Waarom dwepen mensen zo graag?

ESSAY Of het nou de uitblinker bij het komende WK voetbal is, de dalai lama of Nelson Mandela: onze behoefte aan helden is groot. Waar komt die ontembare neiging tot dwepen vandaan? En wat is het biologisch nut?

Het is tijd voor rood, wit en blauw
Onze jongens! ze spelen voor jou
In dorpen en steden komen alle fans bijeen
De oranjekoorts ontwaakt bij iedereen

We schreeuwen onze leeuwen naar de beker
We zijn een groot Oranjelegioen
Met bloed, zweet en tranen lukt het zeker
Nederland jij bent de kampioen!

Anderhalve week geleden stoomde Nederland Wordt Kampioen van Johnny de Mol en Jan Smit de Mega Top 50 binnen, waarmee het de eerste WK-kraker van 2014 werd. Alle ingrediënten van het klassieke dweeplied zitten erin: passie (voor ‘onze jongens’), liefde (voor ‘onze leeuwen’), hysterie (‘de oranjekoorts’) en een scheut groepsgevoel (‘we zijn een groot Oranjelegioen’), het geheel overgoten met het onvermijdelijke sausje van bloed, zweet en tranen.

De kans dat Nederland kampioen wordt, is volgens de 17 miljoen voetbaldeskundigen ter lande klein. Toch hoeft er in de eerste ronde van het WK maar iets goed te gaan, of ook de grootste cynicus staat hartstochtelijk met Jan en Johnny mee te brullen. Onze jongens!
Waarom dwepen mensen zo graag? Waarom staan ze uren in de rij om de dalai lama van dichtbij te zien, waarom barsten ze in tranen uit als ze een liedje horen van Ramses Shaffy, waarom gaan ze raar doen als ze op een terras een bekende Nederlander ontwaren die ze bewonderen?

Dweepdier

Omdat de mens nu eenmaal een dweepdier is, voortdurend op zoek naar nieuwe helden die hij op een schild kan hijsen, goed kan bestuderen en vervolgens kan nadoen. De belangrijkste functie van de held is die van voorbeeld. Mensen zijn na-apers: wezens die leren door andere wezens te imiteren, gestuurd door hun spiegelneuronen. Een baby doet de grimassen van zijn moeder na, het peutertje imiteert de tred van zijn vader. Volgens Sigmund Freud is die vader cruciaal bij het ontwikkelen van dweepgedrag: achter de behoefte van mensen aan autoriteiten die ze kunnen bewonderen en waaraan ze zich kunnen onderwerpen, schuilt volgens hem het sterke verlangen naar de vader, schreef hij in 1939.

Foto Rein Janssen

Foto Rein Janssen

Wanneer een kind ouder wordt, gaat het zijn voorbeelden buiten de deur zoeken: vrienden tegen wie het opkijkt fungeren dan als rolmodel, maar ook onbekenden, vaak met een glamoureus beroep: artiesten, sporters, schrijvers. Je kunt dwepen met vroeger, met dieren (paarden, Flipper), met gezondheid (Voedselzandloper), met merken (Apple), met een bepaalde kledingstijl of met jezelf (Narcissus, Louis van Gaal), maar de meeste mensen dwepen met een persoon op zekere afstand, die ze vooral kennen uit de media. Elke subgroep heeft zijn eigen dweepobject. Nederlandse wielrenners dwepen met Tim Krabbé, natuurkundigen met Stephen Hawking, wat oudere journalisten met drankzuchtige Amerikaanse schrijvers of musici, linksige economen met Piketty. De held heeft iets dat jij zou willen hebben – een geniaal brein, talent voor voetbal, macht en aanzien, succes bij de vrouwtjes – en liever nog zou je hem helemaal willen zíjn.

Tenzij de held voor dat streven te groot is.

Dweep, dweper, dweepst

• Francesco Petrarca,Sonnetten voor Laura (1348): ‘Ik huil van vreugde, ik lach terwijl ik ween. Leven en dood kwellen mij in gelijke mate: en dit, o liefste, komt door jou alleen!’

• Johann Wolfgang von Goethe, Die Leiden des jungen Werthers (1774): ‘Vandaag zat ik bij haar – ik zat, zij speelde op haar klavier, allerlei liederen, en met zoveel innigheid! Zoveel! – Zoveel! – Hoe moet ik het zeggen?’

• Tim Krabbé, De Renner(1978): ‘Ik pak mijn spullen uit mijn auto en zet mijn fiets in elkaar. Vanaf terrasjes kijken toeristen en inwoners toe. Niet-wielrenners. De leegheid van die levens schokt me.’

In 2012 schreef Ilja Leonard Pfeijffer in Vrij Nederland een ode aan zijn jeugdheld Johan Cruijff, naar aanleiding van diens 65ste verjaardag. Pfeijffer, geboren in 1968, haalde herinneringen op aan de jaren zeventig, toen tot hem doordrong dat Cruijff de weg, de waarheid en het leven was: ‘Nu ik terugdenk aan die tijd en aan voetballen op veldjes in de buurt, besef ik iets opmerkelijks. Tijdens het voetballen moest je altijd iemand zijn. Dat sprak je van tevoren af. Iedereen wilde altijd Rensenbrink zijn, of Van Hanegem, maar het was ook volslagen acceptabel om Willy van de Kerkhof te zijn, of Ruud Krol of zelfs Wim Suurbier. Maar niemand was ooit Cruijff. Dat mocht niet. Dat was onacceptabel. Dat was heiligschennis.’

Overigens was Johan Cruijff niet de eerste sportheld die goddelijke eigenschappen werd toegedicht. Toen in februari 1925 wereldkampioen schaatsen en wielrennen Jaap Eden overleed, schreef de Nieuwe Rotterdamsche Courant: ‘Aan de baar van deze geweldigen geweldenaar past het Holland dankbaar te zijn. Maar Eden is niet gestorven. Zulke figuren sterven niet.’

Volgelingenschap

Bij mensen met een gezond zelfbeeld en een normaal ontwikkeld zelfvertrouwen wordt de neiging tot dwepen rond het 25ste levensjaar doorgaans minder; maar verdwijnen doet ze nooit helemaal. In zijn boekDe natuurlijke leider (2011), over leiders en volgers, legt hoogleraar psychologie Mark van Vugt (Vrije Universiteit Amsterdam) uit waarom het volgelingenschap standaard in de menselijke psyche zit verankerd – een volgeling definieert hij als een individu dat zijn of haar acties afstemt op een ander individu, de leider, of op een idee: een religie, een politieke ideologie, een modetrend.

Om ons enthousiasme voor volgen en daarmee voor dwepen te kunnen begrijpen, schrijft Van Vugt, moeten we terug naar de wereld van onze voorouders: de vijandige omgeving van de Afrikaanse savanne, ‘een droog, meedogenloos terrein dat wemelde van de roofdieren, waar water en voedsel kostbare goederen waren die moeilijk te verkrijgen waren’. Daar loonde het om in gezelschap van anderen te zijn; individuen die lekker hun eigen ding wilden doen, liepen het gevaar geïsoleerd te raken van de groep. ‘In plaats van een maal te vinden, liepen ze het risico er zelf een te worden, waarmee ze hun genetische opvolging tot een akelig en abrupt einde zouden brengen.’

Foto Rein Janssen

Foto Rein Janssen

Mensen liepen in eerste instantie niet zozeer achter een leider aan als wel achter een groep: volgens Van Vugt kan leiderschapsgedrag theoretisch heel goed pas ná het volgelingenschap zijn ontstaan, toen goed geleide groepen meer nakomelingen kregen dan ordeloze troepen. Het volgen van zo’n leider bood volgelingen behalve de voordelen van het ‘horen bij een groep’ ook het gemak van een voorbeeld dat kon worden nageleefd.
In den beginne was de mens dus een volger. Veel meer dan het leiderschap zit het volgerschap in zijn genen. Ook in aantal zijn de volgers verre in de meerderheid. Toch worden over leiderschap duizenden boeken per jaar geschreven en over het volgerschap nul. Ook in de academische wereld gaat de aandacht vooral uit naar het alfamannetje. Het gedrag van de kudde, de volgzame schapen, wordt nauwelijks bestudeerd, constateerde Harvard-professor Barbara Kellerman in 2008 in Followership.

Kellerman onderscheidt in haar boek vijf soorten volgelingen, die zich van elkaar onderscheiden in de mate waarin ze het object van hun volgelingenschap zijn toegedaan. Aan de ene kant van het spectrum staan de ‘geïsoleerden’: apathische, onverschillige types. Aan de andere kan staan de ‘diehards’, die bereid zijn voor het object van hun volgelingenschap hun leven te geven.

Motieven

Van Vugt stelt zelf een andere indeling voor, eveneens in vijf categorieën. Waar Kellerman volgelingen onderscheidt op basis van hun toewijding, kijkt Van Vugt vooral naar hun motieven: waarom dwepen volgelingen met een leider, een idee of een modetrend? Zoekt hij macht en wil hij zelf belangrijk worden? Dan is hij een ‘leerling’. Is hij uit op het verwerven van wijsheid en inzicht, dan is hij een ‘discipel’. Wil hij vooral aansluiting bij een groep, dan is sprake van een ‘loyalist’; komt zijn toewijding voort uit de aantrekkingskracht van zijn held, dan is sprake van een ‘supporter.’ De vijfde categorie van Van Vugt is die van de ‘ondergeschikte’: die volgt omdat volgen nu eenmaal gemakkelijker is dan de weg wijzen.

Onder welke categorie de dwepende mens valt, hangt dus af van zijn motieven, maar meestal zal hij een discipel zijn (de volgelingen van Eckhart Tolle, de Boeddha, Nelson Mandela) of een supporter (de volgelingen van Bob Dylan, Martin Bril, Beyoncé, Obama, prinses Diana).

Verlossers uit vele windrichtingen

Als dwepen in de mens zit, volgt daaruit automatisch dat de behoefte aan helden en idolen van alle tijden is. En dat is dus ook zo. In zijn essayVoorbeelden & nabeelden (2005) wijst socioloog en senior onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau Joep de Hart erop dat de ‘hang naar idolen, gidsen, helden’ een constante is. ‘Zo’n tachtig jaar voordat de voormalige nummer 14 van Ajax zich voor de Catalanen ontpopte tot ‘El Salvador’ van Barcelona, gold Domela Nieuwenhuis voor de Friese veenarbeiders als ‘Us Ferlosser’.
Wel kunnen die verlossers, schrijft De Hart, tegenwoordig uit vele windrichtingen komen.

‘De enorme belangstelling voor de dood van André Hazes illustreert dat voor dweeplust of het uitgroeien tot een idool allang geen grootse prestaties, uitzonderlijke moed of voorbeeldige levenswandel meer worden gevraagd.’

Foto Rein Janssen

Foto Rein Janssen

En dat is relatief nieuw. Vanouds hoorde verering bij religie: Jezus werd omringd door bewonderaars en volgelingen, de meeste andere religieuze leiders eveneens.

Maar de sociale functie van religie wordt meer en meer overgenomen door sport, schrijft sportsocioloog Ruud Stokvis in zijn deze week verschenen Lege kerken, volle stadions (Amsterdam University Press). In navolging van de bekende antropoloog Desmond Morris, die in de jaren tachtig zei dat voor een belangrijk deel van de bevolking voetbalwedstrijden als vervanging dienden voor kerkdiensten en religieuze festivals, komt Stokvis tot de conclusie dat sport en religie veel gemeenschappelijke kenmerken hebben.

Terwijl religie veel van haar sociale functies in deze tijd verliest, zie je dat sport die functies vrij gemakkelijk kan overnemen. Andere instituties zoals onderwijs, massamedia, consumentisme en populaire muziek kunnen dat natuurlijk ook wel, zegt Stokvis, maar sport kan het van alle instituties het best: ‘Wat sport te midden van deze andere instituties zo belangrijk maakt, is dat het een combinatie van vormende, bindende en zingevende functies heeft.’

Zoals Hans Ulrich Gumbrecht in 2006 schreef in Lof van de sport: ‘Het stadion brult – er is geen ander woord voor – uit vijftigduizend kelen en ook uit die van jou, een aanzwellende soundtrack voor de vreugde en de golf van leven waarin je wordt ondergedompeld. Uren later, als je van het stadion terugloopt door de frisse lucht van een herfstachtige avond, uitgeput zoals je die week nog niet eerder bent geweest, zul je hieraan terugdenken als aan een moment van onwankelbaar geluk.’

Het is tijd, we zijn er weer bij 
Heel het land staat klaar, zij aan zij 
Met vrienden of familie 
In de kroeg of op het plein 
Iedereen leeft voor Oranje groot en klein

Het is tijd we komen er aan 
Laten onze leeuw niet in z’n hempie staan 
We houden van Oranje 
En strijden alsmaar door 
Onze vaderlandse helden gaan ervoor!

Moeten we terug naar 60- urige werkweek?

Raad het citaat: ‘We moeten terug naar de 60-urige werkweek.’

Was het:A. Cheops, farao, die vond dat er haast moest worden gemaakt bij de bouw van zijn piramide.
B. Lodewijk XIV, Zonnekoning, die vond dat het niet opschoot met de uitbreidingen van zijn paleis.
C. Frank Kalshoven, econoom, die economische groei ziet als ‘de maat der dingen’.
Het stond er echt ja, in de Volkskrant van afgelopen zaterdag. Terwijl de werkloosheid en het aantal burn-outs oplopen, wil Kalshoven terug naar de negentiende eeuw. De columnist en auteur van het boek Groeiland presenteert de 60-urige werkweek als iets onvermijdelijks. Willen we het nog een beetje beter krijgen deze eeuw (waarbij ‘beter’ wordt gedefinieerd als ‘meer kopen’), dan moeten we wel.De ondertitel van het boek leert dat dit een vorm van ‘helder denken’ is. Het boek is hier te bestellen.Ik dacht nog aan een andere optie − dat we hier te maken hebben met een schoolvoorbeeld van wat er misgaat als economen zich te weinig met geschiedenis, sociologie en psychologie bezighouden en ze hun door en door ideologische keuzes verhullen door net te doen alsof het allemaal slechts een kwestie van ‘argumenten’ en ‘helder denken’ is.Dan nu de werkelijkheid: Nederland werkt al snoeihard. Sinds de jaren tachtig zijn we drukker geworden met (over)werk, zorg en opleiding. Besteedden we hier in 1985 nog 43,6 uur per week aan, in 2005 was dat al 48,6 uur. Dat blijkt uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau.De individuele werkweek mag dan wel gekrompen zijn; de arbeidsparticipatie is geëxplodeerd. Werkte een Nederlands echtpaar in de jaren vijftig nog vijf tot zes dagen per week, nu zijn dat er eerder zeven tot acht.

Het resultaat mag er wezen: drie kwart van de Nederlandse werknemers gaat gebukt onder hoge tijdsdruk, een kwart werkt structureel over en één op de acht kampt met burn-outklachten. Zie de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden.En trouwens: meer werken zou ook minder opvoeding, minder mantelzorg en minder participatiesamenleving betekenen. Werk dat vervolgens, betaald, door iemand anders moet worden gedaan. Tel uit je verlies.

Ondertussen blijkt uit talloze studies dat langer werken nogal slecht is voor de gezondheid. Zie bijvoorbeeld deze grote metastudie.‘Meer kopen’ zal vooral een kwestie van ‘meer zorg consumeren’ zijn. Uit een studie van de Universiteit van Harvard blijkt ook nog eens dat co-assistenten met een te lange werkweek meer dan vijf keer zo veel (zware) diagnostische fouten maken.Bekijk de studie hier.

 

Bron: OESO. Illustratie: Momkai.
Bron: OESO. Illustratie: Momkai.

 

Maar Zie ook de analyse van The Economist van de grafiek hierboven.de grootste denkfout van Kalshoven is dat een werkweek van 60 uur een land rijker maakt. Ene Henry Ford liet honderd jaar geleden al een reeks van experimenten uitvoeren waaruit bleek dat zijn fabrieksarbeiders het meest productief waren bij een 40-urige werkweek. Nog 20 uur extra leverde vier weken lang wat op, maar deed de productiviteit vervolgens dalen omdat werknemers oververmoeid raakten.

Anderen gingen nog verder dan Ford. Op 1 december 1930, midden in de Grote Depressie, besloot de cornflakesmagnaat W.K. Kellogg om een 6-urige werkdag in te stellen in zijn fabriek bij de stad Battle Creek (Michigan). Het werd een daverend succes. Kellogg kon driehonderd extra mensen in dienst nemen en na vijf jaar bleek dat het aantal ongelukken met 41 procent was afgenomen en dat de werknemers een stuk productiever waren geworden. ‘Dit is bij ons niet slechts een theorie,’ vertelde Kellogg trots aan een journalist. ‘De stukprijs is zo ver gedaald dat we het ons nu kunnen veroorloven om evenveel te betalen voor zes uur werk als vroeger voor acht.’Hoogleraar geschiedenis Benjamin Kline Hunnicut schreef hier een mooi boek over: Kellogg’s Six-Hour Day

Net als Ford zag Kellogg de kortere werkweek als een kwestie van slim ondernemerschap. Maar voor de inwoners van Battle Creek betekende het veel meer. Zij hadden voor het eerst ‘echte vrije tijd’, schreef een lokale krant. Ouders hadden meer tijd voor hun kinderen. Er werd meer gelezen, getuinierd en gesport. Kerken en buurthuizen zaten overvol.

Ford en Kellogg ontdekten dat productiviteit en lang werken maar weinig met elkaar te maken hebben. Niet toevallig is het juist rijke landen als Duitsland, Denemarken en Nederland gelukt om de werkweek fors terug te dringen. Steeds blijkt: hoe korter de werkweek, hoe hoger de productiviteit per uur. Natuurlijk is zo’n correlatie niet hetzelfde als een oorzakelijk verband, maar het zou Kalshoven in ieder geval aan het denken moeten zetten.

 

Bron: OESO. Illustratie: Momkai.
Bron: OESO. Illustratie: Momkai.

 

Er zijn sterke aanwijzingen dat in een moderne kenniseconomie zelfs veertig uur per week nog te veel is. Helder denken is nu eenmaal een vermoeiende aangelegenheid. In bijna ieder kantoor zitten er aan het einde van de dag nog afgematte mensen achter hun bureau, doelloos surfend op Facebook en nu.nl, wachtend totdat de eerste naar huis is gegaan. Iemand die voortdurend zijn creatieve vermogens moet aanwenden, kan volgens de onderzoeker Sara Robinson Lees het stuk van Robinson hier.hoogstens zes uur per dag echt productief zijn.

Dus misschien kunnen we de sommetjes en denkstappen van Kalshoven een enkeltje negentiende eeuw geven, om vervolgens een voorbeeld te nemen aan de Zweedse stad Göteborg. De lokale overheid is daar een experiment begonnen met een 6-urige werkdag. ‘Wij hebben liever gezond en gelukkig personeel dan het tegenovergestelde,’ merkte de burgemeester op. Willen we het nog een beetje beter krijgen deze eeuw (waarbij ‘beter’ wordt gedefinieerd als ‘meer leven’), dan is dit de weg vooruit. ‘Mensen zullen meer aandacht geven aan andere dingen in het leven, zoals familie of hobby’s,’ aldus de burgemeester. Lees hier meer over het Zweedse experiment.‘Het leven is meer dan werk alleen.’

Mijn kracht zit tussen mijn oren

Ron Vlaar zingt het volkslied mee voor de aftrap van een interland. Altijd. Dat hoort zo, vindt hij. ‘Het is geen verplichting, maar ik ben trots. Je speelt voor je vaderland. Iedereen kijkt naar jou. Het humeur van veel mensen hangt af van wat wij laten zien. Dat gevoel zit diep.’

 

Ron Vlaar (29). Een mooie, krachtige voetbalnaam die zich leent voor bijnamen: Big Ron, Ron the Rock. Verdediger van Oranje. ­Leider. Perfectionist. Gegrepen door een ­hevig verlangen naar het WK in Brazilië, waar hij zich wil tonen aan de wereld. Hij herhaalt zichzelf geregeld: ‘Ik ben hier zo mee bezig. Twee jaar geleden, voor het EK, had ik nauwelijks meegedaan in de kwalificatie. Nu heb ik veel gespeeld. Ik wil laten zien dat ik stappen heb gezet.’

Leider

Hij zit onder een parasol in het luxueuze resort in het Portugese Lagos, waar het ­Nederlands elftal tot dinsdag trainde. Baard van meer dan een dag. Serieus.

Nadenkend. Vlaar is een gewone jongen uit Hensbroek, Noord-Holland, die vroeger bollen raapte in zijn vrije tijd. Hij is de beoogde leider van de jonge defensie van Oranje en is altijd bezig met beter worden. ‘Ik praat daarover ­weleens met vrienden. Een loodgieter kan ook niet stilstaan. Die moet ook cursussen doen om zich te verbeteren, want er zijn weer nieuwe technieken.’

Dromen

Zo praat hij graag, over ambities en ­doelen. Zijn WK-droom? ‘Je gaat naar het toernooi om te winnen. Ik weet dat wij niet de beste spelers hebben, maar het gaat om het beste team. Je speelt elke wedstrijd om te winnen. Wat moet anders je doelstelling zijn? Winnen. Het gaat om de intentie, om het gevoel dat je met elkaar creëert. Dat ­geloof moet er bij iedereen zijn. Twee jaar ­geleden zijn we in de groepsfase uitge­schakeld. Dat mag niet nog een keer ­gebeuren. Als team moeten we iets ­onoverwinnelijks creëren.’

Na het EK in Polen en Oekraïne stelde hij zich meteen een doel. ‘De laatste twee jaar was mijn doelstelling duidelijk: het WK ­halen. Twee jaar geleden speelde ik mee, als nieuwe speler in die groep. Nu wil ik ­bepalend zijn, dwingender, in een leidersrol. Ik was aanvoerder bij Feyenoord, ik ben bijna twee jaar aanvoerder bij Aston Villa. Blijkbaar zit dat in me.’

Onbewust bekwaam

Vlaar houdt van groepsprocessen. Hij leest het boek Mindset, de weg naar een succesvol leven, van de Amerikaanse psychologe Carol Dweck. ‘Het is een interessant woord, mindset. Daar zit alles in. Hoe je bezig bent met trainingen, met een wedstrijd, met je sport.’ Hij doceert: ‘Je hebt opeenvolgende fasen in denken: onbewust onbekwaam, ­bewust onbekwaam, bewust bekwaam, ­onbewust bekwaam. In die fase hoef je ­ergens niet meer over na te denken.’

Met psychologische aspecten is hij altijd bezig, ook door gesprekken met zijn mentale begeleider Bouke de Boer. ‘Ik moet hard werken om mijn doelen te bereiken. Ik ben geen natuurtalent. Dat is ook niet erg. Dat is juist de uitdaging. Het is geleidelijk gegaan met me. Mijn kwaliteit zit ook tussen mijn oren. Ik ben teruggekomen van zware ­blessures. Daarop ben ik trots. Ik heb twee keer mijn kruisbanden gescheurd, maar ik sta hier wel. Dat geeft me veel voldoening.
‘Toen ik de band voor de eerste scheurde, was ik teleurgesteld, maar je weet dat het kan gebeuren. Toen gebeurde het nog een keer. Paniek, frustratie. Natuurlijk twijfelde ik of ik zou terugkomen, en op welk niveau.

Ik weet dat wij niet de beste spelers hebben, maar het gaat om het beste team

‘Mijn ouders zijn er altijd voor me ­geweest. Nu ook, met mijn kinderen (Vlaar is gescheiden, red.). Die nemen ze dan mee naar Engeland. Het contact is daardoor goed, ik kan ze geregeld zien. Mijn ouders cijferen zich soms volledig weg. Ze doen dat met liefde. Dat vind ik groots.’

Spelsysteem

Mede daardoor is hij in balans. Hij ­hunkert naar het WK. Vlaar is benieuwd naar de werking van het nieuwe spelsysteem, met drie centrale verdedigers. ‘Het is anders. Het is een kwestie van inslijpen. In Engeland heb ik het ook gespeeld, met aanvallende backs. In Nederland worden andere dingen verwacht. We zijn meer bezig met tactiek. ­Tactiek is niet mijn sterkste punt, maar ik kan goed een opdracht invullen. Je moet het niet onderschatten, zo’n nieuw systeem. Dat je met meer personen bent achterin en denkt: ‘O, die tegenstander wordt wel opgepakt.’ Zo werkt het niet.’

Met bondscoach Louis van Gaal beleefde hij ooit een valse start bij AZ, maar dat is ­geweest. ‘Van Gaal is een totaal ander type dan Lambert, de trainer bij mijn club Aston Villa. Ze zitten er allebei kort op, maar in ­Nederland zijn we meer op voetbal gefocust. In Engeland is positiespel meer gericht op inhoud. Hartslag omhoog. Ik heb een goed seizoen achter de rug bij Aston Villa en ik weet wat ik wil: elke dag proberen beter te worden, door bewust om te gaan met alle ­aspecten die bij voetbal horen.

‘Je moet ergens in geloven en structuur aanbrengen. Een voorbeeld is het herstel voor en na een training: in- en uitfietsen. Warming-up. Coolingdown. Als je dat één week doet en dan drie weken niet, heeft het geen zin. In de loop der jaren krijg je ervaring, pik je dingen op, kom je erachter wat goed is voor je en wat niet. Zo heb ik mijn weg gevonden, maar die weg is nog niet ­volledig afgelegd. Je bent pas uitgeleerd als je stopt met voetbal.

Broccoliboom

REPORTAGE Met het burgerinitiatief Big Bang Broccoli wordt groente aan de man gebracht volgens de marketingstrategieën van fastfood- en snoepgiganten. Gaat dat werken.

Op een zonnige vrijdag in maart 2014 zit een groepje creatieve geesten bij elkaar in het atelier van voedselontwerpster Katja Gruijters in Amsterdam. Zij is zelf ook aanwezig. De initiatiefnemers schuiven aan: vertegenwoordigers van de Youth Food Movement, de jongerenclub van Slow Food en van FoodGuerrilla, een netwerk van voedselactivisten. Er zit een reclameman bij en een journalist (ondergetekende). Op de tafel liggen stronken knalgroene broccoli. We zijn bijeen met een doel. Dat luidt: stamp in een paar maanden tijd een reclamecampagne uit de grond voor broccoli. Vragen en ideeën vliegen over tafel. Hoe maken we broccoli sexy? Want vertellen dat broccoli zo gezond is, werkt natuurlijk niet. Broccoli moet cool worden, geen moetje. Er wordt een mood board vol gekalkt met kernwaarden van broccoli: gezond, puur, rauw, groen en eerlijk. Hm. Saai.

 

Wat voor verhaal gaan we vertellen? Welke toon moet onze campagne hebben? Serieus? Ironisch? Aanvallend? Of toch liever tongue in cheek? Hebben we een slogan nodig? Natuurlijk hebben we een slogan nodig. ‘Heerlijk helder broccoli’, roept iemand. ‘No broccoli no glory’, wordt geopperd. ‘Broccoli de groene motor’, luidt de Nederlandstalige bijdrage.

Broccoli, the movie

We are living in times in which you can design your life’, zegt een dreigende stem onder aanzwellende muziek. ‘At the same time we have never been surrounded by so many lies. It is money that decides which stories are told.’ Vervolgens gaat het filmpje over in een reclamecampagne voor broccoli waarin bekende slogans worden gebruikt -The best a man can get, Just do it, I’m loving it, Think different – om te eindigen met de slogan van de campagne: Break Free, Eat Broccoli. Het filmpje, belangeloos gemaakt door reclamebureau Boomerang is te zien via YouTube, Vimeo en Facebook.

Atoombom

Na wat heen en weer gepraat valt de keuze op ‘Break free, eat broccoli’. Dat vertolkt het beste ons streven naar een doorbraak in het denken over marketing en eten. We hebben er ook een beeld bij: een stronk broccoli die als een atoombom boven de wereld ontploft en het begin markeert van een nieuwe groene wereld. Tevreden zakken we af naar het café. Een slogan hebben we, dat is alvast wat.

Voedselmarketing is een machtig wapen in de dagelijkse oorlog die wordt gevoerd wordt rond onze eetlust. In de Verenigde Staten wordt jaarlijks meer dan 6 miljard euro uitgegeven aan voedselmarketing; in West-Europa 7 miljard. Reclame­adviesbureau Adfact becijfert de waarde van de bruto mediabestedingen voor dranken, levensmiddelen, snacks en zuivelproducten op ­radio, tv, dagbladen, tijdschriften, buitenreclame en bioscopen in Nederland op ongeveer 775 miljoen euro per jaar.

Kunnen we een economie creëren die is gebaseerd op goed voedsel?

Twee dingen vallen daarbij op. Ten eerste is een groot deel van de reclame gericht op kinderen. Ten tweede wordt voornamelijk voedsel verkocht dat we helemaal niet nodig hebben en soms zelfs ongezond is: snoep, chips, roomijs, frisdrank en hamburgers. Consumentenonderzoek uit 1996 – dertien landen werden bevraagd – wees uit dat 95 procent van alle tv-spotjes voor voedingsmiddelen reclame maakte voor ongezond voedsel. En geen misverstand: dat werkt. De obesitasgolf die de wereld overspoelt is daar het bewijs van. Volgens de ­Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) is het aantal mensen met obesitas in de wereld sinds 1980 verdubbeld. In Nederland is de helft van de volwassenen te zwaar. De vraag is: kan het anders? Kunnen we een economie creëren die is gebaseerd op goed voedsel? Kunnen we reclame maken voor gezonde in plaats van slechte en dikmakende producten? Die vragen hield ook de Amerikaan Michael Moss bezig.

  

BROCCOLI-abri

BROCCOLI-abri

 

BROCCOLI-abri

Beelden uit de broccoli-campagne, die als voorbeeld moet dienen voor ander

Beelden uit de broccoli-campagne, die als voorbeeld moet dienen voor ander ‘goed voedsel’ waarvoor nu nog reclame ontbreekt.

Moss is auteur van Zout Suiker Vet, een vorig jaar verschenen bestseller over de manier waarop de voedselindustrie ons verslaafd heeft gemaakt aan snack- en fastfood. Marketing speelt daarin een cruciale rol. Voedselbedrijven besteden tegenwoordig meer geld aan de marketing van een product dan aan de ingrediënten, schrijft Moss.

Hij benaderde Victor & Spoils, een bekend ­reclamebureau dat ook werkt voor grote merken als Coca-Cola, om een reclamecampagne te ontwerpen voor broccoli, misschien wel de gezondste maar ook de onooglijkste onder de groenten. De reclamemakers namen de uitdaging aan en ontwierpen een ‘Kale (kool) vs Broccoli’-campagne, naar het voorbeeld van de ‘cola-oorlog’ tussen Pepsi en Coca in de jaren tachtig. Dat was een oorlog met twee winnaars: de omzetcijfers vlogen bij beide bedrijven omhoog.

Broccoli: now 43 percent less pretentious than kale’, was een van de slogans van de campagne die nooit werd uitgevoerd, maar wel beschreven in The New York Times. Direct daarna schoot de verkoop van broccoli omhoog. Dat is een resultaat waarvan de bedenkers van de Nederlandse campagne slechts kunnen dromen als ze eind maart het Big Bang Broccoli-evenement organiseren in Amsterdam. Een van de sprekers is Erik Kessels van reclamebureau KesselsKramer, bekend onder meer van de reclamecampagne voor het Hans Brinker Budget Hotel met een slogan als: It can’t get any worse, but we’ll do our best. Het aantal overnachtingen steeg van 60 duizend vóór tot 150 duizend ná de campagne.

Een goede campagne vereist spitsvondigheid. Je moet een verhaal vertellen

Wie niet sterk is moet slim zijn, benadrukt Kessels. Een goede campagne vereist spitsvondigheid. Je moet een verhaal vertellen. Niet voor het voor de hand liggende gaan. Een goed idee schuurt: ‘Als je jezelf ongemakkelijk voelt bij een idee, ben je op de goede weg. Ik fietste vanmiddag op de gracht. Voor mij reed een vrouw. Haar tas viel van het stuur en er rolde een stronk broccoli uit. Met zo’n beeld kun je wat.’

Voor de Tweede Wereldoorlog was voedselmarketing nog een onbekend fenomeen, vertelt voedingshoogleraar Jaap Seidell die na Kramer het woord voert. ‘Eten verkocht zichzelf.’ Pas toen er voedsel verkocht moest worden dat geen enkel nut had, werd marketing van stal gehaald. ‘Ze verkopen iets dat eigenlijk niets is. Maar hebben daar wel een multi-milliondollarbusiness van gemaakt.’ Seidell maakt zich vooral zorgen over reclame gericht op kinderen. In Scandinavië, Frankrijk en Groot-Brittannië is dat verboden. ‘In ­Nederland wordt daar al tien jaar over gediscussieerd.’ De zelfregulering door de industrie is volgens Seidell totaal mislukt.

Bierkaai

Er wordt weliswaar minder reclame voor kinderen gemaakt op tv, maar in plaats daarvan hebben fabrikanten hun aandacht verlegd naar het internet en in de supermarkten. Wie daar tegenin wil gaan, vecht tegen de bierkaai. Het Voedingscentrum heeft jaarlijks een budget van 7,5 miljoen om voorlichting te geven over verstandige voeding; nog geen honderdste van het geld dat wordt uitgegeven aan voedselreclame.

Op het einde van de avond is er een directe ­skypeverbinding met de reclamemakers van Victor & Spoils in Denver. Drie vrouwen en een man zitten op een rode bank onder een abstract schilderij. ‘Wij zeiden tegen de mensen niet dat ze broccoli móésten eten’, zegt een baardig type in houthakkersbloes. ‘Het moet zo zijn dat je broccoli wílt eten. Het moet een groente zijn waarbij je wilt horen. Succes guys!’

Voor de goede orde: het gaat natuurlijk niet om broccoli. Dat is maar een voorbeeld om te laten zien hoe moeilijk het is een campagne op te zetten voor goed voedsel. Om te beginnen: wie gaat dat betalen? Op het hoofdkwartier in Amsterdam worden eind mei de balans opgemaakt. Er is een budget van 12.500 euro beschikbaar. Net genoeg voor een pagina in de zaterdagbijlage van de Volkskrant. Misschien dat er met crowdfunding nog wat binnenkomt. Maar er is ook goed nieuws. Reclamebureau Boomerang is bereid belangeloos een reclamefilm te maken voor broccoli. Verder worden er ‘broc­colleges’ georganiseerd op scholen en krijgt de campagne aandacht op 70 duizend placemats van het Vrijheidsdiner op 5 mei. FoodGuerrilla begint in mei een landelijke campagne met broccoli-pop-updiners.

 Halverwege de jaren negentig was broccoli nog een hippe groente. ‘Ouderen aten bloemkool, studenten broccoli’

Dan zijn er nog de broccolitelers zelf. Nederland telt twintig grote. Een van hen zit in Raamsdonk. In een grote loods, pal aan de A59, werken Peter Verschuren en zijn broer Martijn. In 1995 zijn ze begonnen met 1 hectare broccoli, nu hebben ze 100 hectare staan, voornamelijk op gehuurd land. Het was Martijns idee, zegt Verschuren. ‘Eigenlijk wilde ik bloemkool telen.’ Broccoli heeft een belangrijk voordeel boven bloemkool: het groeit op een steel boven de grond. Dan hoef je bij het oogsten minder te bukken.

Toen ze begonnen, halverwege de jaren negentig, was broccoli nog een hippe groente. ‘Ouderen aten bloemkool, studenten broccoli.’ In 1995 bracht 1 kilo broccoli bijna 1 euro op, daar was wat aan te verdienen. Aangelokt door het succes plantten steeds meer boeren broccoli. Volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) stond er in 1998 753 hectare broccoli in Nederland. Vorig jaar was dat 1850 hectare, tweeënhalf keer zoveel. De productie steeg van 7 miljoen kilo in 1998 tot 15,7 miljoen kilo nu. Het aanbod groeide sneller dan de vraag zodat de prijzen daalden: een kilo broccoli brengt nu nog maar zo’n 65 cent op. Bij lage marges moet je wel meer omzetten, zegt Verschuren. Broccoli is een verdringingsmarkt geworden. Sinds 2010 is de productie fors gedaald.

Waarom er zo weinig broccolireclame wordt gemaakt? De Nederlandse telers zijn goed voor 15,7 miljoen kilo per jaar. À raison van 65 cent de kilo is dat een jaaromzet van 10 miljoen euro. Multinational Unilever, eigenaar van onder meer Ola en Calvé, had in 2013 een jaaromzet van 49,8 miljard. Een groot verschil in marketingkracht.

‘Broccolitelers zijn zelfstandige ondernemers, eigenwijze mensen. Die krijg je nooit op één lijn’

Onlangs sprak Verschuren met zes zuidelijke broccolitelers. Kunnen ze de campagne ondersteunen? Ze legden 2.500 euro op tafel. Dat lijkt niet veel. ‘Ik vind het al heel wat’, zegt Verschuren. ‘Broccolitelers zijn zelfstandige ondernemers, eigenwijze mensen. Die krijg je nooit op één lijn.’

In de broccoli is het ieder voor zich, maar de campagne maakt het beste in hen los. Een aantal, onder wie Verschuren, heeft toegezegd gratis broccoli te leveren voor de openbare veiling waarmee het nieuwe seizoen op 31 mei feestelijk wordt geopend. ‘Een beetje zoals de Hollandse Nieuwe’, mailt de coördinator van ons campagneteam. Waar dat zal plaatsvinden, is nog geheim. ‘In ieder geval op een centrale plek in de stad.’ In de week daarna moet de ‘broccoli-buzz’ door Nederland gaan. Biologische supermarkt Marqt, Albert Heijn, markten en restaurants zijn benaderd. KLM gaat iets doen, NS-stations worden ‘broccolized’, er zijn reclameposters voor broccoli gemaakt die bekende merken plagiëren, er komen billboards. Broccoli zal overal opduiken.

De campagne eindigt op 11 juni met de uitreiking van de Gouden Broccoli, een aanmoedigingsprijs voor een boer of teler die ‘creatief is met broccoli’. Het zal een druppel op de gloeiende plaat zijn, maar we hebben ons best gedaan.

Dokter bibber

Vele honderdduizenden Nederlanders raken in paniek bij alleen al het vooruitzicht op een medische behandeling. Sommige kankerpatïenten zijn zo bang dat ze hun chemokuur niet afmaken. Hoe artsen en ziekenhuizen proberen patiënten op hun gemak te stelle

Het begint al als de schuifdeuren van het ziekenhuis opengaan: de geur van ontsmettingsmiddelen laat je maag draaien. Dan die wachtkamer met zwijgende patiënten, de doos met naalden die op de balie staat, die doodenge prik die straks volgt, de vreselijke operatie die er mogelijk aankomt, de gedachte aan bloed, aan wonden en dan ook nog overal om je heen die huiveringwekkende witte jassen. Je hebt al een week slecht geslapen en je denkt dat het toch maar beter is als je nu, bij die balie met de naalden, je afspraak afzegt en volgende week terugkomt. Misschien.

Nee, dit is geen beschrijving van een uitzonderlijke neuroot. Medische fobieën laten ziekelijke angsten voor spinnen, grote hoogten en vliegtuigen ver achter zich. Niemand gaat voor zijn plezier naar de dokter of de tandarts, maar vele honderdduizenden Nederlanders raken zo in paniek van bijvoorbeeld bloed (hemofobie), injecties (trypanofobie), operaties (tomofobie), pijn (algiofobie), artsen (iatrofobie) of tandartsbehandelingen (odontofobie) dat zo’n bezoek een nachtmerrie wordt.

Arts Henk Schenk: ‘Er zijn patiënten die hevig beginnen te trillen als ze hier de drempel overstappen.’

Medisch psycholoog Dorine van Woerden (AMC): ‘Ik ken kankerpatiënten die een chemokuur krijgen en al misselijk worden zodra ze langs de snelweg het bordje AMC zien staan. Soms maken ze hun kuur niet eens af en beginnen ze jaren later nog te kokhalzen als ze hier binnenkomen.’

De schooltandarts
De schooltandarts wordt door velen aangewezen als hoofdschuldige voor hun tandartsangst. Na de Tweede Wereldoorlog kwam er veel suikerrijk voedsel op de markt, wat de toch al slechte kindergebitten geen goed deed. De oplossing was de schooltandarts, die jaarlijks met de bus het schoolplein opreed en een siddering door de klaslokalen liet gaan. Hoogleraar Ad de Jongh: ‘De tandarts vond de eerste jaren meestal meer dan tien gaatjes per kind en verdoofd werd er toen nog niet. Kinderen moesten met zijn drieën tegelijk naar binnen, dus ze zaten te kijken hoe hun klasgenoot werd gemaltraiteerd en daarna moesten ze zelf in de stoel. En dan terug in de klas heel erg opscheppen hoe erg het was en hoeveel pijn ze hadden moeten doorstaan. De anderen wisten precies wanneer ze aan de beurt waren want de oproepen gingen op alfabetische volgorde.’ De schooltandarts is inmiddels afgeschaft; de meeste mensen gaan nu naar een reguliere tandarts.

Tandarts en hoogleraar Ad de Jongh: ‘Ik ken mensen die al ruim dertig jaar niet naar de tandarts zijn geweest. Hun gebit is gereduceerd tot stompjes, ze hebben altijd pijn en voortdurend ontstekingen waarvan het pus afwatert in hun mond, en dat proef je en ruik je. Maar ze nemen dat allemaal voor lief, want hun angst is te groot.’

Duitse psychiaters waarschuwden een paar jaar geleden in het Journal of Medical Case Reports dat het aantal fobische patiënten door de medische vooruitgang fors zal toenemen. De Duitsers beschreven in het vakblad een extreem geval van tomofobie, bij een 69-jarige man die een levensreddende bypassoperatie weigerde omdat hij volslagen in paniek raakte van het vooruitzicht onder narcose te moeten. De man leed ook al twintig jaar hevige pijn vanwege artrose en een hernia, maar had daarvoor vanwege dezelfde fobie nooit een arts bezocht.

Sluimerende angste

‘Artsen krijgen in toenemende mate te maken met patiënten die ingrepen weigeren’, voorspelden ze. Al die puncties, scans en nieuwe operatietechnieken en alle medische tv-programma’s die daarvan verslag doen, wakkeren sluimerende angsten aan.

Een bange patiënt mijdt de zorg en dat maakt een medische fobie potentieel gevaarlijk, en ook zo anders dan een extreme angst voor bijvoorbeeld spinnen of grote hoogtes, zegt Ad de Jongh, hoogleraar angst- en gedragsstoornissen aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Het is de enige fobie die gevolgen kan hebben voor de gezondheid van je lichaam.’

Injectiefobie 

De medische literatuur maakt duidelijk hoe heftig die gevolgen kunnen zijn. Bange patiënten halen geen vaccinaties, vermijden bloedonderzoek en scans, zien af van operaties, stellen bij een zwangerschap controles uit. Dorine van Woerden behandelt in het AMC onder meer patiënten met diabetes die last hebben van een injectiefobie, een veelvoorkomend probleem, vertelt ze. ‘Zij prikken zich niet of te weinig en dat schaadt hun gezondheid.’

Vandaar de inzet van artsen, tandartsen en ziekenhuizen, die de laatste jaren uit alle macht en op tal van manieren proberen om de angstige patiënt op zijn gemak te stellen en te helpen. Want met een ‘stelt u zich niet aan’ of ‘het valt best mee’ kan de dokter van nu niet meer aan komen.

Patiëntenbeleving

 Om te beginnen lijkt het ziekenhuis tegenwoordig zo min mogelijk op een ziekenhuis, met kunst aan de muur, kleurige kamers en gedempt licht. De divisie Health Care van Philips heeft er zelfs een speciale designafdeling voor. Zo kunnen mri-ruimtes met behulp van touchscreens worden omgetoverd in themakamers (jungle, onderwater, lucht), om de ‘patiëntenbeleving positief te beïnvloeden’.

Ook de techniek helpt mee. Sommige ziekenhuizen gebruiken al lachgas tegen de angst of een kalmerende neusspray. En, hosanna voor iedereen met prikangst, de pijnvrije naald is in aantocht. Deze week hielden wetenschappers in het Amerikaanse Baltimore een internationaal congres over de micronaald. Er loopt al een proef met de vaccinatiepleister, een pleister met naaldjes van minder dan een millimeter lang waar het vaccin als droge stof in zit.

Sommige ziekenhuizen gebruiken al lachgas tegen de angst of een kalmerende neusspray. En, hosanna voor iedereen met prikangst, de pijnvrije naald is in aantocht

Prikangstigen in nood, die vanwege werk of naderende vakantie per se een vaccinatie nodig hebben, kunnen terecht bij Henk Schenk. De Amersfoortse arts houdt elke maandagmiddag in het Meander Medisch Centrum een spreekuur voor patiënten met een extreme angst voor injecties. Zelfs vanuit het buitenland komen ze naar hem toe, vertelt hij. Tijdens de eerste afspraak praat hij alleen maar met ze, om hun vertrouwen te winnen. De keer daarop volgt de prik, maar dan wel met wat assistentie. Schenk gebruikt lachgas dat patiënten zelf via een mond-neusmasker kunnen toedienen. Ze blijven daardoor bij kennis, legt hij uit, maar voelen zich tijdelijk een beetje dronken in het hoofd. ‘Het is bedoeld om de ergste spanning weg te halen.’

KvdN_9794

Hij zegt: ‘Het zal nooit hun hobby worden, maar ik leer patiënten zo veel mogelijk op eigen benen te staan zodat ze een volgende keer mijn hulp niet meer nodig hebben.’

Angst

Wie doodsbang blijft, kan in behandeling. De meeste patiënten zijn te helpen, zegt Dorine van Woerden, medisch psycholoog in het AMC. ‘Het is mijn taak te achterhalen waar hun angst vandaan komt. Dat kan variëren van een eerdere traumatische ervaring tot angst voor pijn tot seksueel misbruik. Als ik de oorzaak in beeld heb, kan ik ermee aan de slag.’

Ze biedt patiënten cognitieve gedragstherapie (om een ander gedachtenpatroon aan te leren), EMDR (een behandeling om een ingrijpende ervaring te verwerken) of ontspannings­oefeningen. Of exposure, een techniek waarbij patiënten stapsgewijs worden blootgesteld aan dingen die een angstige reactie opwekken. Bij een spinnenfobie is dat eerst een plaatje, dan een filmpje en dan een echt beest, zegt Agnes van Minnen, hoogleraar behandeling van angststoornissen aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, en dat werkt bij naalden of operaties precies zo.

In hun hoofd zien patiënten rampen. Dat beeld moet worden bijgesteld. Hoe? Eerst doen, dan durven, is het motto

Hoogleraar en tandarts Ad de Jongh

Van Minnen behandelt als klinisch psycholoog in het centrum voor angststoornissen Overwaal vooral patiënten met een bloed- of injectiefobie, die na jaren van vermijding eindelijk hulp zoeken. Verschil met andere fobieën is dat die patiënten vaak flauw vallen, zegt ze. Daarom leren ze om kunstmatig hun bloeddruk op te stuwen, door de spieren van armen, borst en bovenbenen aan te spannen.

En dat helpt, weet Brit Verheul, die de exposure-training twee keer onderging om van haar prikangst af te komen. ‘Ik val flauw als ik bang ben en zo is die angst ontstaan. Als kind al was ik bang voor vaccinaties. Ik stond niet te janken in de rij nee, ik viel, boem, op de grond. Dan was iedereen in paniek, stonden ze te schreeuwen en met zakdoekjes met eau de cologne te wapperen en op mijn gezicht te slaan. Heel onprettig. Ik ben al zo vaak flauwgevallen en als dat elke keer weer gebeurt, versterkt dat de angst. Die angst breidde zich uit. Zat ik huilend bij de gynaecoloog alleen maar omdat hij even wilde kijken wat er met me aan de hand was.’ 

Oefenen

Drie jaar geleden wilde haar huisarts een bultje op haar arm weghalen en daar raakte ze zo van in paniek dat ze zich realiseerde: er moet iets gebeuren. ‘De psycholoog liet me oefenen. Ik moest eerst naar een medisch programma kijken, en daarna een ziekenhuis binnen lopen zonder dat ik er een afspraak had. Toen moest ik spuiten op tafel aanraken, vervolgens mezelf een prikje geven. Uiteindelijk heeft de huisarts me geprikt en moest ik benoemen wat ik voelde. Zo konden mijn negatieve gedachtes worden bijgestuurd. Een week na die training heeft hij het bultje kunnen weghalen. En ik viel er niet bij flauw.’

Sommige ziekenhuizen gebruiken al lachgas tegen de angst of een kalmerende neusspray. En, hosanna voor iedereen met prikangst, de pijnvrije naald is in aantocht

De afgelopen tijd is ze twee keer geopereerd. ‘Niet dat ik fluitend het ziekenhuis in ga maar het is draaglijk geworden. De positieve ervaringen beginnen mijn angst te overheersen.’

Honkvast op de eerste plaats in de ranglijst van medische boemannen: de tandarts. De tandartsfobie is de meest voorkomende fobie, het haakje en de boor behoren tot de meest vervloekte medische instrumenten. Een paar jaar geleden bleek uit een Amsterdams promotie-onderzoek dat zeker 600 duizend Nederlanders zo panisch voor de tandarts zijn dat ze niet gaan. In zijn boek Angst voor de tandarts heeft hoogleraar en tandarts Ad de Jongh een aandoenlijk briefje opgenomen van een van zijn patiënten: ‘Geachte mijnheer de tandarts, ik leesde u verhaal in een boekje over bange mensen voor de tandarts nou daar ben ik er ook een van heel erg. Ik heb halve kiesen stukjes tand allemaal verrot dus ik snap heel goed dat het ook zo niet door kan gaan. Maar ja die eerste stap.’

Vicieuze cirkel

Bijna altijd is de oorzaak van tandarts­angst een traumatische ervaring uit het verleden, weet De Jongh: een kies die zonder verdoving werd getrokken, een tandarts die lomp reageerde. En negatieve ervaringen, zegt hij, worden veel beter in het geheugen opgeslagen dan positieve. Eenmaal angstig ontstaat een vicieuze cirkel, legt hij uit: wegblijven leidt op den duur tot pijn, stank, schaamte, en het besef dat er gaandeweg alleen maar meer in de mond moet gebeuren, wat de angst weer vergroot en de drempel van de tandartspraktijk nog hoger maakt.

Cijfers

Onderzoek onder Nederlandse volwassenen wijst uit dat ruim 9 procent erg angstig wordt bij het zien van bloed. Bij 1 procent is die angst zo groot dat sprake is van een fobie. Dezelfde steekproef, gepubliceerd in het European Journal of Oral Sciences, wijst uit dat 1,1 procent van de Nederlanders een fobie heeft voor injecties, 16 procent is er bang voor. Bij diabetespatiënten is de prikangst groter: 14 procent geeft aan extreem angstig te zijn voor de insuline-injecties.
Kleine ruimtes, inclusief mri-scanners, boezemen ruim 17 procent van de Nederlanders angst in; bij 1,6 procent is sprake van een fobie. Europees onderzoek laat zien dat 3,3 procent van de mensen een fobie heeft voor verwondingen. Een kwart van de Nederlanders is bang voor de tandarts; 600 duizend van hen hebben een tandartsfobie. Dat is vermoedelijk een onderschatting, zegt hoogleraar De Jongh, want niet iedereen komt ervoor uit. ‘Er zijn genoeg mensen die smoesjes bedenken om niet naar de tandarts te hoeven.’
Bloed- en naaldenfobieën ­komen bij mannen en vrouwen evenveel voor. Volgens Henk Schenk, die patiënten met prikangst behandelt, zoeken vrouwen er eerder hulp voor.

Niet zelden is het de familie of zelfs de werkgever die maatregelen eist. Dan kan de angstige patiënt terecht in een van de negentien centra voor bijzondere tandheelkunde. De Jongh, verbonden aan het Amsterdamse centrum ACTA, legt uit wat daar gebeurt: ‘In hun hoofd zien patiënten rampen. Dat beeld moet worden bijgesteld. Wij proberen stapsgewijs hun angst te falsificeren. Hoe? Eerst doen, dan durven, is het motto. Als een patiënt eenmaal ervaart dat een behandeling voorspelbaar, beheersbaar en pijnloos kan zijn, ontkracht dat geleidelijk aan het negatieve denkpatroon.’

Tandartsangst komt vooral voort uit hulpeloosheid, zegt De Jongh. ‘Je bent kwetsbaar, je ligt achterover, overgeleverd aan een vreemde. Daarom spreken we ook een stopsignaal af. Steekt de patiënt zijn hand op, dan wacht de tandarts. Dat geeft een gevoel van controle.’

Onder narcose

Sinds een paar jaar kan de tandartsstoel ook met lachgas worden bedwongen, soms zelfs met narcose. In een modern pand aan de rand van Alphen aan den Rijn helpen twee teams van tandartsen, anesthesiologen en anesthesiemedewerkers wekelijks zo’n dertig patiënten die zo bang zijn dat ze liever helemaal onder zeil gaan. Een behandeling duurt maximaal tweeënhalf uur, zegt office manager Sandra van der Sloot, zodat de patiënt dezelfde dag nog veilig naar huis kan. Hun begeleiders (familie of soms gewoon de buurman) krijgen intussen van de gastvrouw koffie en broodjes.

De Jongh is geen voorstander van narcose, zegt hij. ‘Daarmee help je patiënten niet van hun onderliggende angst af.’ Zie het als een achterdeur voor patiënten bij wie het anders echt niet gaat, reageert Van der Sloot. ‘Wij winnen daarmee hun vertrouwen terug. Daarna proberen we ze terug te laten komen voor controles om ze voor te bereiden op een bezoek aan de reguliere tandarts.’

Ingewikkelde behandelingen

Heel soms lukt het ook de narcosetandarts niet. Van der Sloot herinnert zich een man die drie keer niet kwam opdagen. ‘Uiteindelijk stuurde hij ons een mail. Hij had steeds voor de deur gestaan maar hij durfde niet naar binnen.’

Fobieën zijn ontspoorde angsten, schrijven de Canadese hoogleraren Martin Antony en Mark Watling in hun boek Overcoming medical phobias, en die ontsporingen ontstaan meestal in de jeugd. Ze kunnen er zelfs een gemiddelde leeftijd bij noemen: 14 jaar. Nu medische behandelingen almaar ingewikkelder en bedreigender worden, ligt een toename aan nieuwe fobieën op de loer. Preventie is van groot belang, waarschuwen ze: trauma’s bij kinderen moeten worden voorkomen.

Slaapwater en pleisterdraadjes

Vandaar het teddyberenhospitaal, een internationaal project waarbij kinderen eens per jaar met hun knuffel naar het ziekenhuis mogen om zo de angst voor dokters weg te nemen. Vandaar ook dat steeds meer tandartsen de tijd nemen om kinderen te behandelen en daarbij hun woordkeus aanpassen. Een verdoving heet dan opeens slaapwater, een hechting is een pleisterdraadje.

In het Hersencentrum van het UMC Utrecht laat Sarah Durston, hoogleraar ontwikkelingsstoornissen van de hersenen, een mri-scanner zien van mdf. Een oefensessie maakt duidelijk dat de houten replica in niets onder doet voor de serieuze variant, even verderop in het ziekenhuis. Achter minuscule gaatjes branden kerstboomlampjes, de boxen links en rechts produceren het kenmerkende lawaai. Dat geluid is opgenomen in een echte scanner en met een decibel­meter geijkt, vertelt Durston, zodat het net zo hard klinkt.

Eens per jaar mogen kinderen met hun knuffel naar het  teddyberenhospitaal  komen om zo hun angst voor dokters kwijt te raken

Durston zag de houten scanner in het ziekenhuis in New York waar ze promotie-onderzoek deed. Eenmaal terug in Utrecht wilde ze wetenschappelijk onderzoek doen bij jonge kinderen, maar ze kreeg geen toestemming voor de benodigde mri-scans. Ze nam een meubelbouwbedrijf in de arm en deed een proef met de houten oefen­scanner. Dat ging prima, de kinderen bleken absoluut niet angstig. Sindsdien is het gebruik van de oefenscanner verplicht bij wetenschappelijk mri-onderzoek met kinderen.

Het meubelbouwbedrijf heeft intussen ook voor andere ziekenhuizen mdf-scanners gebouwd. Die worden nu ook ingezet voor klinisch onderzoek, bij zieke kinderen (en soms volwassenen) die bang zijn. Mri-angst komt veel voor, weet Durston, vooral bij volwassenen: ze kent collega’s die al in paniek raken als ze aan de smalle buis dénken.

Soms gebruikt ze een kitten scanner, een miniatuur-mri waar kinderen een knuffel in mogen leggen, een olifant met een heel groot hoofd. Durston: ‘Leggen we daarna mama in de houten oefenscanner en dan het kind. Het blijkt een perfecte voorbereiding. De smileys waarmee kinderen uitleggen hoe bang ze waren, laten meestal een grote lach zien.’

Heeft ovulatie invloed op partnerkeuze?

Vrouwen zijn geen slaaf van hun hormonen. Zelfs als ze op hun allervruchtbaarst zijn, hebben ze geen andere smaak qua mannen dan wanneer de eierstokjes minder jeuken, las ik in de Volkskrant van 17 mei. En dat terwijl evolutiepsychologen al vele jaren voorspellen dat juist in de periode rondom de ovulatie vrouwen een hormonaal aangedreven voorkeur hebben voor een vlugge wip met een dominante, breedbekaakte, symmetrische machoman. Ook al hebben de dames de rest van de maand het liefst een zorgzame vent, hun eitjes laten ze het liefst bevruchten door een man die alle tekenen heeft van een stoer genenpakket.

 

Dat was de theorie waarmee werd afgerekend. De afrekenaar was Hidde Boersma, die zich baseerde op een pas verschenen meta-analyse, dus op een publicatie waarin alle deugdelijke studies naar de link tussen cyclus en partnerkeuze werden bekeken. Het waren er wel 58, waarmee de onderzoeksgroep van psycholoog Wendy Wood liet zien dat de keuze voor een bepaald type kerel helemaal niet varieert gedurende de maand. ‘Een romantisch verzinsel’, duidde Boersma de evolutiepsychologische theorie.

Team-Wood en team-Haselton kregen ruzie over welke studies goed genoeg waren om mee te mogen doen

Het was mooi gezegd, maar bij psychologiehoogleraar Mark van Vugt schoot het in het verkeerde keelgat. ‘Slechte wetenschapsjournalistiek’, twitterde hij meteen. De reden: er is nóg een recente meta-analyse, óók naar de link tussen de vrouwelijke cyclus en partnervoorkeur, en die zat niet in Boersma’s stuk. Extra sappig: die meta-analyse – van Martie Haselton en collega’s – concludeerde juist het tegenovergestelde.

Wat is hier aan de hand? Ik stak mijn licht op en hoorde dat team-Wood en team-Haselton ooit samen op het meta-analytische pad waren. Maar ze kregen ruzie over welke studies goed genoeg waren om mee te mogen doen. Wood wilde een handjevol buiten de analyse laten omdat ze de vruchtbare periode te ruim definieerden. Sommige rekenden met wel twaalf vruchtbare dagen per cyclus, terwijl vrouwen in werkelijkheid maar op zes dagen kans hebben op bingo.

Heeft Wood ons behoed voor een staaltje misleidende slodderstatistiek? Of heeft Haselton juist een aantal waardevolle studies gered van uitsluiting?

Daarnaast schrapte Wood nog een paar studies omdat de bijbehorende publicatie leed aan statistische vaagheid, en de onderzoekers desgevraagd niet over de brug kwamen met cijfermatige duidelijkheid. In beide gevallen gaat het om studies die Haselton in haar meta-analyse wel meenam. En in beide gevallen gaat het ook om juist die onderzoeken die een sterk verband lieten zien tussen menstruatiecyclusmoment en mannenkeuze. Dit verklaart waarom Woods meta-analyse een totaal andere conclusie trekt dan die van Haselton en co.

De vraag is welke keuze beter is. Heeft Wood ons behoed voor een staaltje misleidende slodderstatistiek? Of heeft Haselton juist een aantal waardevolle studies gered van uitsluiting? Of speelt er nog iets anders?

Haselton en Wood zijn van verschillende wetenschapskampen. Haselton verklaart modern gedrag graag vanuit de evolutiebiologie. Zo was ze in december in het nieuws met de ontdekking dat vrouwen meer spijt hebben van een one night stand dan mannen. Deze afkeer van de eennachtswip zit volgens haar als sinds de oertijd in het damesbrein ingebakken. Immers: seksuele losbandigheid was riskant, want voor je het wist was je zwanger. En dat was niet een investering die je wilde aangaan met het dna van zomaar elke lul de behanger.

In culturen waarin vrouwen zelf de kost bijeen scharrelen, hebben ze liever een zorgzame vent die goed is met de kinderen.

Wendy Wood, daarentegen, ziet cultuur en sociale rollen als belangrijkste verklaring voor gedrag. In een veelgeciteerd onderzoek maakt ze bijvoorbeeld gehakt van één van de hardnekkigste sprookjes uit de evolutiepsychologie: het idee dat vrouwen sinds de prehistorie een aangeboren voorkeur hebben voor een rijpere, welgestelde man die hen kan onderhouden. Wood vergeleek verschillende jager-verzamelaarsvolkeren met elkaar, en ontdekte dat dit alleen geldt in culturen waarin vrouwen zelf nauwelijks bestaansmiddelen hebben. In culturen waarin vrouwen zelf echter de kost bijeen scharrelen, hebben ze liever een zorgzame vent die goed is met de kinderen.

Het ligt in de rede dat deze intellectuele tweespalt invloed heeft gehad op hoe Haselton en Wood naar de studies over menstruatiecyclus en mannenvoorkeur keken. Ironisch genoeg is het normaal gesproken juist vaak zo dat meta-analyses de strijd tussen twee wetenschapskampen beslechten. Hierin staat immers onze beste beschikbare kennis, de samenkomst van alle deugdelijke studies die naar een onderwerp zijn gedaan, de gouden veer in de kont van het academisch bedrijf. Ik vraag me af: als we niet meer op die gouden veer kunnen terugvallen, wat kunnen we dan nog wéten? Misschien vooral dit: objectief onderzoek is een illusie. En wetenschappers zijn net mensen.

Ik vond het raar, maar ook spannend

REPORTAGE Voor de rechtbank in Assen wordt woensdag duidelijk hoe verdachte Frank R. meisjes verleidde tot steeds extremere handelingen. In vijf stappen van onschuldig chatten tot ‘ruige seks’.

‘Ik kon er niet mee stoppen, de drang was te groot.’ Frank R. uit Cuijk (Noord-Brabant) vertelt de rechter woensdag voor het eerst hoe hij jarenlang minderjarige meisjes verleidde tot seks, via de webcam en in het echt. Op basis van de duizenden erotische beelden die zijn gevonden in zijn flat, heeft de politie 93 slachtoffers getraceerd. Van hen deden 21 aangifte. Hoe kon het dat zo veel kinderen in zijn val trapten? Tijdens de eerste zittingsdag in Assen blijkt hoe Frank R. jonge meisjes in vijf stappen verleidde tot steeds extremere handelingen.

 

1. Knappe ‘Nick’ is zogenaamd 18

Als een verslagen vogeltje zit hij erbij in de rechtbank, de bleke, kale gevelreiniger Frank R. Een zwarte broek slobbert om zijn spillebenen, eczeemplekken teisteren zijn kippige hals. Niet bepaald het ‘moppie van de week’ van wie Tina-lezeressen posters op hun tienerkamers hangen. Toch bracht deze 49-jarige man meisjes van 13 het hoofd op hol.

Het begint meestal op de chatsite ­Solomio, ‘daar zitten veel jonge meisjes’. Hij maakt een profiel aan als Nick, Tom, Frenkie of domweg Ikke. En zegt dat hij 16,18 of 20 is. Hij stuurt de meisjes via de chat foto’s en filmpjes van onbekende knappe jongens, die hij op internet heeft gevonden.

‘U heeft uw slachtoffers laten denken dat u een heel mooie jonge jongen was’, zegt de rechter. ‘De beelden waren duidelijk uitgezocht op hun uiterlijke verschijning.’

2. Luisteren en complimenteren

De meisjes die ‘happen’, chatten vaak dagelijks met hem. Met sommigen vier uur achtereen. ‘Dan ontstaat er een band’, zegt de verdachte.

Sommige slachtoffers omschrijven Frank R. als een lieve man, die veel complimenten geeft. ‘Je bent heel mooi, zei hij dan’, verklaarde de destijds 16-jarige Isa bij de politie. Het gaat niet goed bij haar thuis, haar ouders zijn net gescheiden. Op school wordt ze gepest. Bij Frank R. kan ze haar verhaal kwijt.

De rechter: ‘U had elke dag contact, vaak urenlang. Die meisjes voelden zich daar prettig bij. Was dat nou een doelbewuste strategie om ze uit de kleren te krijgen, of was die belangstelling van u echt?’ Frank: ‘Allebei, dat zeg ik heel eerlijk.’

3. Webcam-seks

Als hij hun vertrouwen heeft gewonnen, vraagt Frank R. meisjes hun ­lichaam te laten zien. Zij denken nog steeds met een knappe, 18-jarige jongen te chatten.

‘Onze gesprekken kregen steeds meer een seksuele lading’, verklaart slachtoffer Carmen (toen 13). ‘Hij vroeg mij een vinger in mijn vagina te doen voor de webcam. En later een borstel. Ik vond het raar, maar ook spannend.’

In enkele gevallen dreigt hij meisjes later het materiaal te publiceren als zij niet doen wat hij wil

Dat dubbele gevoel hebben meer meisjes. ‘Ik deed alles voor hem, ik wilde hem blij maken’, leest de rechter voor uit een aangifte van een ‘duidelijk verliefde bakvis’.

Sommige meisjes gaan in op ‘bijzondere’ webcamverzoeken. Daar komen vaak urine en een enkele keer een hond aan te pas. Wat zij vaak niet weten, is dat Frank R. alle beelden bewaart. In enkele gevallen dreigt hij meisjes later het materiaal te publiceren als zij niet doen wat hij wil. Het blijft bij dreigementen, maar die druk kan deels verklaren waarom sommige slachtoffers zo ver meegaan in zijn wensen.

4. Ontmoeting in het echt

Frank R. ‘date’ met twaalf meisjes ook in het echt. Ze komen vanuit het hele land naar Cuijk, ‘op zo’n Kruidvat-treinkaartje van 12,50 euro’.

Voor de eerste ontmoeting zegt hij op de chat dat hij ‘iets ouder’ is. Toch is het voor de meeste meisjes een teleurstelling als ze zien wie hen op het station opwacht. ‘Hij was allesbehalve knap’, verklaarde Melanie (destijds 15). ‘Een onverzorgde man.’

Melanie zegt hierover dat ze ‘verliefd was op die Tom, het voelde allemaal vertrouwd.’

En dan ook nog dat ‘vreemde oog’ – Frank R. is aan één kant blind. Het is des te wonderlijker, meent de rechter, dat geen van de meisjes rechtsomkeert maakt. Frank R. zwijgt. Hij lijkt het zelf ook niet helemaal te begrijpen.

Melanie zegt hierover dat ze ‘verliefd was op die Tom, het voelde allemaal vertrouwd’. Een ander, de 12-jarige Sara in wier aanwezigheid hij werd gearresteerd, zegt dat ze met hem meeging omdat ze het ‘zielig’ vond dat hij 250 kilometer had gereden om haar te zien.

Tijdens de ontmoetingen heeft Frank R. seks met de minderjarigen, bij hem thuis, in zijn bedrijfsbus, in de auto. In het geval van Sara wordt hem verkrachting verweten. In de andere situaties gaat het om ontucht.

Slachtoffers hebben verklaard dat hij aandrong, maar geen fysieke dwang uitoefende. Carmen: ‘Hij was een lieve pedofiel. Als ik zei dat ik echt niet wilde, dan deed hij het niet.’

5. Steeds extremer

Zijn eerste contacten met minderjarigen legt Frank R. rond 2001. Dat gaat door tot hij in 2013 wordt opgepakt. In het dossier valt op dat de seksuele verzoeknummers aan zijn ‘vriendinnetjes’ in de loop der jaren steeds extremer worden. Hij bindt meisjes vast, plakt hun ogen af, plast over hen heen en smeert hen in met ontlasting.

Alsof Frank R. steeds meer kicks nodig heeft om aan zijn gerief te komen, zegt de officier van justitie. ‘Ja dat zou kunnen’, zegt de verdachte aarzelend. Hij spreekt van ‘ruige seks’.

Alhoewel de slachtoffers verklaard hebben dat ze het gek en vies vinden wat hij van ze wil, komen sommigen bij hem terug. De spijt komt later. ‘Het is de domste fout van mijn leven geweest om met hem af te spreken’, heeft Melanie verklaard. ‘Het enige wat ik later van hem miste, was de aandacht.’

De namen van de slachtoffers zijn ­gefingeerd.

Kiezen met de kennis van nu en later.

Mensen die stemmen, doen dat nog maar zelden in de overtuiging dat hun stem enig verschil maakt. Dat geldt zeker voor de verkiezingen van vandaag. In Brussel zal op geen enkele wijze rekening worden gehouden met de uitslag. Neem het waanzinnige pendelen van het Europees Parlement tussen Brussel en Straatsburg. Alle Nederlandse leden van het Europees Parlement, behalve die van de PVV, hebben samen met de grote meerderheid in dat parlement voor een motie gestemd om aan die geldverspilling een eind te maken. Toch gebeurt het niet omdat Frankrijk ertegen is.

 Dan zou je verwachten dat die grote meerderheid aan die ergerniswekkende onredelijkheid een eind maakt door gewoon niet meer naar Straatsburg te gaan. Dat zou het parlement in één klap ontdoen van het imago van een nogal kostbare schijnvertoning. Het zal niet gebeuren en ik durf de stelling aan dat daarbij meespeelt dat de parlementariërs aan dat pendelen een aardig zakcentje overhouden.

Technocraten

Het hele Europese project is vanaf het begin een zaak geweest van de politiek-bestuurlijke elite. Pas in het laatste decennium heeft de geëmancipeerde kiezer in de gaten gekregen dat hij mede wordt bestuurd door een aantal technocraten in Brussel op wie hij minder invloed kan uitoefenen dan de Nederlandse kiezer van vóór 1848.

Ook nationaal voert de grote meerderheid van de politiek-bestuurlijke elite consequent een beleid dat op belangrijke punten door een grote meerderheid van het electoraat wordt afgewezen. Zo blijkt keer op keer uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau dat de meeste Nederlanders tegen de afbraak van de verzorgingsstaat zijn, met name tegen bezuinigingen op de gezondheidszorg. Toch gaat de afbraak door.

Zo blijkt keer op keer uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau dat de meeste Nederlanders tegen de afbraak van de verzorgingsstaat zijn, met name tegen bezuinigingen op de gezondheidszorg. Toch gaat de afbraak door

De besturende elite wordt daarbij gevoed door een conglomeraat van adviesorganen die in lijn met het CPB verkondigen dat die afbraak noodzakelijk is om te voorkomen dat de collectieve uitgaven en de belastingdruk stijgen en ons concurrentievermogen wordt aangetast. Dat in Europese landen waar de belastingdruk en collectieve uitgaven het hoogst zijn de armoede geringer is, ouderen en mensen met een gebrek beter worden verzorgd, minderheden minder worden gediscrimineerd, gezondheidszorg en onderwijs op een hoger peil staan, de bevolking gelukkiger en de concurrentie-kracht groter is, wordt kennelijk niet als relevant beschouwd. Als de feiten in strijd zijn met de ideologie, des te erger voor de feiten.

Toekomstscenario’s

Hoe sterk de ideologie van de afbraak kan zijn las ik in het meest recente advies van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg onder de titel Met de kennis van later. Naar een toekomstgericht zorgbeleid. Daarin worden twee toekomstscenario’s geschetst. Het ene is een scenario van een gesloten economie met geen of nauwelijks economische groei, een vertraagde technologische ontwikkeling en een hoge werkloosheid. Een natie van sufferds. Het andere scenario gaat uit van hoge economische groei, een snelle technologische ontwikkeling en lage werkloosheid. Een natie van doorpakkers.

Om de efficiency te vergroten verdient het aanbeveling de ‘collectieve zorg te beperken tot noodzakelijke zorg; zorg met hoge kosten en relatief weinig winst in kwaliteit van leven wordt niet meer vergoed.’

Tussen de regels lees je dat de opstellers van het rapport vanzelfsprekend opteren voor het tweede scenario, hoewel dat nergens wordt gezegd. Verondersteld wordt een aantal ‘autonome’ ontwikkelingen: ontwikkelingen die sowieso zullen plaatsvinden, of we dat nu willen of niet. Een daarvan is dat mensen voor een groot deel voor hun eigen zorg gaan zorgen en daar zelf voor gaan betalen. De zelfzorg komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in het verdwijnen van de huisarts. Er moet levenslang geïnvesteerd worden in zorgvaardigheden zodat mensen via ict-technologie en een huisarts in ‘the cloud’ die de diagnoses stelt, een behandeling kunnen kiezen. Er zal minder zorg collectief kunnen worden verzekerd, waardoor de toegankelijkheid vermindert. Mensen met slechte leefgewoonten (vooral laagopgeleiden) moeten de gevolgen daarvan zelf bekostigen. Om de efficiency te vergroten verdient het aanbeveling de ‘collectieve zorg te beperken tot noodzakelijke zorg; zorg met hoge kosten en relatief weinig winst in kwaliteit van leven wordt niet meer vergoed’. Lees: Mensen die dat niet zelf kunnen betalen, moeten in dat geval maar dood.

Hoe lang zou ‘met de kennis van later’ art. 289 van het Wetboek van Strafrecht overeind blijven? Daarin wordt ‘hij die opzettelijk en met voorbedachten rade anderen van het leven berooft’ levenslange gevangenisstraf in het vooruitzicht gesteld. Met de kennis van later moet natuurlijk worden geregeld dat het opzettelijk en met voorbedachten rade nalaten van een levensreddende behandeling niet onder dat artikel valt. Doe die artsen-eed ook maar gelijk weg.

Marcel van Dam is socioloog.

Waar werken we liever: in een kleurige zitzak of aan een grijze cubicle?

Correspondent Maatschappij, Gedrag & Groepen

Links: De eerste week. Foto: Boudewijn Bollmann. Rechts: de vierde week. Foto: Corneel de Wilde
Links: De eerste week. Foto: Boudewijn Bollmann. Rechts: de vierde week. Foto: Corneel de Wilde

Zijn hand zoekt iets onder het dekbed. Hij kan het niet vinden, zucht, rolt op zijn rug en gaat rechtop tegen het hoofdeinde zitten. Dan voelt hij met zijn voet waar hij naar zocht: zijn laptop. Zal wel verschoven zijn toen hij aan het slapen was. Hij neemt hem op schoot en zet zijn handen op het toetsenbord om te gaan typen, maar wordt dan afgeleid door iets wat tegenover het bed gebeurt. Daar ligt een grasveld, waar een wit konijn overheen huppelt. Een vrouw in een lange jurk hurkt neer en voert hem hooi, daarna staat ze op, trekt een iPad uit een tas en gaat op de schommel naast het grasveld een videoclip zitten kijken.Dit is geen scenario uit een koortsdroom. Dit is een flexwerkplek in Eindhoven, genaamd Out Of Office, op 2 april van dit jaar. Alles kan en mag hier: wegdommelen in bed, spelen op de schommel, knuffelen met een konijn, ouwehoeren aan de koffiebar. En werken, als je zin hebt. Afgezien van een paar blaadjes aan de muur met het wifi-wachtwoord erop, doet niets in deze ruimte aan een traditioneel kantoor denken. Er staan vrijwel geen bureaus, elke hoek van de ruimte heeft een andere felle kleur, het licht is zacht, op de achtergrond staat muziek op. Er lopen glimlachende medewerkers van de flexwerkplek rond, die af en toe koffie uitdelen of aan het voeteneind van het bed gaan zitten om een praatje te maken.

Vier weken later. Op de plek waar het konijn liep staat nu een grijze cubicle. Daarnaast staat er nog een. En dan nog een

Vier weken later. Op de plek waar het konijn liep staat nu een grijzecubicle. Daarnaast staat er nog een. En dan nog een. De zaal is, op een vierkante module cubicles in het midden na, helemaal leeg. Van het bed en de schommel is geen spoor meer. Van de felle kleuren, de planten en het behulpzame personeel ook niet. De muziek staat uit, de tl-buizen staan aan. Op de vloer van de ruimte is met grijze tape gemarkeerd hoeveel ruimte iedereen heeft: 1 vierkante meter. Alle cubicles zijn grijs en hebben een nummer. Bij binnenkomst krijgt elke flexwerker een vast bureau toegewezen. Op de muur tegenover de hokjes wordt een streng kijkende man in een grijs pak geprojecteerd, die door middel van sensoren in de cubicles geactiveerd wordt. Merkt hij dat je praat of wegloopt, dan maant hij tot stilte. Elk uur kondigt hij het verplichte rondje RSI-oefeningen aan. De naam van de flexwerkplek is ook veranderd. ‘Out Of Office,’ heet nu simpelweg ‘Office.’

 

Foto: Corneel de Wilde
Foto: Corneel de Wilde

 

Hoe reageer je op je werkomgeving?

Wat de flexwerkers en de pers tot nu toe niet wisten: Out Of Office was niet echt een flexwerkplek. Het was een sociaal experiment, bedacht om te kijken hoe werkers reageren op verschillende kantooromgevingen. Die ideale flexwerkplek die werd aangekondigd? Die werd elke nacht een klein beetje veranderd, tot er niets meer van de vrije werksfeer over was. Want is werken in totale vrijheid wel echt zo fijn? Of verlangt iedereen eigenlijk naar regels en restricties op de werkvloer?

Op 2 april werd Out Of Office geopend in het voormalige museum MU in Eindhoven. Het was een project van KNOL, De website van KNOL, met nog meer kunstzinnige ruimtelijke experimenten.een ontwerpbureau van Jorien Kemerink en Celine de Waal Malefijt, twee ontwerpers die al een tijd werken met leegstand en sociale architectuur. Hen werd gevraagd om, als onderdeel van een afscheidsestafette van het museum – dat gaat verhuizen -, een maand lang hun werk te tonen in de ruimte die vrij zou komen.

KNOL, dat naar eigen zeggen vindt ‘dat de realiteit wel behoefte heeft aan een stukje fictie,’ bedacht het volgende: ze zouden aankondigen dat het museum reeds vertrokken was, en dat in die ruimte van 300 vierkante meter een nieuwe, hippe werkplek kwam voor flexwerkers, genaamd Out Of Office. Ze werkten hiervoor samen met socioloog-planoloog Anna Dekker, die in Londen een scriptie  schreef over flexwerken en de alternatieve werkplekken die hierbij passen, zoals koffiehuizen en co-working spaces. Behalve de ontwerpers en De Correspondent wist niemand, tot de eigenaar van het pand aan toe, wat er in werkelijkheid aan de hand was.

‘We zijn als flexwerkers volledig afhankelijk geworden van onze eigen discipline’

De flexwerkplek opende haar deuren en gedurende vier weken veranderde de ruimte van een speelzaal met totale keuzevrijheid, naar een compleet gecontroleerde, grijze kantoorruimte. Kemerink vertelt: ‘Omdat het kan, zijn we tegenwoordig altijd en overal aan het werk. Dat brengt veel vrijheid met zich mee, maar het betekent ook dat we volledig afhankelijk zijn geworden van onze eigen discipline. Wie flexwerkt heeft geen baas meer die zegt dat hij naar huis moet gaan. Geen kantoor meer dat om vijf uur de deuren sluit.

Voor veel mensen werkt dat, maar niet iedereen is flexwerker omdat hij dat wil: veel werkgevers ‘dwingen’ hun werknemers bijvoorbeeld een paar dagen per week buiten het kantoor te werken. Maar heeft iedereen daar wel behoefte aan? Wat wij wilden uitzoeken met dit project is in welke omgeving mensen de fijnste en productiefste werkdag beleven, en of er bij een deel van de flexwerkers diep van binnen toch niet een verlangen naar duidelijke regels in je werkomgeving en taken zit.’

 

Foto: Corneel de Wilde
Foto: Corneel de Wilde

 

Aan tafel werkt toch het best

In de eerste week was de ruimte dus zo vrij mogelijk ingericht. Meubels stonden kriskras door elkaar, regels op de werkvloer waren er niet, duidelijke openings- en sluittijden evenmin. Ontwerper de Waal Malefijt: ‘Toen kwamen er vooral veel hipsters – pioniers zo je wil – en creatieve geesten kijken, die vooral afkwamen op het feit dat het een vrije, nieuwe plek was. We zagen veel groepjes, die samen ergens over kwamen vergaderen of kletsen. Mensen bleven over het algemeen wel een paar uur hangen. Vooral het konijn en het ouderwetse koffiezetapparaat waren in trek, maar echt geconcentreerd werken was er niet bij. We merkten dat mensen wel van alles wilden uitproberen, soms even op het bed gingen zitten of op de schommel, maar uiteindelijk toch kozen voor een plek aan een tafel.’

‘s Nachts gingen de ontwerpsters aan de slag met de metamorfose: van speeltuin naar grijze kantoorruimte

In de tweede week werd de ruimte iets grijzer. ‘s Nachts gingen de ontwerpsters aan de slag met de metamorfose. Al het meubilair in de ruimte was vanaf het begin opgebouwd uit dezelfde modules: vier grijze platen die uiteindelijk een cubicle konden vormen. Die vormen werden in de eerste week gemaskeerd door kleuren en decoratie, maar stiekem waren het bed en de bieb ook gewoon grijze hokjes. Het bed maakte nu plaats voor een bureau, en de schommel werd van het plafond gehaald.

Ontwerpster de Waal Malefijt: ‘Het hele hippe volk van de eerste week bleef grotendeels weg. Er kwamen meer mensen in hun eentje werken, er kwamen meer studenten, en de flexwerkers bleven meer op hun werkplek hangen. Ze liepen minder rond en zochten minder snel contact met anderen. Het publiek werd gemiddeld niet jonger of ouder, gedurende het hele experiment eigenlijk niet, maar het publiek werd naarmate de maand volgde wel serieuzer, eerder geconcentreerd dan sociaal.’

In de derde week verdween het konijn, in plaats daarvan kwam een tafel met een rechte stoel. De planten en kleuren verdwenen uit de ruimte en de openingstijden werden ingeperkt. De Waal Malefijt: ‘We merkten dat mensen veel minder lang kwamen werken. Bleven ze in de eerste week gerust een paar uur zitten, nu was het binnen het uur meestal wel bekeken. Met elkaar kletsen zat er niet meer in, door de ruimte wandelen ook niet. Er kwamen nog steeds evenveel mensen binnenlopen, maar wanneer ze de ruimte zagen draaiden ze vaak weer om.

Wel gaven de flexwerkers in deze ‘strenge’ weken aan dat hun productiviteit verbeterde. We gaven dagelijks een enquête aan hen die op dat moment in de ruimte aan het werk waren, waarop ze konden invullen hoe prettig ze gewerkt hadden die dag. Hun plezier nam gestaag af, maar hun productiviteit gaven ze in de eerste week gemiddeld een magere zeven en in de laatste week een ruime acht. Ze gaven aan geconcentreerder te kunnen werken en meer gedaan te krijgen in soberdere settings.’

 

Foto: Corneel de Wilde
Foto: Corneel de Wilde

 

Een spel tussen controle en vrijheid

Niet alleen de ruimte zelf transformeerde door de maand heen, ook het personeel paste zich aan. Liepen zij de eerste week nog in hun eigen, comfortabele kleding rond; de laatste week ging iedereen gekleed in strakke grijze pakken en jurken. Alles om zoveel mogelijk afleiding voor de flexwerkers te vermijden, zodat de ruimte puur en alleen op werk gericht zou zijn.

Zelfs de Facebookpagina van Out Of Office veranderde mee: daar werden in plaats van inspirerende berichten en grapjes enkel nog droge opmerkingen geplaatst over geluidsoverlast en rotzooi in de cubicles. De laatste week was het meest rigide: alleen nog hokjes, rechte stoelen, geen kleur, geen geklets, geen muziek, fel tl-licht en een strenge virtuele host op de muur.

Van alle leden die Out Of Office erbij kreeg, meldde maar 7,5 procent zich aan in de laatste week

Maar welke omgeving werkte nu het beste? Volgens de enquêtes voelden de flexwerkers zich het meest op hun gemak in de derde week van het project. Vrij strikt dus, met traditionele werktijden en weinig sociale interactie, maar nog wel met wat kleuraccenten en de mogelijkheid om aan een ‘afwijkend’ bureau te werken, bijvoorbeeld aan de koffiebar.

De laatste week werd verreweg als onprettigst ervaren. In de eerste drie weken waren de bezoekersaantallen redelijk gelijk, in de vierde en laatste week kwam nog maar 12,5 procent van het aantal leden dat zich had ingeschreven terug. En van alle leden die Out Of Office erbij kreeg, meldde maar 7,5 procent zich aan in die laatste week.

Ontwerpster Kemerink: ‘Het was een spel tussen twee extremen: totale vrijheid en totale controle. Beide uitersten zijn niet ideaal, maar de gulden middenweg hebben we ook nog niet gevonden.’ Dit was niet het einde van Out Of Office. De Waal Malefijt, Kemerink en Dekker zijn op zoek naar een nieuwe ruimte om een soortgelijk project op te zetten. Uiteraard onder een nieuwe naam en langer lopend, zodat ze de veranderingen in ruimte en sfeer subtieler kunnen doorvoeren.

Dekker: ‘We gaan verder zoeken naar de balans tussen ‘doe wat je wilt, voor mijn part werk je onder de douche’ en ‘het is mooi geweest voor vandaag, klap je laptop maar dicht’.’

 

 

Kinderpornoteam kijkt nooit weg

REPORTAGE In Assen begint vandaag een van de grootste kinderpornozaken ooit. Sinds de zaak tegen de Amsterdamse crècheleider Robert M. heeft de opsporing van kinderporno hoge prioriteit.

 

Het gebeurde in een flat. Nog niet zo lang geleden, ergens in Nederland. De rechercheurs hadden eerder signalen gekregen over de bewoner, maar concreet waren de verdenkingen nooit geworden. Tot dat anonieme telefoontje. ‘We zijn binnengevallen, en ja hoor: de flat was ingericht als studio’, zegt teamleider Cor Patist.

 

En dat niet alleen: op de bank zat een jongetje. Te wachten tot de opnamen van de kinderpornofilm zouden beginnen. ‘We waren net op tijd.’

563 zaken

werden in 2013 overgedragen aan het Openbaar Ministerie

De inval in de flat hoort bij het dagelijks werk van de rechercheurs van het twee jaar geleden opgerichte Team Bestrijding Kinderporno en Kindersekstoerisme (TBKK). Was het opsporen van kinderporno jarenlang een versnipperde aangelegenheid, sinds de Amsterdamse zedenzaak in 2010 – waarbij crècheleider Robert M. 83 baby’s en peuters misbruikte – krijgt het bij de politie hoge prioriteit.

In Assen begint vandaag een van de omvangrijkste zedenzaken tot nu toe waarbij het TBKK betrokken was. Frank R. (49) uit Cuijk zou online circa 300 meisjes uit Nederland en België hebben misbruikt, constateerden de kinderpornorechercheurs in Noord-Nederland. Elf van hen zou hij fysiek hebben betast. De zaak R. staat voor een trend: in Nederland komen steeds meer kinderpornozaken aan het licht. De slachtoffers komen uit de hele wereld, en dankzij internet is de hoeveelheid verboden beelden soms bijna onvoorstelbaar.

Doorsneekantoor

Zaken met honderdduizenden foto’s en filmpjes vinden de rechercheurs op het politiebureau in Huizen – een van de elf locaties waar TBKK is gevestigd – inmiddels normaal. Kinderpornorechercheur Diane kan ‘er rustig de hele dag’ naar kijken. Haar werkkamer – een oranje wuppie op haar computer, een foto van haar dochter op het bureau, een pennenbak met een hartje erop – lijkt een doorsneekantoor. Maar in deze wereld moet het beeld van haar computer op zwart zodra buiten de glazenwasser bezig is, en moet de schoonmaker kloppen voor hij binnenkomt.

Want op een dubbel beeldscherm selecteert Diane in hoog tempo foto’s en filmpjes met een inhoud die mogelijk strafbaar is. In snel tempo schieten foto’s langs van piemels, borsten en kinderen. Met speciale software kan ze de inhoud screenen op het percentage bloot. Kan ze achterhalen welke camera er is gebruikt. En met behulp van een speciaal ontwikkeld computerprogramma kan ze in sneltreinvaart onderscheid maken tussen normale porno en kinderporno.

Ervaring

‘Alle kinderpornobeelden moeten we daarna alsnog bekijken en beschrijven voor de strafzaak’, zegt Diane. Soms laat een beeld haar niet los, maar meestal kan ze het goed van zich afzetten. Alleen afbeeldingen van misbruikte dieren kan ze niet aanzien. ‘Raar. Misschien komt het doordat dieren zo hulpeloos zijn en afhankelijk van mensen. Maar dat geldt ook voor baby’s. En afbeeldingen van misbruikte baby’s kan ik emotioneel wel blokkeren door jarenlange politie-ervaring.’

Zowel Diane als Patricia bekijkt de filmpjes zonder geluid, om onverwachts gekrijs van het slachtoffer niet te horen. Als het materiaal het vereist, zetten ze het geluid aan. Het advies dat Patricia kreeg toen ze begon als kinderpornorechercheur: ‘Kijk niet naar de ogen van het slachtoffer maar naar de details.’ Want een afbeelding kan veel verraden over de identiteit van de maker en het slachtoffer. Is de foto gemaakt door een amateur? Wat zeggen de kleding en de make-up? Zo kwam de zaak van Robert M. aan het rollen nadat de Amerikaanse politie afbeeldingen tegenkwam van een 2-jarig jongetje met een Nederlands Nijntje.

‘Kijk eens naar dit filmpje’, zegt Diane. Op het beeld huppelen drie meisjes in hun ondergoed door iets wat lijkt op een hotelkamer. Ze maken elkaar op, frutselen aan elkaars haar. ‘Je weet waar dit naartoe gaat. Dit is nog geen kinderporno, maar we vermelden het wel in het proces-verbaal.’ Net als een foto van een jong meisje dat uitdagend aan haar onderbroekje trekt. Of het meisje dat haar rokje omhoog trekt, of een grote knuffelrups bij haar geslachtsdeel houdt.

Meldpunt

De meeste van de 563 kinderpornozaken die de gezamenlijke TBKK-eenheden in 2013 overdroegen aan het Openbaar Ministerie, begonnen met een melding van het Amerikaanse meldpunt NcMec, waaraan internetbedrijven zoals Facebook, Google en Microsoft verdachte foto’s rapporteren. Een tweede ‘hofleverancier’ is de zedenpolitie, als die bij een inval dubieuze foto’s aantreft. De kinderpornocollectie van Frank R. kwam aan het licht nadat hij werd opgepakt voor ontvoering en seksueel misbruik van een minderjarig meisje.

De kinderpornoverdachten komen uit alle lagen van de bevolking, zegt Patist. Ongeveer eens per week gaan zijn rechercheurs op pad om een verdachte te spreken. Vaak treffen ze een man aan die zijn leven ogenschijnlijk op orde heeft. Niet zelden heeft hij zelf kleine kinderen en is zijn vrouw verbijsterd dat de politie de computers meeneemt uit het rommelhok waar manlief al zijn vrije tijd doorbrengt, worstelend met zijn pedoseksuele geaardheid waarvan niemand iets wist.

Steeds vaker probeert de politie ook producenten van kinderporno aan te pakken en daders die zich schuldig maken aan grooming: contact leggen met kinderen via internet, om hen vervolgens te misbruiken

In het overgrote deel van de kinderpornozaken zijn de verdachten slechts downloaders. Maar steeds vaker probeert de politie ook producenten van kinderporno aan te pakken en daders die zich schuldig maken aan grooming: contact leggen met kinderen via internet, om hen vervolgens te misbruiken. Frank R. wordt ook hiervan verdacht.

Slachtoffers van kinderporno doen niet vaak aangifte. Voor strafrechtelijke vervolging maakt dat niet uit – de beelden zeggen genoeg – dus laat de politie de keuze aan de ouders. Een aangifte kan immers ingrijpend zijn: kinderen worden uitgebreid verhoord en het strafproces kost veel tijd.

‘Het internet is de moderne variant van het fietsenhok: het is de plek waar je seksueel experimenteert’, zegt Patist. ‘Stel: jouw 14-jarige zoon is ervan overtuigd dat hij zich voor de webcam heeft blootgegeven aan een 15-jarig meisje. Wat voor effect heeft het op hem als hij erachter komt dat dit in werkelijkheid een man van 50 was?’