Dr. Feedback

INTERVIEW In zijn nieuwste boek Eendagsvlinders beschrijft Irvin D. Yalom wat ervoor nodig is om cliënten echt aan het praten te krijgen. image

Bram Bakker zocht zijn grote voorbeeld en inspirator op in San Francisco.

DOOR Bram Bakker 25 april 2015

image

In de ruim een halve eeuw waarin hij patiënten ontvangt, heeft de Amerikaanse psychiater Irvin D. Yalom vele, zeer uiteenlopende verhalen aangehoord. Maar de reden waarom mensen in psychotherapie gaan, veranderde niet, zegt hij: moeite met relaties. Pas als een patiënt heeft geleerd hoe hij relaties moet aangaan, is een therapie geslaagd. Ook dat is niet veranderd.

Bij het grote publiek is Irvin D. Yalom vooral bekend als schrijver, van bestsellers als De Schopenhauer-kuur, Nietzsches tranen en Het raadsel Spinoza. Maar hij is ook een van de invloedrijkste psychotherapeuten ter wereld. In zijn nieuwe boek Eendagsvlinders en andere verhalen uit de psychotherapie (Balans, € 19,95) schetst hij tien gevallen; tien verhalen van ‘patiënten bezig met de angst voor de dood, angst voor het verlies van dierbaren en uiteindelijk het verlies van zichzelf, met de vraag hoe je een betekenisvol leven moet leiden’.

Yalom heeft twee werkadressen: een in downtown San Francisco, bovenop Russian Hill. Vanaf de straat waar zijn praktijk is gevestigd, heb je een adembenemend uitzicht op het wereldberoemde gevangenis­eiland Alcatraz. Het andere adres is in Palo Alto, zo’n 50 kilometer van San Francisco. Hij ontvangt me op Russian Hill. Ondanks zijn leeftijd, hij is 83, maakt hij een jeugdige indruk, en zijn geestelijke vermogens zijn onverminderd scherp. In het gesprek is hij vriendelijk en relativerend over zijn invloed, maar hij heeft intussen wel een scherpe mening, die ook in zijn werk is terug te vinden.

Uw laatste boek, Eendagsvlinders, lijkt een vervolg op het boek waarmee u in de jaren tachtig doorbrak als schrijver voor een lekenpubliek, Scherprechter van de liefde. Wat was de belangrijkste drijfveer om het te schrijven?

‘Het gaat wat mij betreft nog steeds om dezelfde boodschap: een authentieke, wezenlijke relatie tussen de cliënt en de therapeut gaat aan alles vooraf. Op het moment dat die relatie er is, volgt de rest vanzelf. Je krijgt pas dan de zaken te horen die er echt toe doen voor de cliënt, en dat kunnen heel uiteenlopende dingen zijn. Het gaat niet om mijn interpretatie, maar om wat de cliënt met mijn feedback doet. Ik probeer iets aan te reiken, maar kan eigenlijk nooit voorspellen waartoe dat leidt. En daar probeer ik in mijn boeken iets van te laten zien.’

Kunt u een voorbeeld geven van die onvoorspelbare effecten?

‘In Eendagsvlinders adviseer ik in het gelijknamige verhaal aan twee heel verschillende mannen om Overpeinzingen van de Romeinse keizer Marcus Aurelius te lezen. In het ene geval bedenk ik puur associatief dat het wellicht past bij de man in kwestie. Omdat ik weet dat hij het ook daadwerkelijk zal lezen, moet ik het zelf ook gaan herlezen, omdat het vele jaren geleden is dat ik het heb doorgewerkt. Doordat ik er zo mee bezig ben, kom ik waarschijnlijk op de gedachte om het ook aan een andere cliënt aan te bevelen, een heel ander type, met totaal andere problemen.

‘En wat blijkt? Allebei zijn ze behoorlijk enthousiast over hetgeen ze bij Marcus Aurelius lezen, maar geen van beiden pikt de passages eruit die ik bij ze vind passen. Ze halen er zelf iets uit, en ik heb daar geen invloed op. Maar wel denk ik dat ze het kunnen gebruiken vanwege de relatie die ik met ze heb. Vanuit het vertrouwen dat er tussen ons is, gaan ze ermee aan de slag.’

U heeft zo enorm veel ervaring, dan zal het toch geregeld gebeuren dat u snel kunt inschatten waar het probleem van iemand zich bevindt, en wat er nodig is om daar vooruitgang in te boeken?

‘Dat is een grote valkuil, je kunt altijd weer verrast worden en het valt ook nooit betrouwbaar te voorspellen hoe een behandeling gaat verlopen. Ik stoor me enorm aan al die theoretische verhandelingen over werkingsmechanismen. Ik heb geen idee hoe het komt dat een behandeling wel of niet werkt, maar wat ik zeker weet is dat een authentieke relatie, een ontmoeting waarin ik als therapeut volledig aanwezig en beschikbaar ben, aan ieder mogelijk succes ten grondslag ligt. En als ik het soms even niet meer weet, grijp ik ook altijd terug naar die relatie. Waar staan we in het hier en nu? Vrijwel altijd kun je vanaf dat punt weer verder.’

U beschrijft in de tien verhalen in Eendagsvlinders vooral mensen met wie u een kortdurend behandelcontact had. Is dat bewust?

‘Sinds enkele jaren doe ik eigenlijk alleen nog maar korte behandelingen, dat heeft vermoedelijk ook met mijn leeftijd te maken. Ik zie elke doordeweekse dag nog altijd drie patiënten, en ik wil me niet vastleggen op langdurige behandelingen. In het verleden heb ik dat wel gedaan, maar ik geloof er ook niet meer zo in. Die zevenhonderd uur psychoanalyse die ik zelf in een paar jaar onderging, beschouw ik nu als verspeelde tijd. Bullshit. Over mijn angst voor de dood, een heel belangrijk thema in mijn leven, is het al die tijd nooit gegaan bijvoorbeeld. Wel ben ik overtuigd dat het vooral voor psychotherapeuten goed is om gedurende hun hele leven af en toe in therapie te gaan. En dan vooral ook verschillende therapievormen op uiteenlopende leeftijden. Maar niet achter elkaar door.’

In de huidige tijd is behandeling met cognitieve gedragstherapie de gouden standaard geworden, omdat het zo goed onderzocht is. Wat vindt u daarvan?

‘Ik vind dat ronduit catastrofaal. Het is goedkoop, mindless en saai. Er is nauwelijks follow-up van al die fragmentarische interventies. Onder druk van accreditatiecommissies en verzekeringsmaatschappijen worden aan hedendaagse psychotherapeuten zeer specifieke technieken geïnstrueerd voor specifieke diag­nostische categorieën als depressie, paniekaanvallen of specifieke fobieën. Ik ben bang dat we daardoor de persoon als geheel uit het oog verliezen. Met de verhalen over de tien patiënten in Eendagsvlinders heb ik mede daarom aandacht willen vragen voor een humanistische en holistische aanpak.’

U heeft de introductie en popularisering van classificatiesystemen als de DSM meegemaakt. Heeft de DSM ons verder geholpen, bijvoorbeeld in het wetenschappelijker maken van het vak?

‘Misschien in de zware, klinische psychiatrie, waar medicatie in de behandeling van mensen met een ernstige bipolaire stoornis of heftige psychosen onmisbaar is, maar zeker niet in de psychotherapie. Ik stel nooit een diagnose, dat is ook helemaal niet nodig. Dat kunstmatige onderscheid tussen de zogenaamde ziektebeelden – depressies, angststoornissen, et cetera – en persoonlijkheidsstoornissen slaat nergens op. En de enorme placebo-effecten in al die behandel­studies zijn naar mijn idee voor een groot deel ook het gevolg van de relatie tussen de behandelaar en de cliënt: hoe beter die relatie, hoe groter het effect.

‘In de opleiding worden de toekomstige collega’s gedwongen op een zeer beperkte manier te kijken, maar ik merk dat het tij voorzichtig keert: de artsen die in opleiding zijn tot psychiater krijgen weer meer interesse in psychotherapie, ze willen weten hoe dat werkt. En daar heeft zo’n DSM-systeem niets mee te maken. Af en toe houd ik een lezing op een congres voor psychiaters, en daar zie ik groeiende interesse. Ik ben ook nog steeds betrokken bij het opleiden van toekomstige collega’s door intervisie en supervisie te geven.’

Is de combinatie nog wel mogelijk, psychiater en psychotherapeut tegelijk zijn?

‘Ik denk het wel, maar eigenlijk vraag je dat aan de verkeerde persoon. Ik doe alleen psychotherapie en schrijf al jaren geen medicatie meer voor. Die enkele keer dat ik denk dat het voor een cliënt wellicht zinvol is om bijvoorbeeld een antidepressivum te gebruiken, verwijs ik naar een collega. Ik heb een enorm geselecteerde groep cliënten: vrijwel allemaal komen ze via mijn boeken, en dat veroorzaakt een flinke vertekening in mijn waarnemingen. Het zijn ook vrijwel altijd oudere mensen. Pas vroeg ik aan een 25-jarige jongedame waarom ze zo vaak van baan was veranderd, en haar reactie was: ‘U begrijpt niet hoe het werkt tegenwoordig.’ Misschien heeft ze gelijk. Ik denk ook wel dat de jonge mensen van nu anders zijn dan vijftig jaar geleden. Maar de belangrijkste reden waarom mensen in psychotherapie gaan, is volgens mij niet veranderd: ze hebben moeite met relaties, vooral de intieme, en in een geslaagde therapie leren ze hoe het wel moet. Als ze die therapie-ervaring weten te verinnerlijken, dan profiteren ze daarvan in hun dagelijkse leven. Het feit dat ik een medische achtergrond heb, speelt in dit werk nauwelijks nog een rol. Wat dat betreft had ik ook klinisch psycholoog kunnen zijn.’

Hoe verhoudt het schrijverschap zich tot het psychotherapeut zijn?

‘Het schrijven heeft altijd het vak gediend, dat was al zo in de tijd dat ik leerboeken schreef. Dat is eigenlijk nooit veranderd. Met alles wat ik geschreven heb, wilde ik graag mensen iets leren, ook jongere collega’s. Dat onderwijzende zit ook in mijn romans, de verhalende vorm is slechts een manier om te onderwijzen. En het is niet toevallig gekozen: in psychotherapie wordt ook een verhaal geconstrueerd, het narratieve past bij de boeken en het therapeut zijn.’

Denkt u tijdens therapiesessies weleens: dit kan ik gebruiken voor een verhaal?

‘Eigenlijk nooit. Ik maak van ieder gesprek aantekeningen, en die bewaar ik trouw. Op het moment dat ik aan een boek begin, ga ik graven in mijn archieven, selecteren en schaven. Niemand komt herkenbaar in een boek terecht en de mensen waarvan ik het verhaal heb gebruikt, vraag ik van tevoren expliciet om toestemming. Alleen Ellie, een patiënte met kanker, die ik maar kort heb kunnen behandelen, omdat haar ziekte haar heel snel fataal werd, wilde expliciet dat haar eigen naam gebruikt zou worden in het verhaal over onze therapie in Eendagsvlinders.’

Hoe denkt u over sociale media als Facebook: wat voor effect hebben al die technologische ontwikkelingen op ons?

‘Het is van alle tijden dat ouderen denken dat we onderweg zijn naar de hel, wat dat betreft is er niets nieuws aan de hand. Dat ik er weinig aandacht aan besteed, heeft ook te maken met het feit dat de meeste behandelingen die ik beschrijf in mijn boeken vaak al jaren geleden hebben plaatsgevonden.

‘En het valt me eerlijk gezegd mee hoe goed het mogelijk blijkt te zijn om therapie te doen via Skype. Op voorhand verwachtte ik er niets van, maar in de praktijk blijkt het toch aardig te werken. Ik heb meerdere cliënten die ik enkel via Skype ken. Wel valt het mijzelf steeds moeilijker om mijn dagelijkse routine vast te houden. Naast dat ik vijf keer drie patiënten per week zie, probeer ik iedere dag drie uur te schrijven. Maar doordat ik steeds meer e-mails moet beantwoorden gaat dat steeds lastiger.’ (Yalom is dan ook opvallend bereikbaar voor iemand met zijn status: op zijn website staat een direct mailadres, en hij antwoordt ook nog eens prompt op berichten, BB.)

Zijn de problemen waarmee mensen u consulteren veranderd in de loop der tijd?

‘Opnieuw moet ik dan het voorbehoud maken dat ik met een heel selectieve groep mensen werk, mensen die mijn boeken hebben gelezen en die met bepaalde verwachtingen naar me toe komen. En ook vaak mensen die me idealiseren. Die denken dat ik wijs ben vanwege mijn leeftijd. Maar binnen die groep cliënten gaat het eigenlijk om tijdloze vraagstukken, die betrekking hebben op een gebrekkig gevoel van eigenwaarde of moeite om goed te functioneren binnen bepaalde relaties. En met een tatoeage los je dat niet op.’

Hoe ziet u de toekomst van de psychotherapie?

‘Er is veel te veel invloed van de verzekeraars, en dat heeft ertoe geleid dat er te veel op korte termijn wordt gedacht, en op veel te beperkte deelterreinen wordt beoordeeld of een behandeling zinvol is. Dat zal in Nederland niet anders zijn. Ik denk dat dit mede de oorzaak is voor het steeds schaarser worden van prachtige vormen van psychotherapie als groepsbehandeling of gezinstherapie. Goede groepsbehandeling is nauwelijks nog voorhanden, doodzonde. Relatietherapie doe ik zelf niet meer, en het valt me op hoe lastig het is om iemand te vinden waar ik daarvoor naar kan verwijzen.’

Na het lezen van uw roman De Schopenhauer-kuur begon ik ooit een groep die was gemodelleerd naar dit boek. Wat vindt u van zo’n initiatief?

‘Loopt die groep nog? Nee? Begin dan snel met een nieuwe. En nu zal ik een taxi voor je bellen, want er komt zo dadelijk nog een patiënt, en daarna heb ik mijn maandelijkse intervisiegroep, met allemaal heel goede jonge therapeuten. En geloof me: in dat clubje ben ik lang de beste niet.’

april 26, 2015Permalink

Hoe onze kinderen kleine narcistjes worden

REPORTAGE Positief opvoeden moesten we toch? Onze kinderen overladen met complimenten? Vergeet het maar. Ze worden er kleine narcistjes van.

Door: Francisca Kramer 25 april 2015, 02:00 43
Als je jezelf geweldig vindt, is je kind dat natuurlijk ook

Toen ik laatst met de leerkracht van mijn zoontje een tienminutengesprek voerde, hoorde ik mezelf zeggen: ‘Hij is écht heel bijzonder’, waarna ik hem uitvoerig vertelde over de speciale kwaliteiten van mijn eerstgeborene en welke aanpak hij nodig had om de Citoscores hoog te houden. Opeens zag ik mezelf door de ogen van de meester. ‘Daar heb je er weer zo een. Zo’n moeder die denkt dat haar kind geweldig is.’

Vrijwel iedere ouder vindt zijn of haar kind bijzonder, aldus recent onderzoek van ontwikkelingspsycholoog Eddie Brummelman, die promoveerde aan de Universiteit Utrecht. En dat wordt een probleem als de kinderen zelf ook gaan geloven dat ze geweldig zijn. Kinderen die door hun ouders worden overladen met complimenten, ontwikkelen vaak narcistische trekken, met alle onaangename gevolgen van dien. Narcistische kinderen kunnen niet tegen kritiek, vertonen agressief gedrag als ze gekrenkt worden en vallen ten prooi aan een verlammend gevoel van schaamte als ze ‘afgaan’. Het worden vaak ook onaangename volwassenen. Er is bovendien een correlatie met verslaving, depressie en angststoornissen.

Nog meer slecht nieuws: het zijn er steeds meer. Uit een meta-analyse over alle studies naar narcisme die tussen 1979 en 2006 zijn gedaan onder Amerikaanse studenten, blijkt: hoe recenter de studie, hoe hoger de score op de Narcissistic Personality Inventory, de vragenlijst waarmee narcistische kenmerken worden gemeten. Per vraag kozen respondenten steeds de zin die het beste bij ze past. Eén zin duidt op narcisme, bijvoorbeeld: ‘Ik sta graag in het middelpunt van de belangstelling.’ De andere niet, bijvoorbeeld: ‘Ik val liever niet op’. Het gemiddeld aantal gekozen zinnen die op (trekken van) narcisme kunnen wijzen, lag in de laatste studies liefst 30 procent hoger dan tot 1982. Hoe dat mogelijk is? Onder meer dus doordat we onze kinderen te veel prijzen, blijkt uit Brummelmans onderzoek.

Gedragswetenschapper en universitair hoofddocent Johan Karremans van de Radboud Universiteit Nijmegen vindt het onderzoek ‘zeer interessant’. ‘Het onderzoek dat Brummelmans groep heeft afgerond, laat goed zien wat de consequenties kunnen zijn van al dat overwaarderen.’ De resultaten sluiten bovendien aan bij onderzoek dat Karremans zelf onlangs afrondde. Daaruit blijkt dat als je een groep kinderen vertelt ze dat ze speciaal zijn, deze kinderen vervolgens eerder geneigd zijn wraak te nemen als ze het gevoel hebben dat hen onrecht is aangedaan. De kinderen die niet te horen hebben gekregen dat ze bijzonder zijn, vertonen een veel minder sterke wraakneiging. Karremans: ‘Het lijkt mij waarschijnlijk dat een vergelijkbaar effect optreedt bij kinderen die steeds worden geprezen door hun ouders. Het worden er doorgaans geen leukere mensen op. Bovendien voorspelt een opgeblazen ego later weinig goeds voor het functioneren in een baan of een liefdesrelatie.’ Karremans heeft wel bedenkingen bij hoe groot de rol van het prijzen werkelijk is. ‘Misschien laten kinderen met meer dan gemiddeld narcistische trekken dezelfde scores zien zonder al die loftuitingen, omdat ouders hen al impliciet duidelijk maken hoe geweldig ze zijn. Daarvoor is echter nieuw onderzoek nodig. Er is ieder geval een verband tussen prijzen en narcisme.’

Tot voor kort werd aangenomen dat narcisme vooral het gevolg is van ouders die te weinig warmte geven

ROTJOCH
‘MIJN KIND VERDIENT HET’
Ontwikkelingspsycholoog Eddie Brummelman promoveerde onlangs aan de Universiteit Utrecht op het verband tussen overwaardering en narcisme bij kinderen. Hij ontwikkelde de Parental Overvaluation Scale (POS), waarin ouders stellingen krijgen voorgelegd als: ‘Mijn kind verdient het om op een speciale manier te worden behandeld.’

In één onderzoek vinkten Amerikaanse ouders van kinderen tussen de 8 en 12 jaar op een lijst aan van welke historische gebeurtenissen hun kind volgens hen zeker kennis had. De lijst bevatte echter ook niet-bestaande gebeurtenissen. Overwaarderende ouders kruisten vaker de ‘gebeurtenissen’ aan die nooit hadden plaatsgevonden. Deze ouders bleken niet alleen hun kind een stuk vaker dan gemiddeld te prijzen, maar ook zelf hoog te scoren op narcistische trekken. Bij IQ-scores was het van hetzelfde laken een pak. Overwaarderende ouders bleken voorafgaand aan een IQ-test hun kind een hogere intelligentie toe te dichten dan diezelfde kinderen na de test bleken te hebben.

Het jongste zoontje van een vriendin is een slimmerik. En dat weet hij zelf helaas ook. Zijn moeder: ‘We waren er in het begin nogal van onder de indruk. Hij praatte op zijn 2de al in volzinnen, kende razendsnel alle kleuren en kon zelfs al in categorieën denken: ‘Dit is een plant, dit is een dier, dit is een ding.’ Iedereen juichte, klapte en prees hem de hemel in. Hij straalde en vertelde aan iedereen die het wilde horen: dat kán ik, ik ben heel slim voor mijn leeftijd.’

Toen ik op een avond met zijn moeder uit eten was, barstte ze uit: ‘Eigenlijk is het af en toe een strontvervelend rotjoch.’ Het arme kind, inmiddels 6, was zelf gaan geloven dat hij uitzonderlijk was en had de hele zomervakantie verpest door aan tafel continu in discussie te gaan met zijn oudere zus. Die zat in de klas 4 van het gymnasium en was daar uiteraard niet van gediend.

Inmiddels wordt het mannetje aan alle kanten gecorrigeerd, maar niet alle ouders weten de boel op tijd recht te trekken. Vooral niet als die ouders zelf ook kenmerken vertonen van narcisme, iets wat volgens het onderzoek van Brummelman vaak het geval is bij narcistische kinderen. Logisch natuurlijk: als je jezelf geweldig vindt, is je kind dat natuurlijk ook. Hij of zij is toch voortgekomen uit jouw superieure genen? Ook voor je eigen imago is het wel zo fijn is als je kind het goed doet op school of het voetbalveld. Hoe kweek je een narcistisch kind? Door hem continu te laten weten hoe geweldig hij is.

Bij zo’n uniek exemplaar hoort ook een bijzondere voornaam. Brummelman turfde hoe vaak kindernamen voorkwamen in hetzelfde geboortejaar en wat bleek: ouders die hun kind overwaardeerden, gaven hun kind vaak een naam die op zijn minst niet doorsnee is te noemen. Denk aan het kroost van veel Hollywoodsterren: North West (van Kim Kardashian en Kanye West) en Apple, dochter van de consciously uncoupled Gwyneth Paltrow en Chris Martin. In Nederland kunnen we er ook wat van. Ouders die hun kind willen onderscheiden, noemen het Zinxten of Tarzan-Lollipop.

Met de redelijk gangbare naam van mijn zoon heb ik het dus niet zo gek gedaan. Dat het kind al op zijn 3de op tennisles werd gedropt, vind ik een wat beschamender feitje. Ik was ervan overtuigd dat hij over uitzonderlijk talent moest beschikken, aangezien hij iedereen die bij ons over de vloer kwam een vliegenmepper, paraplu of bezem in handen drukte met de dwingende boodschap: ‘Tenne!’ Tennissen wilde hij, de hele dag door. Inmiddels is hij 11 en kan hij best een bal over het net slaan, maar een Krajicek zal het nooit worden.

Niet iedere ouder langs de tennislijn is op tijd ontnuchterd. Daar zit ze, de blonde übermoeder, terwijl eerst haar dochter, dan haar ene en vervolgens haar andere zoon les heeft. In keurig gesteven poloshirtjes en met blinkend witte tennisschoenen draven ze over het rode gravel. ‘Goed zo IJsbrand! Je doet het echt ge-wel-dig!’ Als de les is afgelopen en haar zoon naar de kant loopt, terwijl hij een hand door zijn haar haalt, hoor ik hem zeggen: ‘Wéér alles gewonnen.’ Zijn moeder: ‘Je bent ook zo ontzettend goed, schat.’

OUDERLIJKE WARMTE
Tot voor kort werd aangenomen dat narcisme vooral het gevolg is van ouders die te weinig warmte geven. Het kind zou daardoor noodgedwongen een opgeblazen ego ontwikkelen om zo het negatieve gevoel te compenseren. ‘Kijk, zie mij, ik ben echt wel geweldig’. Brummelman toont echter aan dat een gebrek aan ouderlijke warmte weinig te maken heeft met narcisme. Kinderen ontwikkelen die irritante trekjes juist doordat ze de opgeblazen mening van hun ouders over hen overnemen en internaliseren.Ze raken ervan overtuigd dat ze recht hebben op het allerbeste.

Overigens gaat het hier niet om de officiële (en ernstige) diagnose ‘narcistische persoonlijkheidsstoornis’. Brummelman: ‘Die wordt gekenmerkt door een hardnekkig patroon van grandiositeit: extreme behoefte aan bewondering en gebrek aan empathie voor andere mensen. Deze stoornis is zeldzaam, maar narcistische persoonlijkheidskenmerken komen wel veel voor.’ Die liggen dicht in de buurt: het gevoel dat je superieur bent, recht hebt op een voorkeursbehandeling en het logisch vinden dat je fans hebt. Waarbij hier ook geldt dat hoewel narcisten zich vaak superieur achten, dit niet betekent dat ze tevreden zijn met zichzelf. Dat laatste heet een normale zelfwaardering en houdt in dat je goed over jezelf denkt, terwijl narcisten juist hartstochtelijk graag goed over zichzelf willen denken. Een gezonde dosis zelfwaardering is alleen maar prettig in het latere leven, terwijl narcistische trekken, juist door de verkramptheid, vaak angst en depressie voorspellen.

ALTIJD LEUK ZIJN
Omdat de nadruk steeds maar wordt gelegd op wat er zo goed gaat, leert het kind dat geweldig zijn de norm is

Enige terughoudendheid in het complimenteren van je kind is dus aan te bevelen. Een andere vriendin over haar dochter: ‘Ik heb niet anders gedaan dan mijn kind de hemel in prijzen. Het gevolg: ze kan niet meer tegen kritiek en schaamt zich dood als iets niet perfect gaat. Sowieso heeft ze een perfectionistisch karakter, maar onze goedbedoelde complimenten hebben haar waarschijnlijk het gevoel gegeven dat ze niks meer waard is als ze het eens wat minder goed zou doen. Ze zei een keer: mama, ik vind het zo moeilijk om altijd maar leuk te zijn. Ze heeft ook last gehad van een angststoornis, nadat onze poes was overleden.’

Deze vriendin legt de link naar haar eigen narcistische trekken. ‘Ik ben calvinistisch opgevoed, het adagium gold: doe gewoon, dan doe je al gek genoeg. Met mijn magere lijf voelde ik me ook niet het mooiste meisje van de klas. Ik was erg onzeker. Dat heb ik gecompenseerd door te laten zien dat ik wel degelijk bijzonder ben. Als ik over mijn baan vertel, zeg ik er altijd bij dat ik honderden mensen onder me heb en een budget van tientallen miljoenen euro. Toch voel ik me van binnen onzeker. Toen ik vorig jaar was geselecteerd voor deze baan en een positief assesment had afgelegd, vroeg mijn man: geloof je zélf ook dat je het kan?’

Psychiater Bram Bakker zegt: ‘De meeste mensen hebben in mindere of meerdere mate narcistische trekken. Vrijwel altijd is dat terug te voeren op een gebrekkig zelfbeeld, dat je overschreeuwt. Als je dat ook richting je kind doet en hem of haar aldoor overlaadt met complimenten, kan dat averechts werken. Een kind is enorm sensitief en vangt die onzekerheid van de ouders toch wel op. Maar omdat de nadruk steeds maar wordt gelegd op wat er zo goed gaat, leert het kind dat geweldig zijn de norm is. Wat je dan vaak ziet, is dat kinderen hun onzekerheid op een andere manier etaleren. Ze worden bijvoorbeeld perfec-tionistisch en krijgen faalangst.’

Het is ook aan de leerkrachten om de ouders te vertellen dat hun fraaie pauw misschien een gewoon musje is

Als duidelijkste voorbeeld noemt Bakker jonge voetbalsterretjes en viooltalentjes. ‘Omdat hen van jongs af aan wordt ingeprent hoe uitzonderlijk het is wat ze kunnen, gaan ze denken dat dit op alle vlakken geldt. Ze denken dat ze een uitzonderlijk mens zijn in plaats van een getalenteerde voetballer.’

Wat moeten we dan? Door tv-nanny Jo Frost en consorten is ons steeds ingeprent juist zo positief mogelijk te zijn tegen onze kinderen. Nadruk leggen op wat goed gaat en niet focussen op wat slecht gaat, pardon, beter kan.

Wat ouders kunnen doen, is leren de juiste complimenten te geven. Want je kind helemaal niet prijzen is ook niet de oplossing. En hoe je dat dan doet? Nou, daar komt binnenkort een cursus voor. Toeval of niet, opvoedkundige Marina van der Wal start volgende maand de e-cursus: ‘Hoe geef je je kinderen de juiste complimenten’. De tijd is er rijp voor, ouders hebben handvatten nodig. Van der Wal: ‘Ik ken het onderzoek van Brummelman en ben blij dat dit onderwerp eindelijk onder de aandacht komt. Vaak geven ouders met hun complimenten waardeoordelen. Als een kind een doelpunt scoort, zeggen we: wat ben je goed, als het zijn broertje helpt: wat ben je lief, en bij een goed rapport: wat ben je slim. Onbewust verbinden we zo voorwaarden aan onze liefde en leren we het kind dat het alleen goed is als het presteert. Bovendien zijn complimenten verslavend; kinderen eisen uiteindelijk continu applaus en dat maakt ze dominant en veeleisend. De Facebookcultuur, Instagram en al die vlogs waar kinderen nu naar kijken dragen hieraan bij – daar gaat het steeds om publiek hebben en in de belangstelling staan. Waardering wordt zo een behoefte die van buitenaf moet worden vervuld.’

GEWOON MUSJE
Volgens Van der Wal is het beter om gewenst gedrag te benoemen en dat te koppelen aan het positieve effect dat erdoor ontstaat. Dus niet: wat ben je lief, als een kind zijn broertje helpt, maar: ik zie dat je je broertje helpt, wat werk je goed mee aan de sfeer. Of: ik zie dat je goede cijfers hebt, wat werk je hard op school. Van der Wal: ‘Dan snappen kinderen dat ze zelf invloed hebben; voor hard werken op school kun je kiezen.’ Nog niet zo makkelijk, want probeer je gewone complimenten maar eens volgens de juiste formule om te buigen. Kwestie van oefenen: benoem het gedrag, niet het kind. Een andere tip die Van de Wal geeft, is minimaal eens per dag zeggen dat je van je kind houdt. Los van welk gedrag dan ook. ‘Daarmee kweek je zelfvertrouwen.’ Daarnaast adviseert ze ouders om als het nodig is een luid en duidelijk nee te laten horen. ‘Kinderen moeten leren incasseren en gevoel krijgen voor oorzaak en gevolg. Als het kleedgeld is opgegaan aan games, dan geen nieuwe spijkerbroek. Of als er onvoldoendes zijn gehaald, dan niet naar de film.’

Benoem het gedrag, niet het kind

Van der Wal wijt de toename van narcistische kinderen ook aan ouders die vriendjes willen zijn met hun kinderen. ‘Opvoeden moet vooral leuk zijn en ouders voelen zich vaak ongemakkelijk als ze consequenties van ongewenst gedrag moeten uitvoeren. Toch is dat nodig, anders kweek je vreselijke mensen.’ Ze ziet hierin een uitdaging voor het onderwijs. ‘Het is ook aan de leerkrachten om de ouders te vertellen dat hun fraaie pauw misschien een gewoon musje is.’

Ik zet me alvast schrap voor het volgende tienminutengesprek.

april 25, 2015Permalink

Kan voedsel kanker genezen?

REPORTAGE Je kunt jezelf ziek eten, maar kan de zieke zichzelf ook gezond eten? Het zijn niet meer alleen kwakzalvers die dat beweren. Er wordt de laatste tijd ook intrigerend onderzoek naar gedaan.

Door: Ellen de Visser 25 april 2015, 02:00 46
Jaap Schut met zijn supermoes.

Jaap Schut met zijn supermoes. © Adrie Mouthaan
Jaap Schut is acht jaar, hij lijdt aan de levensbedreigende ziekte Cystic Fibrosis (CF) maar hij heeft, zoals zijn moeder zegt, het uiterlijk van ‘een betonblok’. Groot, sterk, iets te zwaar en zo gezond dat de radioloog aan de longarts vroeg of Jaap wel echt taaislijmziekte heeft. Want hij hoest nooit, gebruikt nauwelijks antibiotica en op de scans van zijn longen is geen schade te zien.

Het geheim van Jaap is de supermoes. Vier keer per dag eet hij een paar happen knaloranje appelmoes met daarin alle enzymen die hij zelf niet aanmaakt en twee voedingssupplementen: genistein (een sojaproduct) en curcumine (een bestanddeel uit geelwortel). Zijn moeder Samantha ontdekte de meerwaarde van die twee stoffen na veel speurwerk op internet en dacht: ik probeer het gewoon.

Vier jaar nadat bij Jaap de diagnose werd gesteld, zat Samantha Schut in het Rotterdamse Erasmus MC aan tafel met biochemicus Hugo de Jonge, gespecialiseerd in onderzoek naar CF. Er kwam een nieuw medicijn aan, voor een kleine groep patiënten met een specifieke mutatie, en De Jonge wilde in het lab bekijken of dat dure middel ook voor Jaap geschikt zou zijn.

Minidarmpjes kweken
Dat we onszelf, eenmaal ziek, weer gezond kunnen eten, dat idee is op zijn minst dubieus, het terrein van eetgoeroes en kwakdenkers

Uit nieuwsgierigheid liet hij op stukjes darmweefsel van Jaap ook wat genistein en curcumine los. Hij weet nog hoe verbaasd hij naar de uitslagen van de test keek: het medicijn werkte inderdaad, maar de combinatie van de twee voedingsstoffen bijna net zo goed.

In het Utrechtse Wilhelmina Kinderziekenhuis liet De Jonge minidarmpjes kweken uit weefsel van Jaap en van andere CF-patiënten met dezelfde mutatie. Een microscopische test bevestigde het effect van de voedingsstoffen. Na overleg met alle CF-artsen in Nederland besloot hij tot een bijzonder klinisch onderzoek: de supermoes van Jaap ging uit logeren. Twintig patiënten zouden acht weken lang het effect testen. Deze maand worden de eerste resultaten verwacht.

Met sojabonen en geelwortel kapotte cellen weer aan de praat krijgen – het klinkt ongeloofwaardig. Dat we onszelf ziek kunnen eten, is duidelijk: we eten te vet, te zoet en vooral te veel en daarmee vergroten we het risico op kanker, op hartkwalen, op diabetes. Maar dat we onszelf, eenmaal ziek, weer gezond kunnen eten, dat idee is op zijn minst dubieus, het terrein van eetgoeroes en kwakdenkers die beweren dat een dieet met weinig verzadigd vet de ziekte ms kan genezen en dat acaibessen kanker bestrijden.

Glad ijs
Voeding is onderhoud, geen reparatie. Je kunt er diabetes mee voorkomen en hart- en vaatziekten, maar reuma genezen, of kanker, nee zeg!

Renger Witkamp, hoogleraar voeding en farmacologie in Wageningen
Vraag het aan voedingswetenschappers en ze trappen onmiddellijk vol op de rem: voeding, waarschuwen ze, is géén medicijn. Jogchum Plat, bijzonder hoogleraar fysiologie van de voeding in Maastricht: ‘Gezond eten is heel belangrijk, maar dan preventief, om ziekten te voorkomen. Voldoende calcium voorkomt broze botten maar als je eenmaal broze botten hebt, helpt calcium niet meer.’ Renger Witkamp, hoogleraar voeding en farmacologie in Wageningen: ‘Voeding is onderhoud, geen reparatie. Je kunt er diabetes mee voorkomen en hart- en vaatziekten, maar reuma genezen, of kanker, nee zeg! In voedsel is geen alternatief te vinden voor een chemokuur.’

Biochemicus Hugo de Jonge beseft dat hij zich op glad ijs begeeft met zijn supermoes-onderzoek. ‘Je moet oppassen dat je niet in de hoek wordt gedrukt van de alternatieve genezers’, zegt hij. Over het therapeutische effect van voedsel hoort hij steeds hetzelfde: het is niet bewezen, dus het is niet waar. Maar bij die redenering zet hij grote vraagtekens. ‘Zonder wetenschappelijk bewijs mag je zo’n effect inderdaad niet claimen, maar je mag ook niet zeggen dat er geen effect is.’

Dieet en kanker
Sinaasappels tegen verkoudheid?
Sinaasappels zijn effectief bij een verkoudheid: dat is vermoedelijk het meest wijdverbreide idee over voeding als medicijn. Helpt vitamine C je inderdaad eerder van een snotneus af? Misschien, concludeert de Cochrane Collaboration, de internationale organisatie die medische bewijsvoering tegen het licht houdt. In grote studies is het gemiddelde effect op de duur van de verkoudheid nihil. Toch kan de extra sinaasappel bij u en mij zomaar een therapeutisch effect hebben. Zelf uitzoeken, luidt het advies.

Zo zijn er meer artsen, voor wie ervaringen van individuele patiënten het begin zijn van intrigerend onderzoek. In Rotterdam onderzoekt kinderneuroloog Coriene Catsman het effect van een ketogeen dieet (nauwelijks koolhydraten, veel vet) op een speciaal type hersentumor, in Leiden bestudeert hoogleraar diabetologie Hanno Pijl of diabetes type 2 kan verdwijnen met een ander voedingspatroon.

‘Het gevaar bestaat dat er over de genezende effecten van voeding een zeker cynisme ontstaat’, zegt Pijl. ‘Voeding kan kanker inderdaad niet genezen, maar kan wel bijdragen aan de behandeling van een ziekte.’ Hoog tijd dat er meer aandacht komt voor de aanvullende rol van voeding, zegt ook kinderneuroloog Catsman. ‘De combinatie van een dieet en kanker was heel lang een gevoelig onderwerp. Maar ik zie steeds meer artsen denken: zit er niet toch iets in?’

In zijn Rotterdamse lab heeft De Jonge met eigen ogen gezien wat genistein en curcumine in de cellen van CF-patiënten klaarspelen. Cellen die slijm produceren hebben in hun celwand sluisjes die het transport van water en zout regelen, maar bij CF-patiënten functioneren die niet goed waardoor taai slijm zich ophoopt. De twee voedingsstoffen binden aan het eiwit dat de sluizen maakt en zetten de deur open. ‘De ene duwt, de ander trekt en dat versterkt elkaar enorm.’

Goedkoper
Het medicijn kost ruim twee ton per patiënt per jaar, de supermoes van Jaap 3.000 euro

Jaap heeft een specifieke vorm van de ziekte, een genetische mutatie (S1251N) die in Nederland bij slechts 33 andere patiënten voorkomt, en juist voor die groep komt er deze zomer een medicijn op de markt. Het is een geneesmiddel dat de sluizen in de cellen zodanig repareert dat patiënten geweldig opknappen. Het biedt De Jonge de kans een aantal scenario’s te vergelijken: eerst het effect van de twee supplementen, daarna de uitwerking van alleen het medicijn en tot slot de invloed van het medicijn gecombineerd met genistein. Het Utrechtse onderzoek bij minidarmpjes voorspelt dat de combinatie van het geneesmiddel met die voedingsstof het resultaat nog beter maakt.

Natuurlijk willen alle ouders voor hun kinderen het nieuwe geneesmiddel hebben, zegt Samantha Schut. Zij ook. Maar als straks blijkt dat de voedingssupplementen het net zo goed doen als het medicijn, ontstaat een interessant dilemma: het medicijn kost ruim twee ton per patiënt per jaar, de supermoes van Jaap 3.000 euro.

Scheurbuik

© Adrie Mouthaan
En scheurbuik dan? Al in de 18de eeuw genazen zieke zeelui in een paar dagen tijd van hun onderhuidse bloedingen toen ze citrusvruchten te eten kregen. Dat is toch een prachtig voorbeeld van voeding-op-recept? Of neem de darmaandoening coeliakie, die met een glutenvrij dieet kan worden aangepakt. Ook een vorm van therapeutisch eten, nietwaar?

Nou nee, zegt hoogleraar Plat: als je lichaam gebrek heeft aan een voedingsstof en je vult dat tekort aan, als je niet tegen bepaalde voeding kunt en je laat dat staan of als je te veel eet en je mindert, en je klachten verdwijnen, dan is geen sprake van genezende voeding. Dan los je slechts een probleem op dat door voedsel is ontstaan.

Echt genezen doet voeding bijna nooit, zeggen voedingswetenschappers. Constipatie kan verdwijnen met pruimen, zuurbranden vermindert met melk of vla en zwangerschapsmisselijkheid kan de kop in worden gedrukt met gember. Maar verder gaat het niet. Het grote verschil tussen voeding en medicatie is het aangrijpingspunt, legt Plat uit: een geneesmiddel is zo ontwikkeld dat een bepaald enzym inactief wordt gemaakt of een receptor wordt geblokkeerd waardoor je heel snel krachtige effecten ziet.

Gezondheidsclaims
Antidiarreekruid
Krisanaklan heet het kruidenextract dat de Amerikaanse hoogleraar geneeskunde Alan Verkman ontdekte in het land van zijn Thaise vrouw, een middel dat door de plaatselijke bevolking al decennia met succes wordt gebruikt tegen diarree. Hij onderzocht het effect bij muizen en beschreef vorig jaar in het vakblad Plos wat hij zag gebeuren: de kruiden voorkwamen dat vocht uit cellen in de darmen liep en beletten de samentrekking van de spieren die de ontlasting transporteren. Verkman pleitte voor klinisch onderzoek. Want diarree is een belangrijke doodsoorzaak bij kinderen in de derde wereld. Dat onderzoek is er nog niet gekomen.

Maar voeding bestaat uit honderden stoffen die, als ze al wat in ons lichaam teweegbrengen, dat meestal minimaal doen: ze remmen een heel klein beetje een paar enzymen, ze blokkeren heel voorzichtig een receptor. Het totale effect van al die stofjes bij elkaar is van wezenlijk belang voor het behoud van een goede gezondheid, zegt Plat, maar de uitwerking van individuele stofjes op de gezondheid is lastig aan te tonen.

Niet voor niets is het aantal toegestane gezondheidsclaims op voedingsmiddelen zeer gering. Zo mag van bèta-glucaan uit haver worden gezegd dat het de hoeveelheid ldl-cholesterol verlaagt, heeft chocola een gunstig effect op de vaatwand en is calcium goed voor de botten. Praktisch alle goedgekeurde claims zijn preventief, ze kunnen gezondheidsklachten voorkomen. Een keihard voedingsmedicijn zit er niet tussen.

Maar die behoedzame boodschap is lastig over te brengen, verzucht hoogleraar Plat. Samen met zijn collega-voedingwetenschappers is hij steeds meer tijd kwijt om alle fabels te ontkrachten. ‘Er lijkt elke week wel een nieuwe hype te zijn.’ Voorbeelden genoeg op de landelijke gezondheidsbeurs, die onlangs in Utrecht werd georganiseerd. Van tarwegras dat lever en bloed zou zuiveren, tot magnesium tegen hartritmestoornissen en depressie, de bezoeker kon er voor tal van kwalen een voedingsadvies ontvangen. En alles was ‘bewezen effectief’. Kritische vragen werden weggewimpeld: ‘Joh, die wetenschappers zeggen elke keer wat anders’, aldus een standhouder. ‘Daar moet je je niks van aantrekken.’

Wat is gezond?
Vraag iemand wat gezond eten is en je krijgt van 99 van de 100 mensen een krachtig, duidelijk antwoord. Die ene die het niet zeker weet, is voedingswetenschapper

Emeritus hoogleraar voedingsleer Martijn Katan
In zijn boek Wat is nu gezond? verwoordt emeritus hoogleraar voedingsleer Martijn Katan het als volgt: ‘Vraag iemand wat gezond eten is en je krijgt van 99 van de 100 mensen een krachtig, duidelijk antwoord. Die ene die het niet zeker weet, is voedingswetenschapper.’

Waarom de wetenschapper zo terughoudend is? Omdat zijn vakgebied weinig zekerheden geeft. Onderzoek naar voeding is een lastige vorm van wetenschap. Appels zijn gezond, noten ook, maar consumeren appeleters misschien ook vaker broccoli? En gaan noteneters wellicht vaker naar de sportschool? En welk stofje in de appel of de walnoot is het dan precies? Bij zieke mensen is een effect nog lastiger aan te tonen, want wat doet de voeding en wat het geneesmiddel?

Toen Ellen Kampman, hoogleraar kanker en voeding in Wageningen en Amsterdam, een jaar geleden samen met een groep deskundigen een website begon over de rol van voeding bij kanker, kwamen er in korte tijd vijfhonderd vragen binnen.

Gigantische klus

© Thinkstock
Het is een gigantische klus om alles uit te zoeken, zegt ze. Nergens op de site staat dat acaibessen helemaal niet werken en dat rauwe melk en groene thee onzin zijn. Er staat dat het bewijs ontbreekt of dat er onvoldoende onderzoek is gedaan.

Is de kritiek van biochemicus Hugo de Jonge dan toch terecht? Heeft voeding soms heus geneeskracht maar is dat vooral lastig om aan te tonen? Bijna alle middelen uit de medicijnen top-10 hebben hun oorsprong in de natuur, zegt Renger Witkamp, hoogleraar voeding en farmacie. Zo is het prototype van de statines (cholesterolverlagers) afkomstig uit rode rijst en is aspirine een chemische nabootsing van een component van wilgenbast. ‘Daarmee is het geneesmiddel allang geen voeding meer. In een aspirientje zit zoveel van die werkzame stof, je zou de hele dag wilgenbast moeten eten om je hoofdpijn weg te krijgen. Maar ergens zit wel een overgang tussen voeding en farmacie.’

Het klinkt logisch om vooral darmziekten aan te pakken met voeding, zegt Witkamp. De darmen zijn immers de plek waar voedsel wordt opgenomen. Maar na decennia van onderzoek is nog altijd geen medicinaal dieet ontdekt. Het is helemaal niet ondenkbaar, zegt ook zijn Wageningse collega Sander Kersten, hoogleraar moleculaire voedingswetenschappen, dat bepaalde voedingsstoffen kunnen genezen, maar wetenschappers kunnen dat niet bewijzen. ‘Ik durf te beweren dat voeding een medicijn kan zijn’, zegt ook biochemicus Peter Voshol, fysioloog aan de universiteit van Cambridge en het Louis Bolk Instituut, ‘maar dat is bijna niet uit te zoeken.’

‘Bij mij werkt het wél’
Tientallen organen en miljoenen lichaamscellen gaan iedere dag een interactie aan met de vele duizenden voedingsstoffen die we binnenkrijgen, zegt Voshol, maar hoe dat subtiele samenspel verloopt is nog maar voor een klein deel bekend. Bovendien is elk lichaam uniek: de gevoeligheid voor een voedingsmiddel is genetisch bepaald en daardoor kan iedereen net even anders reageren op precies dezelfde maaltijd.

Maar de wetenschapper kan met dat individuele onderscheid niets aanvangen, die onderzoekt een grote groep en neemt vervolgens een gemiddelde. Voshol: ‘Dat reduceert het effect van een voedingsstof vaak tot praktisch nul, en dat is, denk ik, onterecht.’

Hoogleraar Kampman hoort het regelmatig van kankerpatiënten die enthousiast zijn over een voedingsmiddel: ‘Bij mij werkt het wél.’ Best mogelijk, zegt ze. Kennen we niet allemaal een 90-jarige straffe roker die toch geen longkanker heeft gekregen? Misschien werkt het andersom net zo.

McDonald’s
Kanker heeft zwaar geschut nodig, voedsel kan dat echt niet evenaren

Maar hoogleraren Witkamp en Kersten zetten de feiten nuchter op een rijtje: als wetenschappelijk onderzoek niet kan aantonen dat voeding effect heeft, dan houdt het op. Zonder bewijs kan iedereen wel wat roepen. De kritische Amerikaanse epidemioloog John Ioannidis schreef anderhalf jaar geleden in het British Medical Journal dat praktisch elke voedingsstof nu door wetenschappers is onderzocht en in verband is gebracht met zo’n beetje elk denkbaar resultaat. Hij telde eind 2013 alleen al 34 duizend studies over cafeïne en bijna 13 duizend wetenschappelijke publicaties over de effecten van soja. Literatuur van epidemische proporties, concludeerde hij, waarbij heel veel uitkomsten ‘totaal ongeloofwaardig’ zijn.

Maakt het dan niet uit wat je eet als je ziek bent? Heeft een zieke net zoveel baat bij een dieet van McDonald’s als bij een dagelijkse portie groente en fruit? Voeding kan nooit een recept vervangen, zegt Kampman, en bij kanker, haar vakgebied, al helemaal niet. ‘Kanker heeft zwaar geschut nodig, voedsel kan dat echt niet evenaren.’ Maar dat betekent nog niet dat het eetpatroon geen enkel effect heeft, benadrukt ze. Voeding heeft een bijrol, en soms een belangrijke ook. Steeds meer onderzoek wijst uit dat bepaalde voedingsstoffen het effect van een geneesmiddel kunnen ondersteunen, of juist tegenwerken.

Chemo
Zo bleek begin deze maand uit een Nederlandse studie dat visolie het effect van een chemokuur afremt. Andersom wordt steeds duidelijker dat een vetrijke maaltijd chemotherapie juist versterkt. Bij een aantal vormen van kanker verbetert een gezond voedingspatroon de prognose. ‘Ons lichaam beschikt over een zeer verfijnd systeem dat schade aan weefsels kan herstellen’, zegt diabetoloog Hanno Pijl, ‘en de benodigde bouwstenen voor dat systeem komen allemaal uit onze voeding. Goede voeding geneest geen ziekte, maar stelt onze reparatiesystemen in staat om schade zo efficiënt mogelijk op te ruimen.’

Het Rotterdamse supermoes-onderzoek kent twee meevallers: er is een zeldzaam, overduidelijk effect en er is onderzoeksgeld. ZonMw en de Nederlandse CF Stichting betalen de studie en dat is hard nodig, zegt De Jonge, want de farmaceutische industrie was niet geïnteresseerd. Geelwortel en soja zijn immers niet te patenteren. Klinisch onderzoek is duur, legt hij uit. Mocht hij resultaat boeken, dan ligt internationaal vervolgonderzoek voor de hand, met veel patiënten. Om definitief bewijs te vergaren is zo’n fase-3-studie noodzakelijk. Maar daarvoor zijn miljoenen euro’s nodig. De Jonge beseft dat die er niet komen: ‘We moeten onze ambitie klein houden.’

Zweettest

© Adrie Mouthaan
Vorig jaar is het zweet van Jaap opnieuw onderzocht. Een zweettest levert bij CF onomstotelijk bewijs, legt De Jonge uit: de uitslag maakt duidelijk hoe de sluisjes in de cellen functioneren. ‘Hoe zouter het zweet, hoe ernstiger de ziekte. Dat kun je niet simuleren.’ Zes jaar nadat Jaap was begonnen aan de supermoes, was de zoutconcentratie in zijn zweet gedaald van 118 mmol per liter naar 59. Daarmee veranderde zijn diagnose van ernstige naar milde CF en zijn levensverwachting veranderde mee. De ziekte is voor hem nu niet meer dodelijk, zijn verwachte levensduur is vermoedelijk normaal.

Drie jaar geleden had de fabrikant van de curcumine opeens de verpakking veranderd en bestelde zijn moeder per ongeluk de verkeerde variant. Om curcumine goed in de darmen te laten opnemen moet het worden gecombineerd met zwarte peper en zonder die extra peper ging het snel slechter met Jaap. Meer bewijs heeft Samantha Schut niet nodig. Ze raakt nerveus nu de studieresultaten eraan komen maar ze beseft: zelfs als het onderzoek niets oplevert, dan nog zal haar zoon zijn eetpatroon niet veranderen. Bij Jaap werkt de supermoes.

Vanaf volgende week in Sir Edmund de wekelijkse rubriek Beter/Eten, waarvoor u uw vragen over voeding en gezondheid kunt insturen: voeding@volkskrant.nl

Koolhydraten in de ban om hersentumor te bestrijden
Kinderneuroloog Coriene Catsman van het Erasmus MC onderzoekt of een specifiek dieet werkt tegen een zeldzame vorm van kanker.

Een agressieve hersentumor aanpakken door die uit te hongeren: dat is het fascinerende studie-object van een Rotterdamse onderzoeksgroep. In het Erasmus MC bestudeert kinderneuroloog Coriene Catsman samen met een diëtiste en een kinderoncoloog of een ketogeen dieet effect heeft op een ponsglioom, een zeldzame maar zeer kwaadaardige tumor die ontstaat in de hersenstam van kinderen. Uitgangspunt is een theorie die tachtig jaar geleden al door de Duitse arts en Nobelprijswinnaar Otto Warburg werd verkondigd over de energiehuishouding van kankercellen.

Een ketogeen dieet bevat nauwelijks koolhydraten en vooral vet. Dat is voor normale hersencellen geen probleem. Die cellen halen hun energie graag uit koolhydraten maar als die suikers er niet zijn, kunnen ze een alternatieve energiebron gebruiken, in de vorm van ketonen, die ontstaan door de afbraak van vetten.

Cellen van snelgroeiende hersentumoren, zoals een ponsglioom, zijn daar veel minder toe in staat. Zij hebben vooral glucose nodig voor hun overleving. In theorie moeten de tumorcellen te gronde gaan als de toevoer van glucose wordt stilgelegd.

Bijna vijfduizend studies zijn de afgelopen decennia gedaan naar dat zogeheten Warburg-effect. Bij proefdieren en in celkweken blijkt het effect bij tal van kankervormen zichtbaar, maar bij patiënten is er slechts voorzichtig resultaat mee geboekt. In het Erasmus MC zijn de afgelopen vijf jaar een handvol kinderen met een ponsglioom aan een ketogeen dieet begonnen, allemaal kinderen die zijn uitbehandeld. Over de resultaten kan Catsman nog niets zeggen.

Ze noemt de deelnemende kinderen en hun ouders ‘erg dapper’. Kinderen met een ponsglioom hebben meestal een levensverwachting van hooguit twee jaar. ‘Ze worden bestraald, knappen dan tijdelijk wat op en hebben een redelijk onbezorgde tijd. Om dan, in hun laatste levensfase, een strikt dieet te geven, dat is voor ouders heel erg moeilijk. Een kind dat zo ziek is, wil je lekker verwennen.’

Toch waren de Rotterdamse onderzoekers zo overtuigd van de mogelijkheden dat ze het dieet zijn gaan aanbieden, aldus Catsman. Sinds kort wordt het ook onderzocht bij volwassen patiënten met een glioblastoom, een ander type agressieve hersenkanker.

Het Erasmus MC heeft veel ervaring met het ketogeen dieet, vertelt Catsman, omdat het eetschema al jaren met succes wordt ingezet bij jonge kinderen met een ernstige vorm van epilepsie die onvoldoende reageren op de medicatie. Ketonen blijken het aantal en de ernst van de aanvallen te kunnen verminderen. Waarom dat zo is, en of het louter de ketonen zijn, is onduidelijk, aldus Catsman.

april 25, 2015Permalink

Merk tandpasta maakt niets uit

imageOok zo’n moeite met het kiezen van de beste tandpasta uit het almaar uitdijende assortiment? Nergens voor nodig. Tandpasta draagt niet bij aan het weghalen van tandplaque. Alleen de fluoride in de pasta doet er écht toe. Dat zegt Martijn Rosema van het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA). Hij promoveert volgende week woensdag 22 april op een studie naar de effectiviteit van tandenpoetsen.

Margreet Vermeulen 18 april 2015

De keuze van de tandenborstel is wel belangrijk. Elektrische borstels halen gemiddeld genomen meer plaque weg (46 procent) dan handtandenborstels (42 procent) en zijn daarom effectiever in het bestrijden van gebitsziekten zoals gaatjes en tandvleesontstekingen. Zowel uit onderzoeken na één poetsbeurt als uit een studie waarbij handmatige en elektrische poetsers negen maanden lang werden gevolgd blijkt dat de elektrische borstel effectiever is. De elektrische borstels verwijderen niet alleen meer plaque, ze leiden ook tot minder beschadigingen van het tandvlees.
Overigens zijn de elektrische borstels met kleine ronddraaiende borstelkopjes nog net iets effectiever dan de sonische apparaten met langwerpige borstelkopjes die trillen. Het is niet helemaal duidelijk hoe dat precies komt. Rosema heeft wel een vermoeden. ‘Als je te hard drukt, blijft het ronde borstelkopje gewoon doordraaien. Bij de sonische borstels komen de haren dan veel eerder stil te staan.’

‘Niet poetsen alsof je de keukenvloer schrobt’, waarschuwt de promovendus
Wie per se handmatig wil blijven poetsen – en die mensen zijn er volgens Rosema volop – kan het beste een borstel kopen waarvan de haren kruislings staan. Ook de borstels met haren die verschillende lengtes hebben, doen het beter dan de standaard platte borstel. ‘De verschillen met een platte borstel zijn misschien niet heel groot, maar het is wel belangrijk om te weten of innovaties de goede kant op gaan.’

Het fenomeen tandenborstel bestaat al een slordige 5000 jaar. De verschijningsvorm verandert, maar het principe bleef al die eeuwen fier overeind. Dat blijft zo, denkt Rosema. De borstels van nu zijn echt al heel goed. Wie een schoner gebit wil, moet vooral effectiever poetsen (minimaal 2 minuten per keer) en met aandacht, zodat de borstel overal is geweest. ‘Loop niet al poetsend door het huis om nog wat klaar te leggen voor morgen, of om nog een laatste keer je mail te checken. Bekijk eens in de spiegel wat je nu precies doet.’

‘En niet poetsen alsof je de keukenvloer schrobt’, waarschuwt de promovendus. Waarschijnlijk leidt te hard poetsen wel tot teruggetrokken tandvlees waardoor de tandhalzen bloot komen te liggen, hoewel dat is wetenschappelijk gezien niet is aangetoond. ‘Je kunt proefpersonen niet vragen jaren lang hun gebit extra hard te schrobben om dan te concluderen dat ze hun tandvlees hebben verknald. Dat is niet ethisch.’

En wat vindt Rosema van het advies om elke drie maanden een nieuwe tandenborstel te kopen? ‘Tandenborstels moeten worden vervangen als ze zijn versleten. En dat is het geval als de haren buiten de basis van de steel staan. Soms is dat al na zes weken, soms pas na zes maanden.’

 

april 19, 2015Permalink

Help oudere de weg te vinden

Van thuiswonende ouderen die huishoudelijke hulp nodig hebben, vragen de gemeentes, die dit tegenwoordig moeten regelen, nogal eens zo’n hoge eigen bijdrage dat deze ouderen noodgedwongen zelf op zoek gaan naar hulp en terecht komen in het zwarte circuit.

Een oudere is over het algemeen best in staat huishoudelijke hulp zelf te regelen, daar heeft men de overheid niet voor nodig. Wel kan de overheid hen helpen bij het vinden van betrouwbare en betaalbare hulp door witte huishoudelijke hulp of -bureaus te faciliteren. Ook ouderen met een minimaal inkomen zouden daarvan gebruik moeten kunnen maken. Voor de dan eventueel wel noodzakelijke indicatie zou de huisarts/wijkverpleegkundige kunnen worden ingeschakeld zoals dit ook bij zorg aan huis het geval is.

Dus geen keukentafelgesprekken, geen nieuw te trainen gemeenteambtenaren en hoge extra kosten, maar een verantwoorde huishoudelijke hulpvoorziening tegen acceptabele prijzen. Laat de ouderen in hun waarde: het regelen is niet het probleem, maar het vinden van de weg naar de voorzieningen die men nodig heeft.

I. Muller, Amstelveen

april 18, 2015Permalink

Van wiet naar heroïne, allemaal de schuld van Nikki

Blowen doet hij nog steeds, en fors ook. Maar van de heroïne is de Bulgaarse buurman van Maarten Zeegers af. Daar raakte hij aan verslaafd door zijn vriendin. ‘Je rookt toch een keer mee.’

DOOR Maarten Zeegers11 april 2015

‘Ja, ik dacht jij bent een beetje laat’, zegt Alexi met zwakke stem. ‘Dus ik ben maar alvast begonnen met draaien.’ Met trillende vingers rolt hij een vloeitje met een hoeveelheid wiet waar ik een week stoned van zou zijn. Zijn bureau ligt vol zakjes marihuana.

Om privacyredenen zijn de namen in dit verhaal gefingeerd. De personen op de foto’s komen niet in het verhaal voor.
Alexi woont met zijn ouders en zijn kleine broertje in een portiekwoning schuin onder mij. Mijn balkon kijkt uit op het balkon van zijn kamer. Daar staat Alexi vaak te blowen, omdat dat van zijn moeder binnen niet mag vanwege de stank.

Het huis is eigendom van een Surinaamse familie die daar weer onder woont. Vaste bezoeker van dit huis is John, een Hindoestaan met drie verschillende Mercedessen. Verouderde types, maar toch. Vroeger cultiveerde John in de bovenwoning een wietplantage, maar na ontdekking van de kwekerij door de politie mochten er alleen nog maar nette gezinnen in. Dat werd het gezin van Alexi.

‘Toen we hier kwamen wonen, lagen al die buizen van de bewateringsinstallatie er nog’, vertelt Alexi terwijl hij naar de muur wijst waar de slangen zouden hebben gehangen. ‘Wat dacht die John? Dat niemand ooit iets zou ruiken?’

Tien jaar geleden kwam Alexi’s moeder als eerste van het gezin uit Bulgarije over naar Nederland. Met zo’n dertig andere Oost-Europeaanse vrouwen knipte ze ergens in de buurt van Den Haag wietplantjes op een illegale hennepkwekerij. Toen deze door de politie werd opgerold, moesten de illegale werknemers allemaal het land uit. ‘Mama wist helemaal niet dat het niet mocht’, verdedigt Alexi zijn moeder. ‘Marihuana is hier toch legaal? Dus zij dacht dat die plantjes ook wel geen probleem zouden zijn.’

Alexi heeft een punt. De Nederlandse Opiumwet is erg verwarrend. Desondanks mocht zijn moeder niet langer in de Europese Unie blijven. Ze kreeg een zwarte stempel in haar paspoort die haar ook in de toekomst buiten moest houden. Tot drie keer toe probeerde Alexi’s moeder weer binnen te komen, maar steeds stuurde de douane haar bij de grens terug. Totdat Bulgarije in 2007 zelf lid werd van de Unie. Toen hielpen zelfs zwarte stempels niet meer.

Op Alexi’s bureau staat een computermonitor die is aangesloten op een ontvanger van Bulgasat. Op Discovery Channel is een nagesynchroniseerde documentaire bezig over motorclubs. Een biker met een Amerikaanse adelaar op zijn bovenarm getatoeëerd, roept iets stoers in het Bulgaars.

De meeste Bulgaren in Nederland zijn eigenlijk geen echte Bulgaren, maar etnische Turken. Alexi kent maar een paar families in Den Haag die net als hij Bulgaars spreken. De rest zijn volgens Alexi mongolen. Dat komt doordat de Turken in Bulgarije maar tot hun 12de naar school gaan. Terwijl hij zelf aan de Hogeschool voor Toerisme heeft gestudeerd en vier talen spreekt. ‘Daarom heb ik ook zo snel Nederlands geleerd’, vindt Alexi.

Ik vind dat wel meevallen. Voor de acht jaar dat hij nu in Nederland is.

Mongolen
‘Kijk dan hoe ze hier wonen’, praat Alexi over zijn Turks-Bulgaarse buren. ‘Die halen hier in de wijk alleen maar oud ijzer op. Een gewone baan, daar hebben ze geen zin in.’ Alexi vouwt zijn joint dicht. ‘Mongolen, zeg ik je.’

Turken beheersen handel in heroïne
Heroïne komt vooral uit Afghanistan en Pakistan. Turkije en vervolgens Bulgarije zijn de doorvoerhavens voor de drugs naar West-Europa. In Bulgarije vormen de etnische Turken een belangrijke schakel in de heroïnehandel, omdat ze eenvoudig met hun collega’s in Turkije kunnen communiceren. Ook in Nederland is de heroïnehandel voor een groot deel in handen van Turken.
Cocaïne wordt verbouwd in Zuid-Amerika en meestal door Surinamers en Antillianen Nederland binnengesmokkeld. Een kilo cocaïne kost in Suriname ongeveer 2.000 euro. In Nederland levert dat zeker 35.000 euro op en als je het een beetje versnijdt misschien wel een ton.
Ik vraag of deze mensen meer Bulgaars of Turks zijn.

‘Zelf vinden ze dat ze Turks zijn’, antwoordt Alexi. ‘Maar de echte Turken hier in de straat vinden van niet.’

‘Maar ze zijn wel moslim, toch?’

‘Ze zeggen van wel, maar ze eten varkensvlees. Iedereen weet dat een moslim geen varkensvlees eet.’

‘Maar wat zijn het dan?’

‘Dat zeg ik je toch: mongolen.’

Het is niet zo dat het Nederlandse drugsbeleid schuld is aan Alexi’s cannabisverslaving. In Bulgarije rookte hij al en hij ontdekte daar dat je er geld mee kon verdienen als je het zelf ging verkopen. Hij ontdekte ook wat er gebeurt als de Bulgaarse politie je oppakt met een kilo marihuana op zak. ‘Ik had geluk’, realiseert Alexi zich. ‘Twee maanden later zou ik 18 zijn geweest. Dan had ik zo een paar jaar moeten zitten.’

De zakjes op zijn bureau kosten 60euro per stuk. Elke week gaat er minimaal een zakje doorheen, hetgeen betekent dat hij per maand een week moet werken alleen maar voor de wiet. Volgens Alexi is de marihuana niet het probleem. Als hij een vriendin zou hebben, zou hij er gelijk mee stoppen.

Hij toont een strip tabletten die wel het probleem zijn. Het medicijn heet Suboxone, een methadonachtig middel dat verslaafden gebruiken om af te kicken van de heroïne. Volgens doktersvoorschrift moet Alexi elf tabletten per keer per dag innemen en onder de tong laten oplossen. ‘Soms neem ik er ’s ochtend maar acht en gooi ik de rest weg. Anders ben ik de hele dag duizelig.’

‘En als je die pillen niet neemt?’, wil ik weten.

‘Dan ga je kapot man. Dan heb je overal pijn, van het topje van je hoofd tot het puntje van je teen. En je kunt niet meer slapen. Alles gaat dan draaien.’

Alexi gooit de pillen weer op tafel. ‘Dat komt allemaal door die trut Nikki.’

Nikki was Alexi’s vriendinnetje in Nederland. Hij leerde haar kennen in een coffeeshop. Ik ken de zaak wel, op een steenworp afstand van een islamitische basisschool. Een jaar geleden was ik nog getuige van een inval door politie in burger omdat er wel meer over tafel ging dan alleen maar zakjes wiet. Een paar maanden later hing er een aankondiging van de gemeente op de deur: verboden toegang wegens criminele activiteiten. Volgens het bestemmingsplan zou er dit jaar op dezelfde plek een nieuwe coffeeshop komen, maar door bezwaren van de school, de moskee en de partij Islam Democraten is dat plan nu van de baan.

Nikki was volgens Alexi de schuld van alles. ‘In het begin was Nikki helemaal niet zo’, herinnert hij zich, ‘maar toen ze een Turkse man leerde kennen, raakte ze aan de heroïne. Zij zei dat hij die brown in haar sigaretten had gedaan zonder dat ze het wist, maar dat geloof ik eigenlijk niet meer.’

Nikki nam de heroïne mee naar de kamer van Alexi, die wilde er in het begin niets van weten. ‘Maar ja, je rookt dan toch een keer mee. En dan een tweede keer. Na een week kom je er niet meer vanaf.’

Nikki ging onderhuren bij mijn Marokkaanse onderbuurman. Voor 100euro per maand kon ze daar op een matras slapen en drugs gebruiken samen met Alexi. De drugs haalden ze bij de Hindoestaanse buurman John, die voornamelijk versneden coke verkocht voor veel te veel geld.

Tippelen
Alexi en Nikki deden niet erg hun best om dit clandestien te doen. Ze belden aan bij de voordeur, bleven een minuut binnen en gingen dan gelijk door naar Nikki’s kamer. Het was zo opvallend, dat zelfs mijn Turkse buurman aan de andere kant van de straat het verdacht vond. Alexi stofzuigde ook regelmatig de Mercedes van John, als hij wat krap bij kas zat en toch stuff nodig had.

‘Maar waarom kocht je niet meer bij die Turk van Nikki dan?’, wil ik weten.

‘Die zit in de gevangenis’, vertelt Alexi. ‘Die Nikki was zo dom. Die keek nooit of er iemand achter haar liep als ze die brown haalde. Door haar zijn wel drie of vier dealers opgepakt.’ Voor de politie is blijkbaar niet al te veel speurwerk nodig. Je laat gewoon een naïeve gebruiker schaduwen en die brengt je vanzelf naar de leveranciers.

Om haar drugsverslaving te financieren ging Nikki tippelen. Ze kwam regelmatig thuis met dubieuze Oost-Europese types die ze op straat had opgepikt. ‘Tegen mij vertelde ze dat ze in een kapsalon werkte, maar dat geloof ik ook niet meer’, vertelt Alexi. ‘Heel de straat begon me achter mijn rug uit te lachen.’

De Turkse overburen die boven de moskee wonen, begonnen ook te klagen. Vooral omdat het raam van Nikki’s kamer geen gordijnen had en ze dus gratis konden meegenieten van wat zich daar allemaal afspeelde. Aangezien ik en Nikki aan de straatkant de voordeur deelden waardoor die mannen binnenkwamen, werd ik er door de straat ook op aangekeken. Het was tijd voor actie.

Toen Nikki op een dag was gaan werken in ‘de kapsalon’, eiste ik van mijn Marokkaanse onderbuurman toegang tot haar kamer. In het hok hing een sterke parfumlucht, waarschijnlijk om verdachte geuren te verdoezelen. In een la lag een steelpijp en op een kastje wat gebruikte tissues. Maar echt keihard bewijs was er niet.

Diefstal
Mijn onderbuurman deed natuurlijk alsof de beschuldigingen als één grote verrassing kwamen. Hij had niets gezien, niets gehoord en niets geroken. De politie kon verder ook niet veel doen. Die waren al lang blij dat ze wisten waar Nikki uithing. Ze was al meerdere keren in aanraking gekomen met de politie, en nu konden ze bij eventuele verdenkingen van nieuwe diefstal direct even langsrijden. Nadat de Turkse overbuurman half voor de grap had gedreigd het hele pand op te blazen, zette de Marokkaan haar alsnog het huis uit.

Rond die tijd begonnen er bij Alexi thuis ook dingen te verdwijnen. Eerst geld uit Alexi’s portemonnee, en vervolgens uit die van zijn moeder. Daarna raakten enkele van zijn merktruien zoek en ook zijn mobiele telefoon. Zelfs de Playstation Portable van zijn broertje verdween spoorloos. ‘Ik had het zelf niet gedaan’, zegt Alexi. ‘Dus die Nikki moest het wel gedaan hebben.’

Alexi was zelf ook niet onschuldig. Vier keer werd hij gepakt voor winkeldiefstallen die hij samen met Nikki had gepleegd. Bij de vijfde keer zou hij onder de Maatregel Inrichting Stelselmatige Daders (ISD) voor langere tijd in een speciale inrichting worden geplaatst. ‘Voor het stelen van een paar flessen shampoo van een paar euro’, moppert Alexi. ‘Als het nou om een miljoen was gaan…’

Niet veel later moest hij alsnog twee maanden zitten voor openstaande verkeersboetes. Volgens Alexi waren deze ‘verkeerde boetes’ de schuld van een vriend aan wie hij zijn auto had verkocht. Hij was namelijk vergeten het kenteken over te laten schrijven op diens naam, waardoor al die verkeerde boetes bij hem op de deurmat vielen. En door de wet Mulder nam de politie hem steeds opnieuw in hechtenis.

Zijn moeder had zwaar te lijden onder de hele situatie. Uiteindelijk kon ze niet anders dan hem het huis uit zetten. Met Alexi ging het daarna alleen maar bergafwaarts. Ik zag hem vaak doelloos rondzwerven in de wijk. Zijn rug voorovergebogen alsof hij er 40 kilo op torste, zijn petje ver over het hoofd getrokken om zijn verlopen gezicht te verbergen. En altijd een joint in zijn handen.

Met Nikki liep het niet goed af. Ze belandde in de gevangenis en kwam toen terecht bij stichting Parnassia. Na een overdosis heroïne werd ze opgenomen in het ziekenhuis. Het was kantje boord, maar gelukkig overleefde ze het. Uiteindelijk zette de overheid haar uit naar Bulgarije. Ze mag Nederland een paar jaar niet meer in.

Na het vertrek van Nikki ging het langzaam beter met Alexi. ‘Zij was de schuld van alles’, benadrukt hij nog maar eens.

Nu volgt Alexi een afkickprogramma bij verslavingszorg. Godzijdank wordt de medicatie volledig vergoed. Zijn moeder heeft hem weer in genade aangenomen en via de gemeente heeft hij zelfs een baantje gekregen. Poep scheppen bij de kinderboerderij. Het is geen droombaan, maar beter dan niets.

Alexi heeft veel spijt van zijn verslaving. ‘Ik ben gestopt voor mijn broertje’, zegt Alexi. ‘Als hij door mijn schuld aan de drugs zou raken, dan had ik mezelf dat nooit kunnen vergeven.’

Alexi knoopt de joint dicht en loopt het balkon op. ‘Kom, we gaan roken.’

 

april 12, 2015Permalink

DE BETOVERING VAN HET SOCIALE DOMEIN

Het is wel even wennen hoor. Dat nieuwe sociale domein. Er is nog zoveel onduidelijk. Hoe moeten die herindicaties eigenlijk precies, nu het CIZ niet meer aan zet is? Hoeveel uur huishoudelijke hulp is normaal? Wat is het verschil tussen middelzware begeleiding en zware? Professionals voelen zich vaak nog onthand en ontheemd in de decentrale werkelijkheid. Het ontbreekt hen aan houvast.

Ordnung Muß Sein

De eerste professionals beginnen alweer terug te verlangen naar de helderheid van weleer. Heerlijk was dat. Die tijd waarin problemen van mensen netjes werden geordend in diagnoses. Bijbehorende oplossingen kwamen in de vorm van paden, trajecten, pakketten en arrangementen. En professionele afwegingen kwamen feilloos tot stand aan de hand van beslisbomen en indicatiestellingen. Het sociale domein zat zo lekker rationeel in elkaar. En moet je nu eens zien.

Het lijkt daarom aantrekkelijk om snel weer vergelijkbare procedures, processen, ladders, bomen en verstrekkingenboeken te gaan maken. Zodat we van tevoren weer alle antwoorden hebben. Dan weten professionals tenminste wat er van ze verwacht wordt. En burgers weten waar ze aan toe zijn. En we hebben managementinformatie. Veel betere managementinformatie.

Een dure orde

Bijna zouden we vergeten dat al dat gerationaliseer in het sociale domein ook leidde tot extreme verkokering en versplintering. Of tot grootschalige verschraling als we blijven doen wat we deden. En tot ridicule willekeur, die zich wellicht het best laat aanschouwen bij de ongeveer honderdduizend gezinnen in Nederland waar we meer dan 100 duizend euro per jaar aan uitgeven voor zorg en sociale zekerheid, maar die zelf moeten leven van zes of acht tientjes leefgeld per week. Omdat ze niet met geld kunnen omgaan.

Maar dat is niet het enige. Decennialang hebben al dit soort rationalisaties professionals gedemoraliseerd. Ze hebben ingewikkelde en samenhangende problemen van gezinnen onterecht gesimplificeerd. En de zorg en sociale zekerheid gecommodificeerd en gebureaucratiseerd. In onze vorige column hadden we het over de ‘onttovering’ van de samenleving van Weber. Dat geldt hier ook voor. Stukje bij beetje onttoverden wij onze verzorgingsstaat. Dat heeft ertoe geleid dat de nadruk kwam te liggen op de optimalisatie van instrumenten. Zoals procedures om de toegang tot zorg en sociale zekerheid zo efficiënt mogelijk te regelen; aan loketten met formulieren en telefonische intakes. Doorlooptijden voor hulp en ondersteuning moesten zo kort mogelijk; in zorgpaden en trajecten. Ketens werden gesloten, zodat niemand zou uitstromen uit het ene traject zonder weer in te stromen in een ander.

Waar deden we het ook al weer voor?

Het echte doel van zorg en sociale zekerheid is zo buiten beeld geraakt. Zoals zorgen voor bestaanszekerheid. Op een zo normaal mogelijke manier. Eraan werken dat mensen hun eigen problemen weer de baas kunnen. Door hun eigen oplossingen te helpen realiseren. En hoewel we allemaal weten dat een persoonlijke relatie tussen professional en burger het overgrote deel van het resultaat bepaalt, bewaarde iedereen graag een ‘professionele’ afstand. Onttovering resulteerde in onlogica. Sterker nog, Weber sprak van een IJzeren Kooi. Keuzevrijheid is niet voor iedereen een luxe. Veel mensen zullen vragen om regels, om maar niet altijd te hoeven kiezen.

Dat is nou zo geweldig aan die onduidelijkheid van vandaag. Die geeft ons de kans om de zorg en sociale zekerheid weer opnieuw te betoveren. Om uit de ijzeren kooi te ontsnappen. Waardoor professionals weer moraliteit mogen tonen in hun werk. Burgers weer burger worden, en geen klant. Mensen weer eigenaar van hun eigen problemen en oplossingen. Waarvoor met name voor hen die het meest in hun bestaanszekerheid bedreigd worden, een overheid klaarstaat die helpt oplossingen waar te maken.

Op naar een professioneel oordeel!

Voordat we die betovering bereiken moeten we wellicht nog lang sjouwen en zwoegen op een onduidelijk bospad. En de neiging om rechtsomkeer te maken ligt constant op de loer. De ijzeren kooi lonkt. Daarom pleiten wij ervoor om vooral geen spoor van broomkruimels achter te laten, maar alleen vooruit te denken en doen. Onderweg naar een fundamenteel andere werkelijkheid die zich niet in protocollen laat uitdrukken, maar in een professioneel oordeel. Daarin schuilt de betovering van de publieke professional.