Vermogenskloof

COMMENTAAR Een hogere vermogensbelasting verkleint de kloof tussen arm en rijk en draagt bij aan een vollere schatkist.

DOOR Xander van Uffelen 20 januari 2015

Een vaak vergeten passage uit het boek van econoom Thomas Piketty is zijn analyse van trage economische groei. Als landen door vergrijzing of crisis minder groeien of zelfs krimpen, is oud vermogen belangrijker dan in een snel groeiende economie, zo analyseert hij. Bezit blijft langer in handen van de elite en groeit gestaag aan; jonge werknemers en ondernemers hebben minder kans om bezit te vergaren. Juist bij trage economische groei zal de kloof tussen rijk en arm sneller toenemen.

Ook in Nederland lijkt vermogen zich volgens deze theorie te ontwikkelen. In de crisisjaren is het vermogen van de rijke Nederlanders constant gebleven, waar kleine spaarders en doorsnee huiseigenaren hun vermogen zagen verdampen, blijkt uit nieuwe cijfers van het CBS. Ook als je de waarde van pensioenen meetelt, neemt in Nederland deze kloof toe.

Een groot verschil tussen rijk en arm zal voor een egalitair land als Nederland op termijn tot ongewenste maatschappelijke tegenstellingen kunnen leiden. Uit onderzoek blijkt de economie schade te ondervinden van grote verschillen. Nederland zal dus moeten proberen om de kloof beperkt te houden, zonder daarbij de goede kanten van ondernemerschap en creativiteit af te schrikken.

De herziening van het belastingplan is bij uitstek geschikt om ook de verschillen tussen rijk en arm enigszins te verminderen.
De herziening van het belastingplan is bij uitstek geschikt om ook de verschillen tussen rijk en arm enigszins te verminderen. Net als bij de inkomens, zouden vermogenden meer progressief belast moeten worden. Deze aanpassing maakt het ook mogelijk om de spaarder iets minder te laten betalen dan het huidige tarief van 1,2 procent, en de vermogenden boven pakweg de 1 miljoen euro juist meer aan te slaan.

De politieke tegenstellingen tussen rechts en links maken het erg lastig om over vermogens(winst)belasting een akkoord te bereiken. Maar er is ook een belangrijk praktisch argument. Alle partijen streven naar vermindering van belasting op arbeid, die door de vergrijzing toch al minder zal opleveren. De schatkist van de overheid zal dus met ander geld gevuld moeten worden. Een hogere belasting op vermogen(swinst) verkleint dan niet alleen de kloof, maar het overheidsgeld draagt ook bij aan verbetering van de kwaliteit van de samenleving.

januari 20, 2015Permalink

Kleine mensen

Elkaar vasthouden, niet bang zijn – even, heel even, leek het alsof de terreur in Parijs op een mislukking was uitgedraaid. Ja, een groot deel van de redactie van Charlie Hebdo was vermoord, maar het blad kwam een week later gewoon uit, in een oplage honderd keer groter dan gewoonlijk. Ja, de profeet was gewroken, maar in Europa en daarbuiten stonden moslims op die trots hun geloof terugeisten van religieuze gangsters. Ja, redacties van kranten moesten beveiligd worden, maar de meeste aarzelden geen moment met het publiceren van de spotprenten die het mikpunt van terreur waren. In plaats van angst en tweespalt was er vastberadenheid en eenheid.

Een dag of drie. De eerste barst zag je toen zoveel regeringsleiders arm in arm door Parijs marcheerden, vrijwel allemaal met kilo’s boter op hun hoofd als het ging om het beschermen van de vrijheid van meningsuiting. Daarna ging het snel. Met de minuut stilte wilde het op sommige Franse scholen niet lukken. Vervolgens werd de komiek Dieudonné aangehouden omdat hij op Facebook ‘Je me sens Charlie Coulibaly’ had gezet, wat toch onder de vrijheid van meningsuiting valt. Hypocriet!

Ook in Nederland hield de eenheid geen stand. Als je elkaar de maat niet meer kunt nemen, waar moet je dan over twitteren? Waarom ik geen Charlie ben, waarom jij al helemaal geen Charlie bent, waarom wij nooit Charlie kunnen zijn, de aanvallen op onze nationale hypocrisie waren al snel niet meer te tellen. In de Tweede Kamer volgde, als op afroep, de ‘botsing’ tussen Wilders en Samsom. Sybrand Buma van het CDA, hongerig naar de zetels van de PVV, eiste dat moslims feller afstand zouden nemen van hun extreme geloofsgenoten. Op televisie en in kranten verklaarden moslims weer dat ze er doodziek van werden almaar te moeten verklaren dat ze afstand namen van islamitische terreur.

Hans Teeuwen sla ik even over.

Dan de paranoia. Een verder gezellige Amsterdamse moslim verklaarde tegen mij dat IS-leider Abu Bakr al-Baghdadi een Jood was, dat wist toch iedereen? In mijn mailbox belandden verklaringen over de aanslagen in Parijs: een inside job, net als 9/11. En Charlie Hebdo was in handen van zionisten die een oorlog tegen moslims willen ontketenen. Nee, het zijn de Amerikanen. Het is perverse mediawijsheid: achter de vreselijke werkelijkheid gaat een gruwelijker waarheid schuil, the truth is out there, maar die wordt ons onthouden door mensen met belangen. Na de aanslag op vlucht MH17 hebben verdwaasden een nieuwe kluif.

„Het venijnige van terreur is de ontwrichting van de samenleving door het zaaien van angst”, zei PvdA-Kamerlid Ahmed Marcouch tegen het AD. „Meisjes die achter de kassa hard zitten te werken voor hun brood en opeens te horen krijgen. ‘Schaam jij je niet dat je hier nog steeds met je hoofddoekje zit?’ Dat is precies wat die terroristen willen: dat we zo met elkaar omgaan.”

Ik heb respect voor Marcouch, maar wat hij beschrijft is geen angst. Ik zou zeggen: terreur wil onze samenleving ontwrichten door het zaaien van woede.

En ik heb de indruk dat dat aardig lukt. De terroristen in Parijs en Jemen waren behalve slecht ook slim; door de aanslag op Charlie Hebdo moet de vrijheid van meningsuiting verdedigd worden door het keer op keer tonen van spotprenten die door veel gelovige moslims als krenkend worden ervaren. Nu dat in een miljoenenoplage gebeurt, waarvoor duizenden mensen in de rij gaan staan, wordt wat bedoeld is als het verdedigen van vrijheid voor iedereen, breed opgevat als het ongeremd bashen van een minderheid. Onvermijdelijk, maar leg het maar eens uit. Het resultaat: meer woede.

In de Volkskrant toonde Luz, de tekenaar van de mooie prent voorop de Charlie Hebdo van deze week, zich bewust van deze valstrik. De tekeningen in zijn blad hebben nu een symbolische lading „die niet in onze tekeningen zit en die ons enigszins overstijgt”. Dat is niet Charlie Hebdo, zegt hij, en dan volgt het meest zinnige dat ik de afgelopen week las: „Het is onze taak als cartoonist om het kleine van de mens centraal te stellen, het idee te vertolken dat we allemaal kleine mensjes zijn en dat we het daarmee moeten doen.”

Wie heeft nu de moed om klein te zijn?

GEPLAATST IN: BAS HEIJNE

januari 18, 2015Permalink

Ceci n’est pas mon père

Juridisch én letterkundig is het duidelijk: een romanpersonage mag je nooit zomaar verwarren met een echt bestaande persoon. Maar wat doe je als je jezelf terugvindt in de roman van je familid en iedereen denkt dat jij samenvalt met die serviele vader of afwezige moeder?

DOOR Gidi Heesakkers en Haro Kraak 17 januari 2015

De literaire conventies zijn meedogenloos: het is onmogelijk om jezelf als personage in een roman terug te vinden. Fictie is fictie, en zodoende nooit één op één te verwarren met de realiteit. Klaar.

Joop middendorp
vs
Peter Middendorp

Joop Middendorp (73) is de vader van schrijver Peter Middendorp, wiens autobiografische roman Vertrouwd voordelig (2014) gaat over de puberzoon van Bé Hensel, eigenaar van een Blokker-vestiging in Emmen. Het personage lijkt in hoge mate op vader Middendorp.
‘In de periode die Peter beschrijft, slokte de winkel mijn hele leven op. Ik was meer kostwinner dan vader toen. Zo hadden mijn vrouw en ik ook de verdeling gemaakt: zij thuis, ik de winkel. Ik heb me nooit gerealiseerd wat dat voor Peter betekende.
‘Toen Peter verhalen begon te schrijven, merkte ik dat hij mij een aantal verwijten maakte. Ik ben van nature een pleaser. Ik maak het de klanten naar de zin. Zo hoort dat als ondernemer. Hij keek daar als puber op neer. Hij zet mij knullig neer in zijn boek. De man met de bruine ogen achter de dikke brillenglazen die dacht dat alles wel goed kwam. Ik begrijp best dat dat soort dingen zijn uitvergroot. Ik had er geen moeite mee, omdat ik weet dat hij mij respecteert.
‘Erger vond ik het hoe hij mijn werk en mijn klanten beschreef. Hij houdt er niet van dat mensen op korting afkomen. En hij baalt dat ik mij inliet met het zogenaamde ‘volproppen’ van mensen. Ze kochten allerlei dingen die ze misschien niet nodig hadden.
‘Peter is in principe een heel aardige jongen, maar zodra hij de pen pakt kan hij meedogenloos zijn. Dat is juist zijn kracht. Het verschil tussen hem en mij is dat hij de dingen altijd bij de naam noemt en ik dingen meer onder de pet houd. Zo is de cultuur in mijn familie: de problemen houd je binnenshuis, je praat er niet over. Toen Peter van school werd gestuurd, liep ik daar bijvoorbeeld niet mee te koop. Hij vond dat laf, geloof ik.
‘Peter liet mij vaak versies van het verhaal lezen. Ik mocht niets aan de essentie veranderen, maar mocht wel details aanpassen. Zo schreef hij over de dood van mijn vader. Zestig jaar geleden verdronk hij. Over de oorzaak werd niet gepraat vroeger. Ik heb aan Peter gevraagd om daar niet al te expliciet over te zijn.
‘Toen het boek uitkwam, waren veel Drentenaren boos op Peter. Hij zou ze beledigd hebben. Ik wilde toen van de daken schreeuwen dat dit een verhaal is door de ogen van een jongen van 17. Ik maakte me zorgen dat hij bedreigd zou worden. Inmiddels is de rust wedergekeerd. Op de nieuwjaarsreceptie had de burgemeester van Emmen zijn ambtsketting bij zich in een Blokker-tas. ‘Ophouden met dat gemekker’, zei hij. ‘En koop dat boek!’ Ik was zo trots als een pauw natuurlijk.’
Behalve misschien voor wie in een romanfiguur stukjes van zichzelf kan ontdekken, omdat de schrijver het personage in kwestie al dan niet losjes op hem of haar heeft gebaseerd. Zoiets kan eervol, maar ook confronterend of zelfs behoorlijk vervelend zijn.

‘Peter is in principe een heel aardige jongen, maar zodra hij de pen pakt kan hij meedogenloos zijn’, zegt vader Joop Middendorp.
De in september verschenen debuutroman van Emma Curvers (29) gaat over een Zuid-Limburgs gezin waarin vader Hans Kostons met een keur aan geestesziekten alle aandacht opeist. In een interview met de Volkskrant vertelde Emma dat Kostons geïnspireerd is op haar eigen vader, met wie ze al jaren geen contact heeft.

In december troffen de twee elkaar in de rechtszaal. John Curvers voelde zich zó aangevallen door het ‘onnodig grievende’ boek en de uitspraken van dochter Emma in het interview dat hij een kort geding aanspande.

Emma Curvers lengde in Iedereen kan schilderen werkelijke gebeurtenissen aan met fictie, vertelde ze in de Volkskrant, maar ze verzon minder dan ze vooraf in gedachten had. ‘Ik moest iets prijsgeven dat voor mij intiem was, de pijnlijkste periode uit mijn leven en dat van sommige gezinsleden’, zegt ze. ‘Zoiets ligt gevoelig, zeker in een familie waarin het niet gebruikelijk is de vuile was buiten te hangen.’

Door de roman en het interview hangt de vuile was fier in de wind te wapperen, vindt John Curvers. Volgens hem valt niet uit te sluiten dat er lezers zijn die denken dat hij Hans Kostons is, de man die zijn vrouw en twee dochters eens op een tankstation achterliet omdat ze zich tijdens de autorit niet gedroegen. Echt gebeurd, vertelde Emma tenslotte in de krant. ‘Maar mijn vader liet alleen mijn moeder staan, hoor.’

In hoeverre denken lezers van Iedereen kan schilderen dat John Curvers echt de hoofdpersoon is, zoals hij vreest? In een brief naar de advocaat van Emma Curvers schreef de vader dat hij ‘het beeld dat van hem gecreëerd wordt in de roman pijnlijk vindt en dat hij zich schaamt, omdat mensen in het dorp om hem gniffelen’. Het boek moest van hem uit de handel en het interview gerectificeerd.

De rechter besloot begin januari dat Hans Kostons een romanfiguur is en dus niet dezelfde persoon als John Curvers. Het boek geeft de subjectieve werkelijkheid van de auteur weer, aangevuld met verbeelding. Zo staat het ook op pagina vier: ‘Hoewel werkelijke gebeurtenissen en personen de inspiratie vormden tot het schrijven van dit verhaal, berusten zowel het verhaalverloop als de personages op fictie.’

Maar wat betekent het predicaat fictie als een kleine kring bekenden alle opgetekende karaktertrekjes voor waarheid aannemen? Wat ze van je weten klopt, en de intieme details, de dingen die je vrienden niet van je kúnnen weten, zouden zomaar ook waar kunnen zijn. De poepvlek in de onderbroek, het opsparen van teennagels, de heimelijke voorliefde voor travestie – feiten of fictie? Het grote publiek zal het niet kunnen deren, maar de besmuikt lachende dorpsgenoten des te meer.

Discussies over personages, feit en fictie zijn van alle tijden, zegt Jos Joosten, hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen. W.F. Hermans, A.F.Th. van der Heijden, Herman Brusselmans, Hans Dorrestijn, Pieter Waterdrinker, Dimitri Verhulst – allemaal werden ze voor de rechter gesleept door iemand die zich beledigd voelde door hun werk. In talkshows klaagden vermeende personages van Ernest van der Kwast, Maarten ’t Hart en P.F. Thomése over hoe zij geportretteerd waren.

Een tekenend voorbeeld vindt Joosten het tumult rond het boek Vinexvrouwen (2010) van Naima El Bezaz. In haar semi-autobiografische roman schetst El Bezaz een humoristisch bedoeld beeld van het wel en wee van een Nederlands-Marokkaans gezin in een nieuwbouwwijk in Zaandam.

Niet iedereen vond het grappig. Zo meldde een buurman van een paar huizen verderop zich op een avond woedend aan haar deur, gewapend met een bezemsteel, dreigend een molotovcocktail onder de auto te leggen. Hij vond het boek beledigend en zei zich in het verhaal te herkennen, al wordt niemand met naam en toenaam genoemd. ‘Het is geen fictie’, schijnt hij te hebben geschreeuwd. ‘Het is geheel autobiografisch.’

Een buurman, gewapend met een bezemsteel, meldde zich op een avond woedend aan de deur van de schrijfster: ‘Het is geen fictie!’
De tragische grap, volgens Joosten: ‘Degene die zich in zijn goede eer aangetast voelt, ziet zichzelf in zijn blootje staan, maar de gemiddelde lezer is daar helemaal niet mee bezig.’ Die krijgt er pas lucht van als de schrijver of de geraakte persoon zich uitspreekt, bijvoorbeeld tegenover interviewers die graag informeren naar autobiografische elementen.

Uitgevers zijn zich ervan bewust dat een waargebeurd verhaal rond het boek kan helpen een roman aan de man te brengen, benadrukt de hoogleraar. En schrijvers zijn eraan gewend geraakt die verhalen te vertellen, al zijn er genoeg die de belangstelling van critici en journalisten voor het snijvlak tussen hun persoonlijke leven en dat van hun personages hekelen.

Christien Brinkgreve
vs
Daan Heerma van Voss

Christien Brinkgreve (65) is de moeder van schrijvers Daan Heerma van Voss (28) en Thomas Heerma van Voss (24) en de echtgenote van schrijver en oud-omroepbestuurder Arend Jan Heerma van Voss (72). In 2014 publiceerde elk gezinslid een boek. In Daans roman De Vergeting wordt Brinkgreve als personage opgevoerd.
‘In de boeken van Daan ben ik vaak een afwezige moeder. Daar kan ik onzeker van worden. Ik heb hard gewerkt, ik was al jong hoogleraar, maar ik ben er toch altijd voor mijn zoons geweest. ‘Was ik echt zo afwezig?’, heb ik weleens aan Daan gevraagd. ‘Het is fictie, moeder’, zegt hij dan.
‘Maar in De Vergeting voerde hij mij op als herkenbaar personage. Hij beschreef hoe hij als ziek kind – hij was vaak nachtenlang benauwd – bij zijn vader op schoot zat. Dat werd me te veel. Hij zat bij mij op schoot. Ik troostte hem. Dat hij zich daarin vergiste, trof mij heel pijnlijk. Ik heb het bij Arend Jan gecheckt en hij gaf mij gelijk.
‘Toen heb ik het besproken met Daan. ‘Ik weet ook niet waarom ik het me zo herinner, maar ik wil de herinnering graag zo houden’, zei hij. Dat begreep ik wel. Het is zijn herinnering. En het boek gaat over de verraderlijkheid van het geheugen. Van dat gesprek heeft hij weer fictie gemaakt. In De Vergeting zit een scène waarin ik huilend opbel om te vragen waarom die herinnering niet klopt. Ik vond het ongemakkelijk dat ook dat weer anders was gemaakt dan het was.
‘Later organiseerde Daan een literair tribunaal, waar hij terechtstond. Ik mocht mijn beklag doen. Ik stelde mezelf kwetsbaar op, maar wilde geen slachtofferrol aannemen. Daan kreeg een taakstraf van Felix Rottenberg, die de rechter speelde: hij moest mij een brief schrijven. Daarin schreef hij dat ik altijd vanzelfsprekend voor hem was – juist een teken van goed moederschap. Dat stelde mij gerust.
‘De Vergeting is een mengeling tussen feiten en fictie, Daan speelt met de spanning tussen werkelijkheid en verzinsel. Dat vind ik een rotvorm, of in elk geval een moeizame vorm. Je kunt je niet verweren als personage. Ik ben blij als mijn zoons minder autobiografisch gaan schrijven, maar ik kan ze moeilijk verwijten dat ze uit deze vijver vissen. Ons gezin heeft ze gevormd. Dit is het materiaal waartoe ze zich moeten verhouden.
‘Wij lezen elkaars werk meestal. We geven elkaar redactioneel commentaar en soms vragen we iets te veranderen wat over onszelf gaat. Uiterlijke kenmerken, woonplaats of karaktertrekjes passen we soms aan, zodat het minder herleidbaar is.
‘De vrijheid van fictie is groot. Maar je heb ook verantwoordelijkheid voor wat je aanricht. Fictie mag geen vrijbrief zijn om je gram te halen.’
Die belangstelling is niet altijd zo groot geweest. ‘Simon Vestdijk schreef ook autobiografische boeken over zijn angsten en frustraties’, zegt Joosten. ‘Maar er zal in zijn tijd geen interviewer zijn gaan vragen naar het waargebeurde gehalte ervan. Veel later was er de vader van Gerard Reve die wat hulpeloos aan journalisten probeerde duidelijk te maken dat hij toch zo erg niet was als in De avonden.’

Tot een veroordeling voor smaad komt het in Nederland zelden. De rechter stelt doorgaans vast dat een roman fictie is, dus geen natuurgetrouwe beschrijving van de werkelijkheid, en dat de lezer dat snapt. Waarom lijkt die vlieger niet op te gaan voor gepikeerden die zich rechtstreeks aangesproken voelen? Joosten: ‘Voor hen leest zo’n verhaal niet als fictie. Bij hen hoef je niet aan te komen met het eerste college van het vak verhaalanalyse.’

Sommige ‘romanfiguren’ kiezen niet voor de juridische arena maar voor de literaire om de tegenaanval te openen. Toen Ingrid Hoogervorst vorig jaar haar roman Privédomein publiceerde, over het abrupte einde van haar relatie met de man die ze als ‘de schrijver’ aanduidt, was het wachten op het antwoord van Atte Jongstra, met wie zij tot 2012 een paar vormde. Dat antwoord kwam een paar maanden later. In zijn roman Worst heet Ingrid Rosa, maar citeert Jongstra letterlijk uit Hoogervorsts debuut Woede – allemaal fictie natuurlijk.

Maar niet ieder personage slaat terug met een roman, rechtszaak of mediarel. Sir Edmund ging op zoek naar ouders die zichzelf herkenden in de (deels) autobiografische roman van een kind. Om te vragen: hoe is het om karaktertrekken van jezelf uitvergroot in een roman tegen te komen? Mocht je het boek vooraf lezen? Wat doe je om de beeldvorming bij te stellen? En hoe groot is de vrijheid van fictie?

Bert Vuijsje
vs
Robert Vuijsje

Vroeger was schrijver en journalist Robert Vuijsje (44) ‘de zoon van’. Nu is de Amsterdamse dag- en weekbladprominent Bert Vuijsje (72) ‘de vader van’. Versies van hem – een typische Oud-Zuid-bewoner met een intellectuele vriendenkring – komen voor in de verfilmde roman Alleen maar nette mensen en Roberts tweede boek Beste vriend.

‘Het heeft iets grappigs dat Robert een boek schrijft waarin hij zijn vader min of meer satirisch afbeeldt en dat hij diezelfde vader vraagt om als eindredacteur kritisch commentaar op dat boek te leveren. Want dat is wat er gebeurd is: Robert liet me het manuscript van Alleen maar nette mensen lezen omdat hij prijs stelde op mijn ambachtelijke commentaar. Ik heb wel­eens voor de grap gezegd: stel je eens voor dat Gerard Reve achterin De Avonden had geschreven: met dank aan mijn vader voor zijn nuttige aanwijzingen bij het voltooien van dit boek.
‘Ik las de passages over mij in Alleen maar nette mensen niet met groot genoegen, maar ook niet met grote boosheid. Ik schrok meer van alle seksscènes in het boek. Kwaad werd ik pas bij zijn tweede roman, waarin echtscheiding een belangrijke rol speelt. In Beste vriend vertelt de ik-persoon over zijn vader die na de scheiding van zijn moeder nooit mee ging naar zwemles of voetbal. Half-schertsend heb ik Robert toen gezegd dat hij zijn boek beter Louter leugens kon noemen – zo heet een van de eerste bundels van Simon Carmiggelt.
‘Nou, godverdomme, dacht ik. Ik was misschien wel een afwezige vader, maar ik was niet onzichtbaar. Ik woonde niet meer thuis, maar het aantal keren dat ik daar ’s ochtends om half zeven voor de deur stond om met mijn beide zonen naar het zwembad of voetbalveld te gaan… Soms met manshoge sneeuw!
‘Mensen die mij goed kennen, weten hoe het echt zit, maar als oppervlakkige lezer ga je ervan uit dat de schrijver zulke dagelijkse details wel aan de werkelijkheid zal hebben ontleend. En juist die details waren gelogen. Ik vond dat mij onrecht werd aangedaan en maakte me druk om wat de buitenwereld van mij zou denken, maar niemand heeft me ooit op die passages aangesproken. Ik heb Robert ook niet gevraagd ze aan te passen. Ik ben eindredacteur, geen censor.
‘Of mijn scheiding niet een privé-aangelegenheid is? Dan had ik maar niet moeten scheiden. Daar ben ik toch te veel journalist voor: als je permanent bezig bent met wat anderen doen, moet je niet klagen als er over jou wordt geschreven. De scheiding is nooit een taboe geweest bij ons thuis. Ik weet nog goed dat Robert een jaar of tien geleden op zijn verjaardag zei: ‘Het liefst zou ik gaan eten met mijn vader en moeder, maar helaas zijn ze allebei zo onvolwassen dat het niet kan.’
‘In interviews is Robert gaan zeggen dat ik in een bepaalde mate toch een voorbeeld voor hem ben geweest. Als je als kind ziet dat je vader gepassioneerd is in zijn werk, kan je dat allicht op het idee brengen om zoiets ook te willen. Ik was eerlijk gezegd nog nooit op het idee gekomen dat Robert zo naar mij keek.
‘Ik vind het ergens wel vleiend dat hij over me heeft geschreven. Er is een oude joodse grap over twee dames. De ene dame vertelt de andere over haar zoon die elke week bij de psychiater zit: ‘En waar denk je dat hij het over heeft? Mij.’

januari 17, 2015Permalink

Homo’s geven hun leven een 6+

Vandaag verschijnt een door minister Bussemaker als ‘schokkend’ betiteld rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau: veel jonge homo’s en lesbiennes zitten zwaar in de problemen.
Lesbische, homoseksuele en biseksuele jongeren hebben meer problemen dan heteroseksuele jongeren. Ze spijbelen vaker, gebruiken meer alcohol en drugs en hebben vaker psychische problemen. Zelfmoordpogingen komen vijf keer zo vaak voor. Dat blijkt uit een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), dat vandaag verschijnt. Minister Bussemaker vindt de cijfers ‘schokkend’.

Het SCP schreef het rapport Jongeren en seksuele oriëntatie in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dat verantwoordelijk is voor het emancipatiebeleid. Het bevat cijfers uit langlopende bevolkingsonderzoeken naar het welzijn van scholieren (11-16 jaar) en jongvolwassenen (16-25 jaar). Ook voerde het SCP zelf onderzoek uit. Daardoor kon het welzijn en de leefsituatie van lesbische, homoseksuele en biseksuele (LHB) jongeren voor het eerst goed worden vergeleken met heteroseksuele jongeren.

Meer problemen
Uit het rapport blijkt dat LHB-scholieren hun leven een veel lager cijfer geven dan heteroseksuele leeftijdsgenoten: een 6+ tegenover een 8-. Het percentage spijbelaars ligt hoger onder jonge LHB-ers (21 tegen 9 procent), evenals het percentage rokers (18 tegen 3 procent). Ook zijn er veel meer LHB-scholieren met emotionele problemen (44 tegen 18 procent).

Ze roken nog altijd meer (24 tegen 14 procent) en hebben vaker drugs gebruikt (32 tegen 19 procent)
Onder jongvolwassenen hebben LHB-ers eveneens meer problemen dan hetero’s. Ze roken nog altijd meer (24 tegen 14 procent) en hebben vaker drugs gebruikt (32 tegen 19 procent). Liefst 9 procent van hen heeft ooit gepoogd een einde aan zijn leven te maken, tegenover 2 procent bij jongvolwassen heteroseksuelen.

Dit is de eerste keer dat we naar seksuele oriëntatie vragen in de bevolkingsonderzoeken. Er is nog geen vergelijkingsmateriaal
‘Lisette Kuyper, onderzoeker bij het SCP
Ik vind het heftig om te zien hoe slecht deze jongeren het doen’, zegt SCP-onderzoeker Lisette Kuyper. ‘Zeker als je bedenkt dat ze zijn opgegroeid in een tijd waarin homo’s en hetero’s voor de wet gelijk zijn en een groot deel van de bevolking homoseksualiteit accepteert.’ Of de problemen in deze groep jongeren toe- of afnemen, is volgens de onderzoeker niet te zeggen. ‘Dit is de eerste keer dat we naar seksuele oriëntatie vragen in de bevolkingsonderzoeken. Er is nog geen vergelijkingsmateriaal.’

Voorlichting
Volgens minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen Jet Bussemaker ‘is er nog veel werk aan de winkel’. Zij vindt het vooral belangrijk dat er op scholen een klimaat heerst waar kinderen openlijk over hun geaardheid kunnen praten. Om dat te stimuleren, zijn middelbare scholen sinds twee jaar verplicht voorlichting te geven over seksuele diversiteit. Daarnaast zijn lerarenopleidingen een aandachtspunt voor Bussemaker. ‘Die moeten toekomstige leraren beter leren omgaan met seksuele diversiteit.’

Bij mijn 15-jarige dochter in de klas viel het woord ‘homo’ niet één keer
Tanja Ineke, voorzitter van het COC
Het COC reageert geschokt op het rapport. ‘Vijf keer meer zelfmoordpogingen en de helft van de jongeren die het afgelopen jaar werd gepest’, zucht voorzitter Tanja Ineke. ‘Dat is alarmerend.’ Volgens Ineke moeten scholen verplicht voorlichting blijven geven over seksuele diversiteit. Ze pleit wel voor controle. ‘Scholen mogen zelf bepalen hoe ze de lessen invullen. Dat gaat niet overal goed, heb ik het idee. Bij mijn 15-jarige dochter in de klas viel het woord ‘homo’ niet één keer.’

‘Ik bof dat mijn ouders me steunen’
Sara Halilovic (16) uit Oldenzaal: ‘In de eerste klas ging ik nauwelijks naar school. Ik was nooit een meisjesachtig type en op de middelbare school begonnen kinderen me uit te schelden. ‘Vieze vrouwenneuker’, zeiden ze bijvoorbeeld. Terwijl ik nog helemaal niet met mijn geaardheid bezig was. Ze zeiden ook dat ik mezelf sneed en zelfmoord wilde plegen.
‘Ik voelde me niet thuis, ging rondhangen, mijn ouders wisten er niets van. Zo leerde ik mensen kennen die ook niet naar school gingen, jongeren die alcohol en drugs gebruikten. Ik deed daar niet aan mee, maar het had makkelijk fout kunnen gaan.
‘Een paniekaanval op school vormde het keerpunt. Ik was 14, inmiddels uit de kast, en mijn ouders kwamen me halen. ‘Waarom is de mening van anderen zo belangrijk voor jou?’, vroeg mijn moeder. Daar ben ik over gaan nadenken. Sindsdien gaat het beter met me.
‘Mijn problemen vallen mee, omdat mijn ouders me steunen. Daar bof ik mee. Ik ken een jongen die zelfmoord heeft gepleegd vanwege zijn geaardheid, en meisjes die depressief zijn geworden. Ik weet hoe slecht het kan aflopen.’
Bevat het SCP-rapport dan geen lichtpuntjes? Toch wel. Zo zijn jongeren de afgelopen jaren positiever gaan denken over homoseksualiteit. Dacht in 2006 nog 18 procent van de jongvolwassenen (16-25 jaar) er negatief over, nu is dat 6 procent. Ook scholieren (11-6 jaar) zijn positiever: 67 procent van de kinderen in groep 8 van de basisschool en 76 procent van de middelbare scholieren zegt bevriend te kunnen zijn met homoseksuele en lesbische medescholieren. Dat was in 2009 aanzienlijk minder.

Arie Boomsma
Volgens onderzoeker Lisette Kuyper van het SCP heeft die verschuiving te maken met de toegenomen aandacht voor homoseksualiteit. ‘Er is nu meer voorlichting op scholen, Arie Boomsma maakte tv-programma’s over homoseksualiteit en er is in de maatschappij flink over het onderwerp gediscussieerd, bijvoorbeeld rond de Olympische Spelen in Sotsji. Dat leidt tot meer begrip bij jongeren.’

Ik wantrouw die acceptatiecijfers een beetje
Ineke van der Vlugt, van kenniscentrum seksualiteit Rutgers WPF
Ineke van der Vlugt van kenniscentrum seksualiteit Rutgers WPF ziet inderdaad een positieve trend, mogelijk door extra aandacht in het onderwijs. Wel waarschuwt ze voor te groot optimisme.

‘Ik wantrouw die acceptatiecijfers een beetje. LHB-jongeren zeggen zelf dat ze nog altijd te maken hebben met afwijzend gedrag. Misschien geven die jongeren in de onderzoeken wel sociaal wenselijke antwoorden en gedragen ze zich in het echt helemaal niet zo tolerant.’

januari 16, 2015Permalink

Zou het de overheid vanaf morgen inderdaad lukken om maatwerk te leveren?

Nederlandse verzorgingsstaat ontstond niet van de ene op de andere dag. Kijk maar:

  • 1874 – Kinderwetje van Van Houten
  • 1901 – Ongevallenwet en oprichting Rijksverzekeringsbank om die wet uit te voeren
  • 1956 – Algemene ouderdomswet
  • 1965 – Algemene bijstandswet
  • 1966 – WAO
  • 1968 – AWBZ
  • 1982 – Akkoord van Wassenaar
  • 2006 – Zorgverzekeringswet

Zou het de overheid vanaf morgen inderdaad lukken om maatwerk te leveren?

Aan dit rijtje kan de dag van morgen, 1 januari 2015, alvast worden toegevoegd. Morgen is het namelijk D-day voor de Nederlandse gemeenten, die dan verantwoordelijk zijn voor het leeuwendeel van alle zorg.

Het is de grootste en meest ingrijpende verandering in het Nederlandse zorgstelsel ooit. Geen wonder dus dat de meeste artikelen die in 2014 verschenen een bezorgde, of zelfs ronduit alarmistische toon aansloegen. Want, ja…

  • … Veranderen en tegelijk bezuinigen. Kan dat eigenlijk wel?
  • … Gaan de veranderingen niet allemaal veel te snel?
  • … Begrijpt iedereen wel wat hun vanaf morgen te doen staat?
  • … En: weten al die ambtenaren bij de gemeente wel hoe ze rekening houden met de privacy van hun burgers, die ineens op hun zorg zijn aangewezen?

Nu de decentralisaties voor de deur staan vroeg ik me af: voor welk probleem was dit eigenlijk ook alweer een oplossing? En, hoe pakt het nieuwe zorgstelsel straks uit voor de mensen om wie het gaat? Ik besloot het Instituut voor Publieke Waarden Lees hier meer over het Instituut voor Publieke Waarden.om raad te vragen.

Deze vier bevlogen bestuurskundigen adviseren ambtenaren en zorgprofessionals. En vandaag dus ook de lezers van De Correspondent. Het zijn de enige zorgexperts die ik ken die zonder ‘transitietaal’ Zie hier de geestige introductie die IPW schreef bij het fenomeen ‘transitietaal’en nodeloos ‘zorgjargon’ inzichtelijk weten te maken waar die decentralisaties nu eigenlijk over gaan.

Renée Frissen , Albert Jan Kruiter , Harry Kruiter en Eelke Blokker besloten aan de hand van een – geanonimiseerde – casus uit de praktijk uit de doeken te doen wat volgens hun de grootste kans van de decentralisatie is: maatwerk.

De casus: Eveline en haar dochter Claire

Eveline (21) heeft in haar nog jonge leven al heel wat te verhapstukken gehad. Ze heeft vanaf haar twaalfde haar tijd in pleeggezinnen en internaten doorgebracht. Ze was dan ook blij toen ze achttien werd. Ze verliet het tienerhuis waar ze woonde en heeft sindsdien bij ‘vrienden van vrienden’ gewoond in verschillende steden.

Maar sinds kort is alles anders. Eveline heeft een dochtertje gekregen: Claire. Die is nu drie maanden oud.

Dat maakt het onmogelijk om op steeds een andere bank van verschillende vrienden tecrashen. Dat betekent dat Eveline snel een eigen woning moet hebben. Ze heeft zich daarom gemeld bij de lokale jeugdhulpverlening en de gemeente. Die hebben voor haar geregeld dat ze een zogenoemde ‘woonurgentieverklaring’ heeft gekregen, waarmee ze sneller recht heeft op een sociale huurwoning. Dat was nog niet zo eenvoudig, want Eveline stond helemaal niet ingeschreven bij de gemeente. Maar ze trof een fanatieke hulpverlener en een welwillende ambtenaar. Eindelijk heb ik eens geluk, dacht Eveline.

Eveline belandt op straat. Kosten? 40.000 euro

Maar aan dat geluk kwam snel een einde toen bleek dat een urgentieverklaring nog niet betekent dat je volgende week al een huis hebt. Dat duurt minimaal drie maanden, zoals in de meeste grote steden. Eveline moet zien dat ze de komende drie maanden ergens kan overbruggen met Claire. Maar haar adresjes zijn uitgeput. Bovendien leg je zo’n dreumes niet zomaar ergens op de bank.

Ze legt het voor aan de jeugdhulpverlener van Bureau Jeugdzorg. Die ziet ook de noodzaak, maar heeft geen oplossing. De jeugdhulpverlener bespreekt het verhaal van Eveline met twaalf andere collega’s. De uitkomst is hetzelfde.

Als ze niet in staat is om binnen een maand een eigen plek te vinden in haar overbelaste sociale netwerk staat Eveline echt op straat. Ze is dan niet alleen thuisloos zonder een vast adres, maar ook echt dakloos. Maar zonder haar dochter Claire. Want op het moment dat Eveline niet voor een vaste stek voor zichzelf en Claire kan zorgen, wordt Claire (tijdelijk) bij haar weggehaald door Bureau Jeugdzorg.

Dat zou een ramp zijn. Eveline heeft gezworen haar kindje nooit dezelfde ellende aan te doen die zij heeft meegemaakt.

Bovendien vinden de jeugdhulpverlening en Bureau Jeugdzorg het helemaal niet nodig om Claire bij Eveline weg te halen. Ze zien immers dat Eveline goed is voor Claire. Alleen hebben de hulpverleners geen andere oplossing voorhanden dan het uit huis plaatsen van Claire als er geen huis is over vier weken. ‘We moeten wel,’ zeggen ze dan ook.

De hulpverleners realiseren zich ook dat deze noodgedwongen oplossing heel slecht is voor Claire en Eveline. En niet alleen dat. Eén uithuisplaatsing kost de samenleving 40.000 euro. Maar ze staan met hun rug tegen de muur. Net als Eveline en Claire.

De beste oplossing blijkt vaak niet mogelijk

Als iemand nu een huis kan regelen voor Eveline en Claire, voor een periode van drie maanden, dan wordt er een boel persoonlijk leed bespaard voor de jonge moeder en haar dochter, en voor de belastingbetaler tienduizenden euro’s.

Maar de woningtoewijzing van sociale huurwoningen moet nu eenmaal volgens een bepaald patroon verlopen, anders is het oneerlijk voor anderen. Jeugdzorg moet nu eenmaal ingrijpen als Claire op straat belandt, ze hebben geen andere middelen voorhanden dan het volgen van het protocol.

Ondanks het protocol ziet iedereen dat Evelien een uitzondering nodig heeft om voor Claire te kunnen blijven zorgen, wat ze, op haar dakloosheid na, uitstekend kan

Zo kunnen ze niet zomaar even tijdelijk een huis in de vrije sector huren voor Eveline. Bijvoorbeeld het huis van de buurman van de gezinsvoogd. Dat verhuurt hij weleens omdat het al een hele tijd in de verkoop staat. Of desnoods een hotel.

80 euro per dag voor een hotelkamer is in drie maanden nog steeds stukken goedkoper dan die gevreesde uithuisplaatsing. En het scheelt heel veel verdriet.

Maar daarvoor is het wel nodig om Claire en Eveline te behandelen als ‘ongelijke gevallen,’ die maatwerk nodig hebben. Ondanks het protocol ziet iedereen om Eveline heen dat ze een uitzondering nodig heeft om voor Claire te kunnen blijven zorgen, wat ze, op haar dakloosheid na, uitstekend kan.

Zo bekeken zouden de hulpverleners eigenlijk het ongelijkheidsbeginsel toe willen passen in plaats van het gelijkheidsbeginsel. Maar dat is precies wat tot op de dag van vandaag vaak onmogelijk leek.

Vanaf morgen is alles anders. Dan wordt het toepassen van het ongelijkheidsbeginsel makkelijker. Dan zijn gemeenten verantwoordelijk worden voor belangrijke delen van de zorg en sociale zekerheid. Voor Eveline en haar lotgenoten is dat belangrijk omdat gemeenten voortaan maatwerk kunnen leveren. Hoe gaat dat in zijn werk?

Wie betaalt, bepaalt…

Waar Evelines uitkering nu nog betaald wordt door de gemeente, en de uithuisplaatsing van haar kind door de provincie, komt dat straks uit dezelfde portemonnee. En dus kunnen gemeenten vanaf morgen niet alleen betere ‘integrale’ beslissingen nemen, ze kunnen er ook op toezien dat ze uitgevoerd worden. De regie ligt dan echt in hun handen.

Want dat was tot nu toe het probleem. Natuurlijk werken hulpverleners al jaren met het idee van ‘één gezin, één plan.’ Dat houdt in dat verschillende partijen niet allemaal los van elkaar met Eveline aan de slag gaan. Maar dat ze gezamenlijk een samenhangend plan met haar opstellen.

Maar dat plan werd vaak weer aan flarden geschoten omdat ieder onderdeel daarvan een andere financier (lees: opdrachtgever) had met een ander belang. Bovendien kregen de hulpverleners wel te horen dat ze ‘meer ruimte’ moesten pakken om het plan dat ze hadden gevormd uit te voeren, maar het daarbij behorende mandaat kregen ze niet. Het protocol, de regels, de wetten; die vormden altijd het sluitstuk. Niet de oplossing in de vorm van maatwerk van de hulpverlener. Degene die het dichtste bij de burgers (of, tot dan toe nog ‘klanten’ genoemd) stond, en zag wat er nodig was, had niet het laatste woord.

En dan wordt een kind uit huis geplaatst. Zelfs als de moeder haar kind prima kan opvoeden. Zelfs als er leegstaande woningen beschikbaar zijn, die voor een fractie van de kosten van een uithuisplaatsing zouden kunnen worden betrokken.

Uitzonderingen maken wordt nu de regel

Natuurlijk bewandelden hulpverleners regelmatig sluipweggetjes door het systeem om bijvoorbeeld de urgentieverklaring voor Eveline te regelen. Maar aan het verkrijgen van dit soort uitzonderingen waren ze enorm veel tijd kwijt. De omgeving van de professional was nu eenmaal niet ingericht op het maken van uitzonderingen. Ook niet wanneer de uitzondering vele malen makkelijker, menselijker en goedkoper bleek dan de regel.

Maar vanaf morgen zit de gemeente aan het roer en kan die verschillende belangen beter tegen elkaar afwegen. Voorheen begreep ook iedereen dat het krankzinnig is om een kind uit huis te plaatsen omdat iemand drie maanden geen woonruimte heeft. Maar nu kunnen hulpverleners en wellicht Eveline zelf daar ook iets aan doen.

Want de gemeente is de partij die over de urgentiewoningen gaat, maar ook degene die de uithuisplaatsing van het kind van Eveline moet bepalen. Dan betekent het niet verhelpen van Evelines huisvestingsproblemen al snel een strop van 40.000 euro voor de gemeente. Een betere oplossing voor Eveline én een goedkopere oplossing voor de belastingbetaler ligt dan al snel voor de hand.

Denk bijvoorbeeld aan een budget voor maatwerk waar de hulpverleners over beschikken. Daarmee zouden ze drie maanden een flatje voor Eveline kunnen huren. Desnoods op de private markt. Omdat dit beter is voor haar en Claire, én goedkoper voor de samenleving.

Om dit soort uitzonderingen te kunnen maken op basis van inzicht van de hulpverlener die direct betrokken is bij burgers als Eveline, zal de gemeentelijke organisatie wel ingericht moeten zijn op het maken van maatwerk. En dat betekent een radicale omslag. Niet het protocol moet leidend zijn, maar de aanpak die voor de persoon in kwestie en de samenleving als geheel de meeste betrokkenheid, het meeste rendement en de meeste rechtmatigheid oplevert. In die volgorde.

Decentraliseren kun je leren

Gaat dat ook meteen zo werken vanaf morgen? Nee. Dat zullen gemeenten in 2015 moeten leren. Ze zullen moeten leren om te vertrekken vanuit het plan dat de hulpverleners samen met de burgers maken, en niet vertrekken vanuit regels die proberen iedereen hetzelfde te behandelen, ongeacht hun context.

Maar belangrijker, wij burgers zullen moeten leren accepteren dat ongelijke gevallen ongelijk behandeld zullen worden, juist naarmate ze verschillen. Dat kan betekenen dat een burger vanwege die context ongelijk, en dus niet volgens de regels, behandeld zal worden. Omdat dit beter is voor zijn of haar persoonlijke situatie.

En dat is nog geen sinecure. Vooral omdat we de afgelopen decennia geëist hebben net zo gelijk behandeld te worden als onze buren. Veel van de wetten, protocollen, Wmo-verstrekkingenboeken, regels en procedures zijn daarop gericht: het garanderen van gelijke kappen voor gelijke monniken.

De staat die wetten maakt en moet toepassen, formuleert die wetten dus zo dat wij er als verschillende mensen de facto gelijk uit rollen. Dat kan alleen door er een aantal specifieke kenmerken van ons uit te lichten en de context waar we ons in bevinden grotendeels buiten beschouwing te laten.

Dat levert per definitie verwrongen beelden op. Iedereen die achttien jaar is (gelijke monniken) heeft geen recht meer op jeugdzorg (een gelijke kap). We hebben een criterium gevonden (leeftijd) op basis waarvan we kunnen vaststellen dat iedereen gelijk is. En dus kan de bureaucratie haar werk doen: gelijke gevallen gelijk behandelen.

Nu de gemeente maatwerk kan leveren, moet zij juist verschillen tussen mensen meenemen in een beslissing. Niet alleen de overeenkomsten. Niet het gelijk behandelen van gelijke gevallen, maar juist het ongelijk behandelen van mensen naarmate ze verschillen, kan centraal komen te staan in een afweging.

Dat betekent dat de gemeente niet zozeer overeenkomsten, maar juist verschillen tussen mensen kan benadrukken. De gemeente kan letterlijk verschil gaan maken. En dat heeft grote voordelen voor mensen met problemen die afwijken van de standaard. Voor mensen die zich niet in ‘gelijke’ omstandigheden bevinden als de grote gemiddelde deler. Voor mensen als Eveline en Claire dus.

Dat zal trouwens nog steeds de minderheid zijn, want er zijn genoeg mensen die wél kunnen voldoen aan de voorwaarden voor voorzieningen, zoals een urgentiewoning of uitkering, of die wél baat hebben bij protocollen zoals de behandelprotocollen van een psychiater. En andersom zal het ook nog steeds zo zijn dat bepaalde protocollen of voorwaarden die uitsluitend werken dat terecht doen. De belangrijkste vraag voor een zorgprofessional die de burger ondersteunt zal zijn: is de uitsluitende werking van een protocol de bedoeling of niet?

Na de decentralisatie de recentralisatie?

Tolstoj schreef al dat gelukkige gezinnen op dezelfde manier gelukkig zijn, maar dat ongelukkige gezinnen allen op hun eigen manier ongelukkig zijn. Het leveren van maatwerk en het humaniseren van de gestandaardiseerde perverterende zorgbureaucratie lijkt ons dan ook de grootste kans van de decentralisaties.

Dat zal in het land van gelijke monniken, van het strak geschoren maaiveld, en van gewoon doen, want dat is al gek genoeg, niet eenvoudig zijn. Maar het besef dat een oordeel op basis van een individueel geval en niet op basis van een abstract protocol niet alleen menselijker is, maar de belastingbetaler ook veel geld scheelt, zal uiteindelijk het verschil gaan maken.

Het besef dat een oordeel op basis van een individueel geval en niet op basis van een protocol niet alleen menselijker is, maar ook veel geld scheelt, zal uiteindelijk het verschil maken

Daarom is 2015 één van de belangrijkste jaren in de geschiedenis van onze verzorgingsstaat, omdat in dit jaar het ‘ongelijkheidsbeginsel’ wordt geboren. En omdat we met behulp van dat beginsel schrijnende gevallen als gevolg van dehumaniserende bureaucratie naar de mestvaalt der geschiedenis kunnen verwijzen. Gaat dat ook echt lukken?

Die kans lijkt klein. De geschiedenis van onze verzorgingsstaat is vooral een geschiedenis van standaardisatie, regelgeving en bureaucratie. De Haagse controledrang doet zich paradoxaal genoeg ook alweer rond de decentralisaties voor. Op papier zijn de gemeenten nu aan zet, maar Den Haag gaat controleren of de gemeenten het wel goed doen. De Tweede Kamer zal ieder incident aangrijpen om de gemeenten – die ze zelf opgedragen heeft om deze taken tegen minder geld uit te voeren – te verwijten dat zij daar ongeschikt voor zijn. Voorbeelden van waar het niet lukt, zullen de vele voorbeelden van waar het goed gaat overstijgen.

Gelijke behandeling zal een belangrijk argument worden om de verschillen tussen gemeenten te ridiculiseren. Het risico dat de Tweede Kamer na een aantal incidenten (die in het verleden overigens ook ieder jaar plaatsvonden) de regels strakker zal formuleren en de standaarden zal gaan aanscherpen, is dan ook zeer reëel.

Eveline, Claire en hun lotgenoten zullen daar het voornaamste slachtoffer van zijn, omdat iedere Haagse oekaze leidt tot beperking van ruimte op de werkvloer van jeugdhulpverleners en achter de toekomstige voordeur van Eveline en Claire. Deze zogenaamde recentralisatie kunnen we alleen voorkomen door het ongelijkheidsbeginsel te omarmen.

Want historisch gezien zijn de roep om gelijkheid en standaardiserende bureaucratie altijd arm in arm gegaan. We hebben dus een ongelijkheidsbeginsel nodig om ons van verstikkende bureaucratie te bevrijden. Gemeenten hebben vanaf morgen een kans voor open doel om dat te bereiken. Wij burgers kunnen eraan bijdragen door niet zozeer gelijke, maar ongelijke behandeling te eisen. In de eerste plaats voor Eveline en Claire.

Dossier Decentralisaties:

In het jaar voorafgaand aan de decentralisaties schreven verschillende correspondenten over de veranderingen die op stapel staan. Ze onderzochten wat de gevolgen van dit beleid zijn voor alle betrokken partijen.

Vera Mulder trok dit najaar op met vier van de ambtenaren die vanaf morgen de zorg inkopen.

Tamara Woestenburg dook in de Jeugdzorgwet en de Participatiewet. Manon van den Brekel bracht intussen samen met lezers Lees Manons oproep hier terug.de veranderingen voor langdurig zieken in kaart.

En Anne Schepers zocht met correspondent Maurits Martijn naar een antwoord op de vraag hoe gemeenten straks met de privacyaspecten van hun nieuwe taken omgaan.

januari 15, 2015Permalink

De functie van de klacht in de zorg

De functie van de klacht in de zorg

Het is belangrijk de reden van een klacht te bepalen, omdat de inhoud van de klacht niet altijd is waar het om gaat. Klagen kan een signaal zijn van machteloosheid. Aandacht geven en uitleg bieden zijn dan misschien wel belangrijker dan de klacht verhelpen.

De pers weet nogal de aandacht te vestigen op missers in de zorg. Cliënten en familieleden klagen over uitblijvende, onvoldoende of te late zorg. Toch zijn cliënten in de zorg over het algemeen erg lovend over de geboden zorg. Het verblijf in verpleeg- en verzorgingshuizen wordt overwegend als grote luxe gezien. Maar daarbij gaan ook dingen niet goed. Te laat verzorgd of verschoond worden, te weinig douchebeurten, te warm of te koud water.  Dat dergelijke incidenten gebeuren is niet goed, maar net als in het verkeer zijn ze onvermijdelijk.

We moeten er ernstig rekening mee houden dat dit soort incidenten in de zorg gaat toenemen. De professionele zorg verschuift naar mantelzorg, budgetten worden gekort en er is sprake van een ingrijpende herstructurering (van AWBZ naar gemeenten). En dat alles tegelijkertijd. Hoe goed de (mantel)zorger ook is en hoe goed die het ook bedoelt, fouten en onvolkomenheden zijn niet te vermijden. Bedenk daarbij dat de vele regels en richtlijnen die bij professionele zorg van toepassing zijn voor de mantelzorg niet gelden. Er zal dus meer mis gaan en er zal meer geklaagd worden. Reden te meer om klachten naar waarde te schatten.

Invloed

Als mensen bepaalde omgevingsaspecten niet naar hun hand kunnen zetten, leidt dat tot aangeleerde hulpeloosheid. Dit heeft negatieve gevolgen op motivationeel, cognitief en emotioneel niveau. Daarom is het van belang voor de gezondheid en het welbevinden van mensen dat zij invloed krijgen of houden op de directe omgeving.

Als iemand zelf minder kan en als minder directe invloed mogelijk is, kan het helpen om invloed te hebben op de mensen die kunnen helpen. Vaak zit daar de beperking. Mensen willen wel helpen, maar kunnen dat niet altijd of misschien niet op het moment dat die hulp nodig is. De cliënt krijgt dan eten als het etenstijd is en niet als hij behoefte aan eten heeft. Of misschien kan hij niet op elk gewenst moment naar de wc gebracht worden. Als mensen geen invloed uit kunnen oefenen, is het laatste dat ze nog kunnen doen: klagen.

Hulpeloosheid

Omdat we (gelukkig) geen invloed hebben op het weer klagen we erover. Dat geldt voor veel zaken waar we niet bij kunnen: de politiek, het systeem, de file, de baas. Door te klagen hebben we tenminste het idee dat we er nog iets over kunnen zeggen. Als iemand in een verpleeghuis klaagt over het eten, kan het betekenen dat het eten niet deugt.

Maar dat hoeft niet. Het kan ook betekenen dat iemand er geen invloed op kan uitoefenen. “Hoe lekker en gezond de boontjes ook zijn, ik zou ze anders koken.” Daar geen invloed op uit kunnen oefenen, geeft een gevoel van hulpeloosheid dat met klagen enigszins kan worden gecompenseerd.

Aandacht

Klagen hoeft niet terecht te zijn in de beleving van andere partijen als zorgverleners. Maar dat wil niet zeggen dat klagen niet serieus genomen moet worden. Integendeel. Het is wel belangrijk om de reden van de klacht te bepalen. Het is niet altijd de inhoud van de klacht waar het om gaat.

Aandacht geven en uitleg bieden zijn misschien wel belangrijker dan de klacht verhelpen. Laat mensen in het laatste geval weten dat er iets veranderd is door zijn of haar toedoen. Als het niet mogelijk is iets te veranderen, leg dan uit waarom. De cliënt kan dan in toekomstige situaties inschatten waarom iets niet of wel kan.

Efteling

Moeten wachten wordt minder vervelend als bekend is waarom het lang duurt en hoe lang het gaat duren. Kennis over de wachttijd geeft een gevoel van controle en voorkomt klagen. Dit principe geldt niet alleen in de Efteling, maar ook in de zorg. Publieke opinie, pers en politiek zoomen ten onrechte vaak in op de inhoud van de klacht zonder die te plaatsen in de context. Regels, protocollen en toezicht zijn vrijwel uitsluitend gericht op papieren kwaliteit. Hoewel deze een verbetering beogen van de dagelijkse praktijk, gaan ze vaak voorbij aan het allerbelangrijkste, namelijk dat mensen zelf invloed willen hebben op die kwaliteit. “Ik word goed geholpen omdat men mij helpt op de manier zoals ik dat graag wil en niet omdat het in de richtlijnen staat”.

Eigen inzicht

Richtlijnen ondergraven het gevoel van controle en competentie eerder dan dat ze die versterken. Dat geldt zowel voor de cliënten als voor de zorgverleners. Richtlijnen zijn prima als ze een globaal kader bieden, maar laat de hulpverlener en vooral de cliënt naar eigen inzicht handelen. Sta toe dat daarbij soms fouten worden gemaakt en koester de echte klachten. Luister daarnaar, laat cliënten zien wat er met hun opmerkingen gebeurt en vertaal ze vooral niet in een zoveelste regel.

In de afgelopen jaren is veel aandacht besteed aan cliënttevredenheid in de zorg. We beginnen dit begrip eindelijk wat beter te begrijpen, te nuanceren en te relativeren. Het is niet altijd wat het lijkt. Een cliënt die in een vragenlijst aankruist dat hij tevreden is, hoeft dat niet echt te zijn. Op dezelfde manier moeten we klachten in de zorg niet op face value nemen, maar hun werkelijke betekenis begrijpen. Soms kunnen klachten worden weggenomen door hun oorzaak weg te nemen; soms kunnen klachten worden verminderd door uit te leggen dat het echt niet anders kan of door mensen zelf, als dat kan, controle te geven over het effect.

Jo Caris
Hoogleraar organisatieontwikkeling TIAS en decaan Amphia.

– See more at: http://www.skipr.nl/blogs/id2130-de-functie-van-de-klacht-in-de-zorg.html#sthash.9PmcMCVK.dpuf

januari 12, 2015Permalink

‘Dit is ons land, we leven hier’

REPORTAGE Vijftig jaar geleden emigreerden de eerste Turken naar Nederland. Ter gelegenheid hiervan stelde publiciste Yesim Candan een lijst samen van de 50 invloedrijkste Turkse Nederlanders van nu. Hier een selectie.

Door: Wilco Dekker , Astrid van Rooij, Evelien van Veen, 10 januari 2015, 01:00 4
Wie zijn de vijftig invloedrijkste Turkse Nederlanders? Naar aanleiding van vijftig jaar Turkse immigratie in Nederland kwam publiciste Yesim Candan (39), zelf kind van Turkse ouders, op het idee een Top-50 van invloedrijkste Turkse Nederlanders samen te stellen. Candan, die lezingen en workshops geeft over diversiteit: ‘Immigratie en integratie worden vaak bestempeld als negatief. Ik wil de mensen laten zien die verbindingen leggen tussen Nederlanders en Turken.’ De namen voor een longlist verkreeg zij uit de Turks-Nederlandse netwerken en via crowdsourcing. Een jury onder leiding van Rijksmuseumdirecteur Wim Pijbes stelde daaruit de Top-50 samen, die eerder deze week werd gepresenteerd. Hier een selectie uit de lijst van tien Turkse Nederlanders en hun verhaal.

Zie voor de volledige lijst: volkskrant.nl/50invloedrijksteturken

MELEK USTA
Wie? Melek Usta (45) is eigenares van Colourful People, een bureau voor werving en selectie. Medeoprichter van Peer Support, dat jonge leerlingen aan oudere koppelt. Ze woont samen in Hoofddorp.
Geboren ‘In Istanbul. Ik was anderhalf toen we naar Nederland verhuisden. Mijn vader werkte in een kousenfabriek.’
Ouders ‘Ik realiseerde me al heel jong dat ik uit een kansarm milieu kwam. Bij Nederlandse vriendinnetjes werden verjaardagen gevierd en de kinderen werden positief bejegend. Mijn moeder was vaak ziek, mijn vader was veel weg. Toch heb ik ook warme herinneringen. Mijn ouders wilden dat wij het beter zouden krijgen dan zij en dat is ook gebeurd.’
Rolmodellen ‘Heb ik altijd gehad. De dochter van een juf ging als au pair naar Frankrijk. Dat kón dus: weg, als vrouw, in je eentje. Dat wilde ik ook.’
Integratie ‘Ik ben niet anders dan elke andere geëmancipeerde Nederlandse vrouw, behalve dat ik twee culturen in me draag. Dat geldt voor alle Nederlandse Turken die ik ken. Dit is ons land, we leven hier.’

ATILLA AYTEKIN

image

Atilla Aytekin © Robin De Puy
Wie? Atilla Aytekin (45) is medeoprichter van Triodor Software en OrangeGames, voorzitter Dutch Dream Foundation. Hij is gehuwd en woont met vrouw en twee zoons in Hoofddorp.
Geboren ‘Ik ben als peuter mijn vader achterna gereisd naar Nederland. We behoorden tot de eerste gastarbeidersgezinnen en we werden ontvangen met het idee van ‘die gaan toch weer terug’, en dat dachten mijn ouders ook. Ik kreeg Turkse docenten, leerde Turkse tradities. Pas toen er in onze straat nieuwe Mercedessen werden aangeschaft, begreep ik dat we niet meer teruggingen.’
Ouders ‘Mijn vader was gastarbeider. Mijn moeder behalve huisvrouw ook textielmedewerker.’
Succes ‘Ik ben twee keer failliet gegaan en ben twee keer opnieuw begonnen. In mijn jeugd heb ik van veel Nederlanders te horen gekregen dat ik niet slim of goed genoeg was, daar heb ik een heel dikke huid van gekregen. Nu heb ik ruim 300 werknemers in vijf landen en een kast vol onderscheidingen. In 2008 won ik de eerste Ondernemersprijs van Amsterdam.’
Integratie ‘Voor veel Turken staat het geloof op de tweede of derde plaats en de nationaliteit op de eerste. Onafhankelijk zijn, ondernemer zijn, vrij zijn, dat is veel belangrijker, en daardoor zijn we behoorlijk goed geïntegreerd.’

KARSU DÖNMEZ

 

 

imageKarsu Dönmez © Robin De Puy
Wie? Karsu Dönmez (24), muzikant.
Geboren ‘Ik ben geboren in Amsterdam, woon er nu nog en zal deze stad nooit verlaten.’
Ouders ‘Allebei mijn ouders zetten zich enorm in voor mijn carrière. Mijn moeder is zelfs mijn manager, en tegelijkertijd ook heel erg mijn moeder. Laatst bleek vlak voor een optreden in Brazilië mijn jurk een paar maten te groot. Dan tovert ze een naaisetje uit haar handtas en repareert ze het in no time.’
Succes ‘Ik ben trots op mijn ouders en op het feit dat ze mij zowel Nederlands als Turks hebben opgevoed. Ik treed veel op in het buitenland en kan me goed inleven in andere culturen. In Azië maak ik mijn shows wat Turkser en hier wat Nederlandser.’
Integratie ‘Kiezen tussen Nederland en Turkije is als kiezen tussen mijn vader en moeder. Ik ben muzikant, Amsterdammer en bovenal wereldburger.’
Invloed ‘Ik speel een hoop muziek, van typisch Turkse liedjes tot Chopin. Als ik mijn Turkse oma, met haar hoofddoek en gebrekkig Nederlands, dan in de zaal zie zitten naast een professor die vooral voor de klassieke stukken komt, ben ik enorm trots.’

SERDAR MANAVOGLU

image

Serdar Manavoglu © Robin De Puy
Wie? Serdar Manavoglu (37), promotor voor Paradiso en Stichting Pera. Mede-initiator van de eerste Turkse boot bij de Amsterdam Gay Pride. Geboren ‘Ik ben geboren in Amsterdam en heb daar een fijne jeugd gehad; ik woon er nog steeds. Op mijn 26ste ben ik uit de kast gekomen. Voor mijn ouders was dit moeilijk te accepteren. We hebben zo’n twee jaar geen contact gehad.’
Ouders ‘Mijn opa is als eerste van de familie naar Europa gegaan. Toen het hem beviel, heeft hij mijn vader, oom en hun gezinnen hierheen gehaald.’
Succes ‘Acht jaar geleden heb ik Pink Istanbul gelanceerd, een jaarlijks evenement waarmee ik via voorstellingen, debatten en feesten meer aandacht wil vragen voor de Nederlands-Turkse homoscene. Dankzij het succes van Pink Istanbul zagen we twee jaar geleden, tijdens de Amsterdam Gay Pride, de eerste Turkse boot varen.’
Rolmodel ‘Ik word op elk evenement aangesproken door bezoekers die vertellen hoe blij ze zijn met de festiviteiten, maar ik ontvang ook serieuze vragen van jongeren die willen weten hoe ze hun ouders moeten vertellen over hun geaardheid.’
Integratie ‘Wanneer je als Turks-Nederlandse homoseksuele man iets goed doet, heeft niemand het over je etnische achtergrond. Wanneer je iets fout doet, is dat ineens wél van belang. Zo blijf je altijd een manifestatie van je afkomst, waarbij dit eerder geldt als probleem dan als rijkdom.’
Invloed ‘Via mijn evenementen breng ik Nederlandse en Turkse kunstenaars, activisten en publiek met elkaar in contact. Als er samenwerking of discussie ontstaat tussen een Turk die traditioneel is opgegroeid, met zijn eigen politieke visie, met iemand uit Nederland die gewend is aan individuele vrijheden, zie ik hoe waardevol mijn werk is.’

FAMILE ARSLAN

imageFamile (Fatma) Arslan © Robin De Puy
Wie? Famile (Fatma) Arslan (43), is de eerste Nederlandse advocaat met hoofddoek. Woont met haar ouders in Den Haag. Geboren ‘Op mijn 4de ben ik van het Turkse Palu naar Den Haag verhuisd.’
Ouders ‘Mijn hele leven heeft ons gezin kleiner gewoond dan nodig was, zo konden mijn ouders geld besparen om ooit terug naar Turkije te gaan. Uiteindelijk gebeurde dat natuurlijk niet. Tegen de tijd dat het kon, waren we Turkije allang ontgroeid.’
Succes ‘Is enkel advocaat zijn al succesvol?’
Rolmodel ‘Ik word vaak aangewezen als rolmodel. Vrouwen die mij bij Pauw & Witteman zagen, kunnen denken: ‘Wauw, wat heb jij veel bereikt. Dat wil ik ook’. Maar dat wil ik eigenlijk niet. Zodra je op een voetstuk wordt geplaatst, kun je er te gemakkelijk vanaf vallen.’ Integratie ‘Door mijn verschijning denken mensen snel dat ik niet goed geïntegreerd ben, maar ik ben juist beter geïntegreerd dan de gemiddelde autochtone Nederlander. Ik spreek vloeiend Nederlands, ik heb gestudeerd, ik werk en betaal belasting. Ik draai volledig mee in de maatschappij, dat is integratie in zijn puurste vorm.’
Invloed ‘Pas als de resultaten die je boekt meetbaar zijn, kun je invloed hebben. Politici, wetenschappers en dokters hebben dat. Ik niet. Ik vraag me überhaupt af wat ik op deze lijst doe. Ik ben gewoon een advocaat, met een hoofddoek. Meer niet.’

NILGÜN YERLI

imageNilgün Yerli © Robin De Puy
Wie? Nilgün Yerli (45) is cabaretier en schrijfster. Woont samen met haar zoon in Haarlem. Haar man, met wie ze een LAM-relatie heeft (Living Apart Married), woont afwisselend in London en Istanbul.
Geboren ‘Op 10-jarige leeftijd kwam ik met mijn ouders naar Nederland, Heerenveen. Lange tijd dacht ik dat Fries Nederlands was.’ Ouders ‘Mijn vader was wiskundeleraar. Hij werd door de Turkse overheid naar Europa gestuurd om Turkse Europeanen bij te scholen.’ Succes ‘Toen ik als columniste een brief ontving waarin een lezer mij uitmaakte voor ‘vieze Turk’, heb ik hem een stapel van mijn boeken toegestuurd. Ik kreeg ze meteen terug, hij had in de oorlog nare ervaringen met ‘moffen’ gehad en wilde niks meer van buitenlanders aannemen. Ik heb de boeken nogmaals opgestuurd. Twee jaar later ontving ik een ansichtkaart. Hij was voor het eerst in het buitenland geweest, in Turkije, en had een beetje van zijn haat overwonnen.’
Rolmodel ‘Als kind was ik de enige zonder Grease-poster. Toen was ik al te nuchter om iemand zo te adoreren.’
Integratie ‘Toen mijn zoontje vroeg wat een allochtoon was, werd ik blij. Hij zit op een internationale school, dus dit is helaas geen afspiegeling van onze maatschappij. We moeten hier een voorbeeld aan nemen. Elkaar niet veroordelen, maar juist de verschillen liefhebben.’
Invloed ‘Er valt nog winst te behalen als het gaat om de acceptatie van de tweede- of derdegeneratie-immigranten als volwaardige Nederlanders. Laatst nog zei een ambtenaar tegen mij: ‘Alsof dat in Turkije beter is geregeld.’

SADET KARABULUT

imageSadet Karabulut © Robin De Puy
Wie? Sadet Karabulut (39) is Tweede Kamerlid voor de SP. Samenwonend met partner en kinderen in Amsterdam.
Geboren ‘Ik ben als enige van ons gezin in Nederland geboren, in Dordrecht. Ik heb een oudere broer en drie zussen en heb alle voordelen gehad van de jongste zijn. Moederende zussen en een vader die me enorm verwende.’
Ouders ‘Mijn vader ging eind jaren zestig het gezin vooruit naar Nederland. Hij stuurde regelmatig cassettebandjes op naar de achterblijvers in Turkije, waarin hij vertelde wat hij meemaakte en hoe hij iedereen miste. Hij wist niet dat hij voorgoed was vertrokken.’ Succes ‘Toen ik met de partij eindelijk verschillende voorstellen tot verbetering van de sociale volkshuisvesting erdoor kreeg, stond ik bijna op mijn stoel te juichen. Eindelijk werden de zonnekoningen en Maserati’s in de corporatiesector aangepakt.’
Rolmodel ‘Al sinds ik een tiener ben, kijk ik op naar mijn broer. Hij is van jongs af aan maatschappelijk actief en aangesloten bij allerlei verenigingen. Door hem ben ik het verenigingsleven ingestapt en uiteindelijk in de politiek beland.’
Integratie ‘De tweede en derde generatie Turkse ‘immigranten’ zijn allemaal volwaardige Nederlanders, met een Nederlandse nationaliteit en net zulke diverse achtergronden als autochtone Nederlanders. Wel gelovig, niet gelovig, links, rechts, Koerd of niet.’ Invloed ‘De gelijke kansen nemen af, dat moet veranderen. De kloof tussen de groep met en de groep zonder vermogen, kennis en macht wordt steeds groter. Waar is het Nederlandse gelijkheidsparadijs gebleven?’

ÖZCAN AKYOL

imageÖzcan Akyol © Robin De Puy
Wie? Özcan Akyol (30) is schrijver en columnist. Gaat binnenkort samenwonen in Deventer.
Geboren ‘Ik ben geboren en getogen in Deventer, in een armoedige wijk vol Turkse gastarbeiders. Ik heb geen mooie jeugd gehad, mijn ouders hadden een verstoorde relatie en ik was onderdeel van het verkeerde wereldje. Rond mijn pubertijd ben ik in de criminaliteit beland.’
Ouders ‘Mijn vader kwam als gastarbeider in de jaren zeventig naar Nederland, mijn moeder reisde hem onder het mom van ‘gezinshereniging’ achterna.’
Succes ‘Dat mijn boek Eus, dat ik schreef toen ik vastzat, zo’n hit zou worden, had ik niet verwacht. Mijn grootste succes moet echter nog komen. Ik wil in de toekomst meer boeken verkopen en meer erkenning krijgen.’
Rolmodel ‘Ik heb Eus niet geschreven met het idee ‘en nu ga ik jongeren inspireren’, onbedoeld deed ik dat wel.’
Integratie ‘Dat integratie een onderwerp van discussie is, is zeer terecht. Maar dan hebben er ook twee schuld. Aan de ene kant een falend immigratiebeleid en daartegenover een groeiende groep luie non-actieve Turken voor wie we te lang de ogen hebben gesloten.’

MUSTAFA SAYMAK

imageMustafa Saymak © Robin De Puy
Wie? Mustafa Saymak (21), aanvallend middenvelder voor PEC Zwolle. Woont samen in Overijssel. Geboren ‘In Deventer, waar ik ben opgegroeid tussen Turkse familie en vrienden. Toen mijn ouders naar Nederland kwamen, werkten ze in de schoonmaak en recycling. Helaas is mijn vader nu ziek. Mijn moeder is werkloos geworden.’
Ouders ‘Terwijl mijn klas-genootjes na school afspraken en leuke dingen deden, trainde ik elke middag met mijn vader op een kaal veldje in de buurt.’
Succes ‘Vroeger kon ik flink mopperen als mijn vader me meenam, maar zonder hem was ik nooit zo’n goede voetballer geworden.’
Rolmodel ‘Ik word door mijn fans goed in de gaten gehouden. Wanneer ik voor een wedstrijd een berichtje op Facebook plaats, word ik overspoeld met succeswensen.’ Integratie ‘Ik heb zowel voor Turkije als Oranje gespeeld en dat zegt precies wie ik ben. Nederlander én Turk.’
Invloed ‘Toen ik met PEC de KNVB-beker won, heb ik niet eens een feestje gegeven. We versloegen Ajax en werden kampioen, maar de wedstrijd voelde als een normale overwinning. Pas nu realiseer ik me dat ik die dag geschiedenis heb geschreven.’

ERSIN KIRIS

imageErsin Kiris © Robin De Puy
Wie? Ersin Kiris (leeftijd wil hij niet zeggen), verslaggever bij tv-programma Keuringsdienst van Waarde. Woont samen in Den Haag
Geboren ‘Ik ben geboren in Den Haag en hing als jonge jongen vooral rond in de Schilderswijk.’
Ouders ‘Voor hetzelfde geld was mijn vader naar Duitsland of Australië vertrokken. Er was op dat moment toevallig meer werk in Nederland, maar ook die andere landen trokken veel gastarbeiders aan.’
Succes ‘Elke dag doen waar je blij en enthousiast van wordt. Zoals Gandhi ooit zei: ‘Als je doet wat je leuk vindt, hoef je nooit te werken.’
Rolmodel ‘Het vinden van een rolmodel in een achterstandswijk is lastig. Succesvol zijn, stond gelijk aan het hebben van een eigen zaak, zo begon ik een cafetaria. Pas toen ik de enige Turk uit de Schilderswijk ontmoette die televisie maakte, Ömer Ilik, realiseerde ik me dat ik dát ook kon. Ömer heeft me als vrijwilliger bij de lokale omroep aangenomen en me de kneepjes van het vak geleerd.’
Integratie ‘Er wordt vooral gekeken wat er niet goed gaat met de integratie van Turkse Nederlanders. Terwijl studenten van Turkse komaf jaar na jaar betere prestaties leveren en ontzettend gemotiveerd en ondernemend zijn.’

januari 10, 2015Permalink

Ik had het helemaal gehad met die Turken.

INTERVIEW Als kind dacht journaliste Fidan Ekiz vaak met heimwee aan Turkije: het land van haar ouders, vakantieland. Uit nieuwsgierigheid ging ze er werken als correspondent. Totdat ze Nederland begon te missen. ‘Ik had het helemaal gehad met die Turken.’

DOOR Greta Riemersma 10 januari 2015

CV Fidan Ekiz
Geboren 10 december 1976 in Rozenburg.
Loopbaan
2000 School voor Journalistiek in Utrecht.
2001-2003 Verslaggeefster bij het Rotterdams Dagblad.
2004-2007 Correspondent in Turkije voor de kranten van de Geassocieerde Pers Diensten, RTL Nieuws en andere media.
2007-2010 Redacteur bij Pauw & Witteman.
2010-2013 Programmamaker en presentator bij de VARA.
2011 Documentaire Veerboot naar Holland, samen met journalist Kees Schaap. Kreeg de Erasmus EuroMedia Award en de Rotterdamse Persprijs.
2012 Documentaire Ik zie een verre reis.
2012-nu Tafeldame in De Wereld Draait Door.
2013-nu Freelance journalist en presentator.
2014-nu Columnist bij tijdschrift Jij&je kinderen.
Getrouwd met journalist Wierd Duk, samen hebben ze een zoon, Ferran (1).
Op een avond in Istanbul zat Fidan Ekiz (38) te luisteren naar Frank Boeijen. Ze had er al wat jaren opzitten als Turkije-correspondent, ze had heimwee. Ze miste haar ouders in Rozenburg en Rozenburg zelf ook, ja, ze miste heel Nederland. Toen hoorde ze het liedje Vaderland, waarin Boeijen precies beschrijft wat zij voelde: ‘Laagland, haringland, duinenland, zuinig land, koffieland, kaasland, Amsterdam, Rotterdam.’ Ze zong mee en toen ze bij ‘Rotterdam’ kwam, toch bijna Rozenburg, haalde ze flink uit. Daarna begon ze te huilen. Ze dacht: ‘Dit had Wilders moeten zien: een Turk die in Turkije huilt om Nederland.’

Ekiz werkte in Turkije van 2003 tot 2007, als correspondent voor de regionale kranten van de Geassocieerde Pers Diensten en RTL Nieuws en ze hielp ook buitenlandse media als The Wall Street Journal, BBC en CNN. Eerst zat ze drie maanden aan de Turks-Iraakse grens om de Irak-oorlog te verslaan, daarna jarenlang in Istanbul. Ze leefde in het geboorteland van haar ouders en dat beviel haar de eerste jaren prima. Ze ging op in haar werk, maar gaandeweg begon ze meer dan normaal aan Nederland te denken en als ze even terug was in Rozenburg dacht ze: ‘Hè, lekker hier, rustig.’

Voelde je je in Turkije Nederlands?

‘Jaaaaaa.’

Dacht je: ik ben niet Turks zoals de anderen om mij heen?

‘Constant. En zij zagen het ook. Ik hoefde maar in een taxi te stappen en nog voor ik een woord had gezegd, was het: ‘Kom jij uit Europa?’ Ik weet niet waar dat aan lag, misschien lachte ik meer dan anderen, Europeanen zijn meestal wat opener.’

Je Europese kleding?

‘Ja, en het kwam ook door mijn lengte. In Turkije hebben Turken uit West-Europa de reputatie lang te zijn. Mensen zeggen daar altijd: ‘Jullie hebben meer vitamines in het eten.’
Foto Jouk Oosterhof
Ekiz kan nu lachen om die avond in Istanbul. Ze zit aan de verse jus in een café in de Amsterdamse nieuwbouwwijk IJburg, waar ze woont met echtgenoot en zoontje Ferran van 14 maanden. Alles om haar heen is zo Nederlands als maar kan: het jachthaventje dat door de natte ramen nog net is te zien, het IJ dat in de verte oplost in een laaghangende grijze lucht. Je zou kunnen zeggen dat de situatie nu omgekeerd is. Ze mist Turkije, vooral als ze Turkse muziek hoort. ‘Of als ik denk aan de nachten dat ik niet kon slapen, een taxi nam en langs de Bosporus reed.’

Je zou het ook anders kunnen zeggen: ze houdt van allebei, Nederland en Turkije, en het heeft tijd gekost om te ontdekken dat ze niet hoeft te kiezen. Haar werk heeft haar daarbij geholpen. Ze maakte twee documentaires over de relatie van haar familie met beide landen: Veerboot naar Holland (2011) en Ik zie een verre reis (2012). Nu is ze bezig met een boek over haar Turkse afkomst en hoe die doorwerkt in haar huwelijk met een autochtone Nederlander. In discussiebijeenkomsten schuift ze steeds vaker aan als ‘Turkije-deskundige’. Lange tijd verzette ze zich tegen dat stempel, ze wilde een ‘allround journalist’ zijn, maar ze begint het leuk te vinden. ‘Waarom zou ik geen Turkije-kenner kunnen zijn? Ik weet er veel van.’

Laten we bij het begin beginnen. Wat betekende Turkije voor jou als kind?

‘Vakantieland én het land van mijn ouders. Elke zomer gingen we naar Samsun aan de Zwarte-Zeekust, waar de familie van mijn ouders woont. Als wij er midden in de nacht aankwamen, rende mijn oom in pyjama de straat op, schreeuwend, huilend: ‘Mijn zus is er!’ Dan sloten ze elkaar in de armen – als kind raakte ik er erg van onder de indruk. Ik was in Turkije altijd gelukkig, het was gezellig, avontuurlijk, heel anders dan in Nederland. Ik groeide op met het idee: Nederland is koel en saai, een klein landje.’

Hadden je ouders heimwee naar Turkije?

‘Heel erg. Mijn moeder is een levendige vrouw, maar er is een tijd geweest waarin zij teruggetrokken was. Later kon ik er pas de vinger op leggen: ze moet depressief zijn geweest. Het was de periode waarin haar moeder ziek was en overleed.’

Je moeder dacht toch dat haar moeder is overleden omdat zij in Nederland is gaan wonen?

‘Ja, toen mijn moeder in 1973 naar mijn vader in Nederland ging, heeft haar moeder haar vrolijk uitgezwaaid, maar daarna is ze huilend de hazelnootvelden ingelopen, terwijl ze de naam van mijn moeder schreeuwde: ‘Muazzez!’. Als daarna vliegtuigen overkwamen, zei ze: ‘Zou dat Muazzez zijn?’ Toen mijn oma ziek werd, is mijn moeder gekomen en heeft mijn oma verteld dat je ziek kunt worden van verdriet.’

Mijn vader had het idee: wij zijn gastarbeiders, je kunt maar beter niet te moeilijk doen, want dan word je het land uitgezet
Toen je moeder net weer in Nederland zat, is je oma overleden.

‘Ja. En haar familie in Turkije heeft dat pas drie maanden later verteld. Haar broers dachten: Muazzez zit daar alleen in Nederland, ze trekt het niet. Ze hebben het uitgesteld. En toen mijn moeder het eindelijk wist, is ze twee jaar niet naar Turkije geweest, zo boos was ze. Toen ze er weer kwam, is ze naar het graf van haar moeder gegaan en dacht ze: oké, dit is mijn moeders huis, hier kan ik haar altijd opzoeken. Het maakte haar rustiger.’

En hoe zat het met je vader?

‘Hij was ook niet bij het overlijden van zijn vader. Hij wist wel dat zijn vader ziek was, maar ging niet. Mijn vader werkte als lasser bij scheepswerf Verolme, hij was een echte workaholic. Hij had het idee: wij zijn gastarbeiders, je kunt maar beter niet te moeilijk doen, want dan word je het land uitgezet.’

Hoe was jullie opvoeding?

‘Ik ben erg Turks opgevoed. Ik sprak geen woord Nederlands tot ik naar de kleuterschool ging. Later bracht mijn vader ladingen Turkse films op VHS-band mee van de Turkse vereniging, we hadden veel Turkse boeken thuis en we hadden Turkse les op school. Als kind was ik dus erg Turks.’

Je hoort nu veel over Turks nationalisme, hadden jouw ouders daar ook last van?

‘Nee, mijn ouders hebben ons altijd gestimuleerd ons aan te passen aan Nederland, ons hier te gedragen, ons niet af te zetten. We moesten van mijn vader zelfs nog de reclamefolders beantwoorden. Ik zei: ‘Pa, dit hoeft allemaal niet.’ ‘Doe nou maar’, zei hij dan.’

Was hij echt bang dat hij anders zo over de grens kon worden gezet?

‘Dat was de interpretatie die ik er als kind aan gaf. Maar het zat ook in onze opvoeding: gehoorzaam zijn, discipline. Mijn ouders hadden allebei zoiets: wij blijven hier voor jullie, want hier heb je kansen, grijp ze dan ook.’

Hoe ben je op het idee gekomen om in 2003 als journalist naar Turkije te gaan?

‘Ik werkte bij het Rotterdams Dagblad en toen de Irak-oorlog uitbrak, zochten ze iemand die Turks sprak. Het was mijn droom. Ik wilde altijd al oorlogscorrespondent worden, Oriana Fallaci was mijn grote voorbeeld. Ik heb drie maanden in Silopi gezeten, in Koerdisch gebied aan de Iraakse grens. Het was precies het leven dat ik wilde: avonturen, mensen ontmoeten, onderweg zijn, verhalen maken.’

Ging je ook naar Turkije om je roots te onderzoeken?

‘Ik was rond die tijd juist heel erg bezig met Nederland, ik begon aan mijn journalistieke carrière. Ik ging naar Turkije uit journalistieke ambitie, maar het is wel zo dat de liefde voor Turkije terugkwam omdat ik zo bezig was met dat land. Ik was nieuwsgierig: eens kijken wat mijn ouders hadden achtergelaten.’

Hoe kwam je terecht in Istanbul?

‘Ik was daar al voor de krant toen ik een telefoontje kreeg, ik stond op het Taksimplein: ‘Zoek maar een woning, want je mag blijven.’ Ik was blij, maar ik dacht ook: shit. Ik maakte me zorgen hoe ik het thuis moest brengen. Ik wist dat mijn moeder zou denken: niet nog een keer zo’n grote afstand, niet met mijn kinderen.’
Foto Jouk Oosterhof
De geschiedenis zou zich herhalen.

‘Ja. Ik heb het nieuws gemaild naar mijn oudere zus en toen ik thuiskwam in Rozenburg was het al geland. Mijn vader vond het wel stoer, maar mijn moeder had zitten huilen. Ze was bang dat ik nooit meer terug zou komen en dat idee had ik zelf trouwens ook: waarschijnlijk blijf ik er wel. Toen ik vertrok, reageerde ze net als haar moeder toen zij Turkije verliet. Ze liet niets merken, later hoorde ik hoe ze me miste.’

Hoe beviel Istanbul?

‘In het begin was het gewéldig. Ik heb het hele uitgaansleven uitgetest. Ik weet niet hoe ik het met mijn werk voor elkaar heb gekregen, want ik zat regelmatig met een kater thuis. Ik maakte alles mee wat ik altijd al van Istanbul had gedacht: smartlappen luisteren, raki drinken, meezingen, huilen. Ken je dat? Die smartlappen gaan bijvoorbeeld over familie die je uit het oog bent verloren, nou ja, ik was misschien twee maanden van huis, maar alle emoties kwamen boven.’

In Turkije is het the survival of the fittest
Je begon je familie meteen al te missen?

‘Ja, maar dit was mooi! Ik kwam terecht in die mysterieuze wereld van dat enorme Istanbul. Het was zó avontuurlijk, het raakte mijn ziel. Ik maakte ook een transformatie door. Iedereen zei tegen mij: ‘Fidan, je gaat er steeds Turkser uitzien.’ En Turkser betekende dan gek genoeg: je haar blonderen en strak föhnen. Ik werd superdun, ik ging naar de hamam, liet pedicure en manicure doen, het was de normaalste zaak van de wereld, net als plastische chirurgie.’

Heb jij nog iets laten doen?

‘Ja, mijn neus.’ Ze wijst op haar neusbot, dat eerst dikker was. ‘In Nederland vroeg iedereen: ‘Waarom doe je dat?’ In Turkije zeiden ze: ‘Wanneer laat je je neus doen?’ Ik werd besmet. Ik ging helemaal op in dat Turkse – tot ik op een dag zonder stroom zat omdat ik de rekening een dag te laat had betaald.’ Ze schiet in de lach. ‘Je moest in de rij staan om je elektriciteit te betalen, maar daar had ik niet altijd tijd voor. En als ik dan belde of er een monteur kon langskomen, kwam er niemand. Je bent in Nederland gewend dat alles soepel loopt, hè? In Turkije is het the survival of the fittest.’

Wat is er zo hard aan het leven daar?

‘Mijn salaris kwam vooral uit Nederland, maar als je wél je geld in Turkije moet verdienen, is dat zwaar. Het is hard werken en je kunt makkelijk worden belazerd. Dat tekent je, je wordt er hard van.’

Ik heb een nichtje dat vrij vroom is, zij zei in het begin wel: ‘Is deze rok niet een beetje te kort in deze wijk?’
In jouw documentaire Ik zie een verre reis zeg je dat Istanbul een cultuurshock voor je was.

‘Ja, héél erg. Ik had moeite om vriendschappen te sluiten, vooral met vrouwen, dat lukte me gewoon niet. Ze hielden op een of andere manier de deur voor mij dicht.’

Een Turkse Nederlander zegt in die documentaire dat in Istanbul vriendschappen met locals onmogelijk zijn.

‘Jaaaaa, ik had permanent discussies. Alles wat je zegt, wordt opgevat als kritiek. Dat had ik ook als journalist. Vaak zeiden geïnterviewden tegen mij: ‘Wat schrijf je toch allemaal op? Je hangt de vuile was niet buiten, hè?’ Iemand zei ook: ‘Als wij niet bij de Europese Unie komen, is het jouw schuld.’

Hoe was het voor jou als vrouw alleen?

‘Ik heb een nichtje dat vrij vroom is, zij zei in het begin wel: ‘Is deze rok niet een beetje te kort in deze wijk?’ In de wijk waar zij woont, lopen mensen er vrij traditioneel bij. En omdat ik lang ben voor een Turkse, zie je bij mij meteen veel bloot. Op vakanties had ik altijd zo weinig mogelijk kleren aan omdat het er bloedheet was, maar ik ging er nu toch op letten.’

De geschiedenis van je ouders herhaalde zich inderdaad: je kreeg heimwee.

‘Een tijdlang had ik mijn draai gevonden, maar na een jaar of drie merkte ik dat ik in een isolement zat. Ik had geen zin meer in die oppervlakkige vriendschappen die me toch niet lukten. Ik begon mijn vrienden in Nederland te missen. Ik vond Nederland ineens liever, rustiger. Als ik in Rozenburg aankwam, was alles overzichtelijk. In Turkije voeren emoties de boventoon en die lopen snel hoog op. Je hebt er snel ruzieachtige discussies. Het is chaos. Ik werd er overspannen van.’

Letterlijk?

‘Nee, dat niet. Maar Nederland is een land van consensus, Nederlanders zijn al die drukte niet gewend. Ik had gewoon rust nodig.’

Je vond een baan als redacteur bij Pauw & Witteman. Dacht je vaak terug aan Turkije?

Lachend: ‘Ik wilde er niets meer mee te maken hebben. Ik had het gehad met de Turken, ik kon geen Turk meer zien.’

Waarom zo extreem?

‘Ik weet niet, het is zo’n collectieve maatschappij, alles is Turks. De tv is héél eenvormig en vooral gericht op Turkije. Ik dacht: even niet. Achteraf denk ik dat ik me ook zo heb opgesteld om geen spijt te krijgen van mijn keuze. Want dat dacht ik wel de hele tijd: heb ik hier nou goed aan gedaan?’
Foto Jouk Oosterhof
Na drie jaar Pauw & Witteman vertrok ze, om zich toe te kunnen leggen op haar eigen werk. De allereerste gedachte aan Veerboot naar Holland, haar eerste documentaire, had ze gekregen tijdens die avond in Istanbul met Frank Boeijen. Ze had beseft dat zij in precies dezelfde situatie zat als haar ouders in Nederland, maar dat ze maar weinig details kende. Als kind had ze hun emoties gevoeld, maar haar ouders hadden nooit veel over zichzelf verteld. Ze besloot het emigratieverhaal van haar ouders en hun Turkse vrienden in Rozenburg vast te leggen.

Haar moeder praatte meteen honderduit, maar haar vader vormde een probleem. Altijd was hij een raadsel voor haar geweest, omdat hij of aan het werk was bij Verolme of met zijn Turkse vrienden zat te drinken in het café. Nu vluchtte hij weg zodra ze met de camera in de buurt was. Pas na eindeloos zeuren, stemde hij toe en vertelde hij hoe zijn emigratie naar Nederland meteen al was tegengevallen. Nederland was niet het paradijs waarvoor veel Turken het hadden gehouden. Hij deed smerig werk, maar verdiende niet eens zo veel meer dan in Turkije. En Nederland was zo anders, zo stil, in vergelijking met het warme, levendige Turkije. Hij wilde terug, maar het kwam er niet van.

In Veerboot naar Holland zegt jouw vader: ‘Het leven is niet gelukt.’ Vond je dat niet verschrikkelijk om te horen?

‘Hij bedoelde: het leven dat ik wilde opbouwen, is niet gelukt. Hij is naar Nederland gekomen om rijk te worden.’

Maar vond je het geen schokkende ontdekking dat hij er zo over denkt?

‘Ik vond het heel verdrietig.’

Wat heeft deze documentaire voor je veranderd?

‘Heel veel. Ik had behoefte al die emoties rond mijn ouders een plek te geven. Ik wilde begrijpen waarom ik zoveel respect heb voor mijn ouders. Mijn vader moest bij Verolme vieze tankers schoonmaken. Nederlanders weigerden het, maar de buitenlanders waren bang ontslagen te worden, dus deden ze het. Tegen ons, mijn broer en twee zussen, zei mijn vader altijd: ‘Werk hard, klaag niet.’

Snap jij dat je ouders nooit zijn teruggegaan naar Turkije? Het zou een afgang zijn tegenover de familie in Turkije, de economie in Turkije was niet goed, maar toch: ze vonden het hier niet leuk.

‘Ze zijn gebleven voor onze toekomst. Daarom voelen veel gastarbeiderkinderen nu de druk om hun ouders te verdedigen. Nederland is verhard, maar mensen als mijn ouders verdienen dat niet. Ze hebben meegeholpen de economie op te bouwen. En vergeet niet: er wordt nu steeds gepraat over IS, zijn de moslims voor of tegen, maar deze mensen hebben toch een enorme liefde opgebouwd voor Nederland. Als mijn ouders in Turkije zijn, willen ze na een tijdje terug. Als ze Rozenburg binnenkomen hebben ze het gevoel: lekker.’

De generatie van mijn zusje kwam net in de puberteit toen Nederland veranderde in die fase na 9/11 en dat heeft ze onzeker en in de war gemaakt
Je tweede documentaire, Ik zie een verre reis, gaat over je zusje Ferian en haar vriendinnen die een paar jaar geleden naar Turkije wilden verhuizen.

‘Ik wilde onderzoeken waarom er tegenwoordig zo veel jonge Turkse Nederlanders naar Turkije willen emigreren. Ik ken de cijfers niet, maar ze zijn allemaal bezig met een toekomst in Turkije. Ik heb mijn zusje gevraagd omdat je bij familie gemakkelijk dichtbij kunt komen. Zij was bezig met Turkije, maar ze was niet eens het beste voorbeeld.’

Ben je erachter gekomen waarom zovelen weg willen?

‘Heel lang zag ik de reden niet, ik had mezelf opgesloten in de bubble van de journalistiek en dacht: speel toch niet zo het slachtoffer, vecht voor je plek in Nederland. Maar ik ben het beter gaan begrijpen. De generatie van mijn zusje kwam net in de puberteit toen Nederland veranderde in die fase na 9/11 en dat heeft ze onzeker en in de war gemaakt.’

Ik heb eens een jonge Turkse Nederlander horen zeggen: ‘Ik voel mij gekwetst door de manier waarop in Nederland over de islam wordt gepraat.’

‘Dat kan. Een van de vriendinnen van mijn zus gaf als reden om weg te willen, en die reden hebben veel jonge Turken: wij voelen ons hier niet meer welkom. Ze zei: ‘Als ik in de trein een telefoongesprek voer in het Turks, wordt er veel gemakkelijker dan vroeger gezegd: ‘Spreek Nederlands.’ Terwijl: als ik Engels zou spreken, zou niemand iets zeggen.’’

Volgens onderzoeksbureau Motivaction is 80 procent van de jonge Turkse Nederlanders voor IS.

‘Ik had meteen zoiets: het klopt niet, dat onderzoek. Ik ken Turken, ik volg ze op Facebook en Twitter en kan me dit niet voorstellen. Turkse jongeren hebben via sociale media, persberichten en ingezonden stukken massaal kritiek geuit op de gehanteerde onderzoeksmethode.’

Ook als maar een fractie van het onderzoek klopt, is het ernstig, toch?

‘Absoluut. Ik vind dat die sympathieën moeten worden aangepakt. En ik vind ook dat de moslimgemeenschap IS uitdrukkelijk moet veroordelen, zoals bijvoorbeeld burgermeester Aboutaleb bepleit. Als jou als moslim wordt gevraagd wat je van IS vindt, kun je toch gewoon zeggen dat al dat geweld niets te maken heeft met jouw religie?’

Nadat ik uit Istanbul was teruggekomen, heb ik mij jarenlang afgesloten voor mijn liefde voor Turkije
Er is bovendien veel nationalisme onder jonge Turkse Nederlanders en dat staat de integratie in de weg.

‘Ze zitten te veel in een Turkse bubble, met Turkse vrienden en Turkse media. Daardoor sluiten ze zich af voor wat er speelt in Nederland.’

Het is gek, want iedereen waarschuwt deze jongeren voor een emigratie naar Turkije. Ze kunnen daar niet aarden.

‘Ja, raar hè? De meerderheid komt dus ook terug. Ik sprak een Turkse Nederlander die in Istanbul een reclamebureau heeft opgebouwd en ook hij had heimwee. Hij is net teruggekomen in Amsterdam, hij heeft een kind gekregen en vindt het onderwijs in Nederland beter.’

Je zusje is uiteindelijk in Nederland gebleven, net als al haar vriendinnen. Heeft jouw documentaire daarmee te maken?

‘Ik denk dat ze zijn genezen. Door mijn documentaire hadden ze het voor het eerst over hun Turkije-fascinatie, het werd bespreekbaar. Zij zagen zelf niet in wat voor wereld zij leefden, ze hadden niet door dat zij in Nederland volledig Turks waren geworden.’

Hadden ze dat niet door?

‘Nee. Het was ook een manier om zich af te sluiten voor alle negativiteit. Een van die vriendinnen zegt in de documentaire: ‘Ik voel me teleurgesteld, een outcast.’ Het was een soort rebelsheid dat ze zich zo op hun Turks-zijn hebben gestort.’

Wat heeft deze documentaire jou gebracht?

‘Nadat ik uit Istanbul was teruggekomen, heb ik mij jarenlang afgesloten voor mijn liefde voor Turkije. Maar toen ik met mijn zusje en haar vriendinnen praatte, dacht ik: waarom doe ik dat? Turkije is een gewéldig land. Ik dacht ineens hetzelfde als mijn moeder bij het graf van haar moeder: het is oké, ik ben te streng voor mezelf geweest door mezelf een poos zo af te sluiten voor Turkije. Ik kan er altijd naartoe.’

januari 10, 2015Permalink

Schuldhulpverlening werkt in gekke cirkeltjes

De overheid kan de schuldhulpverlening niet meer alleen aan, vindt Eelke Blokker van het Instituut voor Publieke Waarden (IPW). Een particulier initiatief moet helpen om schuldenaren die nu geen hulp krijgen, juist wel te helpen.

Foto: ANP XTRA
De overheid kan de schuldhulpverlening niet meer alleen aan, vindt Eelke Blokker van het Instituut voor Publieke Waarden (IPW). Een particulier initiatief moet helpen om schuldenaren die nu geen hulp krijgen, juist wel te helpen.

Blokker bedacht samen met Albert Jan Kruiter en Harry Kruiter (ook IPW), Pieter Hilhorst, Jos van der Lans en Sadik Harchaoui het Goede Gieren Fonds. Daarmee gaan de initiatiefnemers de komende tijd in zo’n 5 steden met 20 tot 50 huishoudens bekijken of zij de schulden kunnen overnemen en met de schuldenaren een plan kunnen opzetten om geldproblemen in de toekomst te voorkomen.

Overbelast

‘We zien dat de schuldhulpverlening nu overbelast raakt. Steeds minder mensen worden toegelaten in een schuldhulptraject, terwijl een toenemend aantal mensen zich meldt. Ook de omvang van de schulden wordt groter’, weet Blokker. En ondertussen lopen de maatschappelijke kosten hoog op wanneer schuldenaren niet geholpen worden.

Verslaving

Het hulpverleningssysteem werkt soms in gekke cirkeltjes, stelt Blokker. ‘Heb je schulden door je verslaving dan zegt je verslavingsarts dat je eerst aan je schulden moet werken, voordat je stabiel genoeg bent om je verslaving aan te pakken. Terwijl de schuldhulpverlener eist dat je aantoonbaar verslavingsvrij bent, voordat je in een schuldhulptraject terecht kan. Zo kom je dus geen stap verder.’
Per jaar zoeken ruim 100.00 mensen hulp voor problematische schulden. Bij een derde van de aanvragers zijn de schulden (vooralsnog) onoplosbaar. De NVVK, de branchevereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren en de Hogeschool Utrecht hebben onderzocht waarom hier nog geen oplossingen voor zijn. Lees hier meer >>
Bijstand

Daarbij worden persoonlijke initiatieven van schuldenaren door het overheidssysteem in de kiem gesmoord. Blokker geeft een voorbeeld van een zzp’er met grote schulden die dit jaar een omzet van 60.000 euro voorspelt. ‘Hij heeft dus een behoorlijke afloscapaciteit, maar de gemeente adviseert hem toch te stoppen met werken en een bijstandsuitkering aan te vragen. Allemaal in het kader van stabiliteit.’

Overnemen

Het idee is dat het fonds de schulden overneemt van schuldenaren die nu niet geholpen worden. Blokker stelt nadrukkelijk dat ze de schulden niet afkopen. ‘Wij nemen de schuld over van de schuldeiser en gaan vervolgens bekijken hoe en of we dat gaan vorderen bij de schuldenaar. En dat kan dus ook langer duren dan in een gemeentelijk schuldtraject. Daarbij is het belangrijk dat we samen met de schuldenaar een plan maken om schulden in de toekomst te voorkomen.’

Regels

‘Wanneer je particuliere hulp organiseert, in de vorm van het Goede Gieren Fonds, zou je per geval kunnen bekijken wat de juiste oplossing is’, legt hij uit. ‘De overheid kan dat niet, die werkt met regels die voor iedereen hetzelfde zijn. Wij kunnen kijken of die zzp’er er wel goed aan doet om te blijven ondernemen. Of afspreken dat hij langer de tijd krijgt om een schuld terug te betalen.’

Schuldeiser

Schuldeisers hebben baat bij het initiatief, daarvan is Blokker overtuigd. Een huisuitzetting kost een woningcorporatie ongeveer 5000 tot 7000 euro. Dat geld zijn ze kwijt en daar zien ze nooit meer iets van terug. Het Goede Gieren Fonds kan bijvoorbeeld voor een fractie van dat bedrag de schulden overnemen en samen met de huurder een plan maken om huurachterstand te voorkomen in de toekomst. Uiteindelijk hebben de woningcorporatie én de huurder daar meer aan.

Filantropen

Het geld dat in het fonds terecht moet komen, is afkomstig van banken, fondsen en filantropen. ‘We willen over een paar jaar 50 miljoen euro in het fonds hebben, maar we weten nog niet of dat lukt. Het is bovendien de bedoeling dat er geld in het fonds terugstroomt. Misschien wel van de overheid die geld bespaart, omdat wij huisuitzettingen en andere problemen op deze manier kunnen voorkomen.’

Onderzoek

Of de plannen voor het Goede Gieren Fonds ook daadwerkelijk zo uitpakken, weet Blokker niet. ‘We denken en hopen dat het zo kan. Daarom gaan we de komende tijd met die huishoudens onderzoeken of het echt zo werkt en of we iets goeds hebben.’

 

januari 8, 2015Permalink

Mieren ontwikkelen groter brein door gespecialiseerd werk

Mieren ontwikkelen een groter brein als ze in een kolonie leven waarin ze zich moeten specialiseren in bepaalde taken. Dat blijkt uit een nieuwe studie.

Als mieren in grote kolonies leven, hebben ze vaak een relatief groot brein.

Die hersenontwikkeling wordt waarschijnlijk veroorzaakt omdat de taken in grote kolonies worden verdeeld en de mieren meer gespecialiseerd werk verrichten.

Dat melden onderzoekers van de Universiteit van Texas in het wetenschappelijk tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences.

Acacia

De wetenschappers kwamen tot hun bevindingen door de relatie tussen de grootte van kolonies en hersenformaat te onderzoeken bij acaciamieren. Deze mieren komen voor in Centraal Amerika en maken hun nesten in uitgeholde stammen van acacia’s.

In de grote kolonies zijn er twee soorten werkers. Sommige mieren houden zich vooral bezig met de bewaking van het nest, terwijl andere diertjes voedsel verzamelen. In kleinere kolonies voeren alle werkers deze twee taken gezamenlijk uit.

De wetenschappers brachten in hun laboratorium het hersenvolume in kaart van mieren uit verschillende kolonies.

Bewakers

Ze ontdekten dat hersendelen die betrokken zijn bij geheugen en leertaken relatief groot zijn bij werkers uit grote kolonies die naar voedsel zoeken, zo meldt nieuwssite Science Now.

Bij werkers die het nest bewaakten waren deze hersengebieden juist bijzonder klein.

De veranderingen in hersenen suggereren volgens hoofdonderzoekster Sabrina Amador-Vargas dat het bovengemiddeld grote brein van mieren in grote kolonies ontstaat onder invloed van hun gespecialiseerde werk. “Al moet dit nog wel verder worden onderzocht”, schrijft ze.

Sociaal

Eerder werd door wetenschappers gesuggereerd dat het toegenomen hersenvolume van mieren in grote kolonies vooral verband zou houden met het grote aantal sociale interacties.

Die theorie gaat waarschijnlijk niet op, omdat lang niet alle werkers in de kolonies grotere hersenen ontwikkelen. De bewakers van het nest hebben immers geen vergroot brein.

januari 8, 2015Permalink