Hoe erg is het om te vergeten?

3125120
© Thinkstock

GASTCOLUMN Het lijkt steeds moeilijker om dingen te vergeten, omdat steeds meer van ons leven zich (ook) online voltrekt, daar waar alles opgeslagen wordt.

‘Wanneer was dan het paard van Troje?’ Mijn docent keek me aan met een glimlach die de naïviteit van mijn vraag verraadde. ‘Het paard van Troje is een verhaal van Homerus’, antwoordde hij. ‘Het is één van de bekendste verhalen uit de Griekse mythologie, maar het blijft een mythe. Er is nooit een paard van Troje geweest.’ Mijn ogen keerde ik naar beneden en mijn wangen werden rood. Het werd me vergeven, als eerstejaars student. We gingen verder met de daadwerkelijke geschiedenis van de oude Grieken en lieten de mythologie voor wat dit was – mooie verhalen, die geen noodzakelijke correlatie hadden met de werkelijkheid.

Feit en fictie

De lijn tussen feit en fictie is niet altijd recht

Het duurde even voordat ik erachter kwam dat er niet zoiets bestaat als ‘de geschiedenis’. Er is enkel dat wat geschied is en dat wat men daarover geschreven heeft. De geschiedschrijver is altijd vrij in zijn keuzes: hoe hij de situatie optekent, welke woorden en termen hij gebruikt, maar vooral ook wat hij vertelt en wat hij weglaat.

De lijn tussen feit en fictie is niet altijd recht. Dit werd me nogmaals duidelijk toen ik onlangs Augustus van John Williams (Stoner, Butcher’s Crossing) las. Williams tekent in deze roman het levensverhaal van Keizer Augustus op in de stijl van brieven tussen onder andere Cicero, Livius en Marcus Agrippa. In het voorwoord lees je dat Williams zijn dichterlijke vrijheid genomen heeft en dat het boek grotendeels fictief van aard is. Gaande het verhaal was ik dit echter al snel vergeten. De documentvorm was zo aannemelijk, de verschillende stemmen waren elk zo kenmerkend dat ik haast niet kon geloven dat deze allemaal uit de pen van één man waren gerold. (Niet voor niets heeft Williams hiervoor in 1973 The National Book Award  ontvangen.) De oorspronkelijke teksten uit de Romeinse tijd zijn niet overgeleverd, maar aan de hand van jarenlang onderzoek in Italië schreef Williams een zinderende geschiedenis, die hoewel fictief van aard, mijn historische honger meer dan verzadigde.

Eclectisch

Het verleden is als een plakboek, waarbij we uiterst selectief te werk kunnen gaan

We keren ons vaak tot de historie als ons eigen leven ons onbegrijpelijk voorkomt. Wat, laten we eerlijk zijn, vaak zo is. Het leven is fragmentarisch, eclectisch en onsamenhangend. Voor enige houvast keren we ons dan tot dat wat al geweest is. ‘Nous entrons dans l’avenir à reculons’, om met de woorden van Paul Valéry te spreken: met onze blik gericht op het verleden, treden we achteruit de toekomst binnen. Het verleden lijkt samenhangend, omdat we in retrospectief alles aan elkaar geplakt hebben. Net als de schrijver, de filmmaker en de historicus kiezen we bepaalde beelden die we tot een geheel maken. Het verleden is als een plakboek, waarbij we uiterst selectief te werk kunnen gaan. Terugblikkend zien we vaak alleen wat we willen zien. We vergeten meer dan dat we onthouden.

Online

Het overenthousiaste `Allemaal komen!!!!!!’ hoeft geen deel uit te maken van mijn historie, net zo min als het bakje blauwe bessen dat ik volgens instagram 135 weken geleden at

Het lijkt echter steeds moeilijker om dingen te vergeten, omdat steeds meer van ons leven zich (ook) online voltrekt, daar waar alles opgeslagen wordt. Op Facebook kun je terug kijken op je tijdlijn en zien wat je drie of vier jaar geleden allemaal zei en deed. Ik houd graag vol dat ik vroeger best goed gekleed ging; scroll ik echter wat terug in de tijd, stel ik mezelf ernstig teleur. Het was iets wat ik, achteraf gezien, liever vergeten was. Ook de uitnodigingen voor mijn 13e verjaardagsfeestje, opgeslagen door Hotmail, hadden van mij in de vergetelheid mogen raken. Het overenthousiaste ‘Allemaal komen!!!!!!’ hoeft geen deel uit te maken van mijn historie, net zo min als het bakje blauwe bessen dat ik volgens instagram 135 weken geleden at. Maar doordat zij er zijn, worden zij herinnerd.

Onze tijd is er één van eindeloze dataopslag en life logging, het steeds maar vastleggen van momenten, opdat we ze niet vergeten. We hebben de taak van herinneren gedelegeerd aan de technologie, omdat we zo meer kunnen onthouden, maar in wezen onthouden we daardoor juist minder. Het geheugen wordt lui. De bestanden raken, hoewel opgeslagen, uiteindelijk zoek in de massa. Daarbij komt dat bestanden niet zoals herinneringen vervagen; op een gegeven moment verdwijnen die gewoon. Wat blijft er uiteindelijk over? Die dingen die we onszelf wel dwingen te herinneren, omdat we geen video of foto hebben gemaakt. Leg je het moment vast, dan herinner je het vastgelegde; laat je het moment vrij, dan herinner je de ervaring.

Verschraalde herinnering

Is vergeten dan echt zo erg? Het is een vraag die ik me met een grootouder met Alzheimer en een naast familielid met Korsakov steeds vaker stel. Het antwoord weet ik niet. Wel weet ik dat onze kennis van het verleden altijd gevormd wordt door selectie en ons nooit terug brengt naar het daadwerkelijke moment, hoe graag we dit ook zouden willen. Het al maar blijven vastleggen van alles wat wij doen, zorgt niet voor een betere, maar juist een verschraalde herinnering. Het is een leegte, doordat het niet wij zijn die ons verleden vormgeven, maar de technologie. In mijn hoofd is enkel waar ik verder schrijf aan mijn eigen geschiedenis.

Tessa de Vet is student aan de Uva. Deze maand is zij gastcolumnist van Volkskrant.nl. Dit is haar laatste bijdrage

Waarom kijken naar een tachtig jaar oude foto?

In de tentoonstelling Life is Strange zijn 235 oude foto’s te zien, gemaakt in een tijd dat mensen nog nooit de wereld buiten hun eigen dorp of stad hadden gezien. Die foto’s waren toentertijd hun venster op de onbekende buitenwereld. Maar waarom zouden wij nu nog naar die foto’s kijken? En welke rol zouden ze kunnen vervullen in hedendaagse journalistiek?

Waarom kijken naar een tachtig jaar oude foto als er elke minuut miljoenen bijkomen?

Het Franse militaire luchtschip La Patrie in de hangar in Moisson, Frankrijk, 1906. Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad/Fotograaf onbekend. Deze foto is te zien op de tentoonstelling 'Life is Strange' in Huis Marseille (Amsterdam).

Het Franse militaire luchtschip La Patrie in de hangar in Moisson, Frankrijk, 1906. Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad/Fotograaf onbekend. Deze foto is te zien op de tentoonstelling ‘Life is Strange’ in Huis Marseille (Amsterdam).

Hier op De Correspondent maak ik vaak gebruik van historisch beeldmateriaal. Vaker dan de meeste van mijn collega-fotoredacteuren bij andere Nederlandse media. Waarom eigenlijk? Waarom oude foto’s, als er alleen via het fotopersbureau AFP al ruim 3.000 foto’s per dag bijkomen?

Dat media steeds weer nieuwe foto’s laten maken, is logisch. Media verslaan de actualiteit. Taal – in tekst, geluid en beeld – is hun gereedschap. De consensus is dat een journalist een gebeurtenis het best kan verslaan als hij er zelf bij is. Dat is ook de rol die beeld toegewezen heeft gekregen. Het beeld als eendimensionale aanvulling op de tekst. Als bewijs dat de journalist inderdaad ter plaatse was.

Daarom wordt er in de krant bij een verslag van Prinsjesdag geen foto van vorig jaar geplaatst. De krantenlezer zou zich niet serieus genomen voelen. Bekocht zelfs.

Logisch, toch?

Nee. Want ziet Prinsjesdag er niet elk jaar ongeveer hetzelfde uit? Maakt dát het niet juist interessant? Stel dat er bij die reportage foto’s stonden van de afgelopen jaren. Dan toont het beeld niet de gebeurtenis zelf, maar de traditie erachter. Dan is de foto meer dan een illustratie van de tekst. De tekst vertelt over déze Prinsjesdag, het beeld over de traditie áchter Prinsjesdag. Beeld is zo multidimensionaal geworden.

Zien betekent al lang niet meer geloven, laat staan begrijpen. Welke journalistieke rol is er dan weggelegd voor fotografie?

Hoe abstracter hoe beter

Ik weet het. Prinsjesdag is een makkelijk voorbeeld om het nut van historische beelden in journalistieke context te bepleiten. Want het element historie – en dus traditie – zit in het onderwerp zelf. Laat ik dus een heel ander voorbeeld nemen. Een verhaal dat we op De Correspondent hebben gepubliceerd. Over de marktwerking in de kinderopvang.Hier vind je dat artikel terug.

‘Hoe crèches het kind van de rekening werden’ is de titel van het stuk. De inleiding luidt: ‘Marktwerking in de kinderopvang zou alles beter maken. Wachtlijsten zouden verdwijnen en de pedagogische kwaliteit zou stijgen. Acht jaar later na de invoering ervan blijkt dat het er voor het kind niet veel beter op is geworden.’

Welke foto moet een beeldredacteur daar nou bij zetten? Marktwerking is een mechanisme. Het laat zich niet makkelijk fotograferen; hoogstens de effecten ervan. Een kinderdagverblijf wel, daar kan een fotograaf op afgestuurd worden. Dat kan goed werken, een voorbeeld dat symbool staat voor iets groters. Door de menselijke maat – het herkenbare, het hier-en-nu – kan je je er beter toe verhouden. In dit geval komt daar nog het element marktwerking bij, dat niet zichtbaar is op een foto met spelende kinderen bij een opvang.

Dus wat bij mij in zo’n situatie meestal volgt, is een onnavolgbare associatieve zoektocht. Wetend dat ik de optie van foto’s van een kinderopvang (te vinden bij elke beeldbank) achter de hand heb, voel ik dat er ook een andere mogelijkheid is voor beeld. Dit soort abstracte onderwerpen zijn lastig, die zoektocht kan een worsteling zijn. Vaak moet het ook nog in één of twee dagen, in het tempo van de journalistiek.

Maar als ik iets vind dat echt goed past, dan valt alles op zijn plaats. Dan kan ik mezelf (en hopelijk anderen) verrassen. Dan zet niet alleen de tekst, maar ook het beeld je aan het denken. Omdat het je iets anders toont dan verwacht. Je moet twee keer kijken. Het vinden van het juiste beeld is als fotograferen zonder een foto te maken.

De diep ongelukkige vijfling

In dit geval liep ik, na vele omzwervingen, tegen het verhaal aan van de Canadese Dionne-vijfling (1934). Vierlingen kende ze toen al wel, maar vijflingen werden niet voor mogelijk gehouden. De ouders waren erg arm en niet op zoveel kinderen voorbereid. Dus heeft toen de Canadese regering, onder het mom van kinderbescherming, hen de voogdij afgenomen en de vijf meisjes tot een toeristenattractie gemaakt. Ze werden in een speciaal huis geplaatst waar belangstellenden achter een hek konden zien hoe de meisjes speelden. Soms kwamen er wel 6.000 mensen per dag kijken. Verjaardagen werden met vijf taarten en veel media-aandacht gevierd. Met foto’s van dat jaar natuurlijk.

Na negen jaar strijden kregen de ouders de voogdij terug, maar op hun beurt stuurden ze de meisjes het hele land door om zoveel mogelijk geld voor hen te verdienen. Terwijl de wereld toekeek, moesten ze dezelfde kleren dragen, met hetzelfde speelgoed spelen en even snel hun eten opeten.

Ze werden wereldberoemd, maar tegen welke prijs? Toen ze achttien en diep ongelukkig waren, gingen ze op zichzelf wonen en stopten ze met alle optredens, zonder er ooit één cent voor terug te hebben gezien. Drie stierven, waarvan twee op jonge leeftijd. Met de overige twee is een documentaire gemaakt waarin zij vertellen hoe traumatisch hun jeugd is geweest en hoe zij zich hun hele verdere leven hebben ingezet tegen het commercieel uitbuiten van kinderen.

Keerzijde van keuzevrijheid

Een schrijnend verhaal. Passend bij een artikel over marktwerking in de kinderopvang. Want marktwerking functioneert bij gratie van keuzemogelijkheden. En dat was wat deze vijfling juist niet had. Een eenvormiger kinderopvang dan deze vijfling de eerste negen jaar van hun leven kreeg, is bijna niet voor te stellen. En juist dat is wat de foto’s van deze vijfling laten zien. Altijd was alles precies hetzelfde, nooit mochten ze hun individualiteit tonen. De verschillen, die er natuurlijk wel waren, werden totaal genegeerd. Dag na dag, jaar na jaar, tot hun levens geruïneerd waren. En daar speelde de Canadese overheid een grote rol in.

Zoals het artikel de opkomst en falen van marktwerking in de kinderopvang bespreekt, zo trekken de foto’s het succes van gelijkschakeling in twijfel. Letterlijk hebben tekst en beeld niks met elkaar te maken. Figuurlijk biedt het nieuwe inzichten op dezelfde thematiek, zonder in de tekst genoemd te worden.

Het laat volgens mij zien: historisch beeld kan magisch zijn. Plotseling opent het een onbekende wereld. Niet de toekomst, maar waar we vandaan komen. Door naar vroeger te kijken, kunnen we dingen te weten komen over het nu. De beelden zijn hetzelfde gebleven, maar alles eromheen is veranderd. Die gelaagdheid is ook wat ik interessant vind aan oude foto’s. Het laat me niet alleen kijken naar de wereld in andere tijden, maar ook naar het medium zelf.

Deze column sprak ik uit ter gelegenheid van de presentatie van het boek Life is Strange – Fotografische ontdekkingen uit tijdschrift ‘Het Leven’, dat onderdeel is van de gelijknamige tentoonstelling die nog tot 6 september te zien is in Huis Marseille te Amsterdam. Voor deze tentoonstelling Kijk hier voor meer informatie over deze tentoonstelling.heeft fotograaf en tentoonstellingsmaker Rob Moores een selectie gemaakt van 235 foto’s uit een archief van ruim twaalf miljoen afdrukken.

Andere stukken waar ik historisch beeld bij plaatste:

‘breinhacken’

Een ledlamp die laat zien hoe je je voelt, een polsband die je concentratie meet, ‘breinhacken’ is een spannende ontwikkeling die laat zien hoe kneed- en smeedbaar ons brein is. In Amsterdam kwamen kort geleden dertig breinhackers samen. Wat denken jullie van deze toepassingen?

Met je brein een arm aan de andere kant van de wereld besturen, wat denken jullie daarvan?

Correspondent Vindingrijkheid & Vernieuwers

Thalia Verkade
Foto: Hollandse Hoogte

Foto: Hollandse Hoogte

Scholieren aan wie verteld wordt dat hun verstand kneed- en smeedbaar is, leren makkelijker dan leerlingen die te horen krijgen dat wat ze kunnen zo’n beetjevaststaat. Daarom moet er op scholen behalve seksuele voorlichting ook breinvoorlichting worden gegeven.Dit prikkelende idee, met daarbij het ontwerp voor een game waarmee scholieren zicht zouden kunnen krijgen op hun eigen hersenactiviteit, won afgelopen zondag de hoofdprijs op de tweede Hack the Brain Zie www.hackthebrain.nl.-marathon in Amsterdam.Organisator van het evenement is de Waag Society, Zie www.waag.org.die techneuten, wetenschappers en kunstenaars laat experimenteren op het grensvlak van hun disciplines. Mede-organisator was het Dondersinstituut van de Radboud Universiteit in Nijmegen, dat onderzoek doet naar hersenen, cognitie en gedrag.Zo’n dertig hackers ontwikkelden in het voormalig anatomisch theater in de Waag in anderhalve dag een aantal breinhacktoepassingen op basis van monitoring van hersenactiviteit via EEG. Het idee: als je aan de hand van zo’n scan ziet wat er in je hoofd omgaat, kun je daar direct op reageren.Dat idee bestaat al langer. Er bestaat experimentele therapie voor jongeren met ad(h)d die op deze manier hun eigen ‘abnormale’ hersengolven zouden kunnen leren herkennen en corrigeren. Of en hoe dat precies werkt, daarover lopen de meningen uiteen.Het hacken gaat ook de andere kant op. Tal van experimenten Zie bijvoorbeeld deze TED-talk.laten zien dat je met hersengolven direct computers kunt aansturen.

Een ledlamp die je stemming weergeeft

De breinhackers moesten in de Waag met een werkend prototype op de proppen komen én een jury van het nut van hun uitvinding overtuigen.

Eén deelnemer had haar headset via een computer verbonden aan een ledlamp die van kleur kon veranderen. De kleuren zouden zich aanpassen aan de alfagolven die haar hersenen uitzonden.

Alfagolven hebben namelijk een bepaalde frequentie die optreedt bij ontspanning (met name als de ogen gesloten zijn). Ze zeggen zo iets over de mate van concentratie van een persoon.

De bedenkers betoogden dat mensen zich zullen ontspannen als ze kleuren zien die een rustige geestestoestand reflecteren, waardoor je een soort van positieve feedbackloop krijgt.

Een hoofd in Amsterdam stuurt een arm in Montreal aan

Een ander team liet zien dat een hoofd in Amsterdam de arm van een hacker kon aansturen die vanuit Canada met een videoverbinding inbelde. Het was spectaculair: wanneer de Amsterdamse deelnemer – met een EEG-headset op – zijn ogen sloot, triggerden de alfagolven in zijn brein een computercommando dat de elektroden bevestigd op de armspieren van het Canadese proefkonijn activeerde. Diens hand en arm trokken vervolgens samen.

Met deze technologie kun je in de toekomst op afstand met je gedachten een neuroloog aansturen die een operatie uitvoert, stelden de bedenkers. De jury was gecharmeerd maar niet overtuigd: daarvoor waren de alfagolven te ongeregeld en de armbewegingen te spastisch.

Torens bouwen van je eigen concentratie

De charme van het winnende ontwerp BrainED (afkorting van Brain Education) zat vooral in de educatieve mogelijkheden. Het team ontwierp een breingame die op scholen als voorlichtingsmateriaal zou kunnen worden ingezet.

In het gepresenteerde prototype zetten twee leerlingen een EEG-headset op. Met behulp van hun alfagolven bouwen ze samen aan een soort kasteel. Naarmate ze zich langer concentreren, groeien er meer torens op het kasteel, torens die met elkaar verbonden raken. Vervolgens kan er over loopbruggen tussen de torens een knikker gaan rollen. Het is zaak met zijn tweeën die knikker zo’n lang mogelijke route te bezorgen.

‘Door de eigen toren te zien groeien of krimpen in relatie tot de eigen concentratie, ervaart het kind dat er iets in zijn of haar hersenen gebeurt. Om vervolgens samenwerking en concentratie van de hele klas te stimuleren, kan het spel met een groep worden gespeeld,’ zegt Marloeke van der Vlugt, een Nederlandse kunstenares die het concept mede-ontwikkelde.

Er bestaan al experimentele computerspellen Bijvoorbeeld van Myndplay.die worden aangestuurd met EEG-headsets. Als het zou lukken dit spel te ontwikkelen, dan leren leerlingen de waarde van concentratie – en zien ze de gedachte ‘dat oefening kunst baart’ letterlijk terug in hun eigen brein.

Het team kwam met een nog futuristischer en met meer scepsis ontvangen idee: geef de onderwijzer in de klas een armband waarmee hij of zij discreet kan opmerken of de concentratie van een leerling of van de hele groep verslapt, nog voordat de kinderen op hun stoelen beginnen te draaien.

Met de vier EEG-headsets die de bedenkers wonnen, kunnen ze hun concepten verder ontwikkelen.

Breinvoorlichting, een goed idee?

  • Wat denken jullie van de toepassing van EEG-headsets voor games en educatieve doeleinden?
  • Wat vinden jullie van het idee van breinvoorlichting in de klas, met een game zoals BrainED? Moet dat er komen, zoals er in de jaren zeventig ook seksuele voorlichting op scholen kwam?
  • En wat vinden jullie van het idee dat onderwijskundigen discreet de concentratie van leerlingen kunnen monitoren?

Kunstenares Marloeke van der Vlugt en neurowetenschapper Hannah Eggink van het winnende team en Ester van der Geest, neuropsycholoog van Waag Society, lezen op mijn verzoek mee met de reacties en kunnen vragen beantwoorden.

De ontdekking van de groeimindset, 40 jaar geleden

Hier volgt een beknopte beschrijving van die ontstaansgeschiedenis van het onderzoek naar groeimindsets. Het begon 40 jaar geleden.

Carol Dweck is één van de bekendste psychologen van deze tijd. Ze schreef de internationale bestseller Mindset. The New Psychology of Success die in vele talen, waaronder hetNederlands, werd vertaald. Dat is een toegankelijk boek dat door talloze ouders, docenten en andere geïnteresseerden is verslonden. Daarnaast is ze, vooral in Amerika, bekend van tv-optredens, artikelen in de populaire pers en presentaties. Maar dat is niet alles. Zij staat ook wetenschappelijk hoog aangeschreven. Ze is hoogleraar aan de prestigieuze Standford University vlak bij van San Franciso en was daarvoor hoogleraar aan de even prestigieuze Columbia University in New York. Ze is lid van de National Academy of Sciences en in 2013 won ze de Distinguished Scientific Contribution Award van de A.P.A., de American Psychological Association. Deze award heeft ze gewonnen voor haar onderzoek naar mindsets.

Mindset is lastig in het Nederlands te vertalen. Wat het in dit verband ongeveer betekent is een manier van denken, een theorie, over de ontwikkelbaarheid van menselijke eigenschappen en capaciteiten. Mensen kunnen zich heel bewust zijn van hun persoonlijke manier van denken hierover maar vaak zijn deze theorieën deels onbewust. Dweck kwam erachter dat sommige mensen een zogenaamde fixed mindset hebben. Deze mensen zien hun eigenschappen en capaciteiten grotendeels als vastliggend en dus niet of nauwelijks ontwikkelbaar. Het hebben van een fixed mindset is niet zonder gevolgen. Mensen met een fixed mindset maken zich vaak angstiger en bezorgder over hun capaciteiten. Ze proberen geen fouten te maken en gaan moeilijke uitdagingen liever uit te weg uit angst dat andere mensen hen misschien als dom zouden kunnen gaan zien. Een fixed mindset belemmert hierdoor leren. Andere mensen hebben een groeimindset. Deze mensen zien eigenschappen en capaciteiten als ontwikkelbaar. Ze gaan graag uitdagingen aan en zien fouten als iets waar je van kunt leren. Zoals verderop zal blijken heeft het hebben van een groeimindset veel voordelen.

Als je denkt dat Carol Dweck zelf altijd een groeimindset heeft gehad dan heb je het mis. Ze groeide op in een uitgesproken fixed mindset cultuur. Ze zat als kind op een zogeheten IQ-klas school. In haar klas werden kinderen door haar lerares, mevrouw Wilson, fysiek gerangordend naar hun IQ score. De kinderen met de hoogste score zaten voor in de klas (Carol zat op stoel 1 in rij 1), de kinderen met de laagste scores achterin. Had je een hoge score dan mocht je bovendien speciale taken uitvoeren zoals het bord uitvegen voor de juf en de vlag ophangen. Had je een lage score dan mocht je dat niet. IQ werd belangrijk gevonden en niet alleen gezien als een indicatie van je potentieel maar impliciet, zo denk je als je deze dingen hoort, ook van je waarde als persoon.

Aangeleerde hulpeloosheid

Carol ontdekte de groeimindset toen ze onderzoek ging doen naar hoe mensen met tegenslag en fouten omgingen. De reden om dit onderzoek te gaan doen was dat in die tijd aangeleerde hulpeloosheid (learned helplessness) bij dieren een populair onderzoeksonderwerp was. Voor we verder gaan met de groeimindset zal ik eerst kort uitleggen wat aangeleerde hulpeloosheid inhoudt. Martin Seligman deed experimenten waarbij hij twee dieren in aparte hokken herhaaldelijk elektrische schokken toediende. Het ene dier stelde hij in staat om de duur van de schok te bekorten door op een knop te drukken. Als dat dier dat deed stopte niet alleen zijn eigen schok maar ook de schok het andere dier in het andere hok. Dat andere dier had geen invloed op de duur van de schok. Dat andere dier had na verloop van tijd een slechtere gezondheid en verloor ook zijn vermogen om te leren. Het kreeg een aangeleerde hulpeloosheid. In een ander experiment kregen beide dieren nu een mogelijkheid om een schok te beëindigen door over een afscheidinkje te springen. Het dier dat in het eerste experiment de duur van schokken had kunnen beïnvloeden leerde snel hoe dat moest; het andere dier was echter passief en probeerde niet eens aan de schok te ontkomen. Dweck wilde graag onderzoek hoe mensen reageren in situaties waarin zij zich hulpeloos voelen. Hoe zouden zij hun fouten en falen interpreteren en hoe gemotiveerd zouden zij zijn om vol te houden.

Attributie

Haar eerste publicatie in een toonaangevende wetenschappelijk tijdschrift deed zij in 1975 (zie hier). Het werd een veel geciteerd artikel. In dit artikel beschreef zij onderzoek dat zij had gedaan met jonge kinderen die door hun scholen waren aangemerkt als kinderen die extreem reageerden op falen. Zij gaf deze kinderen een training die hun attributie beïnvloedde. Ik zal kort uitleggen wat attributie inhoudt. In de psychologie hebben we ontdekt dat mensen voortdurend zoeken naar verklaringen en oorzaken voor gebeurtenissen in hun leven. Dit proces, dat attributie heet, vindt vaak onbewust plaats. Hoe mensen gebeurtenissen attribueren heeft niet alleen invloed op hoe ze zichzelf zien maar ook op de keuzes die ze maken en daarmee op hoe zij zich ontwikkelen. Carol Dweck leerde de kinderen in haar onderzoek verantwoordelijkheid te nemen voor falen en om falen te attribueren als een gebrek aan inspanning. Een andere groep kinderen werd in een programma geplaatst waarin zij veel succeservaringen konden hebben. Velen in die tijd dachten dat dit namelijk hielp om het zelfvertrouwen van kinderen te vergroten wat zou leiden tot betere resultaten. Dit onderzoek liet zien dat de succeservaringenprocedure niet goed werkte. Deze leidde tot verdere verslechtering na faalsituaties. De eerstgenoemde procedure, waarbij kinderen leerden om falen te interpreteren als een gebrek aan inspanning, werkte echter wel. De mindsettheorie was geboren.

Andere aspecten van mindset

In de jaren die volgden ontdekte Dweck andere aspecten van de mindsettheorie. Zo begon zij te ontdekken dat hoe kinderen reageren op situatie van falen mede bepaald worden door de feedback die zij krijgen van hun omgeving. Ze ontdekte dat soms subtiele feedback al een sterke invloed kan hebben op hoe kinderen situaties van falen interpreteren. Ook begon ze te ontdekken dat er een verschil bestond tussen de soorten feedback die jongens en meisjes kregen. Meisjes bleken bij falen vaker dan jongens feedback te krijgen die suggereerde dat het falen te maken had met een gebrek aan capaciteiten. Verder ontdekte ze verschillende mensen verschillende soorten doelen stellen. Sommige mensen stellen vooral leerdoelen, andere vooral prestatiedoelen. Wat voor soort doelen mensen stelden bleek invloed te hebben op de mate waarin zij uitdagingen aangingen en volhielden bij tegenslag. In het begin van de jaren negentig begon zij onderzoek te doen naar impliciete persoonlijkheidstheorieën. Ze noemde kinderen die geloofden dat persoonlijkheid een vastliggende kwaliteit is entiteitstheoretici (entity theorists). Dit is wat ze later een fixed mindset is gaan noemen. Kinderen die geloofden dat persoonlijkheid een ontwikkelbaar is noemde ze incrementele theoretici (incremental theorists). Dit is wat ze later de groeimindset is gaan noemen. In 1998 deed zij een onderzoek dat zeer bekend is geworden en dat ik hier wat uitgebreider beschrijf.

Complimenten beïnvloeden mindsets

Dat het type IQ-klas als waar Carol Dweck zelf in zat een fixed mindset opwekt is niet verbazend. Als je kinderen behandelt alsof ze allemaal vastliggende capaciteiten hebben en hen continu de boodschap geeft dat die capaciteiten heel belangrijk zijn dan kan het bijna niet anders op je wekt een fixed mindset op. Maar door onderzoek dat Carol samen met Claudia Mueller deed in 1998 ontdekte ze dat ook veel subtielere boodschappen een fixed mindset op kunnen wekken. Mueller en Dweck gaven jonge kinderen een aantal eenvoudige puzzels om op te lossen. Nadat de kinderen dit succesvol hadden gedaan kregen zij een compliment. De ene helft van de kinderen kreeg het compliment: “Wow, goed gedaan. Jij moet hier wel heel slim in zijn.” De andere helft kreeg het compliment: “Wow, goed gedaan. Jij moet hier wel heel goed je best voor hebben gedaan.” Het eerste type compliment kun je een eigenschapscompliment noemen. Het is gericht op de veronderstelde eigenschap (slimheid). Het tweede type compliment kun je een inspanninsgscompliment of een procescompliment noemen. Het is gericht op het je best doen. Nadat de kinderen hun complimentje hadden ontvangen kregen zij een tweede serie puzzels voorgelegd die veel moeilijker waren. Toen de kinderen hiermee klaar waren en zij hadden gemerkt dat de tweede puzzel veel moeizamer ging werd hen gevraagd door de onderzoek wat hun verklaring daar voor was. Kinderen die een eigenschapscompliment hadden gekregen waren meer geneigd om te antwoorden dat ze blijkbaar niet zo goed waren in dit soort puzzels. Kinderen die een inspanningscompliment hadden gekregen waren meer geneigd om te antwoorden dat deze puzzels moeilijker waren en dat ze meer hun best moesten doen. Ook werd aan de kinderen gevraagd wat voor volgende puzzels te wilden doen, de eenvoudigere zoals aan het begin of de moeilijkere puzzels zoals in de tweede ronde. De meerderheid van de kinderen die geprezen waren voor hun intelligentie koos ervoor om een gemakkelijkere puzzel te doen. De meerderheid van de kinderen die geprezen waren voor hun inspanning koos voor de moeilijke puzzel.

Gunnen we kinderen een groeimindset?

Dit onderzoek laat zien dat erg kleine en goed bedoelde dingen zoals een complimentje over een eigenschap een fixed mindset kan opwekken. Dit onderzoek is in verschillende vormen en door verschillende mensen herhaald en de resultaten waren steeds vergelijkbaar. De resultaten van deze onderzoeken zetten aan het denken. Hoe vaak hebben we kinderen niet persoonsgerichte complimenten gegeven met de beste bedoelingen? Hoe vaak hebben we niet gezegd dat ze een goede tekenaar zijn of dat ze echt een talent voor wiskunde hebben? We dachten dat dit hun zelfvertrouwen en motivatie zou versterken maar het tegendeel is waar. Het ondermijnt hun zelfvertrouwen. Dit moet ons als opvoeders, leraren en leidinggevenden aan het denken zetten. Hoe willen wij mensen opvoeden lesgeven en aansturen? Willen we hen continu valideren via (persoons)complimenten, cijfers, prijzen en dergelijke? Willen we het risico lopen dat ze hierdoor afhankelijk worden van dit soort continue bevestiging en dat ze een fixed mindset ontwikkelen? Of gunnen we hen een groeimindset?

Wil je meer over mindset weten? Zie dan:

Interview met Carol Dweck
Ted-Presentatie van Carol Dweck

www.progressiegerichtwerken.nl

Wil je 120 worden? Hongerlijden dan!

Wat gebeurt er in een lijf dat iets te weinig eten krijgt? Word je ouder als je minder op je bord schept?

Door: Ellen de Visser 30 mei 2015

Wie 120 jaar wil worden, moet iedere dag een beetje honger lijden. Minder eten om ouder te worden: het werkt bij fruitvliegjes, wormen, muizen en apen. Zelfs bakkersgist dat in het lab op dieet wordt gezet, leeft langer. Minder eten, is dat ook voor mensen de gouden tip? En wat gebeurt er in een lijf dat iets te weinig voeding krijgt?
CRONies heten ze, degenen die dagelijks 1.800calorieën nuttigen, 10 tot 30 procent minder dan ze nodig hebben. Een CRONie, afkorting van Calorische Restrictie met Optimale Nutriënten, eet te weinig, maar zorgt wel voor voldoende vitaminen en mineralen. De neiging bestaat om dat af te doen als fanatieke nonsens, maar hoogleraar Jan Hoeijmakers, geneticus in het Rotterdamse Erasmus Mc, is ervan overtuigd dat die aanpak ook bij mensen de veroudering kan vertragen.

Het achterliggende principe, vertelt hij, is van mens tot bakkersgist hetzelfde. De energie uit voeding kan worden gebruikt voor twee dingen: groei of onderhoud. Groei houdt in dat cellen delen, onderhoud betekent dat de afweer, de verdedigingslinie tegen ziekten, wordt versterkt.

Normaal gesproken gebruiken we de energie vooral om te groeien, legt Hoeijmakers uit. Alleen dan worden we het snelst volwassen en krijgen we nakomelingen. Met die groei komen ook de problemen, in de vorm van celschade. Op jonge leeftijd besluiten beschadigde cellen vaak zelf om dood te gaan, omdat anders mogelijk kanker ontstaat. Jonge stamcellen maken daarna nieuwe cellen.

Als we ouder worden, raakt de voorraad stamcellen uitgeput. Beschadigde cellen gaan daardoor minder makkelijk dood en blijven vaak noodgedwongen overeind. Gevolg: meer cellen met schade, het lichaam gaat achteruit, er ontstaan verouderingsziekten als kanker en Alzheimer.

Als we te weinig eten, verlegt het lichaam tijdelijk de prioriteit van groei naar onderhoud.Anders is de kans kleiner dat we overleven. Kijk maar naar ernstig zieke kinderen, zegt Hoeijmakers: die eten weinig, stoppen letterlijk even met groeien en steken al hun energie in de afweer. Minder eten zet het lichaam in de spaarstand: weinig groei betekent minder celdelingen en waarschijnlijk ook minder dna-beschadigingen, dus een vertraagde veroudering.

Hoeijmakers denkt dat het bij calorische restrictie niet alleen draait om minder calorieën, maar ook om de samenstelling van het dieet. Weinig eiwitten, dat is de clou. Daardoor ontstaat een prikkel die het lichaam aanzet tot meer onderhoud, ten koste van groei.

Eiwitten zijn essentieel voor de groei van cellen. Eiwitten bestaan uit aminozuren en een aantal van die bouwstenen moeten we uit voeding halen, omdat we ze zelf niet maken. Als voeding die aminozuren niet aanlevert, hebben we vermoedelijk niet genoeg bouwmateriaal voor nieuwe cellen. Dan wordt de energie die we binnen krijgen in onderhoud gestopt en niet in groei, waardoor we langer met ons lijf doen.

Tot zover het principe, maar of mensen daadwerkelijk ouder worden als ze minder eten, is nooit bewezen. Hoeijmakers acht de kans groot. Wetenschappers volgen een groep CRONies, die ze vergelijken met hun familie, om te achterhalen of zij inderdaad de veroudering weten af te wenden.

Rest de vraag: wordt het leven er leuker op als je jezelf nooit eens kunt laten gaan aan de dis? Calorische restrictie is een prachtidee, concludeert Hoeijmakers, maar een continu hongergevoel en dagelijks chagrijn zitten ons in de weg.