‘Drink je thee langzaam en eerbiedig’

 

'Drink je thee langzaam en eerbiedig'
© Paul Faassen

‘Drink je thee langzaam en eerbiedig’

Reportage Boeddhisme

REPORTAGEWat boeddhisme kan betekenen voor een mens met een volgestouwd leven, ontdekte journalist Mirjam Bosgraaf. Zes lessen voor de multitasker die het anders wil gaan doen.

Vier maanden werkte ik bij de Boeddhistische Omroep, bij het radioprogramma OBA Live. Ik wist weinig van het boeddhisme. Ik had op yogales weleens bibberig een mantra gezongen, en dat was het. Het eerste wat ik leerde, is dat er geen god is in het boeddhisme. Je moet het helemaal in jezelf zoeken en vinden. Elke week kwam er wat levensbeschouwelijke kennis bij. Ik ontmoette in die vier maanden veel vriendelijke boeddhisten – vriendelijkheid is belangrijk in het boeddhisme, net als glimlachen. Ik leerde van alles over meditatie, compassie, over de dalai lama, die twaalf miljoen volgers heeft op Twitter en over de gelukkigste man ter wereld. Een boeddhist natuurlijk.

Toen hield het programma ermee op en werd de Boeddhistische Omroep wegbezuinigd. Wat bleef was de gedachte dat het boeddhisme voor niet-boeddhisten met hun volgestouwde levens enorm bezielend kan zijn. Daarom zes lessen uit het boeddhisme – voor iedereen met of zonder boeddhabeeld in de vensterbank.

1. Meditatie is champagne voor de geest

In het boeddhisme komt alles neer op meditatie. Het is het geheime wapen en het succesvolste exportproduct. Meditatie is flink in opmars onder niet-boeddhisten – misschien hebben we het hard nodig met onze stressvolle multitasklevens, waarin sociale media dag en nacht de aandacht gijzelen, en in een wereld waarin een angstig levensgevoel overheerst. Ongeveer iedereen in Hollywood mediteert, onder aanvoering van celebrityboeddhist Richard Gere. Maar ook veel Nederlanders doen het. De website zen.nl hield in 2014 een steekproef onder bijna 1.300 Nederlanders. Van hen zei 5 à 10 procent minstens een keer per week te mediteren. Al dan niet in lotushouding op een kussentje.

Mediteren kan op verschillende manieren, maar het principe is dat je op een rustige plek stil gaat zitten, smartphone buiten handbereik, en de aandacht naar binnen richt, door bijvoorbeeld te focussen op je ademhaling. Dat is verbazingwekkend moeilijk, omdat om de haverklap een gedachte langs komt vliegen. Hebben we wel genoeg seks? Hoe lang kan mam nog alleen blijven wonen? Wat een bitchachtige opmerking van Emma. Ik moet nog…

Laat zo’n gedachte vriendelijk voorbijwaaien en richt je dan weer op je ademhaling. Meditatie kan een half uur duren, maar tien minuten mag ook, of zelfs twee. Dick Bruna heeft eens verteld dat hij, voor hij aan een nieuwe Nijntje Pluis begon, een paar minuten roerloos met de ogen dicht achter zijn bureau ging zitten en zijn ademhaling telde. Ook meditatie.

De effecten ervan, dat is inmiddels uitgebreid wetenschappelijk onderzocht, zijn groot. Mediteren zorgt voor radicale veranderingen in de hersenen. Al van een paar weken mediteren wordt een mens rustiger, helderder, minder angstig, creatiever, blijer, met minder stress en meer focus. Ook als je geen boeddhist bent, noteert Annemiek Schrijver in haar boek Verlicht en verlost: ‘Mijn leraar zegt wel-eens: ‘Als je mediteert, beginnen al je cellen te glimlachen en drinken ze een glaasje champagne.’ Tjingtjing!

2. Pijn mag er zijn

Het leven is geen lijden, maar lijden bestaat en zal altijd bestaan.

Op de bank bij de psychotherapeut doe je er misschien van alles aan om zorgen en problemen te negeren, te neutraliseren, ‘om te denken’ of te vervangen door positieve gedachten. Zo doen boeddhisten dat niet. In het boeddhisme geldt: pijn mag er zijn. Het leven is geen lijden, maar lijden bestaat en zal altijd bestaan. Hoe je ermee omgaat, dat maakt alleen uit. Op het meditatiekussen komt weggestopt oud zeer onvermijdelijk naar boven. En dat kun je beter toelaten dan als een bal onder water te duwen. Dat toelaten alleen al, de heftigheid ervan voelen en dan gewoon blijven zitten op dat kussen, kan bevrijdend werken. En maakt je uiteindelijk gelukkiger. Niet meteen, het is geen fastfood, maar wel na een tijdje.

3. Drink je thee langzaam

'Drink je thee langzaam en eerbiedig'
© Willem Kuijpers

De Belgische psychiater en mindfulnesstrainer Edel Maex: ‘Ik zat in een moeilijke periode. Ik was hard bezig alle pijn en verdriet weg te duwen en zoveel mogelijk leuke dingen te doen. Dat maakte de misère alleen maar erger. Tot een zenleraar tegen me zei: kijk er eens naar. Als ik dat doe, ga ik , dacht ik, maar ik ben toch begonnen. Bij mindfulness duw je niet weg, maar laat je toe wat er is. Een grote ommezwaai. Je kijkt naar je gedachten en gevoelens met milde, open aandacht. Je kijkt boosheid of verdriet in de ogen, maar laat je er niet door meeslepen, wordt er niet door overspoeld. Mindfulness opent hart en geest.’

Maex: ‘Ik heb jaren mindfulness beoefend tot ik dacht: ik kan dit niet meer voor mezelf houden, dit is het waardevolste dat ik weet. Toen ben ik er les in gaan geven.’ Dat was een jaar of tien geleden.

Mindfulness is inmiddels uitgegroeid tot de bekendste meditatietechniek van het boeddhisme en tot een soort wondermiddel voor het moderne leven. Of dat terecht is of overdreven, mindfulness heeft in elk geval als belangrijk effect dat het helpt je activiteiten in het hier en nu met meer aandacht te verrichten. Meer aandacht voor de roze avondlucht, meer aandacht voor de geur van gefruite uien in de pan, meer aandacht voor het poetsen van de melktandjes van je jongste dochter. De Vietnamese boeddhistische monnik Thich Nhat Hanh zegt het zo tegen zijn miljoen Facebookvolgers: ‘Drink je thee langzaam en eerbiedig. Alsof de aarde draait om dat theedrinken. Langzaam, gelijkmatig, zonder haast naar de toekomst.’

4. Geluk voor mezelf en voor iedereen op de wereld

Het opmerkelijkste aan meditatie vond ik zelf misschien wel dat het compassie voor jezelf en voor anderen aanwakkert.

Edel Maex: ‘Door mindfulness kan ik opener en vrijer met de onbestemdheid van het leven omgaan en met meer mildheid en mededogen naar de mensen om me heen kijken. Ik ben misschien een beter mens geworden.’

Het opmerkelijkste aan meditatie vond ik zelf misschien wel dat het compassie voor jezelf en voor anderen aanwakkert. Een boeddhistische psycholoog legde me uit dat dat komt doordat meditatie je gevoel over wat ‘ik’ betekent verandert, verruimt. Iemand die mediteert, voelt zich vaker niet alleen verantwoordelijk voor zichzelf, maar ook voor anderen en voor de wereld om hem heen. De liefdevolle vriendelijkheidsmeditatie – een bekende boeddhistische meditatie – speelt daarop in. Het is een meditatie om ‘de vier heilzame emoties’ te ontwikkelen: liefdevolle vriendelijkheid, mededogen, medevreugde en gelijkmoedigheid. De liefdevolle vriendelijkheidsmeditatie werkt met zinnen. Eerst voor jezelf: ‘Moge ik me veilig voelen, moge ik me gelukkig voelen, moge ik me gezond voelen, moge ik in vrede leven.’ Daarna breid je die meditatie uit naar anderen, volgens een vaste volgorde: eerst naar een vriend, dan een neutraal iemand, dan naar iemand met wie je het moeilijk hebt en tot slot naar iedereen. Je eindigt met de wens: ‘Mogen alle levende wezens gelukkig zijn.’

Ik las over het kleuterexperiment van psycholoog Richard Davidson. Acht weken lang kregen de kinderen drie keer per week een meditatieles van 20 minuten. De kinderen kregen stickers die ze bij foto’s moesten plakken: van hun beste vriendje in de klas, het minst favoriete klasgenootje, een ziek kind en een onbekend kind. Vóór het experiment plakten ze alle stickers bij de foto van hun beste vriendje. Na twee maanden mediteren plakten ze evenredig veel stickers bij alle foto’s.

De Franse moleculair bioloog Matthieu Ricard reisde in de jaren zeventig naar Nepal om er te gaan leven als boeddhistische monnik, zonder carrière of bezittingen. ‘Iets van de E. colibacterie te weten komen is leuk’, zei hij, ‘maar wat als ik iets kan leren over de mechanismen die ten grondslag liggen aan geluk en lijden?’

Over Davidsons experiment merkte hij op: ‘Van het wij- en zij-denken was niets meer over. Er was alleen nog ‘wij’. Overal in de wereld zijn wij- en zij-conflicten, over religie, ras, discriminatie. Wat zou het voor de wereld betekenen als iedereen van jongs af aan zou mediteren?’

5. Doe iets goeds voor een ander, dat maakt pas gelukkig

Monnik Ricard maakt prachtige foto’s van de bergen, werkt samen met de dalai lama en is geïnteresseerd in de wetenschap van geluk, compassie en altruïsme. Hij schreef er een boek over, Altruïsme. Volgens Ricard maakt niets een mens gelukkiger dan altruïsme: iets voor iemand anders betekenen. Egoïsme, je eigen geluk nastreven, is volgens hem de belangrijkste oorzaak van ons ongeluk. ‘Altruïstische liefde is van alle positieve emoties de positiefste. Altruïsme gaat van nature samen met diepe persoonlijke voldoening. Wanneer we spontaan iets goeds doen, hebben we dan niet het gevoel dat we afgestemd zijn op ons diepste zelf?’

Ricard bleek zelf, geestig genoeg, de beste levende reclame voor zijn altruïsmepleidooi. Toen wetenschappers hem eens al mediterend in een mri-scanner legden, lieten de scans van zijn brein een nog nooit vertoonde activiteit in zijn linker prefrontale cortex zien, het geluksgebied in de hersenen. Ricard was na decennia mediteren – in totaal 60 duizend uur – een absurd gelukkig man geworden. De gelukkigste man ter wereld draagt een rood-oranje-gele monnikspij, woont in een koud klooster, verdient naar eigen zeggen niks, heeft geen auto, geen belangrijke baan, geen huis, maar werkt wel mee aan honderdveertig goede doelen.

6. Alles gaat voorbij, en dat maakt vrij

Een ongemakkelijke wijsheid ten slotte. Dood gaan we toch en alles gaat voorbij. Het trof me dat boeddhisten die waarheid ruimhartig toelaten, zonder daar ogenschijnlijk triest van te worden. Zenleraar Hein Stufkens deelt in Verlicht en verlost zijn briefwisseling met Annemiek Schrijver over het boeddhisme. De laatste woorden die zijn boeddhistische leraar aan hem doorgaf: ‘Zie je sterven onder ogen, zo helder mogelijk.’

Misschien was het wel zijn belangrijkste les. Het is ook de basis van het boeddhisme: alles gaat voorbij, we leven in een wereld van vergankelijkheid. Als je dat onder ogen durft te zien, als je ophoudt je vast te klampen aan wat dan ook, ben je vrij.

Boeddhistisch therapeut Tom Hannes formuleerde het in een interview met Bodhitv, de jongerensite van de Boeddhistisch Omroep, zo: ‘In de observatie van de vergankelijkheid ontstaat een ander soort liefde voor mensen, dingen en jezelf. Dit huis bijvoorbeeld kan ik verliezen. Daardoor ontstaat de verplichting er nú van te houden, een poëtische manier om in relatie te staan met de wereld.’

januari 24, 2016Permalink

Hoe een doodgewone school leerlingen met autisme aan een diploma helpt

Sinds twee jaar gaan leerlingen die speciaal onderwijs nodig hebben zo veel mogelijk naar de reguliere school. Die integratie verloopt niet zonder slag of stoot: krijgt de leerling wel voldoende aandacht? Of leidt dat niet te veel af? Een verslag vanaf mijn school.

Hoe een doodgewone school leerlingen met autisme aan een diploma helpt

CorrespondentOnderwijs

Avatar Johannes Visser
Foto: Renate Beense (voor De Correspondent)

Foto: Renate Beense (voor De Correspondent)

Aan het eind van de les geeft Lucas Brouwer (12) me vaak een hand. Hij heeft ADHD en een lichte vorm van autisme en is een van de drie leerlingen in de klas die‘gelabeld’ zijn. In de pauzes gaat hij meestal naar het eind van de gang. Daar huist de zogenoemde Trajectgroep, die bestaat uit 34 gelabelde leerlingen met een gedrags- of psychische stoornis die geholpen worden om binnen het reguliere onderwijs een diploma te halen. 80 procent van hen is autistisch.

Sinds 1 augustus 2014 is de Wet Passend Onderwijs van kracht. Scholen hebben vanaf die dag een zorgplicht en moeten voor iedere leerling die zich aanmeldt een passende plek vinden binnen het ‘regionaal samenwerkingsverband’: op de eigen school, een school in de omgeving of binnen het speciaal onderwijs. En zo is Lucas bij mij op school terechtgekomen.

Voor die tijd konden leerlingen die extra ondersteuning nodig hadden een ‘rugzakje’ met geld krijgen voor de begeleiding in het reguliere onderwijs of een plaats in het speciaal onderwijs. Steeds meer leerlingen kregen zo’n rugzakje en het systeem werd alsmaar duurder. Daarnaast duurde het lang om leerlingen de juiste indicatie te geven en was het moeilijk om voor ieder kind ondersteuning op maat te organiseren.

De Wet Passend Onderwijs zou deze problemen oplossen. Scholen krijgen niet langer geld per leerling, maar worden gefinancierd vanuit het regionaal samenwerkingsverband en kunnen zelf kiezen hoe zij met dat geld de zorg op school vormgeven. Het nieuwe uitgangspunt is dat een kind moet kunnen functioneren op een gewone school. Pas als dat niet werkt, Lees hier meer over de procedure.kan voor het speciaal onderwijs gekozen worden.

Werkt dit? Ja, de invoering van de wet lijkt er inderdaad voor te zorgen dat meer leerlingen die anders naar het speciaal onderwijs zouden moeten een plek kregen in het reguliere onderwijs . Maar er zitten ook nog steeds zo’n 8.000 kinderen thuis, werd duidelijk na een uitzending van Zembla De Zembla-uitzending is hier terug te kijken.in april 2015. En ‘een gewone middelbare school dat gaat ‘m niet worden, geloof me,’ verzucht een van de thuiszitters in de uitzending.

Toch moet dat ‘m voor veel leerlingen wel worden. Op het Zaanlands Lyceum is daarom sinds de invoering van de Wet Passend Onderwijs schoolpsycholoog Manon Bos (26) in dienst. Met begeleider passend onderwijs Bob Edens (64) begeleidt zij de Trajectgroep waar Lucas elke pauze heen gaat.

In mijn verhalenreeks over onderwijsvernieuwing op een doodgewone school dus aandacht voor de integratie van de speciale leerling in het reguliere onderwijs. Welke winst valt daar nog te behalen?

De vulkaan in Lucas’ hoofd

Lucas zit in een gemengde brugklas havo/vwo en heeft enkel achten en negens op zijn eerste rapport staan. Volgende week mag hij daarom meelopen met de ‘gymnasiumweek,’ een week waarin hij vakken als ‘Romeins koken’ en ‘Latijnse taal’ krijgt om te zien of het gymnasium wellicht beter bij hem past.

Als ik Lucas spreek, komt hij net van zijn gymles. ‘Ja, vandaag gym. Er komt dan best wel veel op je af. Soms zeg ik weleens: ‘mijn vulkaan barst uit.’ Dan is er echt een ontploffing in mijn hoofd.’

‘Soms zeg ik weleens: ‘mijn vulkaan barst uit.’ Dan is er echt een ontploffing in mijn hoofd’

Lucas vertelt over de reguliere basisschool waar hij vorig jaar nog op zat (‘Als ze dit lezen: ik heb heel veel aan mijn juffen gehad’) en over de reacties van klasgenoten op zijn autisme. ‘Vroeger was ik een, hoe moet je dat zeggen, ik was een bijzonder jongetje. Dat ik autistisch ben, daar kwamen we, mijn ouders en ik, ook pas achter in groep 5. Toen alle kinderen met Pokémon speelden, leerde ik al alle hoofdsteden van Europa uit mijn hoofd. Ik ben er nooit mee gepest, maar ze vonden het wel apart.’

Ook nu heeft hij niet het gevoel dat het zijn klasgenoten veel uitmaakt dat hij autistisch is. ‘Soms zeggen ze: ‘Lucas, ga je weer naar de autistengroep?’ Maar dat bedoelen ze niet rot. Toen ze dat weer eens vroegen, heb ik gewoon uitgelegd waar ik dan naartoe ga: ‘Dat is voor kinderen zoals ik, met autisme.’ Ze schelden me er niet mee uit.’

Wel was het begin van het nieuwe schooljaar flink wennen. Hoewel hij eraan gewend was met 25 leerlingen in een klas te zitten, zorgden alle nieuwe indrukken tijdens zijn eerste weken in het voortgezet onderwijs ervoor dat hij erg druk in zijn hoofd was. ‘Ik moest van lokaal wisselen, kreeg allemaal nieuwe leraren, nieuwe klasgenoten, nieuwe vakken. Het was wel heel veel voor mij. De laatste twee weken voor de herfstvakantie was het heel druk in mijn hoofd.’

Na die vakantie gingen Bos en Edens met Lucas in gesprek en stelden in samenwerking met ondersteunende organisatie KRAM een plan op. Met zijn cijfers ging het weliswaar goed, maar hij was alléén nog maar met school bezig. ‘Ik moest leren minder te doen. Onderscheid leren maken tussen school en leuke dingen. Nu heb ik wel ontspanning gevonden. Dat doe ik met series kijken.’

Door de begeleiding van KRAM en de Trajectgroep lukt het Lucas om de vulkaan in zijn hoofd in bedwang te houden en thuis ook tijd voor ontspanning te vinden, waardoor hij mee kan draaien op een reguliere havo/vwo-school. Vier dagen in de week maakt hij zijn huiswerk bij de Trajectgroep. Ook komt hij er om toetsen te maken wanneer het druk is in zijn hoofd. En als Lucas zijn blauwe kaart laat zien aan een docent, krijgt hij een time-out en mag hij het lokaal even uit. Want: ‘Als ik geen time-out neem, dan ontplof ik.’

En de muziek van Nicolaas

De drukte is voor veel leerlingen van de Trajectgroep de voornaamste reden dat zij moeite hebben mee te komen op school. Voor school begint en in de pauze komen ze daarom samen in de ruimte van de Trajectgroep om rustig de dag te beginnen of een broodje te eten. Soms spelen ze een spelletje.

Ook Nicolaas Schuddeboom (15) uit 3 havo komt in de pauze altijd naar de Trajectgroep. ‘Ik ga hierheen omdat ik anders geen plek heb. Als ik naar de aula ga, gaat iedereen aan mijn laptop zitten en kijken wat ik aan het doen ben en dat vind ik niet zo fijn, want sommige dingen wil ik niet echt laten zien.’

Op die laptop componeert Nicolaas muziek en kijkt hij naar zijn favoriete gamekanalen op YouTube. Dat weet ik, omdat het ook tijdens de les nog weleens moeilijk is om Nicolaas achter zijn laptop vandaan te krijgen.

Nicolaas zat in tegenstelling tot Lucas wel op een basisschool voor speciaal onderwijs. Daar zat hij in een veel kleinere klas en was er naast de docent ook altijd een onderwijsassistent aanwezig. Maar: ‘Hier zijn leerlingen veel minder druk en worden ze minder snel boos. Ook hebben leerlingen hier minder moeite met hun huiswerk – op de basisschool hadden sommige kinderen al moeite met rekenen.’

Aan het eind van de pauze vraagt Nicolaas aan Bos waar hij heen moet voor zijn volgende les en gaat hij met zijn laptop onder zijn arm geklemd de drukte weer in.

Regulier of toch speciaal?

‘Voor Nicolaas zal het nooit te doen zijn om alles helemaal zelfstandig te plannen. We proberen hem nu te leren zijn rooster te kennen,’ vertelt Bos. Voor zij in dienst kwam op het Zaanlands Lyceum studeerde zij klinische- en neuropsychologie op de Vrije Universiteit, werkte zij voor de Kindertelefoon en in de huiswerkbegeleiding voor kinderen met een gedragsstoornis.

Het werken met autistische leerlingen bevalt haar. ‘Die leerlingen zijn stuk voor stuk uniek en allemaal even geweldig,’ zegt Bos. ‘Ze zetten je op een heel andere manier aan het denken. Alles wat je logisch vindt, wordt in twijfel getrokken. Dan vragen ze zich af waarom we in Nederland Nederlands spreken en geen Engels. En dan spreken ze af dat ze een dag Engels met elkaar praten.’

Toch is het werken met autistische leerlingen geen aaneenschakeling van aandoenlijke anekdotes

Toch is het werken met autistische leerlingen geen aaneenschakeling van aandoenlijke anekdotes. Het is complexe problematiek waar zij mee te maken krijgt en waar zij bij ingeschakeld wordt. Voortdurend probeert zij de balans te vinden tussen twee belangen: enerzijds vindt zij het belangrijk dat de leerlingen van de Trajectgroep zo veel mogelijk de reguliere lessen volgen omdat zij dan beter leren hoe zij zich moeten gedragen in een gewone maatschappij, waardoor zij later meer kans op succes hebben. Anderzijds moeten de leerlingen die lessen niet te veel verstoren. Bos: ‘Het blijft lastig, want een autist blijft natuurlijk altijd autistisch. Niet alles is leerbaar.’

Bos vindt dan ook dat het speciaal onderwijs altijd zal moeten blijven bestaan voor de échte probleemgevallen. Als een kind er zelf onder lijdt dat hij te weinig aandacht krijgt bijvoorbeeld. Of als leerlingen gewoon niet tot leren komen en onder hun niveau blijven presteren. En een enkeling is te storend voor andere leerlingen en heel af en toe gevaarlijk. ‘Je kan het docenten niet aandoen om echt de ernstige psychiatrie in een gewone school te laten functioneren.’

Maar de werkdruk neemt toe

Want de docent heeft aan de Wet Passend Onderwijs extra werk. Hij moet tijdens zijn les rekening houden met de leerling die niet in groepjes kan werken, schrijfopdrachten op de laptop mag maken of niet hardop hoeft voor te lezen in de klas. En leerlingen met ADHD staan er niet om bekend een lesuur lang op hun stoel te kunnen zitten om mee te schrijven. Tijdens vergaderingen wordt er weleens een opmerking gemaakt over het extra werk dat leerlingen met een gedrags- of psychische stoornis docenten bezorgen. 17,5 procent van de docenten op mijn school acht zich niet in staat om passend onderwijs te geven.

Uit een landelijke enquête Het onderzoek van DUO is hier terug te vinden.van DUO Onderwijsonderzoek in samenwerking met hetAlgemeen Dagblad blijkt dat74 procent van de docenten in het voortgezet onderwijs die de enquête ingevuld hebben het eens is met de stelling dat hij of zij te weinig kennis heeft om goed te kunnen omgaan met de diversiteitaan leerlingen in de klas.

Nog wat cijfers: uit hetzelfde onderzoek blijkt ook dat 90 procent van de docenten in het voortgezet onderwijshet over het algemeen niet makkelijk vindt om kinderen met gedragsstoornissen, ontwikkelingsstoornissen of psychiatrische problemen in reguliere klassen te houden. Slechts 9 procent van de docenten zegt dat het werk door de invoering van de Wet Passend Onderwijs in positieve zin veranderd is. 40 procent is negatief. 84 procent van de docenten is het eens met de stelling dat hij achterloopt met zijn lessen omdat hij veel tijd moet besteden aan leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben en 62 procentervaart door de invoering van de Wet Passend Onderwijs een verhoging van de werkdruk.

Of ik daartoe behoor? Natuurlijk kost het iets meer energie om Lucas te begeleiden en iets meer tijd om een toets die Nicolaas op de laptop maakt te printen zodat ik die na kan kijken. Maar die extra werkdruk weegt niet op tegen het belang dat zij erbij hebben om op een gewone school mee te draaien. En de Trajectgroep vind ik een goed middel, omdat de zorg voor deze leerlingen zo niet alleen naar het klaslokaal wordt verplaatst. Dat heb ik liever dan een studiemiddag omgaan met autisme.

Omgaan met de maatschappij

Ook ouders en leerlingen zijn zeer tevreden over de Trajectgroep, blijkt uit onderzoek van Bos. En de Onderwijsinspectie zag in de manier waarop de school met zorgleerlingen omgaat een voorbeeld voor andere scholen. De eerste resultaten zijn ook goed. Van de 36 leerlingen die in het schooljaar 2014/2015 in de Trajectgroep zaten, bleven er slechts drie zitten. 27 gingen er over en zes leerlingen vonden een plek buiten de school.

Door het succes van de Trajectgroep merkt Bos dat meer ouders met zorgbehoevende kinderen hun kroost naar het Zaanlands Lyceum sturen. Er is echter beperkt plek in de Trajectgroep. Bos is daarom bezig een module te ontwikkelen die een leerling kan doorlopen, waardoor een leerling na de brugklas ook zonder de Trajectgroep kan functioneren binnen de school.

Lucas ziet zo’n module wel zitten en denkt de ‘autistengroep’ niet altijd nodig te zullen hebben. ‘Ik ben me al wat neutraler gaan gedragen. Ik ben nog steeds gewoon mezelf, maar ik weet nu hoe ik met de maatschappij moet omgaan.’

Hebben jullie ideeën voor hoe een normale school meer bijzondere leerlingen zou kunnen opvangen? Zodat de lessen niet uit hun voegen barsten?

januari 19, 2016Permalink

Interpreteren wanneer iemand echt dood wil

De auteur is juridisch redacteur. T: @folkertjensma

Vorige maand publiceerde het ministerie van Volksgezondheid een ‘handreiking’ die artsen moet helpen dergelijke patiënten te ‘lezen’. Daarin staat dit: „Patiënten met gevorderde dementie wekken soms de indruk niet ondraaglijk te lijden aan de dementie”. Terwijl ze dat destijds wel van zichzelf hadden verwacht en dat met kennelijk wilden voorkomen. „Wel kan het duidelijk zijn dat een patiënt met gevorderde dementie ondraaglijk lijdt aan bijkomende lichamelijke aandoeningen, zoals ernstige benauwdheid of pijn, maar ook , agressie of onrust kunnen bijdragen aan ondraaglijk lijden.” Een arts mag dan euthanasie toepassen, aldus de handreiking.

Lijden onder dementie en onder het vooruitzicht van dementie lijken mij verschillende condities

Hierover is een stevige discussie ontstaan. Trouw-columnist Bert Keizer, tevens verpleeghuisarts, zegt dat dit ethisch onverantwoord is. Keizer concludeert dat een arts een demente man of vrouw die daar niet onder lijdt, maar wel benauwd is of veel pijn heeft, dus mag doden, indien er een wilsverklaring is. Keizer: „Een arts die zoiets doet, schuift alle kennis over palliatieve geneeskunde terzijde. Het lijkt mij een tuchtwaardig vergrijp”. Ik vraag me eerlijk gezegd af of het niet ook strafbaar is. Angst, agressie, onrust, benauwdheid of pijn bij demente patiënten interpreteren als een „uitdrukkelijke” wens om uit het leven te worden geholpen? De minister keurt het goed, de euthanasielobby verwelkomt het als een ‘minder streng’ beleid, de KNMG houdt het voorzichtig bij een ‘precisering’ van staand beleid en niet een echte verandering.

Maar ik denk dat dit rijtje symptomen niet houdbaar is als een uitdrukkelijke bevestiging van een eerdere wilsverklaring. Dementie is een staat van verwarring, vergeetachtigheid en desoriëntatie, als gevolg van verminderde hersenwerking. Om dan bijkomende symptomen te duiden als een spontane, fysieke vertaling van de euthanasiewens lijkt mij een doelredenering. Je kan met evenveel recht beweren dat het juist de angst en onrust voor de dood zijn, die zich tonen. En niet de angst verder te leven. Niemand weet het echt.

Ik begrijp het van ouderen die dementie niet willen meemaken. Dat kan zo bezwarend zijn dat het mensen ertoe brengt euthanasie te vragen voordat ze echt dement zijn. Die gaan dan ‘te vroeg’. Tegelijk kun je dit ook zien als de consequentie van de wens dan ook helemaal over jezelf te beschikken. Willen we demente mensen echt dood maken omdat ze er om vroegen toen ze nog wel goed konden denken en praten? Keizer: „Moet je dan zo’n demente, agressieve angstige man onder verdoven en vervolgens een dodelijke injectie geven?” Daar schrikt uiteraard iedereen voor terug. Maar het zou wel consequent zijn. Niet doen dus.

januari 17, 2016Permalink

Accountable care dichterbij dan we denken?

De implementatie van het Amerikaanse accountable care is in Nederland nog ver weg, zei Marc Bruijnzeels recent tegen Skipr. Maar het model is dichterbij dan we denken en niet voorbehouden aan de VS.

Accountable care is in de VS een zorgmodel gebaseerd op een combinatie van zorgverlening en betaling. De beloning voor de aanbieders is gebaseerd op kwaliteitsmetingen en verlaging van het totaal aan kosten voor een specifieke patiëntenpopulatie. Accountable care wordt verleend door een samenwerkende groep van zorgorganisaties of zorgverleners die samen de zorg aan die specifieke patiëntengroepen leveren. Bij accountable care worden verschillende beloningssystemen gebruikt, waarbij shared savings een belangrijk basisprincipe is. Binnen Accountable care legt de groep van aanbieders samen verantwoording af aan de patiënten en de contracterende partij over de en doelmatigheid van de zorg die ze verlenen. Een groep zorgaanbieders die als zodanig samenwerkt vormt een Accountable Care Organisation.
Directeur Marc Bruijnzeels van het Jan van Es Instituut stelt dat implementatie van dit model in Nederland voorlopig nog niet te verwachten is. Vooral niet door de manier waarop ons zorgstelsel ingericht is. Als belangrijk struikelblok noemt hij de moeite die instellingen (en professionals binnen instellingen?) hebben met het loslaten van hun autonomie.
Enthousiast
Bruijnzeels is wel enthousiast over de principes van Accountable care. Die kunnen tot voorbeeld dienen voor de Nederlandse gezondheidszorg. Hij denkt echter dat het nog zeker tien jaar gaat duren voordat ook in Nederland deze vorm van samenwerking en financiering ingang gevonden heeft. Hij maakt zich zorgen over de effecten van de lopende experimenten, waarbij het shared savings principe onbedoeld kan omslaan naar een verlies voor de samenwerkende partijen.
Als we kijken naar het onderliggende gedachtengoed van Accountable care en de waarde hiervan ben ik echter minder somber en is het in mijn optiek dichterbij dan we denken. De kern is immers dat zorgorganisaties zich durven verantwoorden voor de uitkomsten van hun zorg. Als we dit breder vertalen dan het kostenperspectief en ook de uitkomsten met betrekking tot meetbare en merkbare kwaliteit, zoals de indicatoren van het VMS-programma Zichtbare Zorg, de criteria van de wetenschappelijke verenigingen en vooral niet te vergeten de waardering door patiënten, kan dit veel winst opleveren voor zowel de organisatie, patiënten, medewerkers en financiers.
Om dit bereiken dient niet het model Accountable care centraal te staan, máár de onderliggende waarden en drijfveren van de mensen die samen de organisatie vormen en de patiëntenzorg inrichten en verlenen. Dit vraagt dat de organisatie haar medewerkers ondersteunt in het streven tot verlenen van excellente patiëntenzorg en hen uitdaagt en de ruimte gunt om zelf, in samenspraak met patiënten de zorg in te richten. In het ideale geval zijn de protocollen en richtlijnen van de beroepsgroepen niet bindend als keurslijf, maar worden gezien als basisniveau van kwaliteit waar kennis en ervaring van de professional en de wens van de patent ingepast kunnen worden. De zorgverlener wordt hiermee erkend in zijn professionele autonomie en de patiënt krijgt mede regie over de behandeling, het principe van shared decision making.
Eigenaarschap
Hierdoor wordt het eigenaarschap van medewerkers voor het proces en de uitkomsten vergroot, waardoor het registeren van indicatoren minder als administratieve last wordt ervaren en meer als middel om te laten zien hoe goed de zorgverleners hun werk doen. Dit zal de kwaliteit van de registratie ten goede komen en dus accountability door de organisatie. De set aan indicatoren dient dan wel zorgvuldig te worden ingericht door organisatie en zorgverzekeraar, waarin zowel doelmatigheid, meetbare kwaliteit en door de patiënt ervaren kwaliteit in evenwicht zijn en men streeft naar een beperkte set die gedragen wordt door alle partijen.
Dit alles vraagt niet meer dan lef: lef bij het management van de organisatie om te vertrouwen op de kennis en drive van hun medewerkers, lef bij de zorgverleners om de gegeven ruimte te benutten en de patiënt en/of familie te betrekken in de keuzes bij de behandeling en lef van financiers om de zorg te contracteren binnen dit model. Dan is accountable care dichterbij dan we denken en verschuift het accent van last naar lust.
Cor Calis
Associated partner bij Arteria Consulting

– See more at: http://www.skipr.nl/blogs/id2533-accountable-care-dichterbij-dan-we-denken.html#.bq4nvNvU.dpuf

januari 12, 2016Permalink

Sinds 1980 steeds drukker met werken en zorgen

Sinds 1980 zijn we steeds drukker met werken en zorgen
© ANP
 Nederlanders zijn tussen 1980 en 2011 steeds drukker geworden met betaalde en onbetaalde arbeid, zo blijkt uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau en de Universiteit Utrecht dat het Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken donderdag publiceert.

Het aantal mensen met werk dat ook mantelzorg verricht, nam tussen 2004 en 2014 toe van 13 tot 19 procent. Het aantal dat ging werken steeg van 71 procent naar 78 procent in de periode tussen 2005 en 2014. Vrouwen verrichten meer mantelzorg dan mannen, doordat dochters vaker voor een ouder zorgen dan zonen.

Het aandeel werkende moeders met een vierdaagse werkweek (28 tot 34 uur per week) steeg van 10 procent naar 18 procent en het aantal voltijd werkende moeders steeg van 8 procent naar 12 procent. Van hun echtgenoten werkt 80 procent voltijds en dat is niet veranderd.

Combinatiedruk neemt toe in participatiesamenleving

Verschenen: themanummer Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken ‘Arbeid en zorg in de participatiesamenleving’
  • Nederlanders zijn steeds drukker met het totaal van betaalde en onbetaalde arbeid. Het aandeel werkenden dat mantelzorg geeft nam tussen 2004-2014 toe van 13% naar 19%. Het aandeel werkende moeders steeg van 71% naar 78%.
  • Werkende mantelzorgers hebben gemiddeld meer last van psychische vermoeidheid dan niet-zorgende werknemers. Mantelzorg heeft bij mannen een nadelig effect op hun ervaren gezondheid. Ziekteverzuim stijgt na oppakken van mantelzorg bij zowel mannen als vrouwen.
  • Werknemers zijn niet altijd op de hoogte van verlofregelingen of durven dit niet aan te vragen. Een zorgvriendelijke cultuur en medezeggenschap in organisaties zijn van belang.
  • Laagopgeleiden en ZZP-ers hebben minder toegang tot arbeid- en zorgregelingen dan hoogopgeleiden en werknemers.
  • Overheidsbeleid komt niet overeen met de opvattingen van burgers over zorg: de overheid wil dat burgers de zorg voor hun kinderen meer uitbesteden aan de  kinderopvang en  meer zelf zorgen voor ouderen. Burgers zijn juist terughoudend over kinderopvang en willen een overheid die voor ouderen zorgt.

Dit zijn enkele conclusies uit het themanummer over ‘Arbeid en zorg in de participatiesamenleving’ van Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken dat op 7 januari verschijnt. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en de Universiteit Utrecht zijn initiatiefnemers van dit themanummer. Het bevat bijdragen van diverse wetenschappers en experts.

De overheid streeft naar een hogere en wil ook dat mensen de zorg voor naasten vaker zelf op zich nemen. Van mensen wordt verwacht dat ze op zowel het terrein van arbeid als van zorg meer doen. Het combineren van en zorgtaken is daarmee voor veel burgers in het huidige tijdsgewricht een complexe opdracht geworden.

Het themanummer geeft een rijk beeld van de stand van zaken, maar brengt ook een aantal knelpunten aan het licht bij de uitvoering van het overheidsbeleid. Vragen die aan de orde komen, zijn: Wie combineren in Nederland betaald werk en zorg en welke ontwikkelingen hebben zich hierin voorgedaan? Welke gevolgen heeft het combineren van betaald werk met (mantel)zorg voor de gezondheid? Wat kunnen werkgevers doen om uitval door combinatiedruk van werknemers te voorkomen?

Lees meer in persbericht (242,55 kb) (pdf)

januari 9, 2016Permalink