand anders.

Dit rollenspel is cruciaal voor onze sociale verhoudingen: zouden we niet in staat zijn ons in verschillende situaties anders voor te doen dan in andere situaties, dan zou het sociale verkeer onmogelijk worden. Wie je bent in het bijzijn van je geliefde in de slaapkamer, verschilt wezenlijk van wie je bent in de buurt van je collega’s op je werk – en dat is, op z’n zachtst gezegd, maar goed ook. Iemand zijn betekent dus: het strategisch verborgen kunnen houden van de verschillende personen die schuilgaan achter jouw ‘ik’.

Wie zegt ‘ik heb niks te verbergen’ gaat voorbij aan deze sociale realiteit. In een sociale context heb je altijd iets te verbergen. Op je werk is dat misschien het opvliegerige karakter dat je bij je partner wel kunt laten zien, bij je partner is dat misschien de flirterigheid die je onder vreemden tentoonspreidt. Maar nooit is het niks: wie omgaat met verschillende mensen in verschillende contexten, is per definitie iets aan het verbergen. 

3. We verbergen sowieso al van alles 

Waarom kleden we ons aan als we naar ons werk gaan? Waarom doen we de deur dicht als we op de wc zitten? Waarom lopen we de kamer uit als we een belangrijk telefoongesprek voeren? Waarom vertellen we onze collega’s niet wat we verdienen? Waarom hebben we een wachtwoord op onze computer? Waarom geven we onze kinderen een eigen kamer? Waarom verzinnen we een smoes als we zonder reden te laat zijn? Waarom doen we de gordijnen dicht als we naar bed gaan?

Natuurlijk: je kunt bij iedere vraag wel een praktisch antwoord verzinnen. Zonder kleren hebben we het koud. Zonder wc-deur gaat het huis stinken. Zonder gordijnen schijnt de straatlamp de kamer in. Allemaal legitieme overwegingen. Maar de belangrijkste rode draad in al deze alledaagse handelingen is dat dingen verbergen bijna zo vanzelfsprekend is dat we er niet eens bij stilstaan. We verbergen ons lichaam, onze oneffenheden, onze nalatigheid, onze e-mails, ons salarisstrookje: wie zegt ‘niks te verbergen te hebben’, kijkt domweg niet goed om zich heen. We hebben van alles te verbergen en dat doen we dan ook met ongekende regelmaat. Zo vaak, dat we het domweg niet doorhebben. 

4. Je weet niet wat fout is

Nu zul je onderhand wellicht denken: allemaal leuk en aardig deze filosofische bespiegelingen, maar zo wordt het argument ‘ik heb niks te verbergen’ toch meestal niet gebruikt? Wat mensen bedoelen als ze zeggen ‘ik heb niks te verbergen’ is doorgaans: ‘Ik doe niks fout, dus ik heb niks te verbergen.’ Maar ook die redenering klopt niet.

De meest basale tegenwerping van de redering ‘ik doe niks fout, dus ik heb niks te verbergen’ is: wat is ‘fout’? Vreemdgaan is in de ogen van je geliefde misschien wel het foutste dat je kan doen. Tenzij je een open relatie hebt: dan is er weer geen vuiltje aan de lucht. In de ogen van de wetgever is het ook niks om je druk over te maken. Behalve in Saoedi-Arabië dan: daar kan je er de doodstraf voor krijgen. Niks is, kortom, meer context- en perspectief gebonden dan de vraag of iets ‘fout’ – en dus de moeite van het verbergen waard – is. 

De foto van jou, dronken op een vrijgezellenfeest met een stripper op schoot, is niet ‘fout’ – tot je imagogevoelige baas er lucht van krijgt. Dat je homoseksueel bent, is hier nauwelijks iets om je druk om te maken – tot je bij de douane in Rusland uit de rij wordt gepikt. Samenvattend: zonder te weten waar en in wiens ogen je iets doet, weet je nooit zeker of je iets ‘fout’ doet en derhalve iets te verbergen hebt.

5. Het foute verandert

Tel daar nog eens dit probleem bij op: onze moraal, en dus wat we als fout, illegaal of strafbaar beschouwen, is niet statisch. Ze verandert door de tijd heen. Vroeger was pedoseksualiteit niets om te hoeven verbergen: in de jaren zeventig werd er zelfs openlijk gepleit voor het recht om seks met kinderen te hebben. Tegenwoordig kun je daarvoor worden aangeklaagd. Dat betekent: je kunt nu oprecht denken niets ‘fout’ te doen – en dus niks te verbergen hebben – en daar over een paar jaar grote problemen mee krijgen. 

Een hypothetisch voorbeeld? Stel, je bent een groot vleesliefhebber: niets om anno 2013 geheimzinnig over te doen. Maar het is niet ondenkbaar dat over dertig jaar vlees eten net zo taboe is geworden als, zeg, pedoseksualiteit nu. Zo’n cultuuromslag zie je al enkele decennia met roken: in de jaren vijftig was het iets dat je trots etaleerde, nu is het iets waar je al veel minder mee te koop loopt – en wellicht is het over dertig jaar wel not done. Maar Facebook is jouw foto’s, al rokend in de kroeg, in 2043 nog niet vergeten. Dat je nu niks te verbergen hebt, wil dus niet zeggen dat je nooit iets te verbergen hebt.

6. Niemand doet nooit niks fout

En daarnaast: iedereen doet wel eens iets fout. Uit verschillende onderzoekenblijktLees hier meer over het onderzoek naar liegenbijvoorbeeld dat mensen zich gemiddeld zo’n anderhalf tot vier keer per dag bezondigen aan een van de meest elementaire vormen van verbergen, namelijk het verbergen van de waarheid – oftewel liegen. De meest voorkomende redenen: om je gezicht te redden, om confrontaties te vermijden, om schuld af te schuiven, om je zin te krijgen, om jezelf in een gunstiger daglicht te stellen en – misschien wel de belangrijkste reden – om aardig gevonden te worden. Wie ‘kleine’ leugens als overdrijvingen meetelt, komt op een nog hoger aantal uit. Zoals de achttiende-eeuwse Ierse toneelschrijver Oliver Goldsmith eens zo mooi schreef: ‘Stel me geen vragen, dan vertel ik je geen leugens.’

Liegen hoort bij het leven zoals molens en klompen horen bij Nederland: een bestaan zonder leugens is haast ondenkbaar. En wie rijdt er niet wel eens door rood, komt een afspraak niet na of steekt een gevonden tientje niet stiekem in eigen zak? Voor zover duidelijk is wat ‘fout doen’ precies inhoudt, is dit in ieder geval zeker: geen mens ontkomt er aan. Hoogstens monniken in een klooster doen ‘niks fout’ – en zelfs dat valt nog te betwijfelen. 

 

Beeld: (Untitled 2008-2), Popel Coumou

 

7. Je weet niet waar ze naar zoeken

Naast dat je niet ontkomt aan ‘fout doen’, komt daar deze complicerende factor nog eens bij: je weet vaak helemaal niet wat het foute is waar men naar zoekt. Zoals Rob beschreefColumn ‘Geen hype’ uit De Groene Amsterdammerin een column in de Groene Amsterdammer: stel, je wilt als journalist een stuk schrijven over Nederlandse jongeren die in Syrië gaan vechten. Na lang zoeken op internet weet je een paar telefoonnummers en e-mailadressen te bemachtigen. De interviews per mail en telefoon leveren een fascinerend inkijkje op in hun beweegredenen.

Na het schrijven van het artikel wil  je op vakantie naar New York, en omdat je nog niet zeker weet wanneer je terug wilt komen, boek je een enkeltje Big Apple. Maar voor vertrek bedenk je dat je vriendin en jij net zijn verhuisd naar jullie eerste koophuis, dus als jou iets overkomt, zit zij met een ondraaglijke hypotheeklast. Je sluit daarom nog net voor vertrek een levensverzekering af.

Daar sta je dan: met de contactgegevens van een paar jihadisten in je telefoon, een enkeltje New York op zak en een kersverse levensverzekering afgesloten. Hoeveel alarmbellen gaan er dan af bij, bijvoorbeeld, de Amerikaanse inlichtingendienst NSA? Wat garandeert je dat hun zoekalgoritmen, of hun interpretatoren, niet de verkeerde conclusies trekken? Zouden ze het ‘bizarre samenloop van omstandigheden’-verhaal voetstoots aannemen? Wat is het eigenlijk dat je hier te verbergen had?

8. Je weet niet wat allemaal illegaal is

Dan is er nog de juridische betekenis van ‘fout’. De redenering gaat dan als volgt: ‘Ik doe niks illegaals, dus ik heb niks te verbergen’, klopt dat dan wel? Ook dat is maar zeer de vraag. Want: je kunt helemaal niet weten wat er allemaal illegaal is en wat niet. In dit uitstekende stuk We Should All Have Something to Hide beschrijft Het artikel van Moxie Marlinspikede Amerikaanse cyber-securitydeskundige Matthew Rosenfeld (pseudoniem: Moxie Marlinspike) dat de Verenigde Staten zoveel strafbaarstellingen kent dat zelfs de autoriteiten, laat staan burgers, niet weten hoeveel het er precies zijn. Schattingen komen uit op ‘grofweg 27.000’ pagina’s’ aan wetten en regels en zeker nog eens tienduizend reguleringen. 

Voor Nederland geldt iets soortgelijks: Nederland telt naar schatting 11.000 wetten, algemene en ministeriële regelingen en nog eens 140.000 bijkomende bepalingen. De consequentie: je hebt geen idee of je, al dan niet toevallig, in overtreding bent van iets. En als je tegelijk ook geen idee hebt waar politie, justitie en inlichtingen­diensten precies naar zoeken, dan wordt duidelijk dat ook het argument ‘ik doe niks illegaals, dus ik heb niks te verbergen’ een lege huls is.

9. De overheid is niet te vertrouwen

Hoewel je nooit precies kunt weten welke beslissingen de overheid over jou maakt, is het sowieso geen goed idee de instanties aan wie je jouw gegevens afstaat te vertrouwen. Want: keer op keer blijkt de Nederlandse overheid niet in staat te zijn om de persoonsgegevens van de Nederlandse burger goed te beveiligen. Van het Elektronisch Patientendossier tot de Stemcomputer tot de OV-Chipkaart: het is niet overdreven om te stellen dat zo goed als ieder groot ict-project van de afgelopen jaren dusdanige technische mankementen vertoonde dat het een direct gevaar vormde voor de veiligheid van onze gegevens. 

We hebben dus wellicht niets te verbergen voor de partij waar we bewust bepaalde persoonlijke informatie aan afstaan – onze medische gegevens aan de dokter, onze politieke voorkeur aan het stembureau en ons reisgedrag aan de vervoerder – maar dat verandert als niet kan worden uitgesloten dat ook andere partijen daar toegang tot hebben. Anders gezegd: we denken dat we niets te verbergen hebben omdat we erop vertrouwen dat onbevoegden niet bij onze persoonlijke informatie kunnen. Maar dat vertrouwen is naïef: het is al vele malen geschonden. 

Sterker, zelfs de keurige Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR)concludeerdeHet WRR-rapport iOverheidtwee jaar geleden in het rapport iOverheid dat burgers, in plaats van de overheid te vertrouwen, er maar beter vanuit kunnen gaan dat hun informatie in handen van de overheid onveilig is. 

10. De overheid maakt fouten 

De bredere trend die de WRR in hetzelfde rapport beschrijft is samen te vatten met de woorden Big Brother. De Nederlandse overheid houdt haar burgers op steeds meer manieren in de gaten: we worden geregistreerd, geanalyseerd en gelabeld. De Nederlandse overheid lijdt aan een kwaal die je wel datobesitas kunt noemen: een onstilbare honger naar de gegevens van haar burgers, met uitdijende databases als gevolg. ‘(Het) wordt […] voor burgers vrijwel onmogelijk zich te onttrekken aan de informatie die over hen wordt verzameld, bewerkt en uitgewisseld,’ schrijft de WRR.

Nu kun je daarvan zeggen: maakt dat iets uit? Ik heb toch niets verkeerd gedaan? Nee, dat kun je niet zomaar zeggen. Want het probleem is niet zozeer dat de overheid zoveel van je weet, maar dat er conclusies aan die informatie worden verbonden. Onze data zijn niet slechts gegevens; het is informatie die leidt tot handelen. En ‘foute’ informatie in overheidsdatabanken is eerder regel dan uitzondering, concludeerde de WRR: ‘Over de hele linie moet de assumptie dat informatie juist is vervangen worden door het besef dat de informatie op onderdelen hoogstwaarschijnlijk niet accuraat, verouderd en soms zelfs misbruikt en gemanipuleerd zal zijn.’ 

‘Foute’ informatie in overheidsdatabanken is eerder regel dan uitzondering

De boodschap: wij doen dan misschien wel niets verkeerd; de hoeder van onze meest intieme persoonsgegevens doet dat wel – en met grote regelmaat. Voorbeelden te over. Neem EenVandaag maakte een uitgebreide reportage over Ron Kowsoleeade Nederlandse zakenman Ron Kowsoleea. Hij stond meer dan vijftien jaar lang verkeerd geregistreerd in de databanken van verschillende Nederlandse opsporingsdiensten. Kowsoleea werd meerdere malen opgepakt en aangeklaagd, omdat iemand anders onder zijn naam misdaden beging en de Nederlandse overheid niet in staat was deze fouten te herstellen. 

Of neemEen rapport van de Nationale Ombudsman over de gedupeerde ZZP’ersde honderden ZZP’ers die ook ‘niets te verbergen’ hadden, maar door een systeemfout geregistreerd kwamen te staan als uitkeringfraudeurs. Ze werden veroordeeld en moesten hoge boetes betalen. Sommigen van hen hebben tot op de dag van vandaag een strafblad waar ze niet vanaf kunnen komen. 

Of wat te denken van de tragische zelfmoord begin dit jaar van Alexander Dolmatov, de asielzoeker die volgens het computersysteem van de IND ‘verwijderbaar’ zou zijn, en daardoor te lang werd opgesloten in een cel waar hij zich uiteindelijk ophing. De Inspectie Veiligheid en Justitie weetHet rapport over het overlijden van Dolmatov door de Inspectie Veiligheid en Justitiezijn dood in een vernietigend rapport dan ook voor een belangrijk deel ‘aan de afhankelijkheid van – en het vertrouwen in – de systemen, procedures en formulieren die die functionarissen bij hun besluiten in die keten ondersteunen.’

Rapport na rapport laatBijvoorbeeld het rapport ‘databases’ van het Rathenau Instituutzien dat zulke voorvallen een haast logisch gevolg zijn van de wijze waarop de Nederlandse overheid onze persoonsgegevens beheert. Voor zo’n overheid heb jealtijd iets te verbergen, ook al heb je niets verkeerds gedaan. 

 

Beeld: (Untitled 2008), Popel Coumou

 

11. Je kent de toekomstige machthebbers niet

Tot slot is het belangrijk te beseffen dat bij het gebruik van gegevens altijd het gevaar van de glijdende schaal op de loer ligt: als bepaalde gegevens toch al voor functie A zijn verzameld, waarom zouden ze dan niet ook voor functie B kunnen worden gebruikt? En C en D? Kenners noemen Het Wetenschappelijk Onderzoeks-en Documentatie Centrum van het Ministerie van Veiligheid en Justitie over function creepdit function creep: technologieën die persoonsgegevens registreren worden uiteindelijk voor een ander doel gebruikt dan het oorspronkelijke. En dat gebeurt niet soms, maar bijna altijd. 

Een klassiek voorbeeld van function creep is het rijbewijs. Ingevoerd als een geloofsbrief om mee aan te tonen dat je auto kon rijden, maar inmiddels op veel plekken geaccepteerd als een volwaardig identificatiebewijs. Een ander voorbeeld zijn de vingerafdrukken die in de Europese Unie verplicht geregistreerd staan in paspoorten. Oorspronkelijk verordonneerd door Brussel om identiteitsfraude te voorkomen, inmiddels kunnen de vingerafdrukken in Nederland nu ook voor opsporingsdoeleinden worden gebruikt. Handig voor de politie wellicht, maar het fundamentele probleem van function creep is dat je als burger of consument de nieuwe functies die jouw gegevens krijgen op geen enkele manier van tevoren aan kunt zien komen. Je weet wat er met jouw gegevens gebeurt op moment X, maar het toekomstig gebruik op moment Y laat zich niet voorspellen. 

Een recenter voorbeeld: drie maanden geleden werd NRC Handelsblad over De Belastingdienst en de kentekenregistratiebekend dat de Belastingdienst alle kentekens van 2012 had opgevraagd van automobilisten die bij een parkeerautomaat parkeerden. Op die manier kon de Belastingdienst controleren of mensen met een leaseauto niet meer privékilometers reden dan ze hadden opgegeven. Los van het gegeven dat het verantwoordelijke bedrijf Servicehuis Parkeren (SHPV) alle parkeerders had gegarandeerd dat het de kentekenregistraties na acht weken zou verwijderen (en dat dus niet deed), heb je als parkeergebruiker dus geen idee dat de data over jouw parkeergedrag voor iets anders wordt gebruikt dan om te controleren of je wel betaald hebt voor de tijd dat je parkeert. 

Het probleem hiervan is dat de kentekenregistratie door de Belastingdienst deze overheidsdienst in theorie in staat stelt om van iedere autorijder te kunnen achterhalen waar hij de nacht heeft doorgebracht. En dat, bijvoorbeeld, de opslag van vingerafdrukken in je paspoort het in theorie mogelijk maakt om van iedere Nederlander exact te weten waar hij is geweest – je laat immers overal vingerafdrukken achter. 

Het is op dit moment misschien onvoorstelbaar dat de Nederlandse overheid daar in geïnteresseerd is, maar het is naïef om te denken dat dit in de toekomst niet opeens zou kunnen veranderen. We kennen de toekomstige machthebbers en hun politieke agenda’s immers nog niet. Dus ook al vertrouw je je gegevens toe aan de overheid van nu, je hebt geen enkele garantie dat je je gegevens kunt toevertrouwen aan de overheid van morgen.

Dus?

Journalist Glenn Greenwald van The Guardian kondigde aan binnenkort onthullingen van Edward Snowden te publiceren over de rol die Nederland speelt bij de massasurveillance van de NSA. Als het zover is, zal de discussie over privacy waarschijnlijk weer oplaaien. En zal ook het argument ‘ik heb niks te verbergen’ de revue weer passeren. Mocht je die woorden langs horen komen, dan zou je er dit achteraan kunnen denken: 

IK (besta niet zonder privacy)
HEB (fouten gemaakt die anderen niet mogen weten)
NIKS (is veilig in handen van de overheid)
TE (vaak worden data voor andere doeleinden gebruikt)
VERBERGEN (is de enige manier om daaraan te ontkomen)

april 23, 2014Permalink

Over zorg laat het kabinet zich echt niet meer vermurwen

ANALYSE Dat het kabinet zich niet geliefd maakt met de ingreep in de langdurige zorg, neemt het op de koop toe. Uitstel kan het zich niet veroorloven

DOOR Gijs Herderscheê 

Terwijl de roep aanzwelt om de hervorming van de langdurige zorg met zeker een jaar uit te stellen, toont het kabinet zich onvermurwbaar: uitstel is te duur. Bovendien willen VVD en PvdA de politieke druk nu niet van de ketel halen.

Deze week besluit de Tweede Kamer over de grootste maatschappelijke hervorming uit het regeerakkoord, de ingreep in de langdurige zorg. Hulpbehoevende ouderen moeten langer thuis blijven wonen met hulp van familie, kennissen en gemeente.

Nu het beslissende moment nadert, groeit de onrust onder ouderen. Dinsdag schaarde een reeks bekende Nederlanders zich achter de oproep van Abvakabo FNV om de operatie een jaar uit te stellen. Onder anderen Sonja Barend, Frits Barend, Britta Böhler, Wijnand Duyvendak, Arnold Heertje, Jan Marijnissen, Freek de Jonge, Jan Pronk, Maarten ’t Hart en Ebru Umar zetten er hun handtekening onder. De FNV-koepelorganisatie deed in het weekend een vergelijkbare oproep. Zorgverzekeraars van hun kant vragen het kabinet ook om uitstel. Dan gaat het om de tweede zorgwet die later behandeld wordt. Daarin krijgen verzekeraars nieuwe taken, zoals de thuisverpleging. Verzekeraars willen meer tijd om dat goed te organiseren.

1,3 miljard euro denkt het kabinet volgend jaar te besparen met de zorghervorming

Het kabinet zal zich er weinig of niets aan gelegen gelegen laten liggen. Daar zijn grofweg vier redenen voor. In de eerste plaats heeft het in politiek opzicht weinig te vrezen. De coalitie heeft zich immers verzekerd van een meerderheid in de Tweede en de Eerste Kamer, dankzij het zorgakkoord dat vorige week werd gesloten met D66, ChristenUnie en SGP.

In de tweede plaats heeft de Abvakabo zich wat het kabinet betreft een jaar geleden al buitenspel gezet door niet mee te doen aan het eerste akkoord over de hoofdlijnen van de zorghervorming. Dat sloot het kabinet met alle andere denkbare lobbyclubs in de zorg. Dat de Abvakabo nu een reeks BN’ers voor de kar heeft staan, doet voor het kabinet niets af aan die buitenspelpositie.

200 verpleeg- en verzorgingshuizen zullen sluiten, vreest de koepelorganisatie Actiz.

In de derde plaats is het kabinet ervan overtuigd dat er geen tijd te verliezen is. De druk moet op de ketel blijven, bevestigen bronnen rond de ministersploeg. Sterker nog: juist omdat het kabinet zich bewust is van de grote zorgen bij gemeenten en zorgorganisaties, wordt de tijdsdruk nog wat verder opgevoerd.

Omdat alle betrokkenen op lokaal niveau zo snel mogelijk moeten weten hoeveel taken en hoeveel geld zij volgend jaar krijgen, moet de wet nog voor de zomer door het parlement worden geloodst. Dan hebben de nieuwe gemeentebesturen nog tijd om contracten te sluiten voor de inkoop van alle benodigde zorg, vindt het kabinet. Gemeenteambtenaren zijn, als het goed is, al een eind op streek met de voorbereiding.

Moeilijk vechten

Uitstel verandert volgens het kabinet bovendien niets aan de beeldvorming, waartegen het sowieso moeilijk vechten is. Zo becijfert de club van verpleeg- en verzorgingshuizen Actiz dat 200 tehuizen gaan sluiten. Het kabinet spreekt dat tegen: hooguit 20 procent van die huizen wordt getroffen door het beleid. De rest sluit vooral omdat de gebouwen niet meer functioneel zijn.

Ander voorbeeld: Een dementerende man die naar een verzorgingshuis moet, wordt van zijn vrouw gescheiden. Het tehuis heeft geen plek voor beiden. Daarvan krijgt het kabinet de schuld. Staatssecretaris van Rijn van Volksgezondheid wordt niet moe om tegen te werpen: zowel de oude als de nieuwe wet schrijven voor dat echtparen in deze situatie bijeen mogen blijven. Het tehuis schiet dus tekort.

Het kabinet verwacht dat het de strijd om deze beeldvorming toch wel verliest, ook bij uitstel. Bovendien is er nog een vierde drijfveer: Brussel. De zorghervorming moet volgend jaar 1,3 miljard euro besparing opleveren, oplopend tot ruim 3 miljard in 2017. Die bezuiniging is nodig om te voldoen aan de Europese begrotingsafspraken waar Nederland altijd pal voor stond. Vorig jaar, toen Nederland dreigde die norm weer te overschrijden, bood Brussel uitstel op voorwaarde dat het kabinet door zou pakken met de grote, structurele hervormingen. Ook in de zorg. Die afspraak nu alsnog schenden, dat is voor premier Rutte en zijn ploeg niet echt een reële optie.

 

april 23, 2014Permalink