Knap werk

COMMENTAAR Premier Rutte, minister Timmermans en hun mensen moesten na de ramp op vele fronten improviseren. Ze hebben het er uitstekend afgebracht.

DOOR onze redactie 26 juli 2014

Vorige week donderdagochtend reisde Mark Rutte voor vakantie af naar Zuid-Duitsland. Dezelfde avond bevond hij zich in het middelpunt van een Nederlandse tragedie én een wereldwijde diplomatieke crisis. Hij en zijn regering moesten veel tegelijk doen, en snel: de lichamen van de omgekomen landgenoten terughalen uit oorlogsgebied, internationale steun zoeken voor die taak en voor de zoektocht naar de daders, de Russen hard aansporen tot medewerking zonder de deur dicht te slaan, scherpere sancties voorbereiden in internationaal verband.

Daarnaast moest Rutte voor het eerst zijn natie voorgaan in schok, medeleven en verontwaardiging. De collectieve beleving van emoties is tegenwoordig onontkoombaar. De politicus die haar niet weet te kanaliseren, loopt schade op. Rutte had daarbij niets aan de joyeuze niets-aan-de-handhouding waarmee hij doorgaans optreedt.

Vanaf het begin heeft Rutte de juiste prioriteiten gesteld en die helder uitgelegd
Hij en zijn mensen moesten improviseren. Ze hebben het er uitstekend afgebracht. Vanaf het begin heeft Rutte de juiste prioriteiten gesteld en die helder uitgelegd, ook toen de emoties hoog opliepen en half Nederland onze commando’s erop af wilde sturen: eerst de lichamen terug, dan onderzoek, dan pas confrontatie. Ruttes kalme rationaliteit in het begin sloot echter slecht aan bij het gevoel van de natie.

Maar Rutte en zijn excellerende minister Timmermans bleken flexibel genoeg om emotie toe te voegen aan hun optreden. Van de aankomst van de slachtoffers maakten ze op het laatste moment een nationaal eerbetoon en dag van collectieve rouw. Het toppunt van improvisatie, maar het resultaat was indrukwekkend.

Vandaag zijn de lichamen grotendeels terug, is een onderzoeksoperatie onderweg en blijft de onvermijdelijke confrontatie met Rusland in voorbereiding. Mark Rutte is overeind gebleven in een uiterst moeilijke situatie.

Veertig ongewapende marechaussees zijn in Charkov aangekomen om te helpen zoeken naar stoffelijke resten en aanwijzingen naar de oorzaken van de ramp. Om geen aanstoot bij de separatisten te geven, zullen ze niet geüniformeerd zijn. Dat de rebellen, die overigens dagenlang ongestoord bewijsmateriaal voor de betrokkenheid bij het neerhalen van MH17 hebben kunnen verduisteren, de afgelopen dagen de onderzoekers niet tegenwerken, is een positief effect van de VN-resolutie die maandag werd aangenomen.
Niettemin is het verstandig van premier Rutte om tegelijkertijd te werken aan een bewapende missie om de veiligheid van de onderzoekers te kunnen waarborgen. Zij mogen in geen geval aan hun lot worden overgelaten.

Over de eventuele militaire missie waarover dit weekend mogelijk een besluit valt, is nog heel veel onduidelijk, behalve het beoogde doel: de bescherming van het internationale onderzoeksteam dat wordt ontplooid naar de plek des onheils in Oost-Oekraïne.

Het gaat hier over een militaire missie naar een oorlogs­gebied waar twee partijen (mogelijk zelfs drie, als de Amerikaanse beschuldigingen kloppen van directe betrokkenheid van de Russische strijdkrachten) elkaar met zwaar geschut bestoken en dat vlakbij de grens van Rusland ligt – het land dat de annexatie van de Krim motiveerde met het spookbeeld van ‘NAVO-troepen in Sebastopol’.

Signalen dat Rusland de aanvoerlijn van wapens en rebellen naar Oekraïne heeft afgesneden ontbreken, zelfs na het neerschieten van MH17
Dat zo’n missie met al dan niet een VN-mandaat maar minimaal met – in de woorden van Rutte – ‘een goedkeurend knikje’ van Rusland, veel diplomatiek voorwerk vereist, spreekt vanzelf. Maar er zal minstens zoveel militair denkwerk aan zo’n missie moeten voorafgaan. Als er, zoals te verwachten valt, geen sprake zal zijn van escalatiedominantie (grof gezegd, de garantie dat als het fout gaat jouw bewapening superieur is aan die van de andere partijen) roept dat de klemmende vraag op of het sturen van militairen in dit geval de veiligheid bevordert of juist vuur kan aantrekken.

Regering en parlement lijken eensgezind over de noodzaak spoedig in Europees verband scherpere sancties in te stellen tegen Rusland. Signalen dat Rusland de aanvoerlijn van wapens en rebellen naar Oekraïne heeft afgesneden ontbreken, zelfs na het neerschieten van MH17. Dat is onverteerbaar.

In Nederland is veel afgunst

INTERVIEW Omstreden is ze en ze werd zelfs berispt door het medisch tuchtcollege. Forensisch psycholoog Corine de Ruiter zou zich in een vechtscheiding hebben laten meeslepen door de moeder. ‘Denk je nou echt dat ik me daarvoor leen?’

Halverwege het interview oogt Corine de Ruiter (53) opeens kwetsbaar. Ze zucht, haar ogen staan vermoeid. Waarom ze steeds diagnoses op afstand stelt, luidt de vraag, terwijl dat haar op zo veel kritiek komt te staan. Klein lachje: ‘Ik doe het volgens mij ook niet meer. Ik kijk wel uit.’

IJdelheid
De Ruiter is klinisch-forensisch psycholoog, ze houdt zich bezig met diagnostiek en behandeling van daders en slachtoffers van strafbare feiten. Over Joran van der Sloot zei ze in de media dat hij psychopatische trekken had, bij Volkert van der G. constateerde ze autisme. Zo kun je niet te werk gaan, verweten vakgenoten haar. Het is allemaal ijdelheid op tv om zulke gratuite beweringen te doen.

Helemaal niet gratuit, verdedigt De Ruiter zich thuis in haar Utrechtse jarendertigwoning; ze wil kennis verspreiden over zaken waarvan ze verstand heeft. ‘In Amerika is veel meer respect voor de deskundige. Daar ben ik een gevierd forensisch psycholoog. Ik at eens met Reid Meloy, die ik had uitgenodigd voor een workshop, in Amerika een bekend forensisch psycholoog. Ik vroeg: Reid, hoe kan ik net zo goed worden als jij? Hij gaf tips, maar hij zei ook, ik zal het nooit vergeten: ‘Je moet oppassen, Corine. In Amerika word je als je goed bent aangemoedigd. Maar hier is veel afgunst, ik voel het.’ Nederland is een polder, hè, alles moet vlak zijn. Ja, ik denk wel dat ik een bedreiging vorm.’

Corine de Ruiter is met sabbatical; van haar hoogleraarschap in Maastricht heeft ze een half jaar vrijaf genomen. In mei werd ze door het medisch tuchtcollege berispt, omdat ze in een rapport meldde dat er ‘serieuze aanwijzingen zijn voor het bestaan van een ernstig vermoeden van meerdere vormen van kindermishandeling’, waaronder seksueel misbruik , door een vader die ze nooit had gezien. Ze drong slechts aan op nader onderzoek, zal ze later in het gesprek zeggen. ‘Ik heb vier van dit soort rapporten in een scheidingszaak gemaakt en bij drie ervan ben ik voor de tuchtraad gedaagd. Dat betekent dat ik dit soort rapporten niet meer kan maken.’

‘Ik vind dat zoiets Nederlands: belangen en posities zijn belangrijker dan de inhoud’
Haar verlof staat er los van, zegt ze: ‘Dat zat al vijf jaar in de pijplijn.’

Een periode van bezinning, zegt een vriend van u.
‘Klopt, ik ben erg aan het nadenken. Ik ben bijna 54, wat wil ik nog? Ik heb een masteropleiding forensische psychologie opgezet, die is een groot succes. Wat nu? Ik zoek altijd uitdaging, routine is niet aan mij besteed. Ik ben er nog niet uit. Ik denk er al jaren over na: wanneer ga ik naar de overkant van de grote plas?’

Corine de Ruiter was twee keer getrouwd, ze heeft zoon Julian (20) uit haar tweede huwelijk en sinds tien jaar een vriend, kinderarts Ferko Öry, met wie ze samenwoont. Na het vwo in Doetinchem studeerde ze een jaar in Amerika (‘Dat heeft mijn leven ingrijpend veranderd’) en ze ging later een jaar naar Oregon voor haar stage klinische psychologie. Daar leerde ze Julians Amerikaanse vader kennen. Hij kwam naar Nederland, werd later ziek en overleed toen Julian 13 was. De Ruiter en hij waren toen al gescheiden. Julian studeert in Amerika.

Het zal meerdere keren in het gesprek opduiken: in Amerika is er ‘een heel ander intellectueel discours’, vindt De Ruiter, waarin ze zich beter thuis voelt dan in de Nederlandse ‘ons-kent-ons-cultuur’.

Fileren
‘De weerstand tegen mij zit erin dat ik voor honderd procent kies voor de kwaliteit van de zorg. Instituutsbelangen vind ik volkomen ondergeschikt. Dat kunnen de mensen die tegen mij zijn niet verdragen. Ik vind dat zoiets Nederlands: belangen en posities zijn belangrijker dan de inhoud. In Amerika kun je op een congres diametraal tegenover elkaar staan in een debat op hoog niveau, en na afloop drink je een borrel met elkaar. Zo zit ik ook in elkaar. Maar in Nederland is wie je vriendjes zijn blijkbaar belangrijker dan de werkelijkheid te onderzoeken.’

Ze roept nogal wat weerstand op, zegt bevriend collega-forensisch psycholoog Vivienne de Vogel over Corine de Ruiter. ‘Ze heeft grote passie voor haar werk, maar ze vliegt wel eens uit de bocht.’ De Vogel volgde De Ruiter op als hoofd van de Van der Hoeven-kliniek, waar tbs’ers worden onderzocht en behandeld en waar ze zeven jaar werkte voor ze hoogleraar werd. ‘Ze is ontzettend ambitieus’, zegt De Vogel ook. ‘Ze is heel inspirerend, maar als ze geen respect voor je heeft, kan ze je fileren.’

Aan de universiteit in Maastricht zette De Ruiter een masteropleiding forensische psychologie op; voordien was het geen apart specialisme. Ook voerde ze wetenschappelijke risicotaxaties in. Niet alleen de geest van een dader moet worden behandeld om de kans op recidive te verkleinen, maar ook risicofactoren als drank- en drugsverslaving, werkproblemen en trauma’s uit het verleden. Ze is van grote betekenis voor het vak, zegt collega-hoogleraar psychologie Harald Merckelbach, die haar al sinds hun studietijd kent. Ze heeft het een stuk wetenschappelijker gemaakt. ‘Wetenschap is voor haar veel meer dan carrière maken; ze wil intrinsiek goed voor de samenleving zijn. Het oude Verlichtingsideaal, zeg maar: de maatschappij verheffen.’

Een rondje bellen onder vakgenoten levert kwalificaties op als ‘hoogmoedig’, ‘solitair opererend’, ‘grensoverschrijdend’ en ‘narcistisch’
Er klinken ook andere geluiden uit het veld. Een rondje bellen onder vakgenoten die liever niet met naam genoemd worden, levert kwalificaties op als ‘hoogmoedig’, ‘solitair opererend’, ‘grensoverschrijdend’ en ‘narcistisch’. Merckelbach: ‘Jalousie de métier. Ze is vrouw én professor, zulke sentimenten spelen een rol.’

Ze is nogal wat seksisme tegengekomen, zegt De Ruiter zelf ook. ‘De universiteit is nog steeds een mannenbolwerk. De hele wereld is een mannenbolwerk, maar zo ben ik niet opgevoed. Ik heb een broer van vijf jaar jonger en mijn vader maakte totaal geen onderscheid tussen ons. Hij ging met me paardrijden en zeilen, aan tafel voerden we heftige discussies, hij nam mij minstens zo serieus als mijn broer. Op de universiteit kom je mannen tegen die heel anders zijn. Daar ben ik allergisch voor. Ik pik dat gewoon niet.’

Vraag je haar zichzelf te scoren op de Big Five, de vijf belangrijkste karaktertrekken die vaak in psychologische tests worden gebruikt, dan zegt ze niet uitgesproken extravert of introvert te zijn. ‘Ik heb veel vrienden en ik hou van feestjes, maar ik heb het ook nodig om alleen te zijn. Om te lezen en te studeren.’ Ook qua (wan)ordelijkheid, bazigheid of inschikkelijkheid en emotionele stabiliteit zet ze zichzelf ergens in het midden. Maar als het gaat om intellectuele autonomie, ja, ‘dan scoor ik helemaal op het uiteinde’, lacht ze. ‘Als kind had ik al een heel onderzoekende geest.’

Het is die onafhankelijke houding waardoor ze geweigerd werd voor het officiële register van getuigen-deskundigen (NRGD), daarvan is ze overtuigd. Het is een lijst professionals die worden ingeschakeld door de rechter om in strafzaken te rapporteren over verdachten. Haar rapporten zouden niet goed genoeg zijn – ze voldoet niet aan de criteria. Welnee, er ligt een richtingenstrijd aan ten grondslag, vindt De Ruiter. Het register is verbonden met het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) en het Pieter Baan Centrum, en daar heeft ze altijd kritiek op geuit.

‘Er is veel verbeterd, maar aanvankelijk vond ik het schokkend hoe onwetenschappelijk daar werd gewerkt. Ik zat bij stafvergaderingen over tbs’ers en dan klonk het: ik denk dat het goed is dat deze persoon naar buiten gaat, want hij doet zijn werk zo goed in de instelling. Dan dacht ik: in wat voor tijd leven jullie hier? Dat iemand zijn werkjes goed doet, betekent niet dat zijn stoornis weg is. Het gaat wel over mensenlevens, je moet systematisch onderzoek doen, net zoals jij voor dit interview naar mij hebt gedaan. De dossiers bestuderen, risicotaxaties maken, dat bestond allemaal niet toen ik begon. Ik heb zeven jaar in de Van der Hoevenkliniek gewerkt en er alles aan gedaan om mezelf en de kliniek bij te scholen. Veel dank aan de toenmalige directie: ik mocht Amerikaanse experts uitnodigen op het gebied van psychopathie en risicotaxatie, we hebben symposia georganiseerd. Je kunt wel zeggen dat we een kleine revolutie teweeg hebben gebracht in het veld.’

Ongemakkelijk
Maar revoluties, zegt De Ruiter, kunnen voor sommigen ongemakkelijk zijn. Vandaar dat er ‘allemaal machinaties’ in werking zijn getreden om haar uit het deskundigenregister te weren. ‘Het was echt van: die De Ruiter moeten we niet.’

U hebt gezegd bij uw afwijzing voor het register: er wordt vals spel gespeeld. Denkt u dan niet: misschien mankeert er inderdaad wel iets, voldoe ik niet aan de criteria?
‘Ik ben een lerende organisatie, zeg ik altijd, ik wil mezelf altijd verbeteren. Maar dit klopt niet. Ik heb me gespecialiseerd op dit terrein. Buitenlandse collega’s zijn soms verbijsterd dat ik voor bepaalde zaken niet wordt geraadpleegd.’

Desondanks treedt ze nog steeds op als getuige-deskundige in straf- en civiele zaken. Hoe dat kan? ‘Pfff, ze gaan gewoon buiten dat register om. Ik word benoemd door het gerechtshof in Den Bosch en in Den Haag door mensen die weten hoe ik werk.’

In 2012 trad Corine de Ruiter op als deskundige op verzoek van Gerard Spong, toen advocaat van een tbs’er die zijn vrouw vermoord had. Ze vond dat de tbs beëindigd kon worden. De instelling waar de man verbleef, was het daarmee oneens en zette vraagtekens bij de betrouwbaarheid van haar rapport. De Ruiter zou beweringen van de tbs’er voor waar hebben aangenomen zonder ze te verifiëren. Ook zou ze de man te kort gesproken hebben om een goed oordeel te kunnen vellen.

‘Ieder mens, hoe slecht hij ook is, heeft hoop nodig op een betere toekomst. Als je die afpakt, heeft zo iemand niets meer te verliezen’
De Ruiter zegt juist altijd bovengemiddeld veel werk te besteden aan zulke rapportages. ‘Ik neem veel tijd om mensen te spreken, ga zeker drie, vier keer naar ze toe. Ik luister heel goed, mensen voelen dat ik echt geïnteresseerd ben. In de gevangenis hoor ik vaak terug: dit heb ik nog nooit aan iemand verteld. Ik oordeel niet meteen van: die is gek, zoals je wel ziet bij veel collega’s.’

Het levenslang achter slot en grendel zetten van misdadigers noemt De Ruiter volstrekt inhumaan. ‘Er zitten veel mensen in de gevangenis met een scala aan problemen: verslaafd, psychisch gestoord, zelf slachtoffer, ze hebben geen werk, geen stabiele omgeving. Wat denk je dat er gebeurt als ze op een dag met een vuilniszak weer op straat staan? Zonder woning, zonder werk, zich een outcast voelend? Dan begint alles van voren af aan. Alleen straffen werkt niet. Je ziet het bij kinderen: als je die alleen maar streng straft, worden ze steeds anti-socialer. Je moet ze ook belonen, complimenten geven en positieve aandacht. Dat geldt ook voor volwassenen. Ieder mens, hoe slecht hij ook is, heeft hoop nodig op een betere toekomst. Als je die afpakt, heeft zo iemand niets meer te verliezen.’

Haar oratie in 2007 bij de start van haar hoogleraarschap in Maastricht – ze werkt er vier dagen per week en haar partner heeft er een huis – was destijds al een pleidooi tegen de harde aanpak van criminaliteit. Ze pleitte erin voor vermijding van gevangenisstraf waar mogelijk, voor behandeling van verslaving in de gevangenis en voor betere nazorg na detentie. Er zijn verbeteringen, zegt De Ruiter nu. ‘Al wordt de onderbuik nog wel heel erg aangevoerd door de bewindslieden op justitie. De maatschappij roept hard om repressie. Ja, je kunt er stemmen mee trekken als politicus, maar het is dom, want het werkt niet.’
‘Kinderrechten worden hier systematisch geschonden.’ Foto Robin de Puy
Draaideurhaatzaaier
Haar opvattingen hebben haar niet bij iedereen geliefd gemaakt. ‘Typisch linkse elite’ was nog het vriendelijkste geluid op GeenStijl.nl. Daar kwam de benaming ‘draaideurhaatzaaier’ bij na een onhandig optreden bij Knevel & Van den Brink, waarin ze Wilders’ ‘verbaal geweld’ benoemde. Hij roept op tot het ‘uitroeien’ van moslims, zei ze in de uitzending. Al tijdens de aftiteling moest ze haar woorden terugnemen: Wilders had het over ‘eten voordat we gegeten worden’, en dat klinkt aanmerkelijk ludieker, vond Tijs van den Brink.

De Ruiter is voorzichtiger geworden met mediaoptredens, maar met opiniestukken roert ze zich wel. Steeds vaker uit ze zich over de aanpak van kindermishandeling, die ze totaal verkeerd vindt in Nederland. Jeugdzorg is versnipperd, het gebrek aan kennis en kunde van medewerkers van meldpunten kindermishandeling en de Raad voor de Kinderbescherming noemt ze schokkend. ‘Het is begonnen in mijn tijd in de Van der Hoeven-kliniek. 95 procent van de mensen die daar zitten hadden met jeugdzorg te maken gehad, waren van het ene pleeggezin naar het andere tehuis gegaan en dat was dus blijkbaar allemaal niet effectief. Ik vroeg me af: waar gaat het mis? Ik ontdekte dat het in de jeugdzorg nog erger is dan in de tbs-kliniek toen ik er kwam werken, qua wetenschappelijke onderbouwing en transparantie. Het hele systeem faalt, maar niemand in Nederland zegt: er moet nu iets gebeuren.’

Dus doet zij het: in een stuk in de NRC klaagt ze samen met Ferko Öry het gebrek aan deskundigheid in de sector aan. In een eerder artikel, vlak na de moord op de broertjes Ruben en Julian door hun vader, schrijft ze: ‘Hoe kan het dat de jeugdzorg in Nederland er in een periode van vier jaar niet in slaagt om een hoogopgeleid, gescheiden echtpaar zodanig te begeleiden dat een voor alle partijen leefbare situatie ontstaat?’ In dit soort ‘vechtscheidingen’ waarin gestreden wordt om de omgang ontbreekt het aan objectieve en deskundige rapporteurs, betoogt ze: ‘De onderzoeker wordt gemakkelijk ‘meegezogen’ in het verhaal van een van de partijen.’

Onafhankelijkheid
Des te opmerkelijker dus dat ze zelf om die reden onlangs door het medisch tuchtcollege berispt werd: ze heeft haar ‘onafhankelijkheid niet weten te bewaren’ in haar hoedanigheid als getuige-deskundige in een civiele zaak. ‘In feite is er een vermenging van haar professionele en niet-professionele rol ontstaan’, oordeelt het college en heeft ze door haar ‘vereenzelviging’ met een van de partijen – moeder – een vechtscheiding verder doen escaleren.

Het ging om een 7-jarig jongetje dat in de media Bram werd genoemd en dat de moeder bij de vader weghield, omdat hij Bram seksueel zou misbruiken en lichamelijk en emotioneel zou mishandelen. Het jongetje is inmiddels aan de vader toegewezen. Moeder zou alles uit de kast hebben gehaald om de deskundigen aan haar kant te krijgen – De Ruiter werd meegesleept, concludeert het tuchtcollege.

‘Wat mij betreft bestaan er helemaal geen vechtscheidingen. Dat is een non-woord’
Onzin, zegt zij aan haar eettafel. ‘Het tuchtcollege vindt dat ik vader valselijk beschuldigd heb. Dat is een drogredenering; ik heb juist geadviseerd dat er meer onderzoek moet worden gedaan. Er zijn genoeg signalen in deze zaak om je serieus zorgen te maken en ik zeg alleen maar: of er wel of geen misbruik heeft plaatsgevonden, is niet adequaat uitgezocht. Dat gebeurt in dit soort gevallen bijna nooit in Nederland.’

U schreef het rapport in opdracht van de advocaat van de moeder en stelt daarin dat zij een ‘fit parent’ is, een geschikte ouder. Hoe onafhankelijk is zo’n rapport? Geldt immers niet: wie betaalt, bepaalt?
‘Als je dat zegt, ja, dan kunnen we de hele forensische en rechtspsychologie wel opdoeken. We hebben onze beroepsethiek. Feitenonderzoek is mijn enige toetssteen en als er uit mijn analyse was gekomen dat moeder geen ‘fit parent’ is, dan was dát mijn conclusie geweest. Maar iedereen framet het als partijdig, net als zo’n zaak als een ‘vechtscheiding’ wordt geframed. Wat mij betreft bestaan er helemaal geen vechtscheidingen. Dat is een non-woord. Ja, er bestaan scheidingen waarin mensen blijven ruziemaken om de kinderen, maar om die steevast te definiëren als een vechtscheiding is onzin, dat is levensgevaarlijk. Daar krijg je dooie kinderen van. De aanname is dan namelijk dat de beschuldigingen vals zijn, maar uit onderzoek in het buitenland blijkt dat in de meerderheid van die gevallen wel degelijk sprake is van mishandeling of misbruik. Dus dat moet je goed onderzoeken. Je moet het kind interviewen, je moet de vader bevragen, je moet politieonderzoek doen, er moeten allerlei dingen gebeuren, maar in Nederland gebeurt dat niet. Jeugdzorg doet niet aan waarheidsvinding. Die zet de ouders aan tafel met een foto van het kind erop en dan moeten ze praten – heb je een gaatje in je hoofd? Je kunt geen wonderen verwachten van mediation. In dit soort high conflict divorces, zoals het heet in de Angelsaksische literatuur, heeft een van de ouders meestal een persoonlijkheidsstoornis: borderline of een narcistische stoornis, bijvoorbeeld. En de andere ouder kan in Nederland nergens naartoe.

‘De pas-afgestudeerde pedagogen die met dit soort uiterst ingewikkelde gevallen te maken krijgen, zijn te jong en te onervaren om ze het hoofd te bieden. Ouders worden in Nederland aan alle kanten beschermd en de kinderen zijn aan hen overgeleverd. Kinderrechten worden hier systematisch geschonden.’

DE ZAAK-‘BRAM’
Arnold Heertje schreef er columns over, arts Paul Pollman mag vanwege zijn bemoeienis met deze en andere zaken niet langer als arts werken en Corine de Ruiter werd erom berispt: de zaak-‘Bram’. Een verbeten strijd tussen gescheiden ouders over de omgangsregeling voor hun zoontje. Moeder verdenkt vader van kindermishandeling en houdt Bram bij hem weg. Na eindeloos veel rechtszaken wordt Bram in 2013 aan vader toegewezen. De advocaat van moeder vraagt De Ruiter te rapporteren of moeder een geschikte ouder is. Dat is zij, concludeert ze. In dezelfde rapportage meldt ze dat er ‘frequente en serieuze aanwijzingen zijn voor het bestaan van een ernstig vermoeden van meerdere vormen van kindermishandeling’. Het medisch tuchtcollege stelt dat ze die suggestie ten onrechte doet, zonder vader te hebben gezien of gesproken, en berispt De Ruiter.
In deze zaak is er onderzoek gedaan door de Raad voor de Kinderbescherming en de vader is van alle blaam gezuiverd.
‘Dat is geen adequaat onderzoek, van de Raad. Jij zegt: die vader is van alle blaam gezuiverd, maar hoe weet je dat? Er is nooit deugdelijk feitenonderzoek gedaan.’

Waarom zou u door het tuchtcollege berispt worden als u alleen maar aandringt op onderzoek? U hebt uitspraken gedaan over vader zonder hem ooit te hebben onderzocht.
‘Wat het tuchtcollege niet begrijpt, is dat ik refereer aan bevindingen uit het dossier. Als ik daarin lees: ‘Het kind werd na bezoek aan vader slapend thuis gebracht, begon nadat het wakker werd hard te huilen en klaagde over pijn in de anus’, ik noem maar wat, is dat toch een opmerkelijke bevinding. Dan kun je niet volstaan met: dit is een vechtscheiding en dat kind interesseert me verder niet.’

‘Ik heb in totaal in vier van dit soort zaken gerapporteerd en in drie is door een van de echtelieden een tuchtzaak aangespannen. Het komt er gewoon op neer dat dit soort forensische rapporten niet meer kunnen worden opgemaakt’
Dat kan moeder wel beweren. Uw opdrachtgever – het blijft een merkwaardige constructie.
Fel: ‘Maar denk je nou echt dat ik me daarvoor leen? Om als een soort hired gun te fungeren? Dan zou ik mezelf toch niet meer in de spiegel kunnen aankijken?’

Uw collega-vakgenoot Peter van Koppen zegt in de NRC over het Maastrichts Forensisch Instituut, waarvoor u zulke rapportages uitvoert: ‘Het is een rapportenfabriek geworden’. Een dure ook; zo’n rapport kost veel geld.
‘Dat zegt hij omdat hij met ruzie is weggegaan in Maastricht. Peter van Koppen is een moeilijke man. Hij is zelf een rapportenfabriek die het allemaal in zijn uppie doet en het geld voor zichzelf wil hebben. Ik heb ook een eigen praktijk, maar dit rapport heb ik voor het Maastrichtse instituut gemaakt en het geld gaat naar de universiteit, niet naar mij.’

Klopt het niet dat u te persoonlijk betrokken bent geraakt in deze zaak, zoals het tuchtcollege stelt? U zit met de zus van de moeder in een organisatie, De Veilige Haven.
‘Ik leerde haar pas kennen door deze zaak. Ze is pedagoog en ze heeft zich bij ons gemeld omdat ze graag wilde meedenken als ervaringsdeskundige. Iedereen uit onze organisatie – een groep professionals die zich zorgen maken over de aanpak van kindermishandeling in Nederland – was het ermee eens dat ze een meerwaarde had, ik beslis dat niet in mijn eentje. Als dit niet eens kan – we leven in een vrij land, hoop ik.

‘Als je alles door een bepaalde bril bekijkt… Het is me inmiddels wel duidelijk dat mensen dat doen. Ik hoor het ook van andere deskundigen; zodra je in zo’n zaak rapporteert, stapt de andere ouder naar de tuchtraad. Ik heb in totaal in vier van dit soort zaken gerapporteerd en in drie is door een van de echtelieden een tuchtzaak aangespannen. Het komt er gewoon op neer dat dit soort forensische rapporten niet meer kunnen worden opgemaakt. Dat betekent dus ook dat ouders die vinden dat het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming niet deugt, nergens meer naartoe kunnen. Want ik ben niet de enige. Er zijn ook allerlei onbekende forensisch psychologen die de mond is gesnoerd.’

‘Als ik deze zaak met collega’s in het buitenland bespreek, staan ze met hun oren te klapperen’
Na drie waarschuwingen van het tuchtcollege denkt u niet: wat doe ik verkeerd?
‘Ja, natuurlijk heb ik dat gedaan, ik heb het uitgebreid geanalyseerd met collega’s. Die vinden net als ik dat de tuchtcolleges buiten hun boekje gaan en dat ze het faciliteren dat de rechten van kinderen geschonden worden.’

Dus het ligt aan het tuchtcollege, niet aan u.
‘In dit geval ben ik daarvan overtuigd, ja. Anders was ik niet in beroep gegaan en had ik de berisping geaccepteerd.’

Hoe beschadigend is dit voor uw reputatie?
‘Heel beschadigend. Ik ga het natuurlijk ook niet meer doen. Dit was de laatste keer, het is einde oefening. Ik ben wel met een aantal mensen bezig om te kijken hoe we dit kunnen veranderen, want er wordt hier niet helder nagedacht. Als ik deze zaak met collega’s in het buitenland bespreek, staan ze met hun oren te klapperen. Dan zeggen ze: wát, gaat dat in Nederland zo? Jeugdzorg is een staat in de staat. Totaal naar binnen gekeerd, en ik ben juist het omgekeerde. Ik kijk: hoe doen ze het elders en wat kan ik ervan leren?’

Zal het een opluchting voor u zijn als u naar Amerika gaat?
‘Nee hoor, want ik ben heel erg Nederlands. Ik denk wel dat ik in het verkeerde land geboren ben. Nederland is erg klein. Iedereen oordeelt hier zo snel. Ik heb workshops gegeven in Amerika, de deelnemers hangen aan je lippen. Hier is het: wie ben jij om me te vertellen dat ik mijn werk anders zou moeten doen?’

‘Een narcist is iemand die zonder enige bagage van alles beweert en zich laat voorstaan op zijn status. Dat doe ik niet’
Kunt u zich er iets bij voorstellen dat er vakgenoten zijn die u zo overtuigd van zichzelf vinden dat het bijna narcistisch zou zijn?
Ze zucht. ‘Ik herken me er niet in. Een narcist is iemand die zonder enige bagage van alles beweert en zich laat voorstaan op zijn status. Dat doe ik niet. Je zou aan mijn studenten moeten vragen of ik poeha heb, volgens mij vindt niemand dat.

‘Ik heb heus fouten, ik kan heel fel zijn, maar ik kan nu eenmaal slecht tegen onrecht. Ik kies voor de underdog. Mijn belangrijkste drijfveer is de wereld om me heen begrijpen. Weet je, soms moet ik aan het sprookje van de nieuwe kleren van de keizer denken. Dan denk ik: waarom zíet niemand dit?’

CV
1960 geboren in Varsseveld (Gld)
1978 vwo-diploma Doetinchem
1978-1979 jaar Amerika met studiebeurs
1979 gaat psychologie studeren in Utrecht
1989 promoveert in Amsterdam op paniek- en angststoornissen
1986-1995 doet onderzoek aan universiteit Leiden en Amsterdam
1995 wordt hoofd onderzoek aan de Van der Hoeven-kliniek voor forensische psychiatrie
2002-2006 hoofd onderzoeksprogramma Trimbos-instituut
1999 wordt bijzonder hoogleraar forensische psychologie aan de UvA
2006 wordt hoogleraar forensische psychologie in Maastricht
Corine de Ruiter woont samen in Utrecht en heeft een zoon van 20.

Hoe onze risicomijdende cultuur de solidariteit ondermijnt

Het is dé trend in de verzekeringsbranche: met behulp van Big Data het gedrag van individuen in kaart brengen en korting geven aan hen die ‘gezond’ of ‘veilig’ leven. Maar het resultaat van deze ‘sociale natuurkunde’ is dat de middelmaat wordt beloond en avontuurlijkheid bestraft. Wie is er nog solidair met de excentriekelingen onder ons?

 

Correspondent Media, Politiek & Filosofie

Rob WIJNBERG
‘Het aantal stappen dat ik per dag zet, wordt exact gemeten. De calorieën die ik dagelijks verbrand, worden nauwkeurig bijgehouden. Mijn bloeddruk en hartslag continu gemeten. Een kleine armband om mijn pols geeft alle informatie door aan een fitness-app op mijn computer.’

Aan het woord is Jan Driessen,Jan Driessen in het stuk ‘Bepaal zelf je premie’ voormalig directeur communicatie van verzekeraar Aegon en tegenwoordig veelgevraagd adviseur binnen diezelfde branche.

‘De fitness-app’, concludeert hij, ‘weet of ik me gezond gedraag of niet. En ik zou die gegevens best willen delen met mijn verzekeringsbedrijf, indien daar een flinke korting op de premie tegenover staat. Want waarom zou ik evenveel betalen voor een ziektekosten- of een arbeidsongeschiktheidsverzekering als iemand die de hele dag niet beweegt en ongezond eet?’

‘Waarom zou ik evenveel betalen voor een ziektekostenverzekering als iemand die de hele dag niet beweegt en ongezond eet?’
Het kan met recht dé ontwikkeling van deze tijd worden genoemd, bij overheden, het bedrijfsleven, en in het bijzonder de verzekeringsbranche: het verzamelen van enorme hoeveelheden data teneinde deze commercieel te benutten. Door consumentenvoorkeuren te meten en daar gepersonaliseerde advertentiesLees daarover ook ‘Hoe reclameman Don Draper het verliest van Big Data’, van Maurits Martijn. op te verkopen bijvoorbeeld. Of in dit geval: door levensstijlen in kaart te brengen en daar de verzekeringspremie aan aan te passen.
In wetenschappelijke kringen heeft de ontwikkeling al een passende naam gekregen: social physics,Social physics zoals bedreven aan het prestigieuze MIT. oftewel sociale natuurkunde – een tak van wetenschappelijke sport gestoeld op de premisse dat niet alleen de natuur, maar ook de mens, zijn gedrag, zijn sociale interacties en de samenleving als geheel uiteindelijk zijn te reduceren tot ‘wetmatigheden’ en zeer precieze risico-inschattingen, mits je maar genoeg data verzamelt waaruit die wetten en risico’s te destilleren zijn.

Rapport na rapportHier de NOS over ‘de verzekering van de toekomst’. voorspelt als gevolg van deze sociale natuurkunde een gouden toekomst voor de financiële sector en de verzekeringsbranche. Of beter gezegd: een gouden heden. Verzekeraar Menzis experimenteert alLees hier meer over het experiment van Menzis. met een premie die afhankelijk is van een ‘gezonde levensstijl’ en nieuwkomer FairzekeringHier de site van Fairzekering. biedt sinds kort een autoverzekering waarbij de premie afhankelijk is van je rijstijl, gemeten door een elektronisch kastje in de auto.

De bedriegelijke schijn van een win-win

En eerlijk is eerlijk, niet alleen klinkt de belofte van sociale natuurkunde commercieel interessant. Het klinkt ook nog rechtvaardig: waarom zou jij, hardlopende, niet-rokende vegetariër, net zo veel premie voor je zorgverzekering moeten betalen als je bankhangende, kettingrokende Big Mac-verslaafde buurman?

Sociale natuurkunde lijkt een win-win: de verzekeraar kan door Big Data de risico’s van zijn klantenbestand beter inschatten, en de klant krijgt er een eerlijkere premie voor terug. Bovendien, misschien zet die premiekorting je ongezonde buurman ook nog wel op een gezonder levenspad.

De helft van alle Nederlandse consumenten is ‘bereid is gegevens over bijvoorbeeld gezondheid en leefstijl af te staan in ruil voor een goedkopere polis’
Geen wonder dat uit recent onderzoek van accountantsfirma PWCHier vind je het onderzoek van PWC. is gebleken dat wereldwijd maar liefst twee derde, en in Nederland de helft van alle consumenten, ‘bereid is persoonlijke gegevens over bijvoorbeeld gezondheid en leefstijl af te staan in ruil voor een goedkopere polis’. Onderzoek van consultancygigant Accenture liet al eens vergelijkbare resultaten zien.Hier het onderzoek van Accenture.

Maar de win-win is bedrieglijke schijn. Naast privacybezwaren, die geregeld tegen de dataverzamelwoede worden ingebracht, is er nog een aantal fundamentele bezwaren in te brengen tegen de sociale natuurkunde die nu furore maakt.

Haar beloften zijn namelijk gebaseerd op een fundamenteel filosofisch onbegrip van de sociale werkelijkheid om ons heen en kunnen, wanneer ze maar ver genoeg worden doorgevoerd, leiden tot een door risico’s geobsedeerde samenleving waarin middelmaat de nieuwe norm is en stilstand de nieuwe vooruitgang.
Probleem 1: De oneindige complexiteit van de sociale werkelijkheid

In zijn boek Waarheid en Cultuur constateert de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche dat taal ‘ontstaat door het gelijkstellen van het niet-gelijke’. Ter illustratie noemt hij het woord ‘boom’: geen enkele boom in de wereld is exact hetzelfde als een andere en toch noemen wij ieder exemplaar een ‘boom’. Dergelijke generalisatie is niet meer dan logisch: het is simpelweg onmogelijk alle verschillen – ieder twijgje, ieder blaadje, iedere kleurschakering – in een aparte term te vangen zonder te verdrinken in een bodemloze put.

Met andere woorden, taal is per definitie een fundamentele abstractie van de eindeloos complexe werkelijkheid om ons heen, teneinde haar grijpbaar en bevattelijk te maken. Ze is geen ‘weergave’ of ‘spiegel’ van de realiteit, maar een model, of zoals Nietzsche het zelf formuleerde: een ‘metafoor’.

Wie denkt een ‘gezonde levensstijl’ te kunnen vangen in een eindig aantal criteria voor ‘gezond’, ziet het metaforische karakter van de modellen die data van de werkelijkheid vormen over het hoofd
Iets soortgelijks geldt ook voor de taal die Big Data heet. Wie denkt een ‘gezonde levensstijl’ of ‘veilig rijgedrag’ te kunnen vangen in een eindig aantal criteria voor ‘gezond’ en ‘veilig’, wie er met andere woorden net als verzekeraar Jan Driessen op vertrouwt dat ‘de app weet of ik me gezond gedraag of niet’, ziet het metaforische karakter van de modellen die data – net als taal – van de werkelijkheid vormen over het hoofd. Een begrijpelijke misvatting, want nog meer dan onze woorden wekken data de illusie van exactheid en precisie. Maar de sociale wereld in zijn algemeenheid, en menselijk gedrag in het bijzonder, lenen zich bijzonder slecht voor zulke reductie: het aantal factoren dat een rol speelt in begrippen als, bijvoorbeeld, ‘gezond’ of ‘veilig’ is letterlijk oneindig.

Natuurlijk, je kunt ‘gezond leven’ definiëren door te kijken naar wat je eet, hoeveel je beweegt en of je rookt of drinkt of niet. Je kunt daarnaast nog kijken hoe gestrest je bent en of je goed slaapt. Maar het punt is: daarmee heb je nog niet eens bij benadering afgebakend wat gezondheid precies behelst.

Je genen, je medische geschiedenis, je lichaamsbouw, je opvoeding, je inkomen, je positie op de sociale ladder, je liefdesleven, de plek waar je woont, de sociale kringen waarin je je begeeft, het soort werk dat je doet, de hobby’s die je hebt, enzovoorts enzoverder: al deze op hun beurt oneindig complexe factoren spelen allemaal hun eigen rol in wat je zou kunnen scharen onder ‘gezondheid’.

En het cruciale punt is: het lijstje factoren gaat ons voorstellingsvermogen ver te boven. Iedere factor bestaat weer uit een oneindig aantal complicerende factoren, stuk voor stuk gebaseerd op aannames over wat ‘gezond’ is en hoe dat relateert tot die factor.

Een relatie die na tien jaar op de klippen loopt: is dat ongezond? Het hangt er maar van af. Ben je er gestrest en verdrietig door? Of valt er een last van je af? Ben je bedrogen? Of was het in goed overleg? Ben je emotioneel aangelegd? Of verwerk je zoiets snel? Heb je vrienden waar je op kan terugvallen? Of ben je plots eenzaam en alleen? Afijn, u snapt het punt: je kunt hier tot sint juttemis mee doorgaan zonder ooit tot een risicoinschatting te komen die de complexiteit van de sociale realiteit waarin een mensenleven zich afspeelt zelfs maar kan benaderen.

Nu zult u misschien denken: Dat is een leuke filosofische kanttekening, maar daar gaat het verzekeraars toch niet om? Dat een definitie van ‘gezond’ of ‘veilig’ niet de ‘volledige’ werkelijkheid omvat, betekent toch niet dat ze onbruikbaar is? Als je veel beweegt en weinig snoept, dan is dat toch informatie genoeg voor een verzekeraar om bepaalde risico’s mee in te schatten?

Er is geen punt waarop ‘het gebied’ dat ‘gezonde levensstijl’ heet in kaart is gebracht, want er is geen ‘gebied’
Natuurlijk, zoals de ‘onvolledigheid’ van onze taal in principe vooral een kentheoretisch en niet zozeer een praktisch probleem is (we begrijpen elkaar doorgaans prima), zo geldt ook voor data: als deze ‘onvolledig’ zijn, maakt dat ze nog niet betekenisloos of onbruikbaar. Het probleem is ook niet zozeer de onvolledigheid an sich, maar de consequenties ervan.

De problematische consequentie is namelijk dat er geen grens zit aan hoe ‘groot’ Big Data moet worden om de doelen die men ermee voor ogen heeft te bereiken. Simpeler geformuleerd: voor het inschatten van, bijvoorbeeld, de gezondsrisico’s die kleven aan een bepaalde levensstijl, kan een verzekeraar gegevens verzamelen ad infinitum. Er is geen punt waarop ‘het gebied’ dat ‘gezonde levensstijl’ heet in kaart is gebracht, want er is geen ‘gebied’.

Dat betekent dat wat begint met het bijhouden van het aantal calorieën, stappen en uren slaap per dag, al snel wordt uitgebreid met gegevens over je seksleven en rijgedrag, om vervolgens te worden uitgebreid met informatie over je sociale netwerk en inkomen, om vervolgens te worden uitgebreid met je familiegeschiedenis en hobby’s, om uiteindelijk eindeloos zo door te gaan.

Sociale natuurkunde, kortom, zet er enerzijds toe aan de oneindig complexe werkelijkheid te reduceren tot een eindig aantal meetbare criteria om daaruit onheuse generalisaties te destilleren, en tegelijkertijd leidt diezelfde oneindige complexiteit ertoe dat de hoeveelheid data die je zou moeten – en bedrijven dus ook zullen – verzamelen om die illusie gestand te doen, oneindig groot wordt.

Probleem 2: Het dictaat van de middelmaat

En die illusie, alle beloftes van ‘personalisering’ en advertenties of premies ‘op maat’, komt op zijn beurt weer voort uit één fundamentele bron: het gemiddelde. Door al mijn persoonlijke gedragingen te meten lijkt het alsof de adverteerder of verzekeraar inzicht verkrijgt in mijn persoonlijke voorkeuren of risico’s.

Maar niets is minder waar: de waarde van Big Data schuilt in de betekenis die wordt ontleend aan de gemiddelden van de grote getallen. Het heet niet voor niet big data: over voorkeuren en risico’s is pas iets te zeggen als de groep groot genoeg is om een doorsnee ‘smaak’ of gemiddeld ‘risico’ uit te destilleren.

Het probleem daarvan is: het gemiddelde wordt de norm. En het gemiddelde is geen geweldige norm. Overal waar de wet van de grote getallen leidraad is, zie je hetzelfde gebeuren. Kijk bijvoorbeeld naar de supermarkt, waar de gemiddelde smaak van de consument, opgetekend uit talloze proeven met smaakpanels, het aanbod bepaalt: in steeds meer producten wordt de smaak afgevlakt naar de voorkeuren van de doorsneeconsument. Dat betekent, kort samengevat: meer zout, meer suiker, meer vet, zodat alles steeds iets meer hetzelfde gaat smaken.

Op vergelijkbare wijze wordt ook de televisie geformatteerder, de popmuziek eentoniger, de winkelstraten eenvormiger. Hele culturen zijn door de centripetale krachten van de gemiddelde smaak steeds meer op elkaar gaan lijken.

De zogenaamd ‘gepersonaliseerde advertenties’ die mij worden voorgeschoteld, of de ‘op mijn levensstijl afgestemde’ premie die ik aangeboden krijg, zijn gemiddelden, verkocht als ‘persoonlijk’ en ‘op maat’
Van precies dat effect is sociale natuurkunde de ultieme katalysator: de zogenaamd ‘gepersonaliseerde advertenties’ die mij worden voorgeschoteld, of de zogenaamd ‘op mijn levensstijl afgestemde’ premie die ik aangeboden krijg, zijn eigenlijk gemiddelden, verkocht als ‘persoonlijk’ en ‘op maat’. ‘Mensen die dit boek leuk vonden, bestelden ook…’, of ‘Mensen die dit eten, lopen minder risico op…’ Het zijn dictaten van het gemiddelde.

Hoe meer bedrijven en verzekeraars leunen op Big Data, hoe dominanter de middelmaat dus wordt. De boeken die we lezen, het voedsel dat we eten, ja, zelfs de ‘levensstijl’ die we ambiëren: het gaat allemaal steeds meer op elkaar lijken. Zo verkoopt de sociale natuurkunde precies het omgekeerde van wat het belooft: in plaats van unieke, op het individu afgestemde producten en prikkels, wordt het individu meer en meer gestuurd, gevormd en bepaald door de massa.

Probleem 3: De straf op solidariteit en avontuur

En het is niet alleen de middelmaat die door Big Data zegeviert. Erger nog is dat solidariteit, een kernwaarde in onze samenleving, er evenredig onder lijdt. Of nog straffer geformuleerd: teniet wordt gedaan.

Solidariteit is een manier om kosten en risico’s gelijkmatig over een groep te verdelen. Dat gelijkmatige is daarin cruciaal: de kerngezonde jongere betaalt ongeveer evenveel zorgpremie als de zwakkere oudere uit solidariteit: zo blijft de zorg even betaalbaar voor hen die meer risico’s lopen en kosten maken dan voor hen die minder zorg nodig hebben. Verdisconteert de verzekeraar de risico’s in de premie, dan ondergraaft ze daarmee precies dit principe van solidariteit.

Dat is op zich al een slechte ontwikkeling waar het de zwakkeren treft, maar het heeft ook het nadelige gevolg dat er een beloning komt te staan op risicomijdend gedrag. Dat klinkt een verzekeraar wellicht als muziek in de oren, maar voor een samenleving als geheel is dat niet per se een vooruitgang: een cultuur van risicomijding produceert namelijk ook minder uitzonderlijkheid. Juist aan grotere risico’s kleven immers vaak ook grotere vruchten.

De ondernemer die achttien uur per dag werkt om zijn bedrijf tot een succes te maken, de journalist die gevaarlijke reizen onderneemt om oorlogen te verslaan, de sporter die de grenzen van het menselijke lichaam opzoekt: allemaal mensen die volgens de modellen van de verzekeraar meer kans maken op burn-outs, ongelukken of blessures. Maar ook stuk voor stuk mensen die een samenleving kleur geven en in de vaart der volkeren opstuwen. Zoals veel van de grootste muzikanten ook een drankprobleem hebben en de grootste chefkoks zich vermoedelijk niet houden aan het gezondste dieet.

Solidariteit is dan ook niet alleen een principe dat de zwakkere schouders verlicht door de lasten eerlijk te verdelen over de sterkere schouders, het is ook een principe dat ruimte creëert voor de exentriekelingen onder ons. Juist omdat het kosten, risico’s en lasten evenredig verdeelt, stelt het solidariteitsprincipe sommigen van ons in staat meer risico’s te nemen en avontuur aan te gaan dan de doorsneemedemens.

Gechargeerd gezegd: had Columbus een app in zijn broekzak gehad die zijn verzekeringspremie zou hebben aangepast aan zijn ‘risicoprofiel’, dan was hij nooit uitgevaren om De Nieuwe Wereld te ontdekken
Gechargeerd gezegd: had Columbus een app in zijn broekzak gehad die zijn verzekeringspremie zou hebben aangepast aan zijn ‘risicoprofiel’, dan was hij nooit uitgevaren om De Nieuwe Wereld te ontdekken. Dan was hij aan premies failliet gegaan.

Al bedoel ik dat natuurlijk metaforisch, zo onrealistisch is het voorbeeld niet: denk maar eens aan Laura Dekker,Lees vooral ook de mooie recensie van Laura Dekkers documentaire door Nina Polak. het zeilmeisje dat door op haar dertiende de wereld rond wilde zeilen. Hoon en spot vielen haar en haar familie ten deel: zoiets doe je als ‘normaal’ (lees: gemiddeld) kind toch niet? En hoe gek (lees: niet doorsnee) zijn de ouders die hun dochter toelaten zoiets gevaarlijks (lees: risicovols) te doen? Het is de dictatuur van de samenleving die ‘excelleren’ graag met de mond belijdt, maar in de praktijk juist conservatiever en risicomijdender wordt.

Dus, op de vraag van verzekeraar Jan Driessen waarom hij ‘evenveel zou betalen voor een ziektekosten- of een arbeidsongeschiktheidsverzekering als iemand die de hele dag niet beweegt en ongezond eet?’, zou ik willen antwoorden: omdat een ‘eerlijkere’ premie voor het individu nog niet een betere premie is voor de samenleving.

Zonder solidariteit geen gekken en zonder gekken geen kleur – misschien zelfs wel geen vooruitgang.

 

De wereld volgens Maxwell Smart

In de jaren zestig had je in Amerika de populaire komische serie Get Smart over een stuntelige geheim agent die Maxwell Smart heette. De serie bracht niet alleen de primeur van de schoentelefoon, maar had ook een eigen versie van de tweepolige wereld. De inlichtingendienst waarvoor Maxwell Smart werkte, heette ‘Control’ en de wereldwijde vijand heette ‘Kaos’. De serie was zijn tijd ver vooruit. Het lijkt er immers steeds meer op dat de na-na-koudeoorlogse wereld opgesplitst raakt in een wereld van ‘orde’ en een wereld van ‘wanorde’.

Eerst hebben we afscheid genomen van het imperialisme en het kolonialisme. Daarna van het alliantiesysteem van de Koude Oorlog, waarbij menig zwakke staat financieel werd gesteund om infrastructuur op te bouwen en wapens te kopen om hun grenzen en bevolking te bewaken. De stabiliteit van ieder vakje op het wereldwijde schaakbord was immers voor zowel Washington als Moskou van belang. En onlangs zijn we begonnen met afscheid nemen van monarchieën en autocratieën die van bovenaf met ijzeren vuist regeerden en waartegen technologisch mondige burgers in de grote steden massaal in opstand kwamen.

De NAVO maakt het bewind in Libië een kopje kleiner en ontketent een stammen- en militie-oorlog van allen tegen allen
Nu hebben we dus drie basissystemen: orde waarin wordt voorzien door democratische regeringen die ook rekening houden met minderheden; orde die wordt opgelegd door autocratische regeringen die hele groepen uitsluiten, en niet-geregeerde of chaotisch bestuurde gebieden.

Kijk om je heen: in Nigeria kidnapt Boko Haram 250 schoolmeisjes en verdwijnt vervolgens in een duistere uithoek van het land. De Islamitische Staat in Irak en Syrië (ISIS) roept een kalifaat uit in delen van Syrië en Irak en schept op Twitter op over het onthoofden van tegenstanders. De NAVO maakt het bewind in Libië een kopje kleiner en ontketent een stammen- en militie-oorlog van allen tegen allen. In combinatie met de ineenstorting van Tsjaad leidt dat tot een golf van wapens en vluchtelingen naar andere Afrikaanse landen, wat weer een bedreiging vormt voor Tunesië en Marokko. Israël is overspoeld met meer dan 50 duizend vluchtelingen uit Eritrea en Soedan op zoek naar werk en veiligheid in het Israëlische ‘eiland van orde’. En alleen al sinds oktober 2013 heeft de VS te maken met een golf van meer dan 50 duizend alleenstaande kinderen uit Guatemala, El Salvador en Honduras. ‘Ze vluchten weg voor de dreiging en het geweld in hun eigen land’, aldus Vox.com.

Ontwikkelingen
Waarom gebeurt dit juist nu? Zonder de ondersteuning van het Koude-Oorlogssysteem is het voor zwakke staten niet meer zo eenvoudig een minimum aan veiligheid, werkgelegenheid, gezondheidszorg en maatschappelijke ondersteuning te bieden. Vanwege snelle ontwikkelingen in de markt (globalisering), veranderingen in de natuur (het klimaat, milieuschade) en dankzij de Wet van Moore (rekenkracht van computers) ontploffen sommige staten omdat ze de druk niet aankunnen.

Oké, wij hebben Irak opgeblazen, maar de opstand in Syrië is niet te begrijpen zonder in te zien hoe een vreselijke, vier jaar durende droogte in combinatie met een explosieve bevolkingsgroei de economie daar heeft ondermijnd.

Je kunt de opstand in Egypte niet begrijpen zonder die te koppelen aan de wereldwijde graancrisis in 2010 en de torenhoge broodprijs. Of zonder in te zien wat een uitdaging het Chinese leger aan arbeidskrachten vormt voor ieder ander lagelonenland. Het huidige systeem van globalisering beloont landen die hun arbeiders en markten zo efficiënt maken dat ze sneller dan ooit kunnen deelnemen in wereldwijde ketens van aanbod van goederen en diensten, en het straft zwaarder dan ooit de landen die dat niet kunnen.

De Wet van Moore stelt dat het aantal transistors in een geïntegreerde schakeling door de technologische vooruitgang elke 2 jaar verdubbelt
De verspreiding van ISIS of van de Arabische Lente is alleen te begrijpen als je kijkt naar de onstuitbare ontwikkelingen op het gebied van computers en telecommunicatie – de Wet van Moore. Daardoor zijn er zoveel goedkope communicatiemiddelen beschikbaar dat ook kleine groepen in staat zijn om volgelingen te rekruteren, staten uit te dagen en grenzen op te heffen.

De gecombineerde druk van de markt, de natuur en de Wet van Moore is de geopolitieke versie van klimaatverandering, volgens Michael Mandelbaum, de schrijver van The Road to Global Prosperity.

Deze landen staan bloot aan enorme krachten en het zal een buitengewone inspanning van de hele wereld van orde vergen om die krachten te beteugelen. Daarover een volgende keer meer.

Vertaling: Leo Reijnen

Thomas Friedman is columnist van The New York Times.

Armoede is geen keuze, maar een zware, erfelijke ziekte

“De weg uit de armoede heeft nauwelijks met verdienste en alles met geluk te maken”, schrijft Celia Ledoux, schrijfster en columniste.

Ik vond als kind huisschimmel beschamend en begrijp pas nu dat ik daarom ziek was. Of door die lekkende schoenen. Mijn achterstand in wiskunde kwam door ziekte, al noemden leraars me lui. Dat luwt je schoolzin. Als kleuter al wist ik dat parasieten beschamend waren, en dus verzweeg ik ze, hoe lastig ook.

Armoede leert je schaamte en verstoppen. Gaten, slijt, geur, leegte, tandbederf, jezelf. Je woonplek – een armoekot in een ‘slechte’ sociale wijk. De buren vonden mijn moeder over het paard getild om mijn prestigieuze school. Ik moest slagen om de eer te redden.

Speelafspraakjes had ik na een eerste beschamend debacle nooit meer. Bij een enkel verjaardagsfeest zag ik enorme tuinen, lege huizen, blinkende meubels. Hoe leger het grote huis, hoe rijker. Ik wist hoe dat kwam, – zij hàdden een kuisvrouw, mijn moeder gíng kuisen – maar schaamde me toch.

Die gedachte bleef lang. Nochtans val ik niet meer op. Ik ben wel erg slank met ranke botstructuur. Geen genetisch schoonheidsideaal, wel overgehouden aan zware kinderondervoeding. Armoede geeft je weinig cadeaus, dus de gezondheidsgevolgen neem je erbij.

Ik leerde afkijkend of van vrienden me anders kleden, gedragen, werken. Drie diploma’s, een klimmende carrière.

Oppervlakkig ging het goed. Binnenin ging ik principes voorbij omdat ik klom uit gewoonte en dwang. Kleine dingen verraadden me. Angst bij het openmaken van een factuur. Een rekening staat gelijk aan miserie. Nog steeds voelen de schimmelplekken en afgesloten elektriciteit soms vlakbij. Ik dacht lang dat mijn façade doorzichtig was. Dat dunne haar, die hoekige onzekerheid. Rijke meisjes zijn rond en rustig. Hoe succesvol je ook bent, armoede blijft je bij.

Studeren bij kaarslicht
Dalrymple vindt armoede een keuze. Dalrymple is blind. Nooit zag ik één arme dromen van armoede. Al die achterafkinderen hadden dromen, ideeën, plannen. Ze wilden eruit. Ze waren realistisch: zonder punten of ontdekking werd wereldtournee en chirurgencarrière bijgesteld naar nationaal succes en huisarts, dan coverband of verpleegster. Op een bepaald moment brak er iets. Ze legden zich neer bij fabriek, vrijers, desnoods stempelen. En toch vaak nog die grootspraak vol dromen.

In contrast: mijn klasgenoten. Soms aanleg. Meestal bijlessen, comfort, academies, ouderconnecties, kansen, reisjes, vrienden, geboorterecht. Ik zag ongetalenteerde muizen slagen in frustrerend bedrog. Het was als 100 meter sprint met twee gefaseerde startschoten. Het is moeilijk studeren bij kaarslicht, moeilijk schoonschrijven met je handschoenen aan als verwarming en licht zijn afgesloten.

Nu ben ik middenklasser. Waar ik vandaan kom heet dat ‘rijk’. Nu, na al vier weken heftige ziekte, zie ik mijn huisvesting, relatie noch voortbestaan fundamenteel bedreigd. Vier schone speeltuinen in 100 meter straal, gezonde thuis. Geen zwerfvuil of winkelkar vol koortsachtig rekenen aan de kassa. Rijkdom. Ja, ik geloof het vaak zelf niet.

Mensen noemen mijn ‘succes’ soms merite. Dat maakt me spuugnijdig. Mijn weg heeft nauwelijks met aanleg en alles met geluk te maken. Voor mij: honderden getalenteerde armen die niet slaagden. Ik ontweek drugs, had geen vriendje om me zwanger te maken, werd niet te hard geslagen, bezweek niet aan ziekte, had een betere school. Ik was uit hopeloosheid koppig, ontdekte toevallig wat talent, had wat betrokken familie. De rest viel, viel, viel.

Merite is een gewetensussende uitvlucht. Het betekent dat armoede een keuze is en rijken geen blaam treft.

Fuck keuze. Ik had geluk. Geluk dat OCMW’s nog niet zo harteloos moesten werken en op werklozen geen klopjacht werd gevoerd. Anders was ik vandaag een generationeel OCMW-ganger. Dat schoolgeld was al nauwelijks te betalen, de kinderzorg topzwaar.

Je herinnert het je. Je hart in overdrive als je moeder je tegen de muur drukt terwijl een deurwaarder bonst. Altijd gewelddadig, intimiderend in hun hooghartige smeerlapperij.

Ik herinner me dat een opstel niet te maken valt met een snikkende moeder één flinterdunne muur verder. Ik herinner me uitbuitingsjobs, weken op uien-met-patatten ‘s avonds en een brooddoos met dunne pannenkoek. Ik kon jarenlang geen pannenkoek zien. Ik herinner me ons leeggehaald appartement op een avond. Je schamele thuis, opengebroken en geplunderd om een achterstal van amper 25 euro. Ik herinner me verhalen, die ik nog niet vertellen durf. De steen in je maag, de permanente dreiging. Denken dat armoede een keuze is maakt je niet harteloos. Wel onwetend. Jij herinnert je niks.

Ik zie politieke partijen armen een boosdoener maken, alsof ze erom vragen. Ik zie veroordeelde fraudeurs werklozen ‘profiteurs’ noemen. Wellicht bedoelt Jan De Nul het zo goed als mijn tandarts, die me zo bewondert, maar denkt dat sociale voorzieningen de vuilnisbak in moeten. Zoals ettelijke mensen die rijk of comfortabel geboren zijn, hebben ze geen idee waarover ze het hebben.

Medeverantwoordelijk
Het is comfortabeler om te denken dat armoede een keuze is. Vooral als je het altijd goed had, ten hoogste wat krapjes, en je een goed hart hebt. Als je rijk bent tussen schuldeloze armen, ben je namelijk hardvochtig. Medeverantwoordelijk. Dat wil niemand zijn.

Makkelijker is geloven dat je geboortecomfort en erfprivilege een verworvenheid is en armoede een keuze. Dat maakt de wereld, en jou, minder onrechtvaardig.

Dit idee is een exclusieve luxe van rijken, die ik nooit verwerven kan. Dat kan niemand die tussen armen geboren werd.

Werkloosheid is nooit een keuze, meneer De Nul. Niemand wil onnuttig zijn, iedereen wil slagen. Maar armoede is een zware erfelijke ziekte. De sociale staat heeft mij eruit gered. Ik wil dat u in uw eigen frauderende schemerwerkelijkheid kijkt. Wat u aan solidariteitsbijdrage heeft misgund, bloedt ons systeem van blinde solidariteit leeg. Alleen dat systeem geeft ratjes zoals mij een nieuw leven.

Ik voel nog steeds fantoompijn van mijn al zo lang onbestaande handicap. Maar uw handicap is groter. U beseft niet eens uw eigen luxe.

Weggetreiterd uit de schilderswijk

REPORTAGE Al jaren wordt in het hartje van de Haagse Schilderswijk een groep mensen met psychiatrische problemen geterroriseerd door jongens uit de buurt. De maat is vol.

 

Er kwam hier al eens een ei door het openstaande raam naar binnen gevlogen. Een steen. Een fietszadel. De 27-jarige Aysun laat haar minimalistisch ingerichte kamertje op de tweede etage zien. ‘En een keer stond het vol met rook toen ik binnenkwam. Toen hadden ze vuurwerk naar binnen gegooid.’

Haar fluorroze topje kan haar kwetsbaarheid niet verhullen. Aysun is bang. Haar medebewoners van de Anton Constandse Stichting ook. De veertien cliënten met psychiatrische klachten wonen in het hartje van de Haagse Schilderswijk, om de hoek bij de Haagse markt. En al jaren worden ze naar eigen zeggen getreiterd door jongens uit de buurt.

Voor Lidy Zaat, directeur van de stichting met 180 locaties in Den Haag, is de maat vol. Deze week kroop ze achter haar computer en stelde een persbericht op: ‘Bewoners van de stichting Anton Constandse Stichting worden geterroriseerd.’ Ze koos haar woorden welbewust. Zaat ziet geen andere uitweg meer. ‘We hebben keer op keer meldingen gedaan bij de gemeente en bij de politie. Iedereen is op de hoogte, maar niemand grijpt in. Ik zie geen andere oplossing dan de cliënten te verhuizen. Ik kan niet wachten tot er gewonden vallen.’

‘Hoer’, roept een lachend jongetje naar niemand in het bijzonder
In de straten rondom het appartementencomplex van de stichting sjouwen buurtbewoners deze vrijdagmiddag met tasjes die uitpuilen van groente voor de iftar-maaltijd. ‘Hoer’, roept een lachend jongetje naar niemand in het bijzonder. ‘Oh, je hebt gescholden met de ramadan’, spreekt zijn maatje hem toe.

De Schilderswijk bestaat voor ruim 90 procent uit inwoners van buitenlandse komaf, verspreid over 110 nationaliteiten. Het gemiddelde opleidingsniveau is er laag, evenals de meeste maandinkomens. Zoveel sociale problematiek verzameld op die paar vierkante kilometer, dan kun je verwachten dat soms de vlam in de pan slaat. Toch vindt de stichting Anton Constandse dat cliënten ook hier moeten kunnen wonen. ‘Een kilometer verderop zit een huis waar het rustig is. Daar voetballen cliënten met kinderen uit de buurt’, zegt begeleider Madhuvi.

IJsballen
Maar aan het Terwestenpad wordt de toon gezet door verschraalde eierresten tegen een ruit op de leegstaande begane grond. Een net dat voor het balkon is gespannen om projectielen tegen te houden, vertelt de rest.

‘In december vliegen ijsballen tegen de ramen’, zegt Madhuvi. Haar collega Bea kon een keer net op tijd wegduiken voor een steen. Er zijn ruiten gesneuveld, er is met servies gefrisbeed, ingebroken, brand gesticht en cliënten zijn bedreigd en beroofd. Ook het personeel wordt lastig gevallen. Madhuvi: ‘We hadden een interne vacature, maar niemand wil op deze locatie werken.’

Het begon zes jaar geleden met gepest van leerlingen van de naastgelegen basisschool. Die jongens van toen zijn nu ouder, maar niet minder vervelend, aldus Madhuvi. Er is gepraat met de school, met de wijkagent, met ouders. Bea: ‘Een collega heeft folders uitgedeeld met uitleg over psychische problemen. Een jongetje verscheurde die en spuugde erop. De buurtvaders die erbij stonden zeiden niets.’

‘Ik zag een keer een van die psychische mensen bloot op het balkon staan’, zegt een mollig jochie van twaalf. ‘ Dan lok je het zelf uit’
Psychiatrische problemen zijn in de moslimgemeenschap taboe, denkt Bea. Directeur Zaat voegt toe dat sommige cliënten medicatie gebruiken, waardoor ze er ‘op het oog gedrogeerd uitzien’. Het kan misschien voor een deel de onverdraagzame houding verklaren in een wijk waar kinderen opgroeien met de les dat rondhangende junks crimineel en gevaarlijk zijn.

‘Ik zag een keer een van die psychische mensen bloot op het balkon staan’, zegt een mollig jochie van twaalf. ‘ Dan lok je het zelf uit. ’ Zelf zegt hij nooit iemand lastig te vallen.

Dat zeggen ze allemaal, moppert een 51-jarige Surinaamse vrouw. Ze staat Afrikaantjes te planten in de perkjes op het plein. Niet voor het eerst. ‘Kinderen trekken ze kapot. Als je ouders aanspreekt, zeggen ze: ach, het zijn spelende kinderen. Dat is het probleem, er wordt niet gecorrigeerd.’ Zelf verhuisde ze ooit vanwege getreiter door buurjongens. ‘Maar tegenwoordig vrees ik enkel nog God.’ Desondanks durft ze niet met naam in de krant.

Dat geldt ook voor een ruimschoots met goud behangen Hindoestaan, die tegenover de psychiatrische patiënten woont. ‘Die rotjongens staan te dealen en proberen deuren open te breken. Ik heb weleens wat gezegd, maar dan krijg je een steen naar je hoofd.’

Pesterijen
De politie doet volgens buurtbewoners niets. ‘Volgens mij zijn ze zelf ook bang’, zegt de Hindoestaan. Een woordvoerster van de politie wil niet reageren en verwijst naar de gemeente. Die stelt dat ‘niet is gebleken dat er sprake was van aanhoudend geweld in de richting van bewoners en medewerkers’. De gemeente heeft het over ‘pesterijen’ van kinderen tussen de 10 en 12 jaar die sinds 2012 ‘in intensiteit zijn afgenomen’.

‘Een flauwe reactie’, zegt directeur Zaat. ‘Ze weten precies wat er speelt.’ Begeleidster Bea: ‘Als wij bij de wijkagent een vuurpijl of steen melden, krijgen we te horen dat het arme jongetjes zijn naar wie thuis niemand omkijkt. Er wordt alleen een notitie gemaakt. Dan bel je op gegeven moment de politie niet meer.’

Nieuwe ronde nieuwe kansen

Toen een paar jaar geleden medicatie voor de ziekten van Pompe en Fabry niet meer vergoed dreigde te worden, was het land te klein. Dag na dag lieten de journaals en actualiteitenrubrieken zien hoe onredelijk de dreigende beslissing zou uitpakken voor patiënten. Uiteindelijk bleef de vergoeding intact en lukte het de prijzen van de desbetreffende medicatie omlaag te krijgen.

De reden dat de discussie opkwam, was gelegen in het feit dat het ging om medicatie met een (gemiddeld) betrekkelijk geringe effectiviteit, hoge kosten en een heel kleine groep baathebbenden. Het maakt voor de te boeken gezondheidswinst nogal uit of de schaarse euro uitgegeven wordt aan deze medicatie of aan interventies met een hogere effectiviteit, lagere kosten en een grotere groep mensen die er van profiteert.

Wat mag een extra gezond levensjaar kosten?
Een harde norm om dit soort kosten en baten tegen elkaar af te wegen ontbreekt in Nederland. In Groot-Brittannië bestaat die al wel. Daar mocht ten tijde van de discussie over pompe en fabry een medicijn met een effectiviteit van één extra levensjaar hooguit 37 duizend euro kosten. We meten dat in qaly’s (quality-adjusted life year). Dat zijn levensjaren waarin ook de kwaliteit van leven is verwerkt. In 2006 en 2007 adviseerde de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg om in Nederland een maximum van 80 duizend euro voor een qaly vast te stellen. Bij de medicatie voor de milde variant van de ziekte van Pompe kostte een qaly echter wel 15 miljoen euro. Vandaar het voornemen om de betreffende medicatie niet meer te vergoeden.

Deze discussie is weer actueel geworden door een voortreffelijk rapport dat de Leidse hoogleraar Koos van der Hoeven schreef in opdracht van het Koningin Wilhelmina Fonds Kankerbestrijding (KWF): Toegankelijkheid van dure kankermedicatie. Van der Hoeven maakt zich zorgen over het feit dat steeds meer kankermedicatie het karakter van precisiemedicatie heeft. Met name de razendsnelle ontwikkelingen in de genetica en de immunologie maken het mogelijk de aard van de kanker steeds preciezer en individueler vast te stellen – en te bestrijden. Vaak betekent dat hoge kosten, een per definitie kleine groep baathebbenden en heel wisselende effectiviteit in termen van genezing of maanden levensverlenging; precies hetzelfde beeld als we zagen in de discussie over pompe en fabry.

Diepe bureaulade
Van der Hoeven zag hoe moeilijk de politiek het vond met de voorliggende dilemma’s om te gaan en gaf aan dat het bij ontbreken van een duidelijk normen- en afwegingskader mogelijk wordt dat per ziekenhuis, of zelfs per spreekkamer bepaald gaat worden of een patiënt wel of niet een duur geneesmiddel krijgt; een beslissing die op niet te controleren wijze – en mogelijk op basis van financiële overwegingen – kan worden genomen. Om die reden pleiten hij en het KWF voor een maatschappelijke en politieke discussie over wat een extra gezond levensjaar mag kosten.

Toen de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg in 2007 met zijn advies kwam, was ik minister. Samen met mijn collega Klink wisten we niet hoe snel het rapport een diepe bureaulade in moest; welke politicus durft zijn vingers te branden aan de waarde van een mensenleven? Hoe begrijpelijk ook, dat was – laat ik voor mezelf spreken – kortzichtig en onverstandig.

Ik zou in ieder geval als argument willen meegeven dat het ontbreken van onmiddellijke financiële urgentie de beste reden is om de norm nu te introduceren
Met het pleidooi van Van der Hoeven dient zich nu een herkansing aan. Ik ben benieuwd hoe minister Schippers de handschoen oppakt. De signalen zijn gemengd. In een eerste reactie leek ze de urgentie te ontkennen: we kregen de kosten van de zorg immers juist beter in de hand en zouden de nieuwe dure medicatie voorlopig nog prima kunnen betalen. In haar formele reactie aan de Tweede Kamer blijkt dat ze toch juist over dit punt nader advies zal vragen; de deur staat wellicht dus toch op een kier.

Ik zou in ieder geval als argument willen meegeven dat het ontbreken van onmiddellijke financiële urgentie de beste reden is om de norm nu te introduceren. Als we er mee wachten tot het moment dat hij meteen gebruikt moet worden, zal de discussie meteen polariseren.

Het instrument, de norm, zal dan niet meer op zijn intrinsieke waarde beoordeeld worden maar meteen op zijn concrete consequenties: wat wordt er wel en wat wordt er niet vergoed. Maar bij introductie ver voor dat moment wordt de discussie over de introductie niet belast door de onmiddellijke consequenties; die zijn er namelijk niet. En tegen de tijd dat ze er wel zijn, hebben we al veel met de norm gewerkt en zijn we er wellicht al aan gewend.

Geen tijd te verliezen dus.

 

Insecten en vogels verdwijnen door gif

Het landbouwgif, dat zit in gewassen van kool en andijvie tot bloembol en aardappel, lijkt verantwoordelijk voor wat veel experts omschrijven als een ‘instorting’ van de insectenwereld in Europa. Nederlandse biologen hebben nu voor het eerst tastbaar bewijs gevonden dat ook insecten etende vogels zoals de spreeuw en de boerenzwaluw in hoog tempo verdwijnen op plekken waar het gif wordt gebruikt.

‘We kunnen er niet meer omheen dat dit gif invloed heeft op de natuurlijke leefomgeving, op een manier die we niet eerder hebben gezien’, zegt hoogleraar Hans de Kroon van de Radboud Universiteit. ‘Dit is zeer schrikbarend’, aldus bioloog Ruud Foppen van Sovon Vogelonderzoek Nederland. ‘Er is hier gewoon iets aan onze aandacht ontsnapt.’

De nieuwe cijfers komen nog geen drie maanden nadat staatssecretaris Sharon Dijksma van Economische Zaken een motie van de Tweede Kamer naast zich neerlegde om de neonicotinoïden te verbieden
Ook de Wageningse hoogleraar Paul van den Brink, die onlangs nog veel kritiek had op de opzet van een studie die de schade van neonicotinoïden zou aantonen, is onder de indruk. ‘Er is hier echt iets aan de hand. Eerlijk gezegd denk ik dat het net zich een beetje aan het sluiten is om in elk geval imidacloprid, de meest gebruikte neonicotinoïde.’

De nieuwe cijfers komen nog geen drie maanden nadat staatssecretaris Sharon Dijksma van Economische Zaken een motie van de Tweede Kamer naast zich neerlegde om de neonicotinoïden te verbieden. Er zou nog te weinig wetenschappelijk bewijs zijn dat de insecticiden schade toebrengen aan soorten waartegen ze niet zijn bedoeld, aldus Dijksma.

Bewijs
Dat bewijs is er nu wel: in het internationale vakblad Nature laten De Kroon en collega’s zien dat het aantal insectenetende vogels in Nederland veel sneller afneemt op plekken waar meer imidacloprid in het water zit. ‘Sterk bewijs’ dat ‘het debat over de bijen het grotere plaatje heeft gemist’, schrijft de niet bij de studie betrokken Britse hoogleraar ecologie Dave Goulson in een begeleidend commentaar.
100714 © de Volkskrant – wm. Bron: Nature
Voor hun onderzoek vergeleken Nijmeegse onderzoekers zeven jaar Nederlandse vogelwaarnemingen met meetgegevens over de hoeveelheid imidacloprid in slootjes en andere wateren. Er bleek een duidelijk verband tussen de hoeveelheid gif en de afname van het aantal insecten etende vogels. Waar 20 nanogram imidacloprid in het water zat – een hoeveelheid die op veel plaatsen wordt overschreden – daalde de vogelstand met gemiddeld 3,5 procent per jaar. Onder de getroffen vogels bevinden zich naast de spreeuw en de boerenzwaluw soorten als de grote lijster, de veldleeuwerik, de ringmus, de geelgors en de gele kwikstaart.

In een reactie laat Vogelbescherming Nederland weten ‘geschokt’ te zijn en te pleiten voor een onmiddellijk verbod op imidacloprid
Een ‘sluipende afname’, zegt onderzoeker Foppen. ‘De vogels vallen niet dood neer; de meest aannemelijke verklaring is dat ze niet genoeg voer hebben, in de vorm van mugjes en andere kleine insectjes. Dus zie je de vogelpopulaties overal waar dit gif wordt gebruikt achteruit kachelen.’ Denkbaar is ook dat de vogels lijden onder het eten van vergiftigde insecten of zaad.

In een reactie laat Vogelbescherming Nederland weten ‘geschokt’ te zijn en te pleiten voor een onmiddellijk verbod op imidacloprid. ‘Vogels op het boerenland hebben het al moeilijk: sinds de jaren zestig van de vorige eeuw is het aantal met 60 procent afgenomen. En nu blijkt die achteruitgang in gebieden waar hoge concentraties imidacloprid worden aangetroffen nóg groter.’

Grote nevenschade
Het Nijmeegse Nature-artikel maakt deel uit van een tsunami van studies die de afgelopen weken rondom de neonicotinoïden op gang is gekomen. Zo brengt een internationale ‘task force’ van vogel- en insectenwetenschappers net deze maanden een reeks papers uit die in totaal ruim 800 wetenschappelijke onderzoeken naar neonicotinoïden samenvatten. Conclusie: haast overal waar ze worden gebruikt, zitten de insecticiden in een grote hoeveelheid in het milieu en zijn er sterke aanwijzingen voor nevenschade aan allerlei soorten insecten, waterdiertjes en bodemorganismen.

Er kunnen grote verschillen bestaan tussen de verschillende neonicotinoïden, tekent Van den Brink daarbij aan. ‘Maar ook wij vinden in het lab dat sommige insectenlarven gewoon ontzettend gevoelig zijn voor deze stoffen. Als wetenschapper zeg ik: er is zoveel aan de hand met die neonicotinoïden; misschien moeten we er even mee stoppen, zodat we rustig een goede herevaluatie kunnen doen.’

Het middel is zo dodelijk dat er maar weinig van nodig is
Jo Ottenheim van de brancheorganisatie voor de gewasbeschermingsmiddelenindustrie Nefyto is minder onder de indruk. Hij wijst erop dat het verband dat de vogelstudie laat zien nog niet automatisch betekent dat er een oorzakelijk verband is. ‘Als er nieuwe feiten zijn, zal dat opnieuw in de markttoelating voor het product betrokken worden. Ik verwacht dat dat nu ook zal gebeuren. Dan moet blijken of er consequenties zijn.’

Neonicotinoïden werden eind jaren negentig binnengehaald als wondermiddel tegen onder meer bladluis. Het middel is zo dodelijk dat er maar weinig van nodig is; het is relatief onschadelijk voor mensen en het is ‘systemisch’: het wordt opgenomen door de zaailing, die dan giftig wordt voor insecten die ervan eten.

Stervende bijenvolkeren
Keerzijde is echter dat neonicotinoïden langzaam afbreken, dat ze ook in de bloemen en het nectar belanden en insecten zenuwschade toebrengen die zich langzaam ophoopt. Al in de jaren negentig sloegen bijenexperts daarom alarm: het insectengif zou bijenkolonies verzwakken en ten minste gedeeltelijk bijdragen aan de geheimzinnige sterfte onder bijenvolkeren.

Vorig jaar besloot Brussel daarom tot een moratorium op drie van de vijf bekendste neonicotinoïden. Dat tijdelijke verbod is echter afgestemd op de bijen; 85 procent van de neonicotinoïden in ons land is nog gewoon toegestaan.

Het doet veel wetenschappers denken aan de DDT-gifcrisis uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Dat was een heel ander soort gif, beklemtoont De Kroon. ‘Maar een pesticide dat een soort lawine-effect lijkt te hebben, dat lijkt sterk op wat we in het verleden hebben meegemaakt met DDT. Als we niet snel iets doen, kan het effect van neonicotinoïden hetzelfde zijn: dat de hele voedselketen wordt aangetast.’

In cijfers: neonicotinoïden
– Er zijn 8 neonicotinoïden, waarvan 5 breed verkrijgbaar: imidacloprid, thiamethoxam, clothianidine, acetamiprid en thiacloprid. Het nauw verwante insecticide fipronil wordt vaak ook meegerekend. Het gif verstoort bij insecten de communicatie tussen de hersencellen.
– In Nederland zijn 44 producten gebaseerd op neonicotinoïden toegelaten, in Europa meer dan 200.
– Naar schatting wordt jaarlijks 13.000 kilogram imidacloprid, 5.000 kilogram thiamethoxam en 1.500 kilogram clothianidine gebruikt i Nederland.

Eye candy

Ben je boodschappen aan het doen, zit je opeens in een vreemde film.

In Filmmuseum EYE is nu een tentoonstelling van filmmaker David Cronenberg te zien, die speelt met waan en werkelijkheid. In de Amsterdamse Kalverstraat doen ze dat ook, in een winkeltje met exotische kazen en kunstig gebak. Spannend, zo’n combinatie tussen hartig en zoet, dus ik stap naar binnen. Krijtborden met prijzen per ons. Kruidige geuren, bloemig bijna. Zo hoort het, vers en zelfgemaakt. Ik twijfel tussen een blauw geaderd kaasje en een spekkoekachtig taartje met drie rode kersen. Het lijkt op de juwelen van mijn favoriete Franse banketbakker in Cluny. In mijn ooghoek zie ik een proefbakje met hummus. Je mag me altijd wakker maken voor goede hummus, dus ik dip er gretig een houten stokje in. Net voor ik een hap neem, pakt een Schotse jongen met rode baard ferm mijn arm beet. ‘You can’t eat that sir’, zegt hij verstoord. ‘It’s body cream.’

Spoiler alert: Lush is geen traiteur, maar de Bodyshop on Acid.

Een stapel gekleurde macarons: zeep? Badbal? Een schuurding tegen eelt op je voeten? Nee. ‘It’s shampoo’
Lush heeft schijt aan genreconventies. Shampoo in een fles, scheerschuim in een spuitbus en een roller voor je oksels? Niks daarvan. Slaapwandelend winkelen is onmogelijk. De helft van de producten is niet verpakt. Brokken geaderde kaas, aangesneden taarten van lavendel. Een stapel gekleurde macarons: zeep? Badbal? Een schuurding tegen eelt op je voeten? Nee. ‘It’s shampoo’, legt een Brits bonbonnetje me uit. Je haar wassen met een blauwe puim­steen? ‘It looks like a stone until you wet it.’
Een potje met geheimzinnig groengrijs poeder dat ruikt naar salie, tijm en rozemarijn, is voor onder de oksels of tussen de tenen. Overal zitten stickers op met gestileerde portretjes. Gemaakt door Gintas op 07/05/14 (B01) gebruik voor 07/05/17. Normaal werkt zoiets op mijn lachspieren, maar hier kan ik niet geloven dat het niet echt is. Alweer dat unheimische Cronenberg-gevoel; ik krijg maar geen vat op de werkelijkheid bij Lush. En dan dat logo van ze. Lompe pers­pectiefletters, die zo op een pak Pools waspoeder hadden gekund. Maar alles wel weer op een zwarte achtergrond geknald. Niks cosmetisch, niet bijster natuurlijk, en al helemaal niet mooi. Enorm baldadig is het: wij doen lekker niet mee met de rest. Dat geldt ook voor de prijzen. Aan de kassa blijken die drie itempjes samen een paar ribben uit je lijf. Hoe bizar en duur ook, Lush spreekt niet alleen hipsters aan. Brugklassers kopen er een ­cadeautje voor oma. Om zich thuis te vergapen aan de Lush-brochure, vol vlotte verhalen over het hoe en waarom van al hun eye candy. Diervriendelijk, ­natuurlijk en prettig gestoord.

Nooit gedacht dat ik verslaafd zou raken aan arthouse­cosmetica: Existenz, Videodrome en Dead Ringers voor in de badkamer
Maanden later sta ik nog onder de douche met de blauwe macaron, die het eeuwige leven schijnt te hebben. Het puimstenerige is getransformeerd in drilpudding. The Blob leeft voort in mijn douche. Eerst op een schoteltje, nu in een afsluitbare pot, zodat-ie niet weg kan lopen. Cronenberg-horror of een verantwoorde, organische transformatie? Maakt mij niet uit: het ruikt onverminderd lekker en mijn onwillige haar wordt er effectief door getemd. Nooit gedacht dat ik verslaafd zou raken aan arthouse­cosmetica: Existenz, Videodrome en Dead Ringers voor in de badkamer.

Kracht van kwetsbaarheid

Monica Heikoop

 

In vervolg op de impressie van het boek “De moed van imperfectie” door dezelfde schrijfster wil ik jullie mijn impressie van “De kracht van kwetsbaarheid” niet onthouden. Want het tonen van kwetsbaarheid of zoals je wilt, het kwetsbaar opstellen heeft mij altijd geboeid. Althans daar ben ik me steeds meer bewust van geworden. Voor mijn gevoel heb ik mij altijd kwetsbaar opgesteld, in die zin dat ik ben wie ik ben en wat je ziet is wat je krijgt. Het boek heeft mij echter veel meer inzicht gegeven in waarom ik ben wie ik ben en waarom ik doe wat ik doe. Ik kan je zeggen, het was soms onverwacht confronterend, het heeft veel inzicht gegeven in mijzelf. Daarnaast heb ik gelezen over mechanismen om je niet kwetsbaar op te stellen en waarom mensen dat doen. En natuurlijk hoe je hier mee om kunt gaan, hoe je mensen kunt helpen, zonder dat je de aap op de schouder over neemt.

Wat mij vooral getroffen heeft, is de openheid waarover Brené geschreven heeft als het gaat om haar eigen worsteling, schuld en schaamtegevoelens en hoe zij haar weg hierin gevonden heeft. Ik besef mij (opnieuw) dat dit allemaal wat zweverig klinkt. En toch is het geen zweverig boek. Integendeel, het is heel praktisch, herkenbaar en toepasbaar in het dagelijks leven. En daarom ook zeker de moeite waard om te lezen.

In deze blog wil ik het hoofdstuk 6: Ontwrichtende betrokkenheid: de moed om onderwijs en werk weer menselijk te maken, eruit lichten. Dit omdat deze blog over onderwijs (vernieuwing) gaat. Dit laat onverlet dat de andere onderwerpen zeker de moeite waard zijn. Met name het hoofdstuk over wapenen tegen kwetsbaarheid is zeer confronterend en verhelderend. In dit hoofdstuk worden schild en kracht na elkaar benoemd. Bijvoorbeeld: het schild Perfectionisme en de kracht van kwetsbaarheid Accepteer jezelf zoals je bent.

Het belangrijkste positieve punt uit het hoofdstuk over onderwijs en werk is het feit dat goede constructieve feedback wordt gezien als de manier om de waardekloof te overbruggen. De waardekloof ontstaat door schaamte, schuld en angst en daardoor verliest een organisatie zijn bezielde cultuur. En die bezielde cultuur is nodig voor rust en ruimte wat weer tot creativiteit en innovatie kan leiden. Zonder feedback zijn verandering en groei onmogelijk (p. 195)

Vaak weten mensen niet hoe ze feedback moeten geven (en ontvangen) en wordt feedback gezien als “een moeilijk en ongemakkelijk gesprek”. En dat heeft weer te maken met de angst om je kwetsbaar op te stellen. Als je dat dus durft, dan verloopt het feedbackproces beter en wordt er gestreefd naar een bezielde cultuur. Op p. 201 wordt een checklist voor betrokken feedback gegeven. Ik probeer dat in de praktijk te brengen in mijn werk met studenten en collega’s, maar ook in andere situaties. En dat is niet altijd even makkelijk. Want ook ik heb een wapenuitrusting om mijn kwetsbaarheid af te schermen . Dat was het confronterende deel van het lezen van dit boek.

Kwetsbaar opstellen of kwetsbaarheid tonen is niet hetzelfde als je hele ziel en zaligheid voor iedereen op tafel leggen. Ik ben nu bezig te ontdekken waar mijn wapenuitrusting uit bestaat en hoe ik die af kan leggen. En daarbij ook de wapenuitrusting bij anderen te herkennen en die de respecteren en accepteren, maar dan wel beter in staat ben om die ander misschien te helpen.

Misschien belicht ik in een volgende blog nog wel één of meerdere van die benoemde mechanismen, omdat dit voor anderen zeker herkenbaar is. Ondertussen zie ik in allerlei blogs en trainingen de groeiende belangstelling voor de kracht van kwetsbaarheid in diverse situaties. Dus wie weet wat dit betekent voor het omgaan met elkaar in deze maatschappij.

 

Ben benieuwd naar je reactie!

 

– wordt vervolgd –

 

 

 

Share this:
TwitterFacebook1LinkedIn

Posted in Literatuur samengevat and tagged Brené Brown, kracht van kwetsbaarheid | Een reactie plaatsen