Ik wil het antiek van morgen maken

INTERVIEW Hella Jongerius werd door lifestylemagazine Wallpaper uitgeroepen tot op één na invloedrijkste ontwerper ter wereld.
Ze is net uitgeroepen tot op één na invloedrijkste en ‘most wanted’ designer ter wereld door designblad Wallpaper, na Jonathan Ive van Apple en vóór Philippe Starck (op nummer 25) en Marcel Wanders (55). Hella Jongerius kreeg een telefoontje van haar galeriehouder met het goede nieuws.

Hoe reageerde je?
‘Há. Ik zei: second best.’

Je had op één willen staan.
‘Dat zou helemaal wat wezen, hè? Maar ik vind dit een heel mooie plaats en ik voel me zeer vereerd. Tegelijkertijd neem ik het ook met een korrel zout. We moeten maar eens afwachten wat het betekent.’

De eerstvolgende vrouw staat op nummer 15 in de top-100 en in totaal staan er maar een stuk of tien vrouwen in. Waar komt dat toch door?
‘Daar kun je een avond lang een boom over op zetten en dan nog kom ik er niet uit. Ik kom veel goede vrouwen achter de schermen tegen, gelukkig, maar te weinig zichtbaar aan de top. Over het algemeen ben ik erg vóór quota’ – ze lacht – ‘maar voor ontwerpers lijkt me dat niet zo’n goed idee.’
Foto Markus Jans
Waarom is het jou wél gelukt en zo veel andere vrouwen niet?
Hella Jongerius blijft lang stil. ‘Ik weet het niet. Ik weet het echt niet. Zet één extra stap, denk ik wel eens, dan kom je er wél.’

Als het niet seksistisch zou klinken – want waarom zou een vrouw onderdoen voor een man? – dan zou je Hella Jongerius (51) een kerel kunnen noemen. Niet om haar uiterlijk: ze draagt een sobere, blauwe spijkerjurk en platte sandalen op de dag van het interview in Berlijn, de nagels oudroze gelakt, het donkere haar half lang en grijzend. Nee, om haar attitude. Ze twijfelt nooit. Ze neemt graag risico’s. Ze is recht voor z’n raap. Ze is bijzonder goed in wat ze doet en ze zégt het – Hella Jongerius is er een perfect voorbeeld van dat vrouwen vaker hun ambities uit zouden moeten spreken om verder te komen in hun carrière. ‘Bedrijven zouden me ook als visionair kunnen inhuren’, zei ze al in 2001 in een interview, en: ‘Ik loop altijd voor de fanfare uit.’ Let wel: ze had toen al best wat museumstukken op haar naam, maar zo gek was dat niet, alles met het stempel Dutch design erop werd omarmd door conservatoren van designmusea. Maar ze had nog niet de IKEA-vaas (2005) ontworpen, waarvan er wereldwijd ‘o, misschien wel honderdduizenden’ zijn verkocht. Nog niet de Polderbank (ook 2005) en de East River Chair (nieuw) voor meubelfabrikant Vitra – waar ze nu artdirector is, overigens, en dus inderdaad bezoldigd visionair. Ook was er nog geen grote overzichtstentoonstelling van haar werk geweest in museum Boijmans Van Beuningen (2010), waarmee in een klap duidelijk werd dat ze in internationale naam en faam niet onderdoet voor collega’s als Marcel Wanders en Job Smeets – ontwerpers die er niet wars van zijn zichzelf op de borst te trommelen als het pr-gewijs zo uitkomt. Jongerius blaast haar partijtje mee. ‘Ik ben een vrouw met twee extra ballen’, zei ze eens.

‘De Dutch-designwereld vond ik verstikkend’
En daar gedraagt ze zich ook naar. Toen alles in haar leven té gladjes dreigde te verlopen – ze had een succesvolle ontwerpstudio in Rotterdam, dochters Hamer (nu 11) en Griet (nu 9) zaten in de buurt op school en crèche en man Lucas Verweij had een dijk van een baan als directeur van de Academie van Bouwkunst – gooide ze het roer om. Vijf jaar geleden verhuisde ze met haar gezin naar Berlijn om er helemaal opnieuw te beginnen. Zonder vast personeel, zonder vaste opdrachtgevers, zonder vrienden daar nog, teruggeworpen op zichzelf. Ze vond een werkruimte aan zo’n typisch Berlijnse binnenplaats en ging weer doen waar ze jaren te weinig aan toe was gekomen: dingen maken, in haar eentje, met haar handen in het materiaal.

Was je niet bang je succesvolle bedrijf om zeep te helpen?
Jongerius gnuift. ‘Néé. Waar moet je nou bang voor zijn? Ik bén het succesvolle bedrijf. En mezelf had ik meegenomen.’

Het was een complete emigratie: de kinderen naar Duitse scholen, je man zegde zijn baan op.
‘Het bevalt heel goed. Berlijn is voor de kinderen veel prettiger om op te groeien dan Rotterdam, veel meer een gezinsstad. Groener, vriendelijker, je zorgt voor elkaars kinderen. De mensen letten hier nog op elkaar.’ Lacht: ‘Dat deden ze ook in de DDR, ja, en daar plukken we nu de vruchten van. Soms is het vervelend als iemand je naroept dat je het verkeerde kinderzitje op je fiets hebt, maar over het algemeen is die sociale controle fijn. Je ziet hier bijvoorbeeld veel meer kinderen alleen in het openbaar vervoer dan in Nederland. En het is hier niet zo vol.’

‘Er hangt zo’n relaxed newagesfeertje over Berlijn; op elke straathoek kun je yoga doen’
‘Wat ook fijn is: er is hier geen design. Er zijn wel mensen die spulletjes maken, maar er is geen professioneel discours. De Dutch-designwereld vond ik verstikkend. Niet dat ik voortdurend naar openingen moest, maar je maakt wel deel uit van die industrie. Hier speelt dat niet. Het gaat hier niet over geld. Er hangt zo’n relaxed newagesfeertje over de stad; op elke straathoek kun je yoga doen. Ik hoef nooit te reserveren voor een restaurant, er is altijd plek. Ik lunch elke dag buiten de deur, de kinderen eten warm op school. En ’s avonds eten we avondbrood, zoals iedereen hier. Ik hoef nooit te koken.’

Dat komt goed uit, want Jongerius’ carrière nam in Berlijn een hogere vlucht dan ooit in Nederland. Ze zat er nog geen jaar of er belden prestigieuze opdrachtgevers: KLM, tapijtproducent Danskina, het ministerie van Buitenlandse Zaken voor de herinrichting van het VN-gebouw in New York. ‘Ik had nooit op dat effect gerekend, maar je bent blijkbaar toch exotischer als je in het buitenland zit.’ Aan alles is te merken dat Jongerius het ‘in-haar-eentje-lekker-prutsen-met-het-materiaal’-stadium al weer vér voorbij is. Ze heeft een persoonlijk assistent die thee brengt en haar tijd bewaakt en als ze een rondleiding geeft door het pand in het stadsdeel Mitte, waar zij en haar inmiddels al weer vijf werknemers huizen, springen stellingkasten vol kratten met ‘KLM’ en ‘Vitra’ erop in het oog. Ergens boven hangt een variant op het kralengordijn dat ze voor de Delegates Lounge van het VN-gebouw ontwierp; daar moest raambedekking komen die binnenkijken verhinderde, maar wel daglicht doorliet. ‘We willen nu kijken hoe we dat gordijn verder kunnen ontwikkelen. Ik zit het niet zelf te knopen, nee, natuurlijk niet.’ Grinnikt: ‘Ik ben niet de uitvoerder hier.’ Volgende week zit ze zes dagen in Los Angeles, in een gemiddelde week is ze minimaal twee dagen op reis voor haar werk. Man Lucas – die onder meer debatten leidt over design – zorgt dan voor de dochters. ‘Hij heeft meer ingeleverd dan ik met de verhuizing, maar het is niet zo dat hij zijn carrière heeft opgegeven. Hij heeft hem op een andere manier voortgezet. Zo’n bedrijf als dit doe je samen.’ Over heel de wereld vergadert ze met opdrachtgevers, ze overlegt voortdurend met haar twee vaste medewerkers in Nederland, Arian Brekveld en Edith van Berkel. ‘Maar ik zet elke week kruisen in mijn agenda. Als ik niet minstens twee ochtenden alleen kan werken, word ik ongelukkig.’

Jongerius werd beroemd om haar voorliefde voor ambachtelijkheid en imperfectie; haar expres te heet gebakken en daardoor vervormde B-servies is er een mooi voorbeeld van. Ze maakte ook vazen van glas en porselein, ogenschijnlijk slordig aan elkaar geplakt met stukken tape waarop ‘breekbaar’ staat. Haar Polderbank voorzag ze van verschillende kleuren stof en tweedehandsknopen, alsof-ie al geleefd heeft vanaf het begin. Alles wat ze ontwerpt draagt sporen van de maker; toen haar IKEA-vaas al te glad dreigde te worden, toog ze naar de fabriek China om in te grijpen. Aan de arbeiders daar deed ze voor hoe ze de putjes in het keramiek wilde hebben: onregelmatig (al zat die onregelmatigheid gegoten in een mal). Jongerius wijst op haar mond en zegt: ‘Iets vooruit stekende tanden zijn toch ook leuk? Wat afwijkt, dat blijft hangen. Perfectie vind ik saai.’
Grote lijnen
Met spulletjes en vaasjes houdt Jongerius zich overigens de laatste jaren minder en minder bezig; als consultant en artdirector van grote bedrijven doet ze aan innovatie en advies. Voor Vitra ontwikkelde ze een nieuw kleurenpalet – ‘géén Hella Jongerius-verflijn’, maar een kwaliteitsslag, zegt ze, ten bate van de hele industrie. Zo onderzoekt ze hoe kleur op daglicht reageert, want waarom zou je, zoals nu het geval is, willen dat een kleur de hele dag hetzelfde oogt? Ze verdiepte zich in oudere verfrecepten om de intense, ‘gelaagdere’ – ‘gelaagd’ is een woord dat ze graag gebruikt – kleuren terug te brengen die bij producenten zijn verdwenen. Daar wordt rood nu met standaard-zwart gemengd om het donkerder te maken, terwijl het zo veel mooier wordt met bijvoorbeeld donkergroen. Ook voor de KLM wil ze die kwaliteitsslag maken, met mooiere bekledingstoffen, minder plastic in de stoelen, maar aluminium en echt leer. Waar Marcel Wanders en Viktor & Rolf door KLM werden ingezet voor een nieuw bestek en een toilettasje, buigt Jongerius zich over de complete aanpak van het vliegtuiginterieur. Dat doet ze liever, zegt ze: nieuwe materialen ontwikkelen – in de interieurstof die ze voor de vliegtuigen liet weven zitten oude stewardessenuniforms verwerkt – grote lijnen uitzetten. De designindustrie veranderen, van binnenuit. Uit een interview in 2010: ‘Zitten we met z’n allen wel te wachten op nog meer nieuwe spullen? Al die pogingen om de zoveelste nieuwe stoel te maken… Vanaf dag één heb ik daar al moeite mee.’

Toch werd tijdens de laatste meubelbeurs in Milaan met tromgeroffel je nieuwe stoel gepresenteerd, de East River Chair. Principes overboord gegooid?
Jongerius lacht goedgehumeurd, begint over de Delegates Lounge van het Verenigde Naties-gebouw, waarvoor ze een loungestoel zocht die makkelijk verplaatsbaar is. ‘Er wordt daar namelijk in steeds wisselende groepjes bij elkaar gezeten.’ De ultieme stoel kon ze niet vinden, dus toen heeft ze hem zelf maar bedacht, een vergaderstoel op wielen, ze moest hem wel ontwerpen omdat-ie er niet wás. De East River Chair is de consumentenvariant. Zonder wielen, want dat werd te duur, maar, zegt ze tevreden: ‘Ik vind dit eigenlijk ook weer een heel goed ding.’
Foto Markus Jans
Je twijfelt nooit, zeg je. Heb je dat altijd gehad of komt dat met de jaren, gevoed door het succes?
‘Dat is altijd zo geweest. Niet dat ik zo overtuigd ben van mezelf, maar ik ben een praktisch mens: ik neem een beslissing en dan kunnen we dóór. En natuurlijk, doordat ik met de jaren heb gemerkt dat wat ik bedenk vaak staat voor wat een grote groep ook vindt, durf je makkelijker nieuwe wegen in te slaan. Omdat het wordt opgepikt. Nu is dat hele verhaal over ambachtelijkheid en imperfectie één grote marketingtruc van veel bedrijven. Twee jaar na mijn B-servies kwam Villeroy & Boch ook opeens met een onvolmaakt servies. Maar ik ben er al mee bezig vanaf het begin.’

Met de KLM-opdracht is 300 miljoen euro gemoeid. Eng?
‘Nee, ik doe gewoon mijn werk goed. En ik doe het niet alleen. Volgende week is er een bijeenkomst bij de fabrikant van de vliegtuigstoel aan de oostkust van Amerika, daar zitten we met 28 experts. Gaat het over het leeslampje, dan stapt de expert van het leeslampje naar voren; is het klaptafeltje aan de beurt dan staan er weer twee andere mannen op. Ik ben het klankbord als designer. Het is echt niet zo dat ik daar die 300 miljoen in de verkeerde richting kan duwen.’

‘Lelijkheid geeft ademruimte, het kan heel bevrijdend zijn’
Hella Jongerius groeide op in een praktisch, nuchter tuindersgezin in De Meern, nabij Utrecht. Ze heeft drie broers, die, net als zij en als hun vader, alle drie ondernemer zijn geworden. Ze breide, macrameede en haakte – ‘alle dingen die je in de jaren zeventig deed’ – maar een bijzonder oog voor vormgeving had ze niet als kind. ‘Ik richtte mijn kamer in met leuke spulletjes. Maar dat doen alle meisjes.’ In een museum kwam ze nooit met haar ouders en dat er een Akademie voor Industriële Vormgeving bestond, zoals de Design Academy Eindhoven toen heette, kwam ze pas achter toen ze al een opleiding voor ergotherapeut had afgerond. Eenmaal werkend met gehandicapten, wist ze al snel: dit is niets voor mij. ‘Ik ben al sowieso geen type om onder een baas te werken.’ Op haar 25ste begon ze alsnog op de academie. Ze studeerde af met een serie rubberen vazen en wasbakken. Die zetten haar meteen op de kaart vanwege haar hoogstpersoonlijke, onderscheidende handschrift. ‘Ik wil het antiek van morgen maken’, zei ze. ‘Dierbare spullen, die je niet snel meer wegdoet. Die als erfenis naar je kinderen gaan.’

Welke dingen uit je jeugd zijn dat voor jou? Wat zou je willen erven?
Ze denkt na, gaat in gedachten de huiskamer van haar ouders rond. ‘De schilderijen. Er hangt een boerenlandschap dat niet van grote waarde is, maar dat ik als kind altijd heb gezien. Het suikerpotje. Dat soort dingen. Ik heb een Tupperware-maatbeker van mijn moeder waarin altijd haar appeltaartdeeg stond te rijzen. Ze wilde hem wegdoen, maar nu staat hij bij mij.’

Zijn die dingen mooi? Of gewoon: vertrouwd?
‘Ik denk beide. Schoonheid is een deel van de communicatie tussen mens en product. En wat is dan schoonheid? Dat is heel moeilijk, maar voor mij heeft het er altijd mee te maken dat een product zuurstof houdt. Dat het geen dichtgeslibd ding is, maar dat de gebruiker er zichzelf in kan lezen. Er zelf betekenis aan toe kan voegen; het onaffe van een product vind ik altijd heel goed.’

Zit dat allemaal in die maatbeker van Tupperware?
‘Dat is best een lelijk ding.’
Jongerius’ atelier in Berlijn. Foto Markus Jans
Haalt dat je hele pleidooi niet onderuit?
‘Nee, want lelijkheid vind ik interessant. Lelijkheid geeft ademruimte, het kan heel bevrijdend zijn. Het geeft een extra laag aan de dingen waarin je jezelf kunt verliezen.’ Meteen daaropvolgend: ‘Dat is de richting die we uit moeten. Iedereen wil altijd maar nieuw, nieuw, nieuw en zodra we het hebben, verlangen we alweer naar het volgende, want de leegte raakt maar niet gevuld. Maar er zijn dingen, zoals kunst, die meerdere lagen in zich dragen. Die doe je niet weg. Dat is mijn zoektocht: dingen ontwerpen die alle opties openhouden, zodat je er niet op uitgekeken raakt.’

Nog even over die Tupperware-beker: die is anoniem. Nu staat overal een naam op. Dat colaflesje is van Karl Lagerfeld, die pan van Jamie Oliver. Wat vind je van die trend?
‘Ach, dat is allemaal marketing. 60 procent van ons vak is heel slimme marketing die inspeelt op de onzekerheid van de consument. Mensen durven niet zelf te kiezen uit een reeks anonieme producten, want stel je voor dat je het verkeerd doet. Dus er moet er een naam op staan. Wat ik daarvan vind? Ik vaar er ook wél bij; ik weet maar al te goed dat grote bedrijven als KLM, IKEA en Vitra mij vragen om mijn naam. Maar daar staat altijd een reële opdracht tegenover en een lange samenwerking. Anders neem ik de klus niet aan. Ik leen er mijn naam niet voor om ergens een Hella Jongerius-sausje overheen te gooien.’

Krijg je zulke verzoeken vaak?
‘Elke week. Of mijn naam op een kofferlijn kan of op een auto, weet ik veel waar ze me voor vragen. Ik hoef alleen maar een tekening in te leveren of een keer langs te gaan in de fabriek. Soms is het hele product al klaar en hoef ik alleen mijn handtekening maar te zetten. Dat doe ik nooit. Ja, ik laat schepen met geld voorbij gaan, maar ik vind dat consumenten als debielen worden behandeld en ik doe daar niet aan mee.’
Jongerius’ atelier in Berlijn. Foto Markus Jans
Als je zelf een nieuwe pollepel nodig hebt of een wc-rolhouder, let je dan op het design?
‘Ik let er wel op, maar als in de winkel sta koop ik gewoon de houder die beste rolt. Ik maak er geen dagtaak van, daar heb ik helemaal geen tijd voor. Mijn huis is verre van perfect.’

Wat is er echt lelijk in je huis?
‘O, zo veel. Driekwart van alle spullen, ha. Maar ik ben heel tevreden.’

In de mode zie je een tegenreactie: normcore, een soort anti-mode. Gaat dat in jouw vak ook gebeuren, worden we design-moe?
‘Dat zou best kunnen, ja. Ik zie een groot verschil tussen Nederland en Duitsland: in Nederland is álles ontworpen, om de vijf jaar staat er een nieuwe brievenbus. De lelijkheid van Berlijn vind ik een verademing als ik thuiskom.’ Ze lacht: ‘Wat mij betreft wordt er zo min mogelijk ontworpen. Alleen het hoogstnodige.’

Je bekritiseert het systeem van nieuw, nieuw, nieuw, maar het is vast wel de bedoeling dat je nieuwe stoel een verkoophit wordt.
‘Natuurlijk. Als een ontwerp niet goed verkoopt, heb ik mijn werk niet goed gedaan.

‘Dat klinkt inconsequent misschien, maar die vrijheid gun ik mezelf. Je moet ook meedoen om dingen te veranderen, aan de zijlijn lukt dat niet. Natuurlijk, je kunt je afvragen waarom er wéér een nieuwe stoel moet komen. Tja, dat is dan toch de lol in mijn vak. Ik vind spullen maken… leuk. Je kunt zeggen: jij spreekt jezelf lekker tegen. Ja, dat doe ik. En dat vind ik ook fijn. Ik vind het erg leuk om niet altijd het braafste meisje van de klas te zijn.’

CV
Hella Jongerius
30 mei 1963 Geboren in De Meern.
Opleiding
1988 – 1993 Design Academy Eindhoven
werk (selectie)
1993 Start designstudio Jongerius Lab.
1994 Serie Soft Vases voor Droog Design.
1998 B-servies voor Tichelaar, Makkum.
1999 Stoelen voor Cappelini, Milaan.
2001 Kroonluchter van kristal en rubber voor Swarovski.
2002 Repeat meubelstof voor Maharam, New York.
2004 Porselein voor Nymphenburg, München.
2005 PS Jonsberg vazen voor IKEA.
2005 Polderbank voor Vitra.
2007 Blossom-lampen voor Belux.
2009 Frog table voor galerie Kreo, Parijs.
2011 Herinrichting Delegates Lounge VN-gebouw, New York.
2012 Design vliegtuiginterieurs KLM business class.
2014 East River Chair voor Vitra.
2000 – 2004 Hoofddocent aan de Design Academy Eindhoven.
2008 – heden Artdirector van Vitra.
2014 – heden Artdirector van Artek.
Werk opgenomen in de collecties van het MoMa, het Design Museum in Londen, het Cooper Hewitt Design Museum in New York, in 2010 overzichtstentoonstelling in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam
Hella Jongerius is getrouwd met Lucas Verweij, ze hebben twee dochters van 11 en 9 en wonen in Berlijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

september 28, 2014Permalink

Grijs goed

TREND Je haar verven is een simpele manier om de gevolgen van ouder worden onzichtbaar te maken. Wie daaraan niet meedoet, zaait verwarring. Toch zijn er jonge vrouwen die hun grijze haardos niet meer verstoppen. ‘Jou staat het wel.’

Op een zaterdagochtend loop ik van de markt naar huis. Vlak bij mijn voordeur zwalken drie vrolijke zwervers me tegemoet die eruitzien alsof ze de hele nacht nog niet naar bed zijn geweest. ‘Hé!’, zegt een van hen. ‘Mag ik zeggen dat jij een heel mooie vrouw bent!’
‘Ja hoor’, antwoord ik. Een compliment is een compliment, daar ben ik niet kieskeurig in.
Hij staat stil en bekijkt me nog eens goed.

‘Maar hé! Waarom ben jij zo grijs?’

Mijn haar is wel wat gewend, qua opmerkingen. Alcoholisten achter me in de rij bij de Dirk van den Broek (acht blikjes extra sterk bier in hun mandje) die me toefluisteren dat ik een Echte Vrouw ben, ‘en ik vind het helemaal niet erg hoor, dat je grijs bent’.

‘Is zij moeder?’
Flirtende barmannen (‘Je intrigeert me. Want je haar is oud, maar je gezicht niet’). De voorbijganger die tegen mijn tien jaar jongere vriendin roept: ‘Is zij je moeder? Want ze is zo grijs?’

Niet alleen mannen onder invloed of met een missie bespreken mijn haar. Hoe komt het dat dit het enige aftakelingsverschijnsel is waar vrienden en bekenden zonder gêne opmerkingen over maken? Niemand zal op maandagochtend bij de koffiemachine tegen een collega zeggen: ‘Jee, wat heb jij eigenlijk veel rimpels.’ Maar het grijzende haar, dát proces mag kritisch gevolgd en worden beoordeeld. Je haar verven is nog altijd een van de simpelste manieren om de gevolgen van ­ouder worden onzichtbaar te maken. En wie daaraan niet meedoet, zaait verwarring.

Ik was nog geen 30 toen mijn haar langzaam van kleur begon te veranderen. Ik was blond, dus duurde het even voor het opviel. ‘Grijs? Nee hoor, dat lijkt maar zo, in dit licht.’ Maar die ontkenningsfase hield ik niet lang vol en toen ik tegen de 40 liep, moest ik het onder ogen zien: ik was grijs, in de zon net zo erg als in de schemering.

Dat ik het toen niet meteen ben gaan verven, komt vermoedelijk door twee motieven die wel vaker bepalen wat ik wel en niet doe: gierigheid en luiheid. Ik vind regelmatig mijn haar laten knippen al duur genoeg en het vooruitzicht decennialang haarverf te moeten betalen (en hoeveel uur moest ik dan naar de weekendavonturen van mijn kapster luisteren?) was een schrikbeeld. Kleuren door een professional kost honderden euro’s per jaar –en dan is het nog niet eens geknipt. Zelf doen scheelt een hoop, maar is dan wel weer ontzettend veel gedoe. En ik hou niet van gedoe.

Saaie grijze muis
Dat veel vrouwen er wel aan beginnen, komt doordat niemand een saaie grijze muis wil zijn. Want dat is waarmee we grijs haar associëren: met niet meer goed voor jezelf zorgen, jezelf ‘laten gaan’. Een grijze vrouw is oud en niet sexy. En dus staan de onlineforums van bladen als Libelle en Viva, waar vrouwen elkaar levens- en beauty­advies geven, vol met onderwerpen als ‘help ik word grijs!’ en ‘hoe verf ik mijn haar?’. Bij kapperszaak Salon B in Amsterdam-Zuid werken veertien haarstylisten die ieder op een werkdag vijf ‘kleurklanten’ onder handen nemen. Die klanten zijn vrouwen, natuurlijk. Want mannen maken zich een stuk minder druk over hun grijze slapen en zilveren stoppels – sterker nog, ze kunnen erop vertrouwen dat die ze alleen maar extra interessant en aantrekkelijk maken.

Melanine
Eigenlijk bestaat er geen grijs haar. Als we ouder worden vermindert de productie van melanine, het pigment dat ons haar z’n natuurlijke kleur geeft. Vanaf dat moment groeien er steeds meer kleurloze, witte haren op ons hoofd, die samen met het nog aanwezige blonde, rode of zwarte haar maken dat we er ‘grijs’ uitzien. Hoe snel dat gaat, is genetisch bepaald: werd je moeder jong grijs, dan is de kans groot dat het jou ook overkomt. De tijd is je enige vijand: dat je van veel stress in een nacht spierwit haar kan krijgen, is een broodjeaapverhaal.
Mijn vriendin Lisa verft al meer dan dertig jaar. ‘Mijn hele familie is peper en zout. Daar had ik geen zin in. Ik werd dus eerst blond en toen bruin, maar dat stond me allemaal niet. Toen koos ik voor oranje, à la Vivienne Westwood, en als het aan mij ligt, ga ik oranje het bejaardentehuis in. Soms fantaseer ik hoe ik er zou uitzien met platinagrijs haar. Maar daarvoor moet ik eerst een evenwichtig mens worden, vrees ik. Voorlopig blijf ik liever een roodharige rebel.’

Dat veel vrouwen er wel aan beginnen, komt doordat niemand een saaie grijze muis wil zijn
‘Jou staat het wel’, zeggen haarvervende vriendinnen. ‘Bij mij zou het echt heel lelijk zijn.’ Als ik doorvraag blijken ze te bedoelen dat het ze oud zal maken. Oud, het grote schrikbeeld. Maar zitten we daarmee niet vast in een achterhaald concept?

Toen ik opgroeide waren vrouwen van 50 al bijna klaar voor een leven achter de geraniums. Nu heb ik vriendinnen van vijftigplus die naar de disco en op wereldreis gaan, aan een studie beginnen en er nog een minnaar bij nemen. Als ze al oma zijn, hebben ze het te druk om op de kleinkinderen te passen. Het zijn vrouwen die zich door niemand laten vertellen hoe ze moeten leven. Is het niet gek dat we dan nog steeds vinden dat om succes en geluk uit te stralen, we er moeten uitzien alsof de tijd geen vat op ons heeft?

Het kan anders. Op straat zie ik steeds meer jonge vrouwen die hun beginnende grijsheid niet onder verf verstoppen. Er zijn websites, Facebook­pagina’s en supportgroups voor vrouwen die de stap nemen om hun geverfde haar uit te laten groeien. Pinterest boards met duizenden plaatjes van grijze vrouwen van alle leeftijden. Er zijn filmsterren en artiesten die er fantastisch uitzien met hun natuurlijke, ongeverfde haar (Helen Mirren, Emmylou Harris, Jamie Lee Curtis). En er zijn zelfs jonge beroemdheden, zoals Kelly Osbourne en Lady Gaga, die zelf nog geen enkele grijze haar hebben, maar zich bij de kapper spierwit of asgrijs laten kleuren.

Geen verf meer
Na een middagje plaatjes klikken heb ik zo veel prachtige grijze vrouwen voorbij zien komen, dat ik het bijna jammer vind dat mijn eigen zout-met-een-beetje-peper-haar niet opvallender grijs is. Wie durft nog te zeggen dat grijs haar niet stijlvol is, als topmodel Kristen McMenamy en ­Vogue-redacteur Sarah Harris de haarverf vaarwel zeggen?
Harris (35, grijs vanaf haar 19de): ‘Jonge meisjes spreken me op straat aan en vragen wie mijn haar kleurt. Schat, een kleur als deze krijg je niet uit een flesje, zeg ik dan.’

Echt stoer is het natuurlijk pas om na jaren haarverven daar ineens mee te stoppen, want dan moet je de gevreesde uitgroeifase doormaken, waarin je een steeds groter wordende landingsbaan van uitgroei over je hoofd hebt. Mijn vriendin Sascha was 50 toen ze na vijftien jaar ophield haar haar zwart te verven. Het werd te duur, en te veel gedoe. ‘Zelf ben ik er heel blij mee. En de meeste mensen zeggen ook dat ze het mooi vinden. Maar nagefloten op straat, dat word ik niet meer.’

Amoureuze zelfmoord
Maakt grijs je echt onzichtbaar? Een andere vriendin, eind 30 en (na een lange relatie, waarin ze haar haar gewoon grijs had laten worden) op zoek naar een nieuwe liefde, is er vast van overtuigd dat een grijze foto op een ­datingsite gelijk staat aan amoureuze zelfmoord. Maar toen journalist Anne Kreamer research deed voor haar boek Going Gray, plaatste ze afwisselend een grijze en een geverfde versie van zichzelf op haar profiel. De grijze Anne kreeg meer aandacht, meer complimenten en: meer dates. Gaat het eigenlijk wel om de kleur van het haar op je hoofd? Gaat het niet veel meer om de attitude waarmee je je haar door de wereld draagt?

Het allerleukste van ouder worden is dat het steeds minder belangrijk wordt wat andere mensen van je denken, of wat de zogenaamde regels zijn van wat er wel of niet ‘kan’. Geen minirok na je 40ste, altijd gladgeschoren oksels, geen hoge hakken als je man kleiner is dan jij, geen lang grijs haar? Dat maak ik allemaal zelf wel uit.
Zolang mijn kapsel nog spontane reacties ontlokt aan passanten en barmannen, hoef ik me over onzichtbaarheid ook geen zorgen te maken.

september 15, 2014Permalink

Vlees & bloed

INTERVIEW Wat haar vader mankeert, weet niemand. Emma Curvers weet in elk geval dat hij haar heeft weggedaan. Ze baseerde haar debuutroman op wat daaraan voorafging

Als kind van 12 was Emma Curvers een keer zó kwaad op haar vader dat ze bij wijze van wraak plakjes salami tussen de bladzijden van zijn agenda stopte. Het mooiste scenario dat ze zich kon voorstellen, was dat hij in een vergadering op zijn werk die agenda zou openen en dat al zijn collega’s zouden zien dat-ie vol worst zat.

‘Zo ging dat bij ons thuis’, zegt Curvers. ‘Als we boos waren gingen we niet slaan of schreeuwen, maar haalden we een harde grap met elkaar uit.’

Haar vorige week verschenen debuutroman Iedereen kan schilderen gaat over een familie die lijkt op haar eigen familie: een gezin waarin een geesteszieke vader alle aandacht opeist. Alles en iedereen moet zich schikken naar de depressies, waanbeelden, koop- en vernielzucht, hypochondrie, suïcidale neigingen en dwangmatigheid van Hans Kostons, met alle vernederende gevolgen van dien voor hoofdpersoon Iris, haar zus Mia en moeder Elsbeth.

Ontploft
Curvers (28) was al van plan een boek te schrijven over een vader-dochterrelatie, maar na de kerstdagen van 2011 veranderde het verhaal. ‘Toen is onze familie ontploft.’ De ouders van Curvers gingen na een huwelijk van 28 jaar uit elkaar en vrijwel meteen verbrak Curvers vader het contact met haar.

Waarom deed hij dat?
‘Ik denk dat de reden altijd al besloten lag in onze persoonlijkheden. Ik ben nogal van het benoemen, vind het prettig om over dingen te praten. Hij vindt het beter om de dingen binnenshuis te houden. Als kind stond ik voor chaos, rommel en viezigheid. Dat past niet bij iemand die de controle wil houden. Het was echt een bevrijding toen ik op mezelf ging wonen in Amsterdam. Alles bleek ineens te kunnen. Ik kon een schildersezel neerzetten, knoeien met verf, flats, flats, flats. Ik ben daar nog elke dag blij mee.’

De druppel die de emmer deed overlopen was een sjoelbak. ‘Het was die bewuste Kerst, bij uitstek een feest dat gepaard gaat met hoge verwachtingen die uitdraaien op teleurstellingen. Het ging al niet zo goed met mijn vader en dan is zo’n feest echt te veel. Hij is iemand met een vrij uitgebreide gebruiksaanwijzing. Ik had iets gedaan dat niet in zijn schema paste: een sjoelbak op tafel zetten voor mijn neefjes. Hij meende dat het huis afgebroken zou worden. Al die mensen, de sjoelbak, dat kon hij niet aan. Hij verliet het kerstfeest en de tafel was volgens hem beschadigd. Ik zag dat niet, het was door hem gefantaseerde schade. De ochtend erna moest ik de badkamer poetsen, vanwege imaginair vuil. ‘Ik ben hier te oud voor’, zei ik. Toen ik wegging heeft hij gezegd dat ik niet meer mocht terugkomen. Of nou ja, dat heeft hij laten doorgeven.’

CV Emma Curvers
1985 Geboren in Leeuwarden
2004-2008 Academie voor Beeldende Kunsten, Maastricht
2009-2012 Bachelor filosofie, Universiteit van Amsterdam
2010-2012 Producer creatief bureau Habbekrats
2011-heden Columnist universiteitsblad Folia
2012-heden Hoofdredacteur filmwebsite Cineville
2013-heden Columnist CJP Magazine
2014 Debuutroman Iedereen kan schilderen (Atlas/Contact)
Emma Curvers woont in Amsterdam.
Hoe was dat voor jou?
‘De grootste schok van mijn leven. Tot die tijd geloofde ik dat de band tussen ouder en kind onvoorwaardelijk is. Dat is dus gewoon helemaal niet zo. Het is een romantisch, leuk sprookje om elkaar te vertellen. Mijn vader heeft mij weggedaan. Hij zei letterlijk: je bent mijn kind niet meer, je mag hier nooit meer komen. En het gekke is: kennelijk heb ik ondanks alles mededogen voor hem. Kennelijk lijd ik ook onder dat sprookje. Hij blijft toch je vader, zeggen mensen dan.’

Feitelijk hebben ze gelijk.
‘Ja, maar achter ‘hij blijft toch je vader’ hoort volgens hen een komma en het woord ‘dus’. Hij blijft toch je vader, dús moet je het blijven proberen. Hij blijft toch je vader, dús moet je hem accepteren. Ze suggereren dat er een soort eeuwigheidswaarde besloten ligt in de bloedband tussen ouder en kind, die voorschrijft dat je altijd moet doorzetten. Dat is niet zo. Je kunt op een bepaald moment zeggen: ‘En nu is het genoeg geweest.’ Het houdt ergens op. Mijn vader en ik kunnen elkaar niet accepteren.’

Het boek werd er persoonlijker door, zegt Curvers. Ze lengde werkelijke gebeurtenissen aan met fictie, maar verzon minder dan ze vooraf in gedachten had. ‘Toen mijn vader het contact verbrak, kon ik met meer afstand naar ons gezin kijken. Ik heb er veel over gepraat met mijn zus en halfbroer: kan ik dit wel maken? Ik moest iets prijsgeven dat voor mij intiem was, de pijnlijkste periode uit mijn leven en dat van sommige gezinsleden. Zoiets ligt gevoelig, zeker in een familie waarin het niet gebruikelijk is de vuile was buiten te hangen.’

‘In Zuid-Limburg zitten ze liever ongelukkig achter een goed gepoetst raam dan dat ze toegeven dat er iets aan de hand is’
Die houding is typisch Zuid-Limburgs, vindt Curvers, opgegroeid in Gulpen. ‘In Zuid-Limburg bestaat een grote liefde voor vormelijkheid, voor decorum, aankleden en mooi maken. Dat is ontzettend charmant, maar brengt ook met zich mee dat mensen hun problemen binnenshuis houden en met de mantel der liefde bedekken. Ze zitten liever ongelukkig achter een goed gepoetst raam dan dat ze toegeven dat er iets aan de hand is. Ik was klaar met de zwijgcultuur bij ons thuis. Ik wilde het bevragen, aankaarten dat in de onwil om kritisch naar jezelf te kijken misschien de kern van het probleem zat. Dat was iets wat voor mij altijd al een beetje wrong. En wat ik met dit boek langzaam ben gaan aanvechten.

‘Mensen kijken overwegend naar zichzelf door een roze bril. Stel dat er een bandje bestond met alle nare dingen die mensen ooit over je hebben gezegd. Zou je dat bandje dan afspelen? Ik denk dat je hele zelfbeeld aan gort gaat en dat je daarna langdurig moet herstellen.’

Wat zou jij doen?
‘Ik zou het willen weten. Ik heb een liefde voor confrontaties en de waarheid horen. Maar natuurlijk zou ik óók stukgaan.’

Hoe reageerden je ouders toen je vertelde dat je een boek ging ophangen aan jullie familieperikelen?
‘Bangig. Ik vertelde het eerst aan mijn moeder en die vertelde het aan mijn vader. Toen hij er lucht van kreeg, heb ik wel wat boze berichten gekregen.’

‘Bij complexe mensen als mijn vader staan psychologen machteloos’
Iedereen kan schilderen speelt zich vooral af rondom de feestdagen. Als de gasten voor het kerstdiner anderhalf uur te vroeg arriveren, laat vader Hans ze in de kou staan en moet de rest van het gezin Kostons doen alsof ze niet thuis zijn. Met Pasen is de familie met tegenzin op weg naar visite als Hans zijn vrouw en dochters achterlaat op een tankstation. Omdat ze zich niet gedroegen, zegt hij later. Echt gebeurd, vertelt Curvers. ‘Maar mijn vader liet alleen mijn moeder staan, hoor.’

Misschien zijn sommige mensen onacceptabel, zegt Mia, de zus van de hoofdpersoon.

Je schrijft cynisch over divangedrag, over psychologen en psychiaters die diagnoses moeten stellen.
‘Die beschrijvingen zijn gebaseerd op eigen ervaringen, die dus heel particulier zijn. Bij complexe mensen als Hans en mijn vader staan psychologen machteloos. Om tot een weloverwogen oordeel te komen, zou je jaren met zo iemand moeten doorbrengen en allerlei camera’s in zijn huis moeten ophangen om er een vinger op te kunnen leggen. Als er op een zeker moment al een diagnose komt, dan is het voor de familie lastig te bepalen waar de ziekte begint en waar die persoon ophoudt. Een diagnose kan een mogelijkheid zijn om je onttrekken aan de verantwoordelijkheid voor je gedrag.’
Hans wil helemaal geen stempel.
‘Een vage persoonlijkheidsstoornis kan mensen die moeite hebben met het bestaan een gevoel van controle geven. Zolang hun familie hun gedrag tolereert en ze van hun huis een veilige haven kunnen maken, hebben ze geen reden om hun problemen aan te pakken. Waarom zouden ze?’

Wat zei je moeder toen ze het boek had gelezen?
‘Ze stond niet te juichen. Ze is kritisch en vindt het pijnlijk – en dat is het natuurlijk ook. Ergens is ze wel trots, denk ik. Ze ziet in dat het goed voor mij is dat ik me de gebeurtenissen heb eigen gemaakt door ze in een boek te verwerken.

‘De moeder en zus zijn veel minder op de realiteit geënt dan de vaderfiguur. Toch ging mijn moeder alles spiegelen aan het echte leven. ‘Maar ik héb nooit zuurvlees in de tas van je vader gestopt’, zei ze bijvoorbeeld verontwaardigd. Dan moest ik haar eraan herinneren dat zij niet Elsbeth is, en dat ik mag kiezen wat dat personage doet.’

Met welk beeld van liefde ben jij opgegroeid?
‘Een waarin vergeving een rol speelt. Hoe waardeloos mijn ouders ook bij elkaar bleken te passen, ze hadden wel veel liefde voor elkaar. Ik zag er lange tijd een soort romantiek in. Tot ze gingen scheiden, zag ik ze als een soort Bonnie en Clyde die uiteindelijk toch bij elkaar zouden blijven.’

‘Ik hoorde via via dat mijn vader mij onterfd heeft, vorige week. Door dit boek’
Denkt lang na: ‘Ja, wat is liefde? Ik ben een humanist, in die zin. Liefde is zorgen dat je een leuk persoon bent voor andere mensen. De enige waarden in je leven zijn andere mensen. Je moet bouwen aan jezelf. Dat is misschien wat ik van dit alles heb geleerd.’

Jouw vader was niet leuk voor andere mensen.
‘Nee. Nu ik dat zeg voel ik weer de neiging hem in bescherming te nemen. Omdat ik het zielig vind dat dat dan in de krant staat. Terwijl: mij heeft hij nooit in bescherming genomen. Zoek het maar uit, heeft hij gezegd, mijn hulp heb je niet meer.’ Begint te lachen: ‘Ik hoorde via via dat hij mij onterfd heeft, vorige week. Door dit boek. Dat toont maar weer aan hoe weinig hij van mij begrijpt.’

Heb je het boek naar hem opgestuurd?
‘Nee.’

Verwacht je dat hij het gaat kopen?
‘Ik denk dat hij ervoor kiest het bandje niet af te spelen. Niet dat dit het bandje met de ultieme waarheid is. Maar dit is wel mijn bandje over hem. Ik denk dat hij het liever niet wil horen.’
Foto Daniel Cohen
De hoofdpersoon in je boek is bang voor genetische pech. Hoe zit dat bij jou?
‘Ik heb lang gevreesd dat ik mijn vader zou worden, maar alleen al die angst toont aan dat ik bereid ben om kritisch naar mezelf te kijken. Ik heb veel van mijn vader geërfd. Als ik schrijf, zie ik zijn handschrift. Ik heb dezelfde handen. Ik kan net zo onbuigzaam zijn, heb dezelfde aanleg voor stemmingswisselingen. Ik zal ongetwijfeld heel andere fouten maken dan hij. Waarschijnlijk niet dezelfde. Daarvoor ben ik me er te bewust van. Ik zal mezelf ook eerder bij het gesticht aanmelden dan andere mensen.’

Wanneer?
‘Als ik zou merken dat het niet goed met mij gaat, dat ik geen leuk mens voor anderen ben, zou ik daar bang van worden en naar het gesticht gaan. De verhalen van Maarten ­Biesheuvel, een van mijn lievelingsschrijvers, trekken me erg. Hij heeft veel geschreven over de angst om gek te worden, terwijl hij gewoon lekker aan het functioneren is. Maar ondertussen ligt de gedachte steeds op de loer: straks word ik ge-hèk.’

Denk jij dat nog weleens?
‘Ik maak me daar geen zorgen meer over. Alles is ontspannener geworden nu er geen contact is. Als je elkaar ziet, herken je dingen in elkaar. En dan ga je er ook nog eens psychologen bij roepen die het ‘atypisch autisme’ noemen.’ Lacht: ‘Eigenlijk valt er prima met het leven te leven wanneer je een beetje gek bent.’

Je slikt al een paar jaar antidepressiva, schreef je in een column.
‘Ik schaam me daar niet voor. Of misschien schaamde ik me er wel voor, en probeerde ik die schaamte te adresseren met een column. Een defect corrigeren is toch geen schande? Ik gebruik het spul al jaren en ben supergelukkig. Ik begon er trouwens niet mee omdat ik depressief was, maar omdat ik de wildste dromen had waarin ik mijn vader met een hakbijl te lijf ging. Door die pillen zijn de nachten kalmer. Uiteindelijk willen we allemaal gewoon een beetje gelukkig worden, toch?’
Contact herstellen
Ze is bezorgd dat ze rancuneus klinkt, zegt Curvers terwijl ze verse muntthee maakt. ‘Het boek is niet bedoeld als afrekening met mijn vader. Ik bewonder hem ook. Hij heeft vijf jaar geleden grapjes gemaakt waar ik nu nog steeds om kan lachen, is consequent, secuur, vastberaden, principieel. Dingen die ik als goede eigenschappen zie.’

Een belangrijke motivatie om het boek te schrijven was een aflevering van het tv-programma Het mooiste meisje van de klas met arabist en publicist Petra Stienen, twee jaar geleden. ‘Zij vertelde eenzelfde soort verhaal. Haar vader was inmiddels overleden, maar ze had het contact verbroken toen ze halverwege de twintig was. En zij was daar zó kalm over, zó zonder wrok. Er was puur het besef: wij kunnen niet met elkaar door een deur. Dat heeft me toen enorm geraakt. Op het Boekenbal van dat jaar zag ik haar en stortte ik meteen mijn hart bij haar uit. Huilen, alles. Ik wilde dat punt ook bereiken, er vrede mee hebben.’

Heeft het schrijven van een boek daaraan bijgedragen?
‘Dat ik uit de onzalige fusie van mijn ouders ben voortgekomen, zorgt ervoor dat ik me in mijn vader herken en me tegelijkertijd helemaal niet in hem herken. Dit boek heeft me ervan overtuigd dat er een triomf kan zijn van het individu over de geschiedenis en wat al vastligt. Het geeft me een goed gevoel dat ik iets van de ervaring heb kunnen maken. Niet dat het schrijven als therapie heeft gediend; ik vind het nog steeds erg.’

Wat als je vader op een zeker moment het contact wil herstellen?
‘Ik heb liever niet dat je daarover iets opschrijft, en dat mag je wel opschrijven. Elk antwoord op deze vraag zou te definitief zijn. Precies dat is dus kennelijk het verschil tussen een vreemde en je vader. Hij blijft toch mijn vader. Komma. Dus.’

Iedereen kan schilderen, Atlas Contact, 19,99 euro.

september 13, 2014Permalink