DSM en ik: vrienden zullen we nooit worden

Attachment-1-e1447940469709.jpeg

Ik zit sinds kort op Twitter. Na een paar weken twitteren heb ik mijn zelfbeeld aangepast van digibeet naar twitterende digibeet.
Vandaag heb ik een tweet verzonden waar ik achteraf hartkloppingen van kreeg:

Ik dissocieer al bijna 30 jaar op DSM-stoornissen (dit is geen grap) en daar valt goed mee te leven

Mijn hartkloppingen werden veroorzaakt door fantasieën over de hoon en kritiek die hierop zouden volgen van collega’s, bekenden en mede-twitteraars.

Maar ik heb geleerd welke vragen ik mezelf moet stellen als ik de paniekreacties voel opkomen:

  • Welke aanwijzingen zijn er dat ongeveer iedereen je devalueert en zal buitensluiten?
  • Hoe erg is het als een aantal mensen dit daadwerkelijk doet of zal doen?

Wanneer ik enkele antwoorden heb kunnen bedenken voel ik de paniek zakken en kan ik weer achter mijn tweet gaan staan.

Want het is wel waar: in alle jaren waarin ik als psycholoog heb gewerkt was ik er even niet helemaal bij als het ging over DSM-diagnoses. Het viel nooit op omdat er altijd collega’s in de buurt waren die daar geen last van leken te hebben.
Ik weet ook waarom dit gebeurt. DSM-diagnoses triggeren mijn herinneringen aan gebeurtenissen tijdens mijn opname in 1985. Bijvoorbeeld toen mijn gedrag door hulpverleners werd besproken in mijn bijzijn. Onbegrijpelijke woorden werden uitgesproken over mij. Het was voor mij een boodschap dat ik behoorde tot een andere soort.

De eenzaamheid en vervreemding die ik toen voelde, zit nog in een hoekje van mijn geest

Nu – dertig jaar later – kan ik er prima mee omgaan. Het zijn nog maar heel korte momenten dat ik tijdens vergaderingen even afdwaal maar daar ben ik aan gewend. Dat komt ook doordat we in ons factteam steeds minder praten over DSM-diagnoses, al staan ze nog wel op ons fact-bord. Maar er staan ook kwaliteiten en wensen van clienten op. Daar gaat het gelukkig steeds vaker over. Ik denk niet dat mijn professionaliteit wordt afgemeten aan mijn DSM-vaardigheden, anders kom ik belabberd uit de bus.

In gesprekken met clienten praten we soms over de DSM-diagnose. Dan zegt iemand steun te hebben aan zijn of haar diagnose. Omdat het beschermt tegen een oordeel dat je je zou aanstellen. Of dat het je beschermt tegen het idee dat jij je probleem bent.

Met een diagnose kan je zeggen dat je iets hebt in plaats van dat je iets bent

Maar er zijn ook mensen die juist last hebben van hun diagnose. Omdat ze zich er niet in herkennen, zich erdoor vervreemd voelen. Of ze hebben zoveel verschillende diagnoses gehoord dat ze zich afvragen of er nog iets normaal aan hen is. Weer anderen maken zich zorgen over de gevolgen bij het zoeken van werk, een partner of het afsluiten van een verzekering. Of ze tobben met de sombere voorspelling die er is gedaan toen ze de diagnose hoorden en hebben hun persoonlijke wensen opgegeven.

In gesprek met deze mensen treedt mijn tijdelijke afwezigheid niet op.

In deze gesprekken kan ik psycholoog zijn zoals ik wil zijn en kan ik gebruik maken van mijn eigen ervaringen om beter te begrijpen

Zonder uit het oog te verliezen dat mensen verschillen in hoe ze zich verhouden tot hun diagnose. En hoe divers ook hun herinneringen zijn, aan hoe zij hun diagnose te horen kregen. Ze hebben – net als ik – hun eigen redenen om deze te accepteren, af te wijzen, links te laten liggen of te willen veranderen. Onze psychiater heeft hier oog voor en neemt mensen hierin serieus. Ook heeft zij oog voor het feit dat veel mensen getraumatiseerd zijn maar dat de gevolgen daarvan niet als zodanig zijn begrepen. Als dit alsnog gebeurt en een naam krijgt in de vorm van een diagnose, dan kan dit veel betekenen voor iemand.

Met mijn team hebben we laatst gesproken over psycho-educatie

Bijvoorbeeld: wat hebben we vroeger geleerd over psychoses? Wat vertelden we aan mensen als het ging over schizofrenie? In ons team is het veilig genoeg om dit te delen. Ook de dingen die we toen aan clienten vertelden, waarvan we nu zeggen dat het niet klopt. Zoals bijvoorbeeld dat iedere psychose onherstelbare hersenschade geeft. Dat soort dingen. We hebben afgesproken actiever aan mensen te vragen welke informatie ze hebben gehoord. En welke invloed dit had of nog steeds heeft voor hen.

De meeste mensen die ik als psycholoog spreek, weten dat ik schrijf op SBN en PsychoseNet. Sommigen willen meer weten over de discussie over schizofrenie en de DSM en dan vertel ik erover of wijs ze op blogs die erover gaan. Voor anderen is het onderwerp niet van belang.

Ik weet niet hoe het verder zal gaan met de DSM en met mij. Wij hebben het nooit met elkaar kunnen vinden en het zal wel nooit iets worden. Maar in deze tijd kan ik dat gewoon schrijven en daar ben ik dankbaar voor.

november 28, 2015Permalink

Schoolcarrière kind vaak al op 11 – jarige leeftijd vast

Deze gastbijdrage stipt een belangrijk probleem aan: de ongelijke kansen voor kinderen in het Nederlandse onderwijs. De auteurs komen met concrete stappen voor verbetering. Een belangrijke bijdrage. Johannes VisserCorrespondent Onderwijs
Deze gastbijdrage stipt een belangrijk probleem aan: de ongelijke kansen voor kinderen in het Nederlandse onderwijs. De auteurs komen met concrete stappen voor verbetering. Een belangrijke bijdrage.
Johannes VisserCorrespondent Onderwijs
De schoolcarrière van je kind ligt vaak al op 11-jarige leeftijd vast. Dat kan anders

Gijsbert Werner

De Correspondent

Als ik in Nederland was opgegroeid, was ik nu misschien behanger geweest, zei de internationaal vermaarde onderwijswetenschapper John Hattie een paar weken geleden. ‘Of moordenaar, uit pure frustratie.’

Nederlandse scholen delen hun leerlingen al uitzonderlijk vroeg in op niveau, hij in dagblad Trouw. Voor kansarme kinderen pakt dat vaak nadelig uit. Zij belanden op een laag onderwijsniveau en slagen er nauwelijks in om op te klimmen.

Terwijl ze dat misschien wel zouden kunnen. Kansenongelijkheid, noemen we dat. ‘Jullie,’ zei Hattie, ‘zijn het enige land ter wereld dat claimt dat je op twaalfjarige leeftijd kunt inschatten wat een kind kan en wil als hij dertig is. Na hun twaalfde beleven kinderen nog zoveel groeispurten.’

Tot op zekere hoogte valt die kansenongelijkheid in het onderwijs niet te vermijden. Sommige ouders zijn nu eenmaal beter in staat om de onderwijsloopbaan van hun kinderen te ondersteunen. En de onderwijswereld kan niet alle maatschappelijke problemen oplossen.

Maar het onderwijs zou wel zo veel mogelijk gelijke kansen moeten bieden aan leerlingen – ongeacht het milieu waar ze uit komen.

Een achterstand? Die haal je in Nederland niet zomaar in

Dat is geen omstreden idee: bijna alle politieke partijen denken er zo over. Toch gaat het daar vaak mis.

Onderzoekers van Michigan State University en de OECD lieten eind september zien dat het Nederlandse onderwijs er nauwelijks in slaagt om ongelijkheidLees hier het onderzoek van de Michigan State University en de OECD. tegen te gaan.

Volgens dit onderzoek naar verschillende onderwijssystemen in alle 34 OESO-landen is dat van Nederland het minst succesvol in het verminderen van ongelijkheid. Ter vergelijking: Slovenië en Chili zijn ook OESO-landen.

Kortom, in ons land word je als gemiddelde leerling uit een ‘lager’ sociaal-economisch milieu, ondanks je talent en inzet, twee keer benadeeld: door het nest waarin je bent geboren én door je school. Terwijl die je juist zou moeten verheffen.

Zelfs in notoir ongelijke landen als de Verenigde Staten en Mexico slaagt het onderwijs er beter in sociale ongelijkheid te verminderen, ook al is de totale ongelijkheid daar vanwege buitenschoolse factoren groter.

De onderzoekers van Michigan State University en de OECD concluderen dan ook: het onderwijs als ‘grote gelijkmaker’ is vooralsnog een mythe – vooral in Nederland. Niet alleen achterstandsleerlingen en laatbloeiers hebben daar direct last van. Uiteindelijk laat de hele Nederlandse samenleving potentieel onbenut.

Waarom slaagt ons onderwijsstelsel er zo slecht in alle leerlingen gelijke kansen te geven?

Kansenongelijkheid begint al vroeg

Natuurlijk, dat leerlingen met bemiddelde ouders extra huiswerkklasjes kunnen volgen, draagt bij aan sociale ongelijkheid. Maar het probleem zit veel dieper: kansenongelijkheid vanaf jonge leeftijd is fundamenteel verankerd in ons onderwijsstelsel. Het zit niet op één plaats, maar wordt veroorzaakt door een opeenstapeling van hindernissen. Vooral achterstandsleerlingen lopen daar tegenaan.

In die zin is de kansenongelijkheid in het Nederlandse onderwijs te vergelijken met de oude Chinese executiemethode death by a thousand cuts: geen enkele snee is dodelijk, maar samen hebben ze wel een fataal effect. Zo zorgen veel kleine knelpunten er in ons onderwijs voor dat achterstandskinderen en laatbloeiers geen eerlijke kans krijgen om zich te ontplooien.

Vaak gaat het al mis op de voorschoolse opvang. Die is van oudsher vooral bedoeld als opvang: een plaats waar je je kinderen achterlaat zodat je naar je werk kunt. Aandacht voor taal- en sociale ontwikkeling is er nauwelijks. Dat is nadelig voor achterstandsleerlingen, want kinderen leren juist op jonge leeftijd snel en makkelijk taal en andere vaardigheden. Bij gebrek aan aandacht voor zulke vaardigheden lopen achterstandsleerlingen dus al heel vroeg taal- en leerachterstanden op.

De achterstand van die kinderen wordt alleen maar groter als ze terechtkomen op een basisschool die sterk etnisch en sociaal gesegregeerd is. Bovendien blijkt dat kinderen van laagopgeleide ouders een veel grotere kans hebben een lager middelbareschooladvies te krijgen. Zelfs wanneer ze dezelfde CITO-score hebben als kinderen van hoogopgeleide ouders.

Op je twaalfde word je al ingedeeld op niveau

Zulke leerachterstanden zijn des te problematischer omdat Nederland zijn leerlingen, zoals onderwijswetenschapper Hattie al opmerkte, rigide indeelt op niveau. En dan nog op uitzonderlijk lage leeftijdLees het rapport over hoe vroeg Nederlandse kinderen worden ingedeeld in niveaus. ook. Niet alleen achterstandsleerlingen, ook laatbloeiers en mogelijk jongens hebben daar last van.

Op twaalfjarige leeftijd persen we kinderen in drie eenheidsworsten: vmbo, havo en vwo. Overstappen is nauwelijks mogelijk. Tegelijkertijd ontmoedigen scholen en de overheid het ‘stapelen’ van diploma’s. De maatschappij bepaalt dus al op je elfde welk schooldiploma je later zult halen.

Dat leerlingen geen tweede kans krijgen, is niet alleen onrechtvaardig voor kinderen uit zwakkere milieus en laatbloeiers. Het leidt er ook toe dat veel talent en motivatie verloren gaat. Onderzoek van sociologe Mieke van Houtte liet laatst al zien: zodra leerlingen in het voorbereidend beroepsonderwijs terechtkomen (een niveau zonder veel aanzien), voelen ze ze zich niet nuttig.

Op de lange termijn betalen wij allemaal de sociale en economische kosten van de gemiste kansen in ons onderwijsstelsel. Juist nu in onze samenleving de kenniseconomie steeds belangrijker wordt, kunnen wij het ons niet veroorloven grote groepen geen eerlijke kans te geven. Daarom: maak kansengelijkheid op de korte termijn een speerpunt van ons onderwijsbeleid. Er kan al veel verbeteren als we de grootste knelpunten wegnemen. Daar hoeft het onderwijssysteem niet eens grootschalig voor op de schop.

De eerste reflex in het onderwijsdebat is vaak om bij ouders en docenten te beginnen. Zij hebben immers de grootste invloed op de samenstelling van een school en op het onderwijs.

Politici zien het vaak als een kwestie van keuzevrijheid: hogeropgeleide ouders zouden hun kinderen niet alleen naar witte, categorale gymnasia moeten willen sturen. En gymnasia zouden ook in andere vijvers moeten vissen. Minister Bussemaker laat nu onderzoeken of het slim is om kinderen met een achterstand naar een buitenschools huiswerkklasje te sturen. En docenten zouden beter moeten differentiëren, oftewel: ieder kind op maat moeten uitdagen.

Maar wie gelooft dat die maatregelen gaan helpen, doet voorlopig aan wishful thinking. Over de hele wereld laten hogeropgeleide ouders al jaren zien dat ze het (vermeende) belang van hun eigen kind centraal stellen – ook als ze daarmee segregatie en kansenongelijkheid in de hand werken. En uit onderzoek is gebleken dat de meeste docenten in het voortgezet onderwijs nog altijd moeite hebben om kinderen op niveau uit te dagen.

Hoe het onderwijsstelsel gelijke kansen kan bieden

Als we Nederlandse kinderen gelijke onderwijskansen willen geven, moet niet het individu veranderen, maar het onderwijsstelsel. Daarom: zes suggesties.

1: Zorg dat je op de kinderopvang al begint met leren

Er moet veel meer aandacht komen voor de zogenoemde ‘stimulerende voorschoolse kinderopvangLees voor meer over kinderopvang de artikelen van Ewoud Poerink en Marilse Eerkens. ’. Denk aan taalverwerving (woordenschat en goed leren spreken) en sociale ontwikkeling. Zeker voor achterstandsleerlingen is het belangrijk dat ze op jonge leeftijd, als hun hersenen zich het meeste ontwikkelen, zo veel mogelijk blootgesteld worden aan ‘rijke stimuli’.

Spelen met andere kinderen, bijvoorbeeld. Jonge kinderen van hoogopgeleide ouders hebben al voor ze ooit voet hebben gezet in een school duizenden woorden meer gehoord dan achterstandskinderen. Zo bouwen de kinderen van hoogopgeleiden een voorsprong op die nog moeilijk in te halen is.

Experts bevelen al lange tijd aan om ‘integrale kindcentra’ op te richten: centra waarin zulke stimulerende kinderopvang toegankelijk en goedkoop georganiseerd kan worden. Die moeten er nu eindelijk eens op grote schaal komen, zeker in achterstandswijken.

2: Deel kinderen pas later in op niveau

De scheiding naar niveau op de middelbare school moet later plaatsvinden en vooral flexibeler worden. Dat kan door leerlingen van verschillende niveaus zo lang mogelijk in één klas te houden. We weten dat zwakkere leerlingen daar veel baat bij hebben, terwijl sterke leerlingen geen nadeelDit onderzoek gaat over de nadelen van leerlingen al vroeg indelen op niveau. hoeven te ervaren. Brede brugklassen, waarin leerlingen van verschillende niveaus nog twee jaar bij elkaar zitten, verdwijnen helaas in hoog tempo uit ons onderwijs. De overheid kan dat tegengaan door scholen beleidsmatig of financieel te prikkelen om hun klassen diverser te maken.

3: Zit leerlingen niet dwars als ze het hogerop zoeken

Scholen mogen niet bestraft worden als een ‘twijfelleerling’, die ze de kans hebben gegeven om een hoger niveau te proberen, daar niet in slaagt. Ze zouden juist beloond moeten worden als een leerling een diploma ‘boven zijn schooladvies’ haalt. En ze moeten leerlingen zo veel mogelijk de kans geven om door te stromen naar een hoger niveau.

4: Maak de hele middelbare school flexibeler

Ook na de brugklas moet ons onderwijs veel flexibeler worden. Dat geeft achterstandsleerlingen een tweede kans hun optimale niveau te bereiken. Doorstromen naar een hoger niveau, een tussenjaar, en stapelen van diploma’s – dat moeten we aanmoedigen. Leerlingen zouden vakken eerder moeten kunnen afsluiten, zodat ze meer aandacht kunnen besteden aan stof waar ze moeite mee hebben. Als ze een aantal vakken op een ander niveau kunnen volgen, hoeven ze niet op hun slechtste vak afgerekend te worden.

5: Zorg voor meer brede scholengemeenschappen

Als we leerlingen de kans willen geven om flexibeler met hun schoolniveau om te gaan, moeten er meer brede scholengemeenschappen komen. En dus minder aparte vmbo-, havo- en vwo-scholen. En zoals de socioloog Herman van de Werfhorst al voorsteldeLees hier het interview met socioloog Van de Werfhorst. , moeten leerlingen van verschillende niveaus elkaar juist blijven ontmoeten in lessen van sociale vakken, zoals maatschappijleer of gymnastiek.

6: Verspreid achterstandsleerlingen over basisscholen

Scholen die veel achterstandsleerlingen hebben, zijn geen goede omgevingen om van een leer- of taalachterstand af te komen. Bij een ‘zwarte school’ denken we al snel aan etniciteit. Maar wat vaak de doorslag geeft, is de de sociaal-economische samenstelling van de klas. In gemengde scholen trekkenLees hier meer over hoe achterstandsleerlingen zich op gemengde scholen optrekken aan anderen. achterstandsleerlingen zich op aan de andere leerlingen. Daarom moeten we achterstandsleerlingen ook actief over (basis)scholen verspreiden.

Verder moeten meer ‘gemengde’ scholen financieel beloond worden. Zo stimuleren we de spreiding van achterstandsleerlingen. Daarnaast werken in ons land de hoogst opgeleide en best betaalde docenten in de vwo-bovenbouw – op relatief ‘makkelijke’ scholen dus. Maar we moeten onze beste docenten juist inzetten waar ze het meeste kunnen betekenen: op achterstandsscholen en op kinderdagverblijven. Zo verminderen we kwaliteitsverschillen tussen sterke en zwakke scholen.

Den Haag ontloopt zijn verantwoordelijkheid

Dat scholen weinig doen om ongelijkheid tegen te gaan komt door de scholen zelf, maar ook door de politiek. Neem de commissie-Dijsselbloem: die stelde in 2008 vast dat pogingen om het Nederlandse onderwijsstelsel te veranderen vaak mislukken. Sindsdien rust er in Den Haag op alles dat ook maar riekt naar veranderingen in het onderwijsstelsel een volstrekt taboe.

Jammer, want zo ontloopt de politiek op het gebied van kansenongelijkheid haar verantwoordelijkheid. Het aanpakken van die knelpunten is een taak voor de staatssecretaris en de minister: zij moeten zich hier verantwoordelijk voor voelen.

Ondertussen stuurt Den Haag al jaren de verkeerde kant op. CITO-scores en andere gestandaardiseerde tests zijn bijvoorbeeld minder belangrijk geworden voor het schooladvies. Terwijl juist achterstandsleerlingen zulke objectieve toetsing goed kunnen gebruiken.

Ook bij de schoolbesturen gaat het mis. Het aantal scholengemeenschappen neemt af, terwijl het aantal ‘gescheiden’ scholen toeneemt. In Maastricht bijvoorbeeld, zijn er sinds kort zelfs alleen nog aparte vmbo-, havo- en vwo-scholen. En in plaats van dat leerlingen pas op latere leeftijd worden ingedeeld op niveaus, vormen steeds meer basisscholen nu al aparte klasjes voor sterke leerlingen. Begrijpelijk, maar zo voeren scholen wel langzaam maar gestaag verborgen systeemwijzigingen door. Zonder dat we als maatschappij discussiëren over de gevolgen voor achterstandsleerlingen en de maatschappij als geheel.

De cijfers bewijzen dat de nood hoog is: alleen al in het basisonderwijs waren er vorig jaar tenminste 150.000 achterstandsleerlingen en laatbloeiers. Ook zij verdienen een eerlijke kans, juist op scholen. Iedere politieke partij zou zich daarover moeten opwinden. Want uiteindelijk is het in het belang van ons allemaal dat ieder kind een eerlijke kans krijgt.

november 24, 2015Permalink

Terreur heeft álles met geloof te maken (alleen een ander dan we denken)

Het is het enige geloof dat westers noch oosters is. Een geloof waar nagenoeg alle mensen aanhanger van zijn. En dat onze samenleving onderscheidt van dictatuur, theocratie en kalifaat. Je vindt het in elke stad, op iedere hoek van de straat.

Terreur heeft álles met geloof te maken (alleen een ander dan we denken)

De stad is een levensgevaarlijk organisme.Door een nuchtere bril zie je hem: die krioelende hoop mieren, permanent onderweg naar potentieel onheil. Overal, waar je ook kijkt, mogelijke ongelukken van staal, voorbijrazend op koud asfalt. Etalages vol overvallen in spe. Trams vol loshangende juwelen en uitstekende portemonnees. Taxi’s met onbekende chauffeurs en liegende TomToms. Terrassen zonder toezicht. Ramen zonder gordijnen. Deuren zonder kijkgat. En vooral: heel, héél veel mensen in sardineblikjes. Bioscopen. Theaters. Grandcafés. Metrogangen. Treinstations. Torenflats. Voetbalstadions.Terroristendromen van beton.Toch zijn de mieren niet bang. Ze zijn hun bril vergeten. Verblind door vertrouwen lopen ze rond. Stappen cafés, taxi’s en kantoren in, steken straten over, openen winkeldeuren. Vereffenen de rekening, terwijl ze gratis weg hadden kunnen gaan. Leunen achteloos tegen hun buurman in de metro aan. Zonder ooit iemand te vragen naar afkomst, religie of naam.

Honderdduizend vreemdelingen is een vluchtelingenstroom. Tien miljoen vreemdelingen is een stad.

De smeerolie van het sociale verkeer

Het bevreemdendste aan iedere stad is wat er, iedere dag weer, niet fout gaat. Parijs telt zes miljoen auto’s en betreurt één dode per vier miljoen rondjes op de Boulevard Périphérique. Evenveel rondjes als er dagelijks jassen de Parijse metro verlaten met de portemonnee nog in de zak. Op weg naar een café waarvan de deur voor iedereen automatisch opengaat. Buiten roken graag, dat wel.

De stad is een wonderbaarlijk organisme.

Door een nuchtere bril zie je hem: die krioelende hoop mieren, permanent op ontspannen voet met elkaar. Overal, waar je ook kijkt, een miraculeuze hoeveelheid vertrouwen, gutsend door de straten als smeerolie van het sociale verkeer. Geen diersoort die het ons nadoet. Zelfs bijen, toonbeeld van samenwerking van Moeder Natuur, leggen de grens bij wie familie is. Mensen verdragen miljoenen buren, van wie gemiddeld slechts honderdvijftig géén volslagen vreemden zijn.

Vrijdagavond, halftien ‘s avonds

Vrijdag de dertiende, rond halftien ‘s avonds, liep ik met een plastic tas een Amsterdams café binnen. Een vriendin was die tas vergeten en had geen tijd om haar nog op te halen. Aan de bar vroeg ik of ik de tas kon achterlaten. Het barmeisje stak haar hand uit, pakte de tas aan en legde haar onder de tap. Ze vroeg niet wie ik was, wat er in er in de tas zat en wie haar op kwam halen.

In Parijs reden op datzelfde moment tientallen taxi’s af en aan bij theater Bataclan. Mensen ophalen. Ze vroegen niet wie ze waren, waar ze naartoe moesten en of ze geld hadden om te betalen. De meter werd niet aangezet.

Dezelfde emotie, dezelfde vanzelfsprekendheid.Over hoe vanzelfsprekend het goede in de mens is, schreef correspondent Rutger Bregman onlangs dit stuk.

Waar terreur het op gemunt heeft

Het is precies die emotie die terreur als belangrijkste doelwit heeft. Sommige tongen beweren weleens dat terreur niets met geloof van doen heeft, maar het tegendeel is waar. Terreur heeft álles met geloof te maken. Terreur heeft het namelijk gemunt op het enige geloof dat westers noch oosters is en nagenoeg ieder mens aanhangt: ongefundeerd vertrouwen.

Daarom zijn haar slachtoffers bij voorkeur willekeurig in plaats van specifiek: geen effectievere manier om vertrouwen tussen mensen op de proef te stellen.

Goddank beschikt de mens niet alleen over een haast onverwoestbare hoeveelheid vertrouwen, maar ook over minstens zoveel relativeringsvermogen. Een emotie die hem in staat stelt waanzin van werkelijkheid te onderscheiden. En om met waanzin om te gaan als die heel even werkelijkheid wordt.

Terreur is geen oorlog die je kunt winnen – je kunt haar alleen verliezen. Door terreur te beantwoorden met waar ze op drijft: angst en absolutisme

In tijden van tragiek en terreur is dat niet toevallig de verdachtste emotie denkbaar: wie relativeert, komt onherroepelijk voor de publieksrechter wegens bagatelliseren met voorbedachten rade. Wie relativeert, neemt het gedane leed niet serieus. Of is blind voor het gevaar. Of beide. Neville Chamberlain, die kon ook al zo goed relativeren.

Maar hoe begrijpelijk ook, dat taboe op relativeren is een doodlopende weg. Terreur is namelijk geen oorlog die je kunt winnen – je kunt alleen verliezen. Door de terreur te beantwoorden met waar ze op drijft: angst en absolutisme.

Het zijn immers vertrouwen en relativeringsvermogen die onze samenleving onderscheiden van de dictatuur, de theocratie of het kalifaat. Het zijn de pilaren waarop een open, democratische samenleving staat. Zonder die pilaren zou vrijheid onmogelijk zijn. Zouden verschillen van mening en politieke kleur onverdraaglijk worden. Zouden de terrassen in Parijs nog steeds verlaten zijn.

Maar de terrassen zijn niet verlaten, ze zitten alweer vol. Een groter verlies kan een gedroomd kalifaat niet lijden. IS gedijt slecht in de stad. Terroristennachtmerries van beton.

november 16, 2015Permalink

Ik ben een man van de praktijk

Methodiek voor competentie training

“Ik ben een man van de praktijk.”

Een column door Mark Neijssel, maatschappelijk werker in Zoetermeer en ambassadeur sociaal werkbij de MO groep. Hij vertelt ons over zijn worstelingen tijdens het schrijven van een methodiek voor een competentie training. 

Methodiek vs Praktijk

‘Wie gaat dit winnen?’ vroeg ik mij af, terwijl mijn linkerhand mijn hoofd ondersteunt. Mijn rechterhand beweegt, geheel op eigen initiatief, de muis.

‘Ik ben een man van de praktijk,’ zo heb ik altijd geroepen. Vooral het trainen van kinderen past bij mij als een maatpak. In T-shirt de sociale vaardigheden van een groep kinderen versterken, dat is mijn ding. Het liefst binnen het primair onderwijs en in nauwe samenwerking met de leerkracht.

Na het opzetten van een succesvolle competentie training in mijn stad, mag ik nu Haaglanden veroveren. En zo bevind ik mij ineens starend naar een beeldscherm, want hoe leg ik uit wat ik al die jaren met liefde doe? Tijd voor een methodiek beschrijving. Hoe moet ik anders ambtenaren overtuigen dat de training een prachtig product is waarbij kinderen sociale competenties leren. Vaardigheden waar ze hun hele leven plezier van gaan hebben.Competentietraining kinderen Maatschappelijk Werk Kwadraad

Ik zucht en merk dat het inmiddels begint te schemeren. Ik benoem de doelen van de training en de aanpak. Daarna delete ik de tekst met dezelfde snelle vingertikken. Ik ga slapen.

Plots klik ik het licht aan en bedenk me dat er één punt echt belangrijk is bij deze training. Het werken met dat wat er op dat moment gebeurt in de groep.

Jan zit Mieke aan te tikken met zijn voet, zeg maar te schoppen. De leerkracht staat op het punt om te zeggen dat hij daarmee moet ophouden. De trainer heeft een andere aanpak. Hij stopt de training en vraagt wat Mieke van het aantikken vindt. Zij geeft aan dat ze dit niet leuk vindt. Jan wil meteen door haar heen praten en zeggen dat zij is begonnen, maar van de trainer moet hij eerst even luisteren. De trainer vat samen wat er gebeurd is en vraagt de groep hoe deze situatie opgelost kan worden. ‘Jan moet stoppen,’ zeggen een aantal klasgenoten. En één leerling zegt dat het goed zal zijn als Mieke laat weten dat zij het aantikken niet leuk vindt en het haar stoort bij het luisteren naar de trainer. Jan knikt en denkt dat hij er zo goed vanaf komt.

Mieke gaat meteen aan de slag met de tips van haar klasgenoot en vraagt Jan te stoppen. Jan geeft aan zijn voeten stil te houden. Dit verlegen meisje heeft goede stappen gemaakt in het leren voor zichzelf op te komen, de klasgenoot met het goede idee krijgt een compliment voor het actief meedenken en Jan vertel ik dat hij Mieke serieus heeft genomen. Ook ben ik blij met zijn antwoord naar haar. Zijn antwoord komt niet voort uit ‘stoer gedrag’, maar omdat hij inziet dat zijn buurmeisje last van zijn aantikken heeft gehad. Op deze manier is er geen verliezer.

Nu ja in dit voorbeeld, want ik zit nog met een lege pagina en klik het licht weer uit. Misschien moest ik mijn eigen methode maar eens in de praktijk brengen en hulp vragen bij het opschrijven van de methodiek. Ik klap mijn laptop dicht en denk met een glimlachje op mijn gezicht; 0-1 voor methodiek vs praktijk.

november 9, 2015Permalink

Vooral vernedering jeugdzorg doet pijn

laatste update:9 nov 2015 

Bedplassen was een van de meest voorkomende problemen in de jeugdzorg in de jaren ’50 tot ’70. Kinderen werden hard aangepakt, vernederd en verwaarloosd. ‘Daders deden dat niet uit kwade wil’, zegt Micha de Winter.

De Utrechtse hoogleraar Micha de Winter is voorzitter van een commissie die vooronderzoek doet naar het misbruik in de jeugdzorg. De commissie doet onderzoek naar de periode van 1945 tot nu. De meeste meldingen tot nu toe gaan over de jaren vijftig, zestig en zeventig. De Winter: ‘Een van de meest voorkomende problemen bij kinderen in inrichtingen had te maken met bedplassen. De leiders zagen dat als onwil van het kind en men dacht dat hard aanpakken een goede pedagogische remedie was.’

Geweld in de Jeugdzorg

De commissie “Geweld in de Jeugdzorg” die onderzoek doet naar misbruik in de jeugdzorg heeft vanaf juli al ongeveer 70 meldingen gekregen. Het gaat om psychisch en seksueel misbruik. Volgens de commissie melden slachtoffers ‘dat er vaak langdurig sprake was van een combinatie van psychisch en fysiek geweld, in combinatie met seksueel misbruik’. De commissie onder leiding van Micha de Winter, kijkt of het haalbaar is om onderzoek te doen naar misbruik sinds 1945. Voor 1 mei moet ze verslag uitbrengen aan het kabinet.

We kunnen niet meer om het misbruik in de jeugdzorg heen. Dat zei Rieke Samson bij de presentatie van het onderzoeksrapport van haar commissie in 2012. Ze onderzocht seksueel misbruik onder kinderen die tussen 1945 en 2010 door de overheid in een instelling of een gezin werden geplaatst. Lees meer>>

Bloot

Kinderen in de jeugdzorg in vroegere tijden werden aan de schandpaal genageld. Het was onderdeel van de harde aanpak om ze voor de ogen van andere kinderen tentoon te stellen. De Winter: ‘Sommigen moesten bloot met de natte lakens om zich heen voor de groep gaan staan. Een vrouw vertelde dat een non haar natte onderbroek in haar mond had gepropt.’

Misbruik

De daders deden het niet uit kwade wil, benadrukt De Winter. ‘Deze vorm van misbruik speelt zich in het verleden af. De mensen die dat deden, hadden heel weinig opleiding. Men dacht dat dit de goede aanpak van kinderen was. Heel weinig mensen dachten: laten we lekker iemand in elkaar gaan slaan.’

Psychiatrie

Een halve eeuw later is het vooral de verwaarlozing en vernedering die de slachtoffers breekt: ‘Mensen zeggen: “ik heb afgeleerd om iemand te zijn, ik voelde me een waardeloos vod’. Slachtoffers kregen te horen dat ze uit een slecht gezin kwamen, dat ze zich misdroegen en dat het aan henzelf lag. Wat de slachtoffers nu vooral willen, is erkenning’, zegt De Winter. ‘Ze werden toentertijd nauwelijks geloofd door hun omgeving. Ze kregen een laag zelfbeeld, hadden veel schaamte en kwamen in de psychiatrie terecht.’

Carolien Stam

 

 

november 9, 2015Permalink

Niemand mag weten wat de kosten zijn van onze zorg

Arjan El Fassed
6 november 2015

Wat is er zo spannend aan ziekenhuistarieven? Waarom mag niemand weten wat een gebroken been in het ene ziekenhuis kost en wat het verschil is met de gedeclareerde kosten van een gipsbehandeling in een ander ziekenhuis.

Het is zelfs zo duister dat zelfs ziekenhuizen zelf niet precies weten wat de kosten zijn van eenvoudige ingrepen als een oogdrukmeting, zoals onlangs de vergelijkingssite zorgkiezer.nl ontdekte. Bovendien laten verschillende steekproeven zien dat er grote verschillen zijn in de hoogte van gecontracteerde ziekenhuistarieven.

Collectieve uitgaven

De zorguitgaven in Nederland zijn uitzonderlijk groot en stijgen nog steeds. Het is een enorme post op de rijksbegroting en iedereen in Nederland betaalt via premies en belastingen er verplicht aan mee. In die zin zijn het collectieve uitgaven.

Het schort in Nederland ernstig aan tijdige informatie om corrigerend te kunnen optreden bij kostenoverschrijdingen stelt de OESO. Verzekeraars en zorgaanbieders lopen geen enkel financieel risico als ze niet kosten efficiënt werken. Er gaat geen jaar voorbij zonder kostenoverschrijdingen.

Vooraf en achteraf kan niet worden uitgelegd wat een behandeling gaat kosten of heeft gekost. Of zoals een bestuursvoorzitter van een grote verzekeraar eens zei: ‘Het is toch te gek voor woorden dat wij – zorgaanbieders en zorgverzekeraars – niet aan patiënten kunnen laten zien welke kosten zij voor welke behandeling maken’.

Kostenbewustzijn

En dat terwijl uit onderzoek van de Nederlandse Zorgautoriteit blijkt dat patiënten kostenbewustzijn zijn, zelfs over kosten voor behandelingen in het verzekerde deel. Eerder dit jaar stelde de Nationale Ombudsman nog dat van de overheid verwacht mag worden dat mensen voorafgaand aan een medische behandeling inzicht krijgen in de kosten.

Volgens de Algemene Rekenkamer zijn opeenvolgende ministers van Volksgezondheid er niet afdoende in geslaagd transparantie in de zorg zodanig te vergroten dat de patiënt de informatie kan gebruiken voor zijn keuze tussen zorgaanbieders. Zelfs het onderzoeksbureau van de Tweede Kamer zelf heeft gemerkt dat het parlement amper inzicht heeft in de kosten.

Dat is de reden waarom wij vorig jaar met een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur hebben gevraagd voor het ontsluiten van gegevens over de kosten van medische behandelingen die zorgaanbieders declareren in de zogenoemde DBC database.

Oordeel

Deze week oordeelde de rechtbank in Amsterdam dat de gehanteerde prijs, per zorgaanbieder en het aantal gedeclareerde zorgproducten aan te merken zijn als bedrijfs- en fabricagegegevens en gaf de rechtbank de Nederlandse Zorgautoriteit gelijk dat het geen openheid hierover hoeft te geven.

De vraag blijft echter bestaan op welke manier transparantie kan worden geboden en in hoeverre dit op gespannen voet staat met het uitgangspunt van gereguleerde concurrentie. Volgens de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg is dit niet het geval. Immers er bestaat namelijk een wettelijke basis voor zorgpremies.

Iedereen is verplicht om mee te betalen, premiegelden in de zorgsector moeten tot de collectieve uitgaven worden gerekend. Het belang van transparantie is zo groot, dat het voor de hele zorgsector dient te gelden, ook voor zorg die de patiënt uit eigen middelen financiert of via de aanvullende verzekering.

Raad van State

Het is voor patiënten, premiebetalers en zelfs voor volksvertegenwoordigers die het systeem moeten controleren, nu onmogelijk om afgewogen keuzes te maken. Transparantie over de hoogte van zorgkosten en ziekenhuistarieven zowel vooraf als achteraf is cruciaal. Omdat de benodigde gegevens weliswaar aanwezig zijn en omdat we vinden dat iedereen het recht heeft om te weten wat de prijs en kwaliteit van zorg is, is een gang naar de Raad van State onvermijdelijk.

Arjan El Fassed
Directeur Open State Foundation

november 8, 2015Permalink

Deze hoogleraar vindt dat Nederlanders veel te weinig over alles weten

Vandaag presenteert hoogleraar Willem Otterspeer zijn pamflet Weg met de wetenschap. Hij ageert tegen de dominante positie van de natuurwetenschappen én tegen het gebrek aan algemene kennis. Ik zocht hem thuis op om te vragen hoe het dan wel moet.

Deze hoogleraar vindt dat Nederlanders veel te weinig over alles weten (en spreekt de elite daar op aan).

‘Een keer had een beroemde natuurkundige zich bij mij uitgenodigd voor het eten. Hij had gehoord dat ik schilderijen verzamelde en wilde – denk ik – leren wat goede smaak is. Maar het eerste wat hij kwijt wilde, was dat de enige echte wetenschap de natuurkunde was. De rest was postzegels verzamelen.’

Aan het woord is Willem Otterspeer (1950). De zwartbebrilde professor zit in een fauteuil voor het hoge raam van zijn werkkamer. De wanden zijn bekleed met boeken, op de schoorsteenmantel houdt een kaarsje een lichtblauwe theepot warm.

Ik spreek Otterspeer omdat hij zich zorgen maakt over de universiteit, het instituut dat hij al zijn hele academische leven bestudeert. In 1992 promoveerde hij cum laude op de Leidse universiteit in de negentiende eeuw. Nu is hij hoogleraar universiteitsgeschiedenis. Daarnaast schreef hij meerdere biografieën, waarvan de recentste: De zanger van de wrok, over Willem Frederik Hermans.

Otterspeer ergert zich dood aan de dominante positie van de natuurwetenschappen op de universiteit. Dat schrijft hij in het pamflet Weg met de wetenschap    , dat vandaag verschijnt. ‘Je moet aandacht krijgen,’ zegt hij over de titel. ‘Je moet eerst iets lelijks zeggen en het dan nuanceren. Weg met de waarheid zou misschien nog een betere titel zijn geweest. Weg met het idee dat er maar één waarheid is, het uitgangspunt van de natuurwetenschappen.’

Hij is niet de enige die denkt dat de universiteit aan hervorming toe is: het broeit in de academische gemeenschap. Prominente wetenschappers luidden de noodklok in het manifest Science in Transition    Rutger Bregman schreef eerder over Science in Transition. en studenten bezetten het Maagdenhuis.    Thomas Muntz schreef een reconstructie van de Maagdenhuisbezetting. Een greep uit de pijnpunten: de grote publicatiedruk, het lage niveau van de afgestudeerden en een financieringsmodel dat gebaseerd is op aantallen studenten en promovendi.

Maar na het lezen van Otterspeers pamflet bleef ik met een hoop vragen zitten. Wat is er nou precies mis met de universiteit? Wat heeft dat met die dominantie van de natuurwetenschappen te maken? En wat zijn de oplossingen? Ik zoek hem thuis op in Leiden voor een interview in vijf stellingen.

1. De natuurwetenschappen zijn te dominant

Voor wie heeft u het pamflet geschreven?
Otterspeer denkt even na. ‘Eerlijk gezegd heb ik me dat niet zo afgevraagd. Het is ontstaan uit ergernis over de natuurwetenschappen. Die zijn de universiteit gaan domineren, ten koste van de humaniora – de geesteswetenschappen.’

Waaruit blijkt die dominantie van de natuurwetenschappen?
‘Om voor vol te worden aangezien, moet je de natuurwetenschappen nadoen. Zo worden er nauwelijks boeken meer geschreven, omdat alleen academische artikelen meetellen in je beoordeling als wetenschapper. De grote veranderingen in de natuurwetenschap zijn gegaan via artikelen. Maar de grote veranderingen in de cultuurwetenschappen zijn altijd door boeken in gang gezet.’

‘Wij moeten nu duidelijk maken wat de meerwaarde is van de humaniora. En dat moeten we carrément doen’

Otterspeer loopt naar zijn bankstel. Uit een plastic tasje van een Haarlemse boekhandel haalt hij een oude Volkskrant    Het Volkskrantartikel. . ‘Kijk nou: ‘Wetenschap vreest uittocht toptalent naar buitenland.’ Een briljante scheikundige ging naar Abu Dhabi en de hele natuurwetenschap staat op haar achterste benen. Het wordt meteen misbruikt om meer geld te vragen. Terwijl: het gros van de NWO-gelden gaat al naar de natuurwetenschappen.’

Natuurwetenschappelijk onderzoek is toch ook duurder? Een natuurkundig experiment kost meer dan – zeg – een historische studie.
‘Natuurlijk is dat zo. En toch: ze weten op drie manieren de aandacht te trekken. De eerste is het genie die met zijn krijtje het wereldraadsel op het bord oplost.’

En dat krijtje staat dus voor ‘wij kennen de waarheid.’
‘Ja. De andere hobby horse die ze berijden is dat hun onderzoek zo ontzettend nuttig is. Het kan ‘gevaloriseerd’ worden.’

‘De derde manier is bijgeloof. Van al die mensen die op een sterrenkijkavond naar foto’s zitten te kijken van uitdijende heelallen en ontploffende nova’s, begrijpt nog niet één honderdste wat er aan de hand is. Het zijn net de vrolijke hasjrokende studenten die in de jaren zeventig naar Paradiso gingen om druipdia’s te bekijken. Dat is alleen maar bijgelovigheid. Maar daar maken ze meedogenloos gebruik van om hun waar aan de man te brengen.’

Wie zijn ‘ze’?
‘De natuurwetenschappers.’

Allemaal?
‘Allemaal! Jeder ist mitschuldig! En doorgaans ben ik erg voor een consensusmodel, maar ik vind dat het tijd is voor een gevecht tussen de faculteiten. In dit geval is botsing de enige manier. Wij moeten nu duidelijk maken wat de meerwaarde is van de humaniora. En dat moeten we carrément doen.’

2. De geesteswetenschappen verkopen zichzelf niet genoeg

Otterspeer loopt de kamer uit en komt even later met een waxinelichtje terug. Hij haalt het opgebrande kaarsje vanonder de theepot vandaan en zet er een nieuwe voor in de plaats.

Wat is dat dan: de meerwaarde van de humaniora?
‘De natuurwetenschap gaat over wat zekerheid is, het certum in het Latijn. De humaniora gaan over het onzekere. Op het gros van de vragen is geen klip-en-klaar antwoord. Met die onzekerheden kunnen de humaniora als geen ander omgaan.’

Heeft u een voorbeeld van het belang van de geesteswetenschappen?
‘Als wij onze gedachten moeten bepalen over migratiestromen, dan is het extreem nuttig dat we historici en sociologen hebben die zich daar al jaren mee bezighouden. Mijn collega Leo Lucassen is een heel goede migratiehistoricus. Hij weet de grote hoeveelheid vluchtelingen heel goed in perspectief    Lees bijvoorbeeld dit opiniestuk van Lucassen in het NRC. te plaatsen. Hij maakt duidelijk dat de migratiestromen in de zeventiende eeuw beslist groter waren dan nu.’

Daar ligt dus een verantwoordelijkheid voor de geesteswetenschappen.
‘Ja. En ik denk dat de geesteswetenschappen het wat dat betreft hebben laten afweten. Die kunnen hun waar veel beter verkopen.’

3. Nederlands algemene ontwikkeling schiet ernstig tekort

Otterspeers betoog beperkt zich niet tot de universiteit. Hij maakt zich ook druk om het gebrek aan algemene ontwikkeling. Zo lezen zijn studenten geen kranten meer (‘Dat lijkt misschien de Cassandraklacht van een oude man, maar ik zeg maar wat ik ervan vind.’) en weet niemand in Nederland nog hoe een boerderij eruitziet (‘Dit lijkt ook weer zo’n monoloog te worden van ‘vroeger was het allemaal beter,’ maar het is wel belangrijk.’).

Maar hét teken van het algemeen maatschappelijk verval? Museumbezoek. ‘Mensen lopen door tentoonstellingen heen, maar missen totaal de enorme macht aan toespelingen, verwijzingen en citaten. Het gaat allemaal langs ze heen. Ze weten niet eens dat die vrouw in het blauw Maria is.’

‘Dat schilderij wordt niet meer op zijn waarde beoordeeld. Dat is erg voor dat schilderij’

Waarom is dat erg?
‘Omdat je er dan niet van geniet. En dat schilderij wordt niet meer op zijn waarde beoordeeld. Dat is erg voor dat schilderij.’

Oké, maar waarom is dat een maatschappelijk probleem?
‘De intense relatie met het verleden vervalt. Het heden wordt plat. Het gaat mij juist om het vergroten van het heden.’

Het vergroten van het heden?
‘Je moet het zo zien: wat mensen nodig hebben, is een huis waarin ze thuis zijn. Met hoge plafonds en grote ramen. En die kun je ze alleen geven door ze perspectief te bieden. Op het verleden en op de toekomst.’

Wat gebeurt er met iemand die niet in zo’n groot huis woont?
‘Die gaat grote onvrede krijgen met zijn eigen leven, denk ik.’

Maar wat als diegene niet weet wat hij mist?
‘Neem nou die twee schilderijen van Rembrandt. Om duidelijk te maken hoe belangrijk die portretten zijn, moet je weten wat pendantportretten zijn, welke ontwikkelingen Rembrandt doorgemaakt heeft, wat het portret voorstelt in de cultuur van de zeventiende eeuw. Om het misverstand over die portretten te begrijpen, moet je ook nog eens de Nederlandse en Franse politieke cultuur kennen. Ik vind het best als je dat allemaal niet wilt weten, maar het gaat wel om 160 miljoen staatsgeld. Je sluit jezelf buiten.’

4. Studenten hebben geen gemeenschappelijk corpus van kennis

U ziet dus een tekort aan algemene ontwikkeling. Hoe houdt dat verband met het onderwijs?
‘Ik geloof niet zozeer dat studenten of middelbare scholieren nadrukkelijk minder weten dan vroeger. Ze weten alleen allemaal verschillende dingen. Ze hebben geen gemeenschappelijk corpus van kennis meer.’

Waar is die gemeenschappelijke kennis dan voor nodig?
‘Om met elkaar van gedachten te kunnen wisselen, moet er een zekere overlap zijn. Als die er niet is, praat je volledig langs elkaar heen. Je hebt dan twee monologen in plaats van een dialoog.’

 

Maar als je verschillende dingen weet, kun je elkaar ook meer leren.
‘Dan informeer je elkaar wel, maar op een zeer oppervlakkige manier. Omdat het niet terugvalt in een of andere structuur waarin je hiërarchie kunt aanbrengen.’

‘We hadden dat probleem helemaal niet hoeven krijgen als we onze middelbare school op niveau gehouden hadden. Mijn studenten zijn heel erg slecht in Nederlandse grammatica. Er wordt nauwelijks meer echt goede aardrijkskunde of geschiedenis gegeven. Ze weten niet dat Karel de Grote eerder was dan Karel de Vijfde, als ze die twee al kennen. En het zou ook prettig zijn als mensen wisten dat Jezus en Christus dezelfde figuur waren.’

U stelt als oplossing voor: de brede bachelor, zoals in de Verenigde Staten.
‘In Amerika is de bacheloropleiding nadrukkelijk bedoeld voor algemene vorming. Je hebt daar een grote cursuslijst om uit te kiezen. Je stelt mensen in staat om hun geestelijke horizon te verbreden, wat een enorme verrijking is voor hen persoonlijk en voor de maatschappij waarin ze opereren. Tegelijkertijd handhaaf je vakken zoals Frans en Duits. Daar is weinig belangstelling voor, maar die zou je graag willen behouden.’

Waarom moeten zulke vakken dan blijven bestaan?
‘Vakken worden natuurlijk geboren en verdwijnen weer. We hebben in Leiden een enorme bloei gehad in het vak Indologie, omdat we koloniën hadden. Iedereen heeft er vrede mee dat zo’n vak langzaam verdwijnt.’

‘Maar voorlopig is Duitsland nog wel ons buurland, onze grootste afzetmarkt. Het is een gigantische handicap voor het bedrijfsleven dat er zo weinig mensen zijn die vloeiend Duits spreken.’

En wie beslist dan welke vakken gehandhaafd moeten worden en welke niet?
‘Dat doet een zo breed mogelijke en goed geïnformeerde elite.’

5. De elite moet het financieringsmodel veranderen

Op de universiteit wordt steeds meer gemeten: het aantal studenten, het aantal publicaties. U ziet dit als een voortvloeisel uit de dominantie van de natuurwetenschapen. Hoe houdt dat verband met elkaar?
‘Dat is dezelfde invloed van dat scientistische model dat op de humaniora wordt toegepast. Alles wordt terugberekend naar het kwantitatieve, naar eenheden.’

Hoe kun je dat veranderen?
‘De universiteit wordt betaald voor zoveel afstuderende studenten en zoveel promoverende studenten. Wim Kok zou dat een ‘perverse prikkel’ hebben genoemd. Je ziet automatisch dat de maatstaven omlaag gaan. Wij maken met het ministerie afspraken dat tachtig procent van de studenten moet slagen.’

 

‘Dat heeft het voordeel gehad dat er enorm veel activiteit gestopt wordt in het verbeteren van het onderwijs. De mummelende professor die van een papiertje stond voor te lezen die is er niet meer. Daar is niks mee, maar het financieringsmodel moet veranderen.’

Hoe zou dat model eruit moeten zien?
‘Ik ben geen manager. Ik houd me niet bezig met de verandering van het financieringsmodel. Als het nodig is, ga ik dat wel doen. Maar ik houd het nu even bij het pamflet.’

Dan nogmaals: voor wie heeft u het geschreven?
‘Voor die algemene en breed geïnformeerde elite waarvan ik vind dat ze het resultaat van een universiteit moet zijn. Voor een algemeen intellectueel publiek. Niet alleen maar academici, maar ook politici, mensen die in het onderwijs werkzaam zijn enzovoorts.’

Na afloop van het interview loopt Otterspeer met me mee naar de voordeur. ‘Ha, daar is de krant!’ Hij pakt de NRC van de deurmat. ‘Dat tabloidformaat vond ik nog wel prima, maar ik ga niet digitaal lezen. Ik houd het liever op papier.’

Weg met de wetenschap verschijnt vandaag in de serie Horzels    Zihni Özdil schreef eerder een Horzel.

november 7, 2015Permalink