Wat kunnen we tegen racisme doen?

Tijdens de jaarlijkse herdenking van het slavernijverleden op het Museumplein doen mensen aangifte tegen Zwarte Piet. Ze willen een einde maken aan racisme tijdens het feest van sinterklaas.
Tijdens de jaarlijkse herdenking van het slavernijverleden op het Museumplein doen mensen aangifte tegen Zwarte Piet. Ze willen een einde maken aan racisme tijdens het feest van sinterklaas. © ANP

Wat kunnen we tegen racisme doen?

RONDVRAAGZijn we racistisch? En welke maatregelen kunnen we nemen om racisme tegen te gaan? Een rondvraag langs deskundigen.

Jerry Afriyie, Stichting Nederland wordt beter

Jerry Afriyie
Jerry Afriyie © David Dylan

‘Het hedendaagse racisme is het gevolg van het gebrek aan educatie over ons koloniale- en slavernijverleden. Op school was er vooral aandacht voor het Amerikaanse racisme en niet voor racisme in Nederland. Als wij die achterstand inhalen, zie ik een mooie toekomst voor ons allen.

Tamarah Benima, rabbijn:

Tamarah Benima.
Tamarah Benima. © TB

Vertel kinderen eerst over alle mooie aspecten van de zwarte cultuur

‘Je moet kinderen en pubers eerst vertrouwd maken met de culturen waar foute ideeën over bestaan. Laat zien hoe zwarten, homo’s en joden functioneren: waar ze vandaan komen en wat er leuk aan is. Dat heeft veel tijd nodig. Begin daarna pas over de nare dingen die zijn gebeurd.

‘Uit onderzoek blijkt dat als aan kinderen antiracistische ideeën worden bijgebracht, het juist de vooroordelen bevestigt. Kinderen zijn zich namelijk niet bewust van de verschillende kleuren of culturen. Als een politiek-correcte leraar daar de aandacht op vestigt, heb je pas de poppen aan het dansen. Kinderen leren nu vaak alles over de holocaust maar niet over waar het jodendom voor staat. Vertel kinderen eerst over alle mooie aspecten van de zwarte cultuur. Dan beseffen ze zelf hoe achterlijk het is om racistisch, antisemitisch of homofoob te zijn.’

Hans Siebers is universitair hoofddocent aan Universiteit van Tilburg:

Hans Siebers
Hans Siebers © HS

‘De VN-commissie legt de vinger op de zere plek door te stellen dat er sprake is van discriminatie van mensen met een migratieachtergrond op de Nederlandse arbeidsmarkt en in het onderwijs. Maar ze maken een fout door discriminatie en racisme op een hoop te gooien. Dat kun je ze kwalijk nemen, want dat verschil is erg belangrijk in Nederland. Migranten worden weliswaar ernstig gediscrimineerd in ons land, maar dat wordt niet gevoed door racisme. Racisme gaat om het idee dat het ene ras biologisch gezien superieur is aan het andere. Discriminatie in Nederland wordt door iets anders ingegeven, namelijk door cultureel fundamentalisme. Dat is het idee dat mensen bepaald worden door de culturele gemeenschap waaruit ze komen. Het gaat hier om de misvatting dat er sprake zou zijn van  onoverbrugbare cultuurverschillen tussen migranten en niet-migranten.
Kritiek op Zwarte Piet is contraproductief. Het bevestigt het idee van culturele tegenstellingen: zie je wel, mensen van buitenaf hebben ideeën die botsen met die van ‘onze cultuur’.

Wat we tegen cultureel fundamentalisme kunnen doen? Allereerst van Zwarte Piet afblijven. Ten tweede moeten we het beleid van de Nederlandse overheid screenen op cultureel fundamentalistische motieven. Niet alleen Geert Wilders maakt zich hier schuldig aan. Uit onderzoek naar etnische conflicten op de arbeidsmarkt blijkt dat mensen hun discriminerende mening ontlenen aan dingen die gezegd worden door politici. Kijk bijvoorbeeld naar de taaleis die nu geldt voordat men recht heeft op een uitkering of aan inburgeringscursussen. Allemaal maatregelen die migranten effectief uitsluiten. Die maatregelen voeden het cultureel fundamentalisme en werken discriminatie van migranten in de hand.

Noraly Beyer, oud-presentator van het NOS-journaal:

Noraly Beyer (L) en Gerda Havertong (R) in gesprek tijdens de herdenking van de afschaffing van de slavernij in het Oosterpark bij het Monument van het Nederlands Slavernijverleden en Erfenis.
Noraly Beyer (L) en Gerda Havertong (R) in gesprek tijdens de herdenking van de afschaffing van de slavernij in het Oosterpark bij het Monument van het Nederlands Slavernijverleden en Erfenis. © ANP

Onbekend maakt onbemind. Breng mensen met elkaar in contact. Organiseer bijeenkomsten met eten en drinken erbij en laat mensen met elkaar praten. Dat kun jij doen, dat kan ik doen, dat kan iedereen doen. Dat hoeft niet van een hogere instantie uit te gaan. Zelf heb ik meegedaan aan ‘De Wijksafari’ van theatermaker Adelheid Roosen, waarbij alles draait om de ontmoeting. Schakel Adelheid in en de hele wereld leert elkaar kennen. Als je de ander in levenden lijve ziet en in gesprek gaat, vergeet je hem of haar niet en dan denk je wel drie keer na voor je Zwarte Piet gaat roepen.

Geerten Waling, historicus:

Geerten Waling
Geerten Waling © GW

‘Je kunt niet zeggen: racisme bestaat niet in Nederland. Natuurlijk leven er racistische ideeën. Maar door de Zwarte Piet-discussie merk ik dat ik juist meer in kleuren en rassen ben gaan denken. Ik denk nu vaker: hé, daar loopt een zwarte meneer. Terwijl ik er daarvoor niet mee bezig was. Naar mijn mening denken antiracisten zelf heel racistisch en wakkeren zij met hun ‘strijd’ het racisme alleen maar aan door overal kleur in te zien. Ter vergelijking: antifascisten zijn soms zo radicaal dat ze zelf fascistisch worden.

‘Ik denk dat we met verdachtmaking weinig opschieten. Tijdens de Maagdenhuisbezetting werd de University of Colour opgericht. Ik zie ook dat er weinig allochtone studenten rondlopen bij studies als geschiedenis en filosofie. Er wordt naar de universiteit gewezen. Moeten we ons daar ook al schuldig over voelen? Ik denk dat het gebrek aan diversiteit eerder door culturele verschillen komt, niet door racisme. Allochtone studenten kiezen eerder voor rechten of geneeskunde vanwege de kansen op een goede baan.

‘Het is geen mensenrecht om niet gekwetst te worden. De woordpolitie rukt op, woorden als ‘neger’ worden verboden verklaard. Hoe kwetsend woorden ook kunnen zijn, met verbieden moet je uitkijken, vind ik. Zolang woorden niet oproepen tot geweld moet je het vrije publieke debat zijn werk laten doen. Anders kun je nooit meer een discussie met elkaar voeren. De overheid moet terughoudend zijn met de vervolging van mensen vanwege discriminerende uitspraken.

Harriet Duurvoort, columnist:

Mensen zoeken anno nu liever de flanken op in plaats van dat ze openstaan voor een dialoog waarin geluisterd wordt naar de ander

Volkskrant-columnist Harriet Duurvoort tijdens de columnistenmarathon in de Rode Hoed.
Volkskrant-columnist Harriet Duurvoort tijdens de columnistenmarathon in de Rode Hoed. © Guus Dubbelman.

Racisme in Nederland bestaat. Dat zie je bijvoorbeeld terug in de discussie over etnisch profileren door de politie , de zwarte pietdiscussie, de grote werkloosheid onder zelfs goedopgeleide allochtonen of de ondervertegenwoordiging van allochtonen in de media.

Het debat over racisme is een moeilijk debat. Kaart je iets aan, dan gaat dat vaak gepaard met bedreigingen, kijk maar naar Quinsy Gario. Dat grijpt je aan. Ook ik schrijf liever een stukje over misstanden in de zorg dan over racisme, omdat het vaak niet mals is wat je over je heen krijgt. De discussie raakt helaas snel uit balans. Mensen zoeken anno nu liever de flanken op in plaats van dat ze openstaan voor een dialoog waarin geluisterd wordt naar de ander. Angst, afkeer en onderbuikgevoelens regeren en zo raakt iedereen in een negatieve spiraal. Ik wil ook het debat over integratieproblemen niet uit de weg gaan. Maar ook racisme aankaarten, want het is er.

Ik weet zo snel geen maatregel tegen racisme. Het mag van mij wel wat minder defensief. Begin je over racisme dan is iedereen snel aangevallen. Iedereen discrimineert, ik ook. Dat is eigen aan de mens. Maar het systematisch uitsluiten van groepen, institutioneel racisme, is wat anders. Daar moeten we op een nuchtere manier over kunnen praten. Verder vind ik het belangrijk dat ook in de gevestigde media diversiteit structureel vertegenwoordigd is.

augustus 30, 2015Permalink

Wat liefde is

Welke idealen koesteren we over de liefde? Waar komen ze vandaan en waar zijn ze aan vernieuwing toe? Daar wil ik de komende maanden over schrijven. Ik hoor graag welke bronnen voor jullie van belang zijn. En wie jullie hier eens over aan het woord willen horen.

Wat liefde is (en waar je antwoord op deze vraag vandaan komt)

Correspondent Televisie, Games, Films & Literatuur

Nina Polak
Scene uit de film 'Annie Hall' (1977)

Scene uit de film ‘Annie Hall’ (1977)

Een van mijn romantische ideaalbeelden komt uit Woody Allens Annie Hall (1977). Laat ik het onsentimenteel samenvatten: er zijn twee mensen, er zijn de straten van New York, er is jazz, er zijn verhandelingen over kunst, er is onhandige seks. Het is volmaakt onvolmaakt.

Allens nieuwste film Irrational Man (nu te zien) is het zoveelste bedrijf van de klucht waartoe hij het hedendaagse liefdesleven reduceert. De verliefde mens is bij hem iets tussen hilarisch en verderfelijk. En de liefde, tsja, een zich steeds herschikkende constellatie van (witte) leugens en zelfbedrog.

Hoofdpersoon Jill begint een affaire met een broeierige filosofieprofessor. De romance berust vooral op veel bellenblaas: pretentieuze filosofische gesprekken, wandelingen langs de zee, lyrische liefdespoëzie.

Kijk hier de trailer van Irrational Man.

Een feest der clichés, zoals gewoonlijk bij Allen. Minder voorspelbaar is het dat Jill geen reden ziet om haar burgerlijke vriendje te verlaten voor haar duistere minnaar. Ze legt een modern opportunistische mengeling aan de dag van pragmatisme en romantische idealen, verenigt schijnbaar tegengestelde visies.

Een tegenstrijdige visie op liefde

Dat binnen zo’n opvatting nogal wat contradictie kan leven, komt tot uitdrukking in veel personages van Allen

Traceren hoe persoonlijke idealen en overtuigingen tot stand komen, zweeft tussen wetenschapsfilosofie en nattevingerwerk in. Maar ik kan met enige zekerheid zeggen dat ook De Kleine Zeemeermin, Friedrich Nietzsche en die twee kleine naakte figuurtjes op die deprimerende kalenders die in de jaren negentig overal hingen, een rol spelen in mijn rommelige opvatting van wat‘Liefde is…’Ja, deze kalender.

Dat zo’n opvatting contradictoir kan zijn, komt tot uitdrukking in veel personages van Allen. Explicieter schreef de Nederlandse filosoof Ad Verbrugge hierover in zijn laatste boek Staat van verwarring. Lees hier meer over Verbrugges boek.Daarin onderzoekt hij hoe maatschappelijke kernwaarden als individualisme en gemeenschapsvorming vooral in de liefde met elkaar in strijd kunnen zijn.

Liefde in veranderende tijden

Zulke tegenstellingen staan centraal in veel van wat er momenteel geschreven wordt over liefde.

Neem de evolutie van online en mobiel daten, waarover komiek Aziz Ansari het hilarische boek Modern Romance schreef. Lees hier meer over Ansari en zijn boek.Daaruit blijkt dat bij velen het idee leeft dat er een ‘ware’ rondloopt. Dat er een glazen muiltje past aan elke voet. Tegelijk maakt deze digitale ontwikkeling veel hedendaagse liefdeszoekers tot onrustige, ontevreden consumenten.

Hangt dit er misschien mee samen dat er nog nooit zoveel mensen alleen hebben gewoond, zoals socioloog Eric Klinenberg signaleert in zijn boek Going Solo? En hoe kan het dat in een land als Japan, waar de toenemende virtualisering van het dagelijks leven zichtbaarder is dan waar ook, maar liefst 40 procent van de jonge mannen zegt niet geïnteresseerd te zijn in seks of romantiek?

Het is niet romantisch om je met cijfers bezig te houden. Maar hier is er nog zo een: 71 procent. Dat is het dit jaar gemeten scheidingspercentage bij onze zuiderburen. Het hoogste ter wereld. De meest voorkomende reden, volgens een Belgische krant, is dat er binnen de relatie niet voldaan werd aan de oorspronkelijke verwachtingen.

Overtuigingen over liefde (en of die aan herziening toe zijn)

Natuurlijk, dit is een verzameling feitjes. Maar wie over de liefde denkt en leest, begint te vermoeden dat hier en daar best gesleuteld kan worden aan heersende verwachtingen en idealen.

Wie over de liefde denkt en leest, begint te vermoeden dat hier en daar best gesleuteld kan worden aan heersende verwachtingen en idealen

De komende tijd probeer ik een aantal van die idealen in kaart te brengen. Aan de hand van een filmische, literaire of muzikale bron (zoals Annie Hall) vraag ik Nederlanders, bekend en onbekend, naar hun overtuigingen op het gebied van liefde en waar ze vermoeden dat die mogelijk aan herziening toe zijn.

Werktitel voor deze serie interviews luidt: ‘De toekomst van de romantische liefde.’ Ik realiseer me daarbij terdege dat romantiek slechts een de van vele hoofdrollen speelt in onze uiteenlopende opvattingen over liefde, maar ik gebruik het woord als spil, waartegen juist ook haakse idealen zich kunnen aftekenen.

Wat zijn de bronnen van jullie ideaalbeeld van romantische liefde?

Van leden zou ik alvast graag horen tot welke oerbronnen zij hun persoonlijke romantische ideaalbeelden weten te herleiden. Het mag alles zijn, van de Disneyfilm Sneeuwwitje (‘Some day my prince will come…’) en het oeuvre van André Hazes (‘Zij ziet toekomst in ons allebei’) tot de zwartste uitbarstingen van Michel Houellebecq (‘Wie leest, kan onmogelijk liefhebben’).

En mocht de kluwen niet te ontwarren zijn, vertel me dan vooral wie je graag aan het woord zou horen over dit onderwerp.

augustus 17, 2015Permalink

Ambitieuze ouders

Ouders zouden volgens Onderwijsminister Jet Bussemaker niet allemaal de hoogste opleiding moeten ambiëren voor hun kinderen. Maar recent onderzoek toont aan dat kinderen eerder beter dan slechter af zijn met ouders met hoge verwachtingen. Hoog inzetten dus, betoogt Anne Elzinga in deze gastbijdrage.

Ambitieuze ouders zijn een zegen voor hun kind (en de samenleving)

Correspondenten Kinderomgang

Marilse & Ewoud
Foto: Getty Images

Foto: Getty Images

‘Wat mij stoort, is dat iedereen alleen maar hogerop wil.’

Dat stelde Onderwijsminister Jet Bussemaker begin juni in een interview met de Volkskrant.Het interview is hier te lezen.Waarom haar dat stoort? ‘Met een vwo-diploma wil iedereen naar de universiteit. Een mbo-diploma zou niet goed genoeg zijn, terwijl dat ook een prima diploma is. Het is belangrijker om de juiste student op de juiste plek te krijgen.’

En zo werden in een paar zinnen de problemen in het hoger onderwijs – waartoe Bussemakers beleid mede heeft geleid – afgewenteld op de student. En op zijn ouders, die indirect worden weggezet als strebers die met minder dan summa cum laude voor hun middenmoter geen genoegen zouden nemen.

Zijn we doorgeschoten?

Ik voel me aangesproken. Ik heb mijn zoons met ijzeren discipline naar hun felbegeerde middelbareschooldiploma gedirigeerd. Altijd gedacht dat ik daarmee een patriottische daad verrichtte. Ouders zijn de laatste jaren immers aangespoord om het beste uit hun kind te halen. ‘Weg met de zesjescultuur’ preekte menig politicus, waaronder voormalig premier Jan Peter Balkenende en voormalig minister van Onderwijs Marja van Bijsterveldt. Nederland moest een dynamische kenniseconomie worden en 40 procent hoogopgeleiden afleveren. Want de Chinezen en Brazilianen, die stonden te trappelen om de wereldeconomie over te nemen.

‘Het is ons verboden om middelmatig te zijn’

Dat lieten wij ouders ons geen twee keer zeggen. We doken diep in de buidel om Citotrainingen, huiswerkbegeleiding en examencursussen te bekostigen.Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek gaven huishoudens in 2011 149 miljoen uit aan bijles, huiswerkbegeleiding, Cito- en examentrainingen. In 2005 was dat nog 77 miljoen.

Maar als je Jet Bussemaker moet geloven, zijn we daarin doorgeschoten. En Bussemaker is niet de enige die daar zo over denkt. Ook Jeroen van Baar (25) vindt dat ouders niet goed bezig zijn op dit vlak. Deze excellente studiebol schoot als een speer door de middelbare school en de universiteit. En kwam toen zichzelf tegen. ‘Ik ben een maximalist,’ schrijft hij in zijn boek De prestatiegeneratie. Lees hier meer over dat boek.Hij wil van alles het beste maken en dat verlamt hem. Hij lijdt hij onder de torenhoge verwachtingen van zijn ouders die hem zo hoog mogelijk op hun impliciete ranglijst van studies en banen willen afleveren. ‘Het is ons verboden om middelmatig te zijn.’

Hoe hoger de verwachting, hoe beter de prestaties

Moeten ouders zich dat aantrekken?

‘Nee,’ zegt onderwijskundige Hester de Boer, als onderzoeker verbonden aan Rijksuniversiteit Groningen. Kinderen hebben juist baat bij de hoge ambities van hun ouders, óók als die overtrokken zijn gezien hun intelligentie en prestaties. De Boer volgde ruim 10.000 middelbare scholieren vanaf de brugklas tot de vijfde en keek wie er beter af was: het kind met ambitieuze ouders of het kind met minder eerzuchtige ouders.

Wat bleek? ‘Hoe hoger de ouderlijke ambitie, hoe beter de leerresultaten van het kind. Een op de vier komt één schoolniveau hoger uit dan gezien zijn bagage voor de hand ligt. Koesteren ouders extreem hoge ambities en hopen ze bijvoorbeeld op een vwo-carrière voor hun vmbo/havo-kind, dan eindigt zelfs 39 procent een trapje hoger. Omgekeerd blijven kinderen van ouders met lage aspiraties vaker op hun beginniveau hangen of zakken af.’

De bevindingen van De Boer komen overeen met die uit een recent onderzoek naar de schoolprestaties van Limburgse kinderen. Lees meer over dit onderzoek in dit artikel van de Volkskrant.Twijfelgevallen die naar het vwo gingen, scoorden na drie jaar gemiddeld zo’n 10 procent hoger op een IQ-test dan lotgenoten die met eenzelfde gemengd havo/vwo-advies en vergelijkbare Citoscores op de havo terechtkwamen. Terwijl ze op de basisschool volgens onderzoeker Roxanne Korthals niet slimmer waren.

En de docent gaat erin mee

Wat misschien wel de opmerkelijkste bevinding van De Boer is, is dat ambitieuze ouders niet alleen hun eigen kind opzwepen, maar ook de leerkracht van hun kind. Een kwart van de leerkrachten gaat mee met ouders die (ten onrechte) extreem positief zijn over de mogelijkheden van hun zoon of dochter. Met andere woorden: deze leerkrachten stellen hun verwachtingen naar boven bij.

Denken ouders dat het niks wordt met hun kind, dan gelooft meer dan een derde van de docenten (36 procent) dat van de weeromstuit ook. Nog even: terwijl die kinderen helemaal niet zo slecht zíjn.

Ambitieuze ouders zwepen niet alleen hun eigen kind op, maar ook de leerkracht

Vooral bij de overgang van de basis- naar de middelbare school komt dat erop aan. ‘Als de leerkracht van groep acht denkt dat ouders hun kind voldoende zullen helpen en ondersteunen, zal hij eerder geneigd zijn een gemengd vmbo/havo-advies af te geven in plaats van een enkel vmbo-advies,’ aldus De Boer.

De positieve kijk van de leerkracht beïnvloedt ook heel subtiel de manier waarop hij zijn leerlingen benadert. ‘Hij moedigt ze vaker aan om lastiger opgaven te doen, plaatst ze sneller in een hoger niveaugroepje en biedt ze meer mogelijkheden om te leren.’ Datzelfde mechanisme herhaalt zich op de middelbare school. En zo oefent het eindadvies van de basisschool jaren later nog steeds invloed uit op het schoolsucces van leerlingen, concludeert De Boer in haar proefschrift.

Zo ging het bij mijn zoons ook. Vmbo-t/havo werd havo; havo/vwo werd vwo. En er is niks mis met streven naar de hoogst haalbare opleiding. Hoger onderwijs levert niet alleen meer op in salaris- en arbeidsmarktmogelijkheden, maar ook in levensstandaard, welzijn en gezondheid. Hoger opgeleiden blijven langer gezond en leven gemiddeld zo’n zes jaar langer.Bekijk de CBS-cijfers hier.Zolang het maar geen pushen wordt. Maar dat dat voorlopig nog wel meevalt, laten internationale geluksonderzoeken zien: Nederlandse kinderen behoren steevast tot degelukkigste ter wereld.Bekijk het verslag van UNICEF hier.

Hoe pakken we dit aan?

Bussemaker moet dus de problemen die zij heeft in het hoger onderwijs niet afwentelen op de ouders en leerlingen. Een onderwijsminister heeft niks te maken met hun ambities.

Het enige wat een onderwijsminister kan en moet doen, is een onderwijssituatie creëren waarin kinderen zo goed mogelijk uit de verf komen. En daar valt nog het nodige te verbeteren.

Zo zou Bussemaker kunnen beginnen met het aanpakken van de vroege schoolselectie. Het is bijna wreed om twaalfjarigen te dwingen een keuze te maken die in de praktijk beslissend blijkt te zijn voor de rest van hun leven. ‘Opstromen’ naar een hoger niveau is tegenwoordig steeds moeilijker; leerlingen stromen eerder af, zo valt te lezen in het laatsteonderwijsverslag van de onderwijsinspectie. Bekijk het onderwijsverslag hier.Het zou voor een groot aantal kinderen daarom veel beter zijn om twee, drie of zelfs vier jaar de tijd te krijgen om hun weg in onderwijsland te vinden, zoals bijvoorbeeld in Finland en Canada gebeurt. Laat ze af en toe eens een stapje naar links of rechts zetten voordat ze definitieve keuzes maken. Of biedt ze anders een tussenjaar, waar Marilse Eerkens eerder al voor pleitte.Lees hier het pleidooi voor een tussenjaar.

En jaag ze ook inhoudelijk niet allemaal door dezelfde mal. Natuurlijk, kinderen moeten leren, maar niet iedereen doet dat op dezelfde manier en in hetzelfde tempo. Bied maatwerk en heb oog voor andere vaardigheden dan cognitieve. Pas als een kind wordt aangesproken op zijn kwaliteiten, is het op zijn plek.

Dit verhaal is geschreven door Anne Elzinga

Wat denken jullie dat beter is: vrijlaten of stimuleren? En waarom?

augustus 14, 2015Permalink

Er was eens een pil die de wereld ging redden

Twee weken geleden barstten de ‘Worm Wars’ los. Onderzoekers gingen elkaar te lijf over de vraag of het ontwormen van kinderen nu wel of niet het ultieme medicijn tegen armoede is. Met gastcorrespondent Sanne Blauw nam ik de ontwormingshype onder de loep. Hadden deze hulpmiljarden zin?

Er was eens een pil die de wereld ging redden

Correspondent Conflict & Ontwikkeling

Maite Vermeulen
Als we toch met pilletjes tegen ontworming armoede wereldwijd konden bestrijden. Foto: Robin Hammond / Hollandse Hoogte

Als we toch met pilletjes tegen ontworming armoede wereldwijd konden bestrijden. Foto: Robin Hammond / Hollandse Hoogte

Probeer je dit moment even in te denken. Het is begin 2008 en iedereen die ertoe doet verzamelt zich in het Zwitserse Davos op het World Economic Forum. Mannen in pakken, vrouwen op hakken. Op een gegeven moment wordt Cherie Blair (de vrouw van) aangekondigd op het podium.

Ze loopt ook op hakken – van zeker acht centimeter – maar het is vooral haar outfit die opvalt. Mevrouw Blair is namelijk verkleed als worm. Niet zo’n worm die uit de modder omhoog kruipt, maar zo’n kleine, witte parasiet die kinderen vaak oplopen in de zandbak, zo een die in je darmen leeft. Een aarsmade.

Het wordt nog vreemder. Cherie ‘Aarsmade’ Blair begint – op die hakken van acht centimeter – achter enkele forumbezoekers aan te rennen, die doen alsof ze kinderen zijn. Ondertussen speelt Gene Sperling een leraar, die de ‘kinderen’ een antiwormmedicijn probeert te geven voordat Cherie ze te pakken krijgt.

Waarom zou Cherie Blair zich in vredesnaam ten overstaan van de leiders van de hele wereld voordoen als wormpje?

Het antwoord is: het wormpje was de nieuwe filantropiehype.

Hoe ontwormen een hype werd

Cherie Blair vroeg in Davos aandacht (en natuurlijk geld) voor het Deworm the World Initiative. Bekijk hier de website van Deworm the World.Onderzoek laat namelijk zien, zo stelt dit initiatief, dat het ontwormen van kinderen in ontwikkelingslanden dé manier is om ontwikkelingsgeld te besteden.

Met een wormenkuurtje dat nog geen vijftig eurocent per kind kost, zorg je ervoor dat 25 procent minder kinderen van school wegblijven. Kinderen die ontwormd zijn, verdienen later bovendien 20 procent meer dan kinderen die geen medicijn hebben gehad. Het invloedrijke onderzoeksinstituut Jameel Poverty Action Lab van het Massachusetts Institute of Technology noemde ontwormen – à la de Consumentenbond – de ‘beste koop’ in de ontwikkelingssector.

Zo kon het gebeuren dat ontwormen een hype werd in de ontwikkelingswereld. De Wereldbank, de Wereldgezondheidsorganisatie, de Bill & Melinda Gates Foundation, USAID – vrijwel alle grote geldschieters stopten miljarden euro’s in de witte pilletjes die korte metten maken met de aarsmaden.

Maar twee weken geleden leek de ontwormingsbubbel van Cherie Blair en consorten te knappen. Nieuw onderzoek laat namelijk zien dat ontwormen lang niet zo effectief is als tot nu toe werd gedacht. De ontwormingsstrategie van de ontwikkelingswereld was debunked, kopte The Guardian.Lees hier het artikel in The Guardian.

Het nieuwe onderzoek ontketende een ware veldslag tussen academici, ontwikkelingswerkers, geldschieters en journalisten over de vraag: werkt het nou, ontwormen? Maar misschien is nog wel een belangrijkere vraag: wat kunnen we leren van de Worm Wars?

Foto: Robin Hammond / Hollandse Hoogte
Foto: Robin Hammond / Hollandse Hoogte

De opkomst van de rct

Laten we beginnen bij de grote boosdoener: de worm. We hebben het hier over parasietjes die in de darmen leven. Vooral kinderen kunnen besmet raken met de beestjes, bijvoorbeeld door in stilstaand water te zwemmen, of zanderige vingers in hun mond te stoppen.

De infectie is met een simpel kuurtje te behandelen, maar kan ernstige gevolgen hebben als de wormen zich ongestoord kunnen voortplanten. Kinderen kunnen bloedarmoede of diarree krijgen, ondervoed raken en groeiachterstand oplopen. Een generatie die met deze infectie opgroeit, heeft veel minder kans om het later ver te schoppen – laat staan hun land uit de armoede te trekken.

En we hebben het hier over enorme aantallen: meer dan 880 miljoen kinderen Hier vind je de cijfers van de WHO over worminfecties.wereldwijd hebben op dit moment behandeling tegen worminfecties nodig.

Flashback naar januari 2004. De Amerikaanse ontwikkelingseconomen Edward Miguel en Michael Kremer publiceerden een academisch artikel Lees hier de publicatie van Miguel en Kremer.over het effect van ontwormingkuren op schoolkinderen in Kenia. Hun conclusie was tweeledig. Allereerst: ontwormen vermindert de infecties bij behandelde kinderen, maar ook bij onbehandelde kinderen die in de buurt wonen. Ten tweede: ontwormen verbetert de schoolopkomst bij zowel behandelde als onbehandelde leerlingen in de buurt.

Op de vraag of de hulp ook echt armoede bestreed, kon eigenlijk alleen anekdotisch antwoord worden gegeven

Dat was natuurlijk mooi nieuws. Bovendien was het programma goedkoop. Maar er was nog een reden waarom de studie veel aandacht trok. Miguel en Kremer baseerden hun conclusies op iets wat tot dan toe heel ongebruikelijk was in de ontwikkelingssector: een randomized controlled trial (rct). Dat wil zeggen: een experiment waarbij één groep de behandeling wél krijgt en een vergelijkbare groep niet.

Decennia lang werd ontwikkelingshulp verstrekt op basis van nattevingerwerk. Op de vraag of de hulp ook echt armoede bestreed, kon eigenlijk alleen anekdotisch antwoord Lees hier het stuk van correspondent Rutger Bregman over ‘feitenvrije’ ontwikkelingshulp.worden gegeven. Geld ging naar projecten die effectief klonken – het aanschaffen van schoolboeken en uniformen bijvoorbeeld. Sexy projecten, die het goed deden in slogans en op pr-foto’s.

Rct’s gingen volledig tegen deze hyperigheid in: met rigoureuze wetenschappelijke methodes werd aangetoond wat écht werkte. Van onderbuik naar bewijs.

Sinds de Miguel-Kremerstudie is er dan ook een ware rct-revolutie uitgebroken. Kijk naar het Journal of Development Economics, een toonaangevend academisch tijdschrift: tot tien jaar geleden werd nauwelijks één rct per jaar gepubliceerd, maar sindsdien is het aantal rct-studies geëxplodeerd. Zonder een rct op je cv, tel je als ontwikkelingseconoom eigenlijk niet meer mee.

Een randomized controlled trial is een experiment waarbij één groep een behandeling wel krijgt, en een controlegroep niet.

De bestseller Poor Economics, waarin onderzoekers Abhijit Banerjee en Esther Duflo pleitten voor meer rct’s in ontwikkelingswerk, bracht de methode onder de aandacht van het grote publiek. De twee zijn bovendien de adviseurs van grote geldschieters als de Wereldbank en de Bill & Melinda Gates Foundation. ‘Evidence-based’-projecten worden dan ook steeds populairder in de ontwikkelingswereld. Kijk maar naar het succes van een organisatie als GiveDirectly, die op basis van wetenschappelijk onderzoek geld uitkeert aan arme mensen. In slechts twee jaar tijd stegen de donaties van 0,7 miljoen naar 17,4 miljoen dollar – daarmee is het een van de snelste groeiers in de sector.

En ziedaar: Cherie Blair in een wormenpak is ineens zo gek niet meer.

Waarom de anti-hype een hype werd

En zo werd de anti-hypebeweging zelf een hype.

Het succes van de rct komt vooral doordat de uitkomsten zo makkelijk uit te leggen zijn. Je geeft de ene persoon een medicijn, schoolboek of waterput; de ander krijgt niks. Vergelijk de twee en je weet of het heeft geholpen. Vervolgens kun je met zekerheid zeggen: ontwormen, dat helpt dus écht.

Maar net als met alle hypes, worden de voordelen van rct’s overdreven. Het is namelijk nog maar de vraag wat een rct zegt over ándere landen, Lees hier meer over een rct-studie in zes landen.of zelfs andere regio’s. Misschien werkt ontwormen in Kenia goed, maar zet het in India weinig zoden aan de dijk.

In 2012 kwamen er dan ook wat barstjes in de ontwormingseuforie. Toen verscheen een ‘Cochrane review’ – de gouden standaard voor overzichtsartikelen in de geneeskunde – van ontwormingsstudies. Wat bleek: ontwormen werkte veel minder goed dan gedacht. De ontwikkelingseconomen schoten direct in de verdediging. Een groep onderzoekers, waaronder Miguel en Kremer, noemde het artikel zelfs ‘incompleet en misleidend.’Lees hier de reactie van de onderzoekers op de Cochrane Review.

Maar twee weken geleden barstte Zie hier op Storify een reconstructie van de Worm Wars.de wormenoorlog pas echt los. Twee studies in deInternational Journal of Epidemiology toonden aan dat de conclusies van de oer-rct van Miguel en Kremer niet klopten. ‘Nieuw onderzoek ontkracht de voordelen van wereldwijde ontwormingsprogramma’s,’ kopte The Guardian. Lees hier het artikel van The Guardian.De invloedrijke auteur Ben Goldacresprak op Buzzfeed Lees hier het artikel van Goldacre op Buzzfeed.van ‘grote fouten.’

Aan de andere kant van de loopgraven stonden ontwikkelingseconomen die het opnamen voor Miguel en Kremer. Berk Özler van de Wereldbank schreef Lees hier Berk Özlers blog post.dat hij juist nóg overtuigder was geworden van de studie uit 2004. Chris Blattman van de Columbia Universiteit sloot zich Lees hier Chris Blattmans blog post.hierbij aan: ‘Je moet zoveel rare sh*t doen om het resultaat van Miguel en Kremer te laten verdwijnen, dat ik het resultaat alleen nog maar meer geloof.’ Het is een ‘droeve dag voor de wetenschap,’ voegde hij eraan toe.

Foto: Robin Hammond / Hollandse Hoogte
Foto: Robin Hammond / Hollandse Hoogte

Het technische verhaal

Maar wat staat er precies in de nieuwe studies? En wie heeft er gelijk?

Twee jaar geleden overhandigden Miguel en Kremer al hun materiaal aan een groep epidemiologen van de London School of Hygiene & Tropical Medicine. Het was een berg aan documenten: de dataset met informatie over de 30.000 deelnemers, verklarende aantekeningen en de computercode voor de statistische analyse.

Met die informatie voerden de onderzoekers eerst een ‘pure replicatie’ uit. Dat is net als koken met een recept: je volgt precies de stappen zoals die in het oorspronkelijke artikel beschreven staan en kijkt of je tot hetzelfde eindresultaat komt. Zo vonden ze een aantal fouten. Miguel en Kremer hadden bijvoorbeeld niet altijd netjes afgerond – 0,745 werd bijvoorbeeld 0,74 in plaats van 0,75 – en rapporteerden soms de verkeerdesignificantieniveaus, waardoor het effect sterker leek dan het in werkelijkheid was. Ook zaten er wat uitglijders in de computercode, waardoor niet alle berekeningen goed waren uitgevoerd.

Maar het eindresultaat? Dat was nagenoeg hetzelfde. Ook de replicatie wees uit dat de aarsmaden het aflegden tegen de witte pillen en de kinderen vervolgens vaker naar school gingen. Het enige verschil was dat het effect minder ver reikte dan Miguel en Kremer hadden gedacht. Onbehandelde kinderen die meer dan drie kilometer verderop woonden, bleken toch geen baat te hebben bij de behandeling van andere kinderen.

Maar dat het kokkerellen leidde tot ongeveer hetzelfde gerecht, betekent niet per se dat de conclusies van Miguel en Kremer juist waren. Misschien deugde het recept zelf namelijk wel niet. Daarom voerden de onderzoekers ook een ‘statistische replicatie’ uit. Dat gaat zo: je neemt de onderzoeksvraag – ‘wat is het effect van ontwormen op schoolopkomst?’ – en zoekt daar de geschiktste statistische methode bij. De onderzoekers pasten het recept van de oorspronkelijke studie aan op drie punten. Bereid je voor: de volgende alinea’s zijn wat technisch (mocht je er niet uitkomen, lees dan verder na de tabel).

Het eerste punt betreft het niveau waarop je de analyse uitvoert. Neem twee scholen: een met vijftig en een met honderd leerlingen. Miguel en Kremer keken naar het effect per kind. Dat betekent dat ieder kind hetzelfde ‘gewicht’ krijgt in hun analyse, ongeacht op welke school hij zit. De replicatie gebruikte echter het effect per school. Een kind op de kleine school wordt dan dubbel zo zwaar gewogen als een kind op de grote school. Dat is geen probleem als het effect voor iedereen hetzelfde was. Maar dat was niet zo: in grote scholen bleek de behandeling veel beter te werken. De kinderen die het meest baat hadden bij het ontwormen, werden dus het minst zwaar gewogen. Geen verrassing dat de impact kleiner bleek.

Het is niet vreemd dat de ontworming niet meer effectief bleek

Het tweede punt heeft te maken met een logistiek probleem. In het tweede jaar van het experiment (1999) liep de behandeling vertraging op: het programma zou na de jaarwisseling starten, maar begon pas in maart. In de replicatie werd aangenomen dat kinderen in de maanden voor maart al ‘behandeld’ waren, terwijl ze in werkelijkheid nog geen ontwormingspil hadden gezien. Deze onbehandelde kinderen haalden het gemiddelde effect omlaag.

Deze twee aanpassingen maakten nog niet veel verschil: het ontwormen leidde nog altijd tot meer aanwezigheid op school. Pas als je de methode ook nog op een derde punt aanpast, verdwijnt het effect.

Dat derde punt heeft alles te maken met de opzet van het experiment. De scholen werden ingedeeld in drie groepen: in groep 1 werd zowel in 1998 als in 1999 ontwormd, in groep 2 alleen in 1999, en in groep 3 nooit (zie de tabel hieronder). Miguel en Kremer veegden de twee jaren bij elkaar in hun analyse. De auteurs van de replicatie vonden dit niet oké: het betekent namelijk dat de kinderen in groep 2 met zichzelf worden vergeleken, ze zitten eerst een jaar in de controlegroep en daarna een jaar in de behandelde groep.

In de replicatie werd het experiment daarom opgesplitst in twee kleinere experimenten. En toen verdween het effect. Het is immers les één in de statistiek: je steekproef moet groot genoeg zijn om een effect te kunnen vinden. Het is dan ook niet vreemd dat de ontworming niet meer effectief bleek: de steekproef in de losse experimenten was opeens twee keer zo klein.

De haantjes

Vond je de voorgaande alinea’s ingewikkeld? Je bent niet de enige. Zelfs Chris Blattman, die zelf soortgelijke studies uitvoert, schreef dat hij moeite had om alle punten te begrijpen. Laat staan journalisten die op de studie doken en de oorlog verder aanwakkerden.

Maar het moddersmijten kwam misschien ook doordat alle hoofdrolspelers in de wormenoorlog grote belangen hebben bij ‘hun’ kant van het verhaal.

Michael Kremer, de auteur van de originele studie, is bijvoorbeeld ook mede-oprichter van het Deworm the World Initiative. En de econoom Chris Blattman, die de originele studie keihard verdedigde op zijn blog, werkte als promovendus voor het ontwormingsproject van Miguel en Kremer. In de vijandige linie is Ben Goldacre de hardste schreeuwer: hij werkt sinds 2009 regelmatig voor hetzelfde instituut als de auteurs van de replicaties. Overigens steken de onderzoekers dit niet onder stoelen of banken. Blattman spreekt zelf bijvoorbeeld ook van ‘incest.’

Dat de wormoorlog zo uit de hand liep, is dus deels haantjesgedrag. Onderzoekers hebben nu eenmaal een reputatie hoog te houden.

Gelukkig hebben ook onafhankelijker Lees hier bijvoorbeeld het stuk van Michael Clemens en Justin Sandefur…experts … en hier het oordeel van de denktank GiveWell.zich de afgelopen weken vastgebeten in de technische details van de replicaties. Hun voornaamste conclusie: ondanks wat onjuistheden in de Miguel-Kremerstudie blijft de algemene conclusie onveranderd. Voor het positieve effect van ontwormen is nog altijd meer bewijs dan voor de meeste andere ontwikkelingsprojecten.

Eén pil om de wereld te redden

De ironie is dat de nieuwe studies uiteindelijk bijdroegen aan de hype die ze wilden tegengaan. Zoals de denktank GiveWell schreef: ‘de replicatie bracht more heat than light.

De moraal van het verhaal is dat we veel te graag het simpele verhaal over ontwikkelingswerk willen horen. Dat we één geslaagde rct het liefst zien als het antwoord op de wereldproblematiek. Dat we één oplossing – one-size-fits-all - voor een betere wereld willen.

Eén pil om de wereld te redden.

En als ontwormen dé oplossing niet is, dan is het dus géén oplossing.

Terwijl – en dit klinkt misschien als een open deur – de wereld nu eenmaal niet zo simpel is. De opmars van de rct’s is een fantastische ontwikkeling (het werd hoog tijd dat ontwikkelingshulp meer gestoeld werd op feiten). Dat onderzoekers hun data delen, is ook lovenswaardig (openstaan voor nuances en verbeteringen helpt de wereld vooruit). En misschien nog wel het belangrijkste: tienduizenden ontwormde kinderen gaan nu een betere toekomst tegemoet.

Maar de hyperigheid, die de wormoorlogen eens te meer tonen, ligt altijd op de loer. En daar moeten we voor waken. Want hoe belangrijk rct’s ook zijn – ze kunnen niet álles vangen. Hoe meet je het effect van betrouwbare rechtspraak, van democratie, van vrijheid, van verzoening? Welke rct kan het effect van een organisatie als Amnesty International meten?

De focus op rct’s kan dit soort ontastbare zaken verdringen, en dat moeten we niet willen. Wormen moeten de wereld uit, dat is zeker. Maar misschien kan Cherie Blair zich deze winter in Davos ook eens verkleden als ‘mensenrecht’ of ‘trias politica.’

Dit artikel schreef ik samen met gastcorrespondent Sanne Blauw. 

Een van de dilemma’s in ons stuk is: mag je ontwikkelingshulp versimpelen om er geld voor te werven? Of bewijs je de hulpsector daarmee juist geen dienst? Hoe denken jullie daarover?

augustus 5, 2015Permalink

Waarom we hoopgevende verhalen over een duurzame wereld nodig hebben

In een lezenswaardig nieuw essay onderzoekt de Canadese schrijfster Margaret Atwood hoe het gesprek over een wereld zonder olie zich ontwikkelt. Mijn conclusie: fantasie is een cruciale voedingsstof voor de transitie naar duurzaamheid.

Correspondent Klimaat & Energie

Jelmer Mommers
Landbouw in Texas (Verenigde Staten). Foto: Jim Wark / Hollandse Hoogte

Landbouw in Texas (Verenigde Staten). Foto: Jim Wark / Hollandse Hoogte

Kunnen verhalen de wereld veranderen?Grote vraag, waar ik straks op terugkom. Hij kwam bij me op toen ik deze week een essay las van de gerenommeerde Canadese schrijfster Margaret Atwood, die bekendstaat om haar dystopische romans en haar In dit interview in De Groene vertelt Atwood over de ‘groene boekentour’ die ze organiseerde na publicatie van The Year of the Flood.milieuactivisme. Twee jaar geleden publiceerde ze het derde en laatste deel van haar postapocalyptische trilogie Maddaddam, over een toekomst waarin bijna de hele mensheid is uitgeroeid door een pil die seksueel genot beloofde, maar dood bracht. The Economist Hier lees je de recensie van The Economist.vatte het samen als ‘een avonturenroman én een filosofische meditatie over de menselijke voorliefde voor slachting en creatie.’ De vraag in haar werk is steeds of er hoop is voor de mensheid.

De oorlog van allen tegen allen is uitgebroken omdat de olie op is geraakt: de wereld is in chaos en anarchie vervallen en we moeten hondenvoer eten (en daarna de hond)

Zo ook in Atwoods nieuwe essay over klimaatverandering en onze fossiele energieverslaving, dat deze week werd gepubliceerd op medium.com. Hier lees je het essay van Atwood: “It’s Not Climate Change, It’s Everything Change.”Het is een fijne longread, met mooie beelden en zo veel verschillende ideeën dat iedereen er wel iets in zal vinden. Het bevat bovendien een cruciaal inzicht voor iedereen die hoopt dat we het klimaatprobleem uiteindelijk de baas worden.

Hoe ziet een wereld zonder olie eruit?

Atwood begint dit essay met een ander essay, dat ze in 2009 schreef: ‘De Toekomst zonder Olie.’ Ze citeert het stuk zelfs volledig. De vraag die Atwood in dit eerdere stuk stelde, luidt: hoe ziet een wereld zonder olie eruit? Ze schetst drie opties.

  1. In het eerste scenario is de samenleving helemaal duurzaam geworden. Hoogwaardige technologie heeft fossiele brandstoffen overbodig gemaakt en onze uitstoot tot nul teruggebracht. We dragen lange onderbroeken als het koud is, en zelfs rond Tsernobyl zijn we erin geslaagd de natuur weer op gang te brengen. Dit is het utopische scenario.
  2. In het tweede scenario is de oorlog van allen tegen allen uitgebroken omdat de olie op is geraakt: de wereld is in chaos en anarchie vervallen en we moeten hondenvoer eten (en daarna de hond) om in leven te blijven.
  3. In het derde – meest realistische – scenario combineert Atwood een beetje van beiden: sommige landen worden duurzaam, anderen verschansen zich met hun fossiele reserves. In dit scenario vernietigen we een groot deel van de planeet voordat we duurzaam gaan leven, als we dat al doen.

We moeten snel in actie komen om het groene scenario uit te voeren, waarschuwt Atwood in 2009, anders zullen we afstevenen op een of andere versie van scenario twee (totale chaos). Ze sluit af met een omineuze waarschuwing: haal flink wat hondenvoer in huis, je kon het weleens nodig hebben.

Landbouw in Nevada (Verenigde Staten). Foto: Jim Wark / Hollandse Hoogte
Landbouw in Nevada (Verenigde Staten). Foto: Jim Wark / Hollandse Hoogte

Zijn we nog steeds zo gedoemd?

Dat was toen. Nu, zes jaar later, reflecteert Atwood opnieuw op onze al dan niet verdoemde toekomst. Wat is er sinds 2009 veranderd? Voeren we het gesprek over klimaatverandering en over het naderende einde van het olietijdperk nog steeds op dezelfde manier? Atwoods vraagstelling spreekt me aan omdat die gerelateerd is aan mijn eigen zoektocht naar nieuwe verhalen over klimaat, duurzaamheid en energie.Houden we elkaar nog steeds dezelfde scenario’s voor?

Alle records worden gebroken, inwoners hebben een beperking van hun watergebruik opgelegd gekregen, de landbouw heeft het zwaar te verduren

Nee, want er is veel veranderd, schrijft Atwood. De problemen die in 2009 louter nog voorspeld werden, spelen zich nu al af. Neem de extreme droogte in Californië, ‘waarvan wordt gezegd dat het de ergste in 1200 jaar De New York Times: “In California, a Wet Era May Be Ending”is.’ Er zijn noodmaatregelen ingesteld: Bekijk hier foto’s van de droogte in Californië.inwoners hebben een beperking van hun watergebruik Triest en geestig is deze reclame voor inwoners van Californië: verf je gras, dan ziet het er niet zo dor uit…opgelegd gekregen, de landbouw heeft het zwaar te verduren. Zo noemt Atwood meer verschijnselen waaraan we de staat van de planeet kunnen aflezen: de verzuring van de oceanen, het massale uitsterven van soorten, Lees over massa-extinctie: Duizenden diersoorten dreigen dino’s te worden (en wij zijn hun meteoriet).de daling van voedselproductie en de stijging van de zeespiegel. ‘Het belangrijkste punt is dat deze effecten niet in een of andere obscure, verre toekomst plaatsvinden. They are happening now.

Nog een groot verschil met 2009: er wordt nu actie ondernomen. Er zijn vorig jaar massale manifestaties In dit artikel lees je meer over de klimaatmanifestaties en andere vormen van klimaatactie die zelfs door grote aandeelhouders worden omarmd.voor het klimaat geweest (en we kunnen er meer verwachten in aanloop van Parijs Ricken Patel van actieorganisatie Avaaz heeft al opgeroepen om de grootste klimaatmars ooit te organiseren aan de vooravond van de klimaatonderhandelingen in Parijs.), de risico’s worden steeds breder erkend (ook door grote investeerders), en het zakenleven begint te zien dat er geld valt te verdienen aan groen (denk aan de revolutie die Tesla met zijn elektrische auto’s en batterijen wil ontketenen).

Een culturele en morele verschuiving

Kortom: de omwenteling naar duurzaamheid is al aan de gang. Atwood besteedt veel woorden aan de vraag of het voldoende zal zijn om het tij te keren – die overpeinzingen, haar nog immer ernstige waarschuwingen en haar voorzichtige optimisme kun je in haar essay Hier nogmaals de link naar Atwoods essay.lezen. Wat ik vooral interessant vind is haar poging betekenis te geven aan de transitie naar duurzaamheid. Ze laat mooi zien dat het einde van het fossiele tijdperk óók een culturele en morele transitie impliceert.

Dat doet ze met een recent boek van historicus Barry Lord, Art and Energy: How Culture Changes. Zijn stelling: de energiebronnen waarmee we onze culturen laten bloeien, laten hun sporen na in die culturen. Barry Lord vatte zijn boek zelf samen onder de titel: “The Culture of a World Without Oil.”Het tijdperk van kolen was nauw verbonden met industrialisatie en massaproductie, waarin mensen werden gereduceerd tot schakels in een productieproces. Het tijdperk van olie bracht ongeëvenaarde consumptie op gang, mensen werden gereduceerd tot consumenten en begonnen zichzelf te zien in termen van wat ze kopen en bezitten.

Het tijdperk van de duurzaamheid heeft ook morele implicaties: we zullen een grotere aversie hebben tegen geweld, en meer geneigd zijn elkaar als gelijkwaardigen te zien

Precies op dezelfde manier zullen duurzame energiebronnen óók hun sporen nalaten, voorspelt Lord. Volgens hem zal het tijdperk van duurzame energiebronnen samengaan met een cultuur van rentmeesterschap, waarin natuurbehoud, wederzijdse afhankelijkheid en duurzaamheid vooropstaan. We zouden dan gaan delen in plaats van bezitten, hergebruiken in plaats van weggooien. Volgens een andere auteur die Atwood aanhaalt heeft dat ook morele implicaties: we zullen een grotere aversie hebben tegen geweld, en meer geneigd zijn elkaar als gelijkwaardigen te zien.

Landbouw in Jordanië. Foto: George Steinmetz / Hollandse Hoogte
Landbouw in Jordanië. Foto: George Steinmetz / Hollandse Hoogte

Fantasie als voedingsstof voor de transitie

Als de redenering klopt, dan zouden we het naderende einde van het olietijdperk en de kiemen van een duurzame economie nu al moeten kunnen terugzien in de cultuur, in de kunst die nu wordt gemaakt, in de verhalen die nu worden geschreven en die we elkaar vertellen. Atwood maakt de cirkel rond door te laten zien dat er inderdaad al nieuwe verhalen aan het opkomen zijn, een heel nieuw genre zelfs, climate fiction, of cli-fi.Op Wikipedia lees je meer over cli-fi.

Het gaat om romans Voor Vice schreef Wester van Gaal al eens over de opkomst van cli-fi (en het gebrek eraan in Nederland).die net als die van Atwood zelf, ‘de bestaande ontwikkelingen een beetje verder duwen,’ die ons een wereld voorschotelen die mogelijk is, maar nog geen werkelijkheid. Zo schreef de Britse auteur Piers Torday Hier lees je een interessant betoog van Piers Torday in The Guardian: denk niet dat cli-fi onrealistisch is!een boek waarin grote delen van de wereld onbewoonbaar zijn geworden omdat er te weinig water was. Een beetje zoals nu langzaam in Californië gebeurt.

We kunnen zulke grimmige scenario’s over de toekomst zien als entertainment, goed vermaak over onze eigen ondergang. Of we moeten – als de theorie van Lord klopt – deze fictie interpreteren als teken dat er iets aan het veranderen is. Lees voor wat optimistisch klimaatnieuws: China pakt zijn kolenverslaving aan (en nog vier hoopvolle ontwikkelingen voor het klimaat).‘De opkomst van deze fictie is deels [te zien als] een reactie op de transitie die nu plaatsvindt – van de consumentencultuur van olie naar de waarden van rentmeesterschap van duurzame energie,’ schrijft Atwood. De verhalen van de cli-fischrijvers reflecteren het inzicht, inmiddels breed gedragen, dat we niet door kunnen gaan op de ingeslagen weg, dat de wereld geen onuitputtelijk bron van spullen is: onze voorraden zijn beperkt, we moeten ze koesteren.

Dystopische verhalen kennen we maar al te goed: blockbusters genoeg waarin de wereld vergaat of al is vergaan. Wat ik me vooral afvraag is of we ook optimistischer verhalen durven te vertellen over onze eigen toekomst. Dat is geen spielerei. Het cruciale inzicht is dat zulke verhalen zowel een product zijn van een omwenteling die al is begonnen, als een manier om die omwenteling verder aan te vuren. Want pas als we ons een andere wereld kunnen voorstellen, gaan we daarvoor vechten. Daarom moeten we durven dromen. Juist in een tijd van crisis en transitie zijn hoopgevende verhalen cruciaal: ze geven betekenis en inspiratie. En zo kunnen ze de wereld veranderen.

Na de zomer zullen er hoopgevende toekomstscenario’s in mijn tuin verschijnen. Wil je zelf je fantasie op het klimaatprobleem loslaten? Doe mee met onze schrijfwedstrijd:

Lees ook:

augustus 2, 2015Permalink