Kun je slimmer worden?

Zijn opvattingen over je eigen hersenen van invloed op de werking van diezelfde hersenen? De Californische psychologe Carol Dweck denkt van wel. Als je gelooft dat je brein een soort spier is, kun je je hersenen beter trainen. Maar hoe je dat dit idee beklijft?

Kun je slimmer worden als je dénkt dat je slimmer kunt worden?

Correspondent Vindingrijkheid & Vernieuwers

Avatar Thalia Verkade
Hoe komt het dat veel leerlingen die op de basisschool alleen maar negens en tienen halen, in de brugklas hun cijfers ineens zien kelderen? Een Californische psychologe heeft daar een interessante theorie over. Ze liet die toetsen in een langlopend experiment Het onderzoek naar scholieren vind je hier.met 373 scholieren in New York tijdens hun overgang naar de middelbare .Natuurlijk, zegt Carol Dweck: het niveau en tempo van de leerstof op de middelbare schoolgaan enorm omhoog. Het onderwijs wordt onpersoonlijker en leerlingen beginnen te puberen. Dat is geen pretje. Maar Dweck (1946) gelooft dat hoe leerlingen presteren ook afhangt van iets in hun eigen hoofd: van het onuitgesproken idee dat ze hebben over hun eigen intelligentie.Het experiment in New York liet zien dat cijfers van leerlingen die geloven dat hun intelligentie een soort vaststaande eigenschap is, meer te lijden hebben dan de resultaten van kinderen die dat idee van zichzelf niet hebben. Voor kinderen die denken dat hun slimheid een vaststaand gegeven is, komt het als een totale verrassing als ze in de brugklas voor het eerst datgene moeten doen waarvan zij dachten dat alleen kinderen die zij als ‘niet zo slim’ beschouwden, dat hoefden te doen: oefenen, fouten maken en dingen lastig vinden.

Wat de gevolgen zijn van het hebben van een vaststaand idee van je eigen intelligentie, tekende Dweck op in een populairwetenschappelijk boek: Mindset. Mindset op Goodreads.Mijn eigen schoolcarrière had zo als casus in dit boek gekund. Ik haalde alleen maar negens en tienen op de basisschool. En eenmaal in de brugklas begon ik me precies zo te gedragen als Dweck beschrijft. Ik gaf alles en iedereen buiten mijzelf de schuld van mijn eerste onvoldoende. Alsik niet kon begrijpen waarom ‘zijn huis’ sa maison moest zijn, in plaats van son maison,dan was Frans dus een stomme taal, gegeven door een stomme lerares.

En het bleef niet bij Frans. Het moet op puberaal gedrag hebben geleken, maar dat was het niet alleen. Ineens kon ik niet meer vertrouwen op een van de weinige dingen waar ik zeker van was geweest: het idee van mijzelf dat ik een heel slim iemand was. Anders gezegd: ik kon wel presteren, maar ik had nooit leren leren.

De kracht van leren

Kun je leren leren? En heeft dat nog zin, als je dat niet van jongs af aan hebt geoefend? Aan de populariteit van Carol Dwecks theorie af te meten, Zie bijvoorbeeld Dwecks TED Talk.lopen er talloze mensen rond met dit soort vragen. Mindset is een bestseller.

Carol Dwecks theorie geanimeerd door the RSA

In het boek, dat helemaal gaat over het verschil tussen mensen die als kind het idee hebben aangeleerd dat ze in bepaalde dingen goed zijn en in andere dingen niet (dat noemt Dweck een ‘fixed mindset’) en mensen die geloven dat ze dingen kunnen leren (dan heb je een ‘growth mindset’), daagt Dweck de lezer uit tot de volgende oefening. Kies een van je grote helden, van wie je altijd hebt gedacht dat het gewoon een natuurtalent was. En ga nu uitzoeken wat die gedaan heeft om te komen tot de daden die jij zo bewondert. ‘En bewonder ze dan nog meer,’ zegt Dweck.

De eerste persoon die me te binnen schoot was Bill Watterson, de tekenaar van bovenstaande strip Calvin and Hobbes (in het Nederlands: Casper en Hobbes), omdat Dweck dit stripje in haar boek had gebruikt. Ik heb alle verzamelalbums in mijn boekenkast staan. Mijn vooronderstelling was inderdaad dat Wattersons tekencapaciteit aangeboren was. Dat de kranten voor zijn allereerste stripje in de rij hadden gestaan om het te mogen publiceren. Die tekeningen zijn zo geniaal, dat moest wel aangeboren zijn.

Dwecks opdracht uitvoerend, kwam ik achter de waarheid. In het prachtige boek Exploring Calvin and Hobes (hier op Goodreads) geeft Watterson een zeldzaam en uitgebreid interview over zijn werk.Bill Watterson begon zijn carrière met een proeftijd van een halfjaar bij de lokale Cincinnati Post. Hij tekende politieke karikaturen, zonder veel gevoel te hebben voor politiek en dus ook zonder veel succes. Na drie maanden zei de hoofdredacteur dan ook: je kan beter nu vertrekken, want over drie maanden gaan we sowieso niet met je door. Watterson bleef zitten, want hij had het geld nodig. Naast een blèrende politiescanner die ervoor zorgde dat hij niet goed kon nadenken.

De kracht van de oefening schuilt erin dat je er zelf achterkomt

Daarna verzon hij nog vier jaar lang stripjes die niemand wilde hebben. Krantenuitgevers wezen de voorlopers van Calvin and Hobbes doorlopend af. De uitgever die hem uiteindelijk een klein contract aanbood, was ook niet laaiend enthousiast, maar wilde weleens kijken hoe het zou lopen. De strip verscheen aanvankelijk in 35 Amerikaanse kranten. Dat aantal liep uiteindelijk op tot 2.400. Calvin and Hobbes geldt nu als Amerika’s diepzinnigste strip Die omschrijving komt van The Wall Street Journal.en won talloze prijzen.

Bill Watterson had óók zo in Carol Dwecks boek gekund, maar dan als voorbeeld voor de ‘growth mindset.’ Over de vier jaar dat zijn strips werden afgewezen, zei hij:Dit citaat komt uit Zenpencils. Lees daar hier meer over.

‘De enige manier om te leren schrijven en tekenen is door te schrijven en tekenen. […] Volhouden terwijl je voortdurend wordt afgewezen, vereist een diepgaande liefde voor het werk zelf. Door die les te leren ben ik Calvin & Hobbes nooit vanzelfsprekend gaan vinden toen de strip jaren later succesvol werd.’

Ik vond het geweldig om Bill Wattersons biografie na te pluizen. Ja, hij tekende als kind al graag en goed. Maar hoeveel had hij moeten leren.

Uit alle beroemde citaten over hoe succes volgt uit het maken van fouten had ik nog nooit deze les getrokken: dat het voor die mensen die al die fouten hadden gemaakt ook vervelend moet zijn geweest om die fouten te maken. Neem die legendarische aan Thomas Edison toegeschreven uitspraak: ‘Ik heb niet zevenhonderd keer gefaald. Ik heb zevenhonderd keer bewezen hoe je een gloeilamp niet maakt.’ Dat klonk voor mij alsnog als een succesverhaal.

Kun je je mindset veranderen?

Terug naar Carol Dweck. In een ander onderzoek liet ze zien dat het soort complimentje dat ouders aan hun peuters geven voorspelt wat voor impliciet idee van hun eigen intelligentie zij een paar jaar later ontwikkelen.

De complimentenstudie in vijf minuten

Als je als ouder complimentjes geeft als: ‘Wat ben je toch een genie, je kunt nu al lopen,’ wanneer je kind voor het eerst een paar stapjes zet zonder hulp, dan leert je kind zichzelf zien als iemand met vaststaande kenmerken, waarin er weinig ruimte is voor groei.

Zeg je: ‘Wat ben je goed aan het oefenen met lopen,’ dan leert een kind dat je dingen leert door oefening. En dat laatste moet je dus doen, vindt Dweck.

De grote vraag voorbij dit onderzoek is natuurlijk: kun je je eigen of iemand anders’ mindset vormen en veranderen? Dynamischer maken? En hoe dan wel, en wanneer? Het zijn vragen waar nog geen duidelijke antwoorden op zijn.

Dweck, die al bijna veertig jaar bezig is met haar Mindsettheorie, experimenteert al jaren met een programma om de mindset van scholieren te veranderen. In een door haar ontwikkelde workshop met de naam Brainology wordt (vertellend, of met behulp van een computerspelletje) uitgelegd dat de hersenen uit miljarden verbindingen bestaan, dat die verbindingen sterker worden naarmate je ze vaker gebruikt. En dat je je hersenen dus kunt zien als een trainbare spier, die kan groeien door training, waarbij je gevoelens ervaart die vergelijkbaar zijn met spierinspanning en spierpijn.

Scholen kunnen zich aanmelden voor het onderwijspakket, en Brainology wordt gesubsidieerd door het Amerikaanse ministerie van Onderwijs. Het idee is dat het motiverend werkt. Een experiment op de school in New York uit het begin van dit verhaal, liet positieve resultaten zien. Wiskundeleraren die niet wisten wat er precies voor onderzoek gaande was, meldden dat veel scholieren gemotiveerder raakten en beter begonnen te presteren. In haar boek voert Dweck vooral anekdotisch bewijs aan van enthousiaste leerlingen.

Maar in hoeverre Brainology effect heeft op de lange termijn, is onduidelijk. Ik vond één onafhankelijk onderzoek Een studie naar de effectiviteit van Brainology.naar de workshop, dat die vraag beantwoordt. Daarin staat dat het eventjes werkt: kort nadat leerlingen over het leervermogen van hun hersenen is verteld, gaat hun leervermogen omhoog. Maar dit effect is niet blijvend. Het is een te kleine studie, zeggen de auteurs, om grote uitspraken aan te verbinden.

Het resultaat dat zij vonden is wel in lijn met Dwecks idee dat oefening kunst baart en je dus vooral niet moet ophouden met oefenen. ‘Het is bizar – zodra een probleem minder erg wordt, houden mensen vaak op met het doen van datgene dat het minder erg maakt,’ schrijft Dweck daarover. Of om de brein-als-spiermetafoor aan te houden: één keer naar de sportschool is ook niet genoeg voor een stevige biceps. Je moet blijven oefenen, en laat dat nou precies de essentie zijn van een groei-mindset.

Hoe zit dit in Nederland?

In het idee van de ‘fixed mindset’ herken ik mijzelf als kind volledig terug. Door mij de gangen van Bill Watterson te laten natrekken, overtuigde Carol Dweck me er ook van dat er zoiets bestaat als een ‘growth mindset.

Mindset is een heerlijk boek voor zelfverbeteraars, zeker als je de neiging hebt jezelf te vergelijken met anderen, iets waar collega Ernst-Jan Pfauth laatst over schreef. Lees hier de column van Ernst-Jan Pfauth terug.Denken in termen van: ‘ik ben slim’ leidt immers vanzelf tot gedachten als ‘maar hij is .’

Zou het helpen als we als maatschappij meer aandacht besteden aan het expliciet maken van ideeën over ons denken?

Ik kan het boek dus van harte aanbevelen. Waar ik nu vooral benieuwd naar ben, is de potentie die dit idee heeft voor mensen die niet uit zichzelf aan de slag gaan met zichzelf. Met haar complimentenstudie liet Dweck zien dat kinderen de mindset overnemen die ze van huis uit meekrijgen. Het idee dat je hebt over je eigen intelligentie blijft meestal onuitgesproken.

Zou het helpen als we als maatschappij meer aandacht besteden aan het expliciet maken van ideeën over ons denken? Wat is het effect van een Brainologyworkshop op school? Is deze theorie iets wat het consultatiebureau aan ouders zou kunnen uitleggen? En hoe zorg je ervoor dat een idee beklijft dat vraagt omvoortdurende oefening van de geest? Twee collega’s wezen me in dit verband op de boeddhistische monnik Matthieu Ricard, hier geïnterviewd in Trouw.Dat raakt aan de vraag die ik mezelf als correspondent Vindingrijkheid & Vernieuwers steeds stel: hoe verandert de mensheid zichzelf?

Het lijkt me leuk om antwoorden te vinden op deze vragen door uit te zoeken wat er met het idee van Mindset wordt gedaan in Nederland. Ik weet dat ermee wordt geëxperimenteerd op scholen in het kader van een wetenschappelijk onderzoek, waarover ik in een volgend verhaal meer zal vertellen. Maar ik weet nog niet hoe breed de theorie in Nederland verder leeft. Wordt vervolgd dus. Tips zijn zeer welkom!

februari 24, 2016Permalink

Bussemakers kritiek op efficiency-denken

WIEL VEUGELERS

Bussemakers kritiek op efficiency-denken in het onderwijs vereist meer uitwerking
Minister van , Cultuur en Wetenschap Jet Bussemaker pleit voor meer idealisme en maatschappelijke betrokkenheid in het hoger onderwijs. Dat is veelbelovend, maar vergt nog wel uitwerking. Wat voor type intellectueel willen we eigenlijk?

 

Bussemakers kritiek op efficiency-denken in het onderwijs vereist meer uitwerking

Minister Bussemaker zei in Buitenhof dat ze het een goed idee zou vinden als tijdens hun opleiding meer in aanraking komen met de maatschappelijke werkelijkheid. Ze noemt het zelfs jammer dat op universiteiten nu bijna geen stage meer wordt gelopen. Als het aan de minister ligt, lopen studenten commerciële economie of toekomstige bankiers straks stage bij de schuldhulpverlening of bij deurwaarders. Haar pleidooi voor meer engagement herhaalde ze in een toespraak in december tijdens de opening van de International Human Rights Education Conference in de Nieuwe Kerk in Middelburg. Ze zei toen: ‘ zullen op niet alleen moeten opdoen, maar ook moeten leren over zichzelf, in relatie tot de om hen heen.’

Onderwijs moet appèl op idealisme en engagement doen

‘Bildung’, betrokkenheid en burgerschap’, is het antwoord van de PvdA-bewindsvrouw op de veelgehoorde kritiek dat het hoger onderwijs te zeer op de is gericht. De impliciete boodschap die van het huidige marktgerichte onderwijs uitgaat, is dat de calculerende student alles uit het onderwijs moet halen om zijn positie op de arbeidsmarkt later zo sterk mogelijk te maken. Wat het onderwijs dan echter niet of nauwelijks doet, is appelleren aan iemands idealisme en engagement. Het dikke ik staat voorop, verantwoordelijkheid nemen voor de ander en de samenleving, als het al wordt gedaan, volgt ver in de achterhoede.

De minister verbond in het televisieprogramma drie woorden aan elkaar: Bildung, betrokkenheid en burgerschap. Bildung is een moeilijk vertaalbaar Duits woord waarin met name de culturele waarden centraal staan. In zijn oorspronkelijke betekenis verwijst Bildung naar een klassiek-culturele oriëntatie in het onderwijs met een nadruk op de grote werken van de westerse beschaving. Het wordt evenwel ook gebruikt om een specifieke invulling van de persoonsvorming aan te duiden, een vorming die sterk op het individu is gericht.

Bildung en efficiëncydenken

Bildung wordt – en niet alleen door minister Bussemaker – naar voren geschoven als hèt antwoord op de eenzijdige oriëntatie van onderwijs op arbeid en efficiency-denken. Maar over beide invullingen van het begrip, het centraal stellen van culturele waarden en de sterk op het individu gerichte vorming, kun je zeggen dat ze meestal niet primair maatschappelijk betrokkenheid voortbrengen of dat ze het onderwijs in sterke mate met de samenleving verbinden.

In die zin is de relatie die Bussemaker legt tussen Bildung, betrokkenheid en burgerschap interessant. Zij spreekt zich niet zozeer uit voor een abstracte’, culturele en persoonsgerichte benadering, maar voor een benadering die de student daadwerkelijk verbindt met de samenleving. Een benadering waarin hij wordt uitgedaagd om na te denken over zijn maatschappelijke rol, nu en later. De sociale verantwoordelijkheid blijft in dit perspectief niet beperkt tot het persoonlijke, individuele succes van de student, maar gaat ook, of misschien wel vooral, over zijn maatschappelijke bijdrage.
Bussemakers interpretatie van Bildung kan leiden tot een verbreding van het efficiency-denken. Efficiency komt dan in het licht te staan van de vraag naar de bijdrage die studie en student leveren aan de totstandkoming van een duurzame, rechtvaardige en democratische samenleving.

In een televisieprogramma op de zondagmorgen heeft Jet Bussemaker in een min of meer toevallige bijzin dus een nieuw inhoudelijk perspectief op het hoger onderwijs geschetst. Een visie die veelbelovend is, maar nog wel uitwerking verdient. Wat bijvoorbeeld is de rol die universiteiten en hogescholen hebben in de ontwikkeling van een samenleving die meer omvat dan arbeidsmarkt en kenniseconomie alleen. Een samenleving waar burgers zich in solidariteit en betrokkenheid tot elkaar verhouden en oog hebben voor elkaars soms verschillende culturele en religieuze waarden.

Een breder perspectief op haar maatschappelijke functie behoort deel uit te maken van elk debat over de toekomst van het hoger onderwijs. Daarbij moet het in de eerste plaats gaan over de inhoud van het onderwijs en waar het studenten voor opleidt, ofwel wat voor type intellectueel willen we eigenlijk? Iemand die louter geïnteresseerd in zijn eigen persoonlijke ontwikkeling of gewin, of iemand die ook maatschappelijk betrokken is?

Wiel Veugelers is hoogleraar Educatie aan de Universiteit voor Humanistiek. Een eerdere versie van dit artikel verscheen opwww.didactief.nl.

Afbeeldingsbron: Vrede van Utrecht (Flickr Creative Commons)

februari 23, 2016Permalink

Eldar Shafir: ‘Haal de ruis uit het hoofd van armen’

Foto: Adrie Mouthaan
zijn voortdurend druk met en nemen daardoor domme beslissingen, stelt psycholoog Eldar Shafir. De overheid kan ze beter helpen dan ze daarvoor straffen. ‘Neem hen uit handen.’

 ‘Haal de ruis uit het hoofd van armen’

Zijn grootste angst was dat iemand over hem zou zeggen: ‘Wat een idioot. Hij stelt dat de armen dom zijn.’ Maar tot nu toe begrijpt iedereen zijn boodschap dondersgoed, zegt de vooraanstaande psycholoog Eldar Shafir (56) van de Amerikaanse universiteit van Princeton. Het is nu ruim een jaar geleden dat de van oorsprong Israëliër samen met Harvard-econoom Sendhil Mullainathan het baanbrekende onderzoek over de gevolgen van op ons denkvermogen lanceerde. Gebrek aan geld of tijd heeft een aantoonbaar negatieve invloed op ons IQ, luidde hun opzienbarende conclusie. Met talloze verwijzingen naar experimenten van henzelf en van andere onderzoekers lieten ze in hun boek Schaarste zien hoe willekeurige mensen, geplaatst in een situatie van , ‘domme’ beslissingen nemen. Het werd een bestseller en is inmiddels in zo’n vijftien talen beschikbaar, inclusief Chinees en Koreaans. Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman noemde het boek ‘de mooiste combinatie van hart en hoofd die ik heb gezien in ons veld’.

Sinds de publicatie reist Shafir de hele wereld over om zijn bevindingen over te brengen aan politieke leiders en instanties die zich bezighouden met armoedebeleid. De Amerikaanse president Obama benoemde hem in een commissie die adviseert hoe het volk ‘financieel capabeler’ gemaakt kan worden. Nu is hij in Nederland voor een presentatie op de International Convention of Psychological Science. Het is de eerste keer dat het congres in Europa wordt georganiseerd. Voor de onderzoeker is het een uitgelezen kans om zijn denkbeelden via collega- te verspreiden.

Helemaal vergeten

Ietwat aan de late kant arriveert Shafir in de lobby van het vijfsterrenhotel The Grand Amsterdam. Er zat te weinig speling tussen zijn afspraken, verontschuldigt hij zich met een charmante glimlach. Bovendien had het vliegtuig twee uur vertraging vanwege een kapot gootsteentje in een van de toiletten. ‘En het wachten was voor niets, tijdens de vlucht was het nog steeds stuk.’

Na aankomst haastte hij zich van afspraak naar afspraak. Net wilde hij heel even op adem komen op zijn hotelkamer, maar een kort telefoontje deed hem de schrik om het hart slaan: hij werd herinnerd aan zijn belofte dat hij gisteren een oordeel over een onderzoeksvoorstel zou mailen. ‘Ik was het helemaal vergeten,’ verzucht Shafir. ‘Misschien denken ze op de universiteit dat ik er geen zin in had, maar dat is absoluut niet waar. Ik voel me er verschrikkelijk over.’

Welkom in de wereld van de schaarste. Wie wel eens te veel hooi op zijn vork neemt en te krappe deadlines afspreekt, zal zich in dit verhaal herkennen. Je kunt alleen nog maar denken aan je meest dringende opdracht en hebt geen ruimte meer in je hoofd voor andere belangrijke toezeggingen. Vervolgens vergeet je één afspraak of gaat er iets anders mis in je planning. Vanaf dat moment stapelen de problemen zich op. Ook voor Shafir is het een bekende valkuil. ‘Ik neem me steeds voor tussen alle afspraken een half uur speelruimte in te bouwen. Maar helaas is dat een kunst waarin ik niet goed ben.’

Uit al onze onderzoeksdata blijkt: als je mensen die zich goed gedragen in een situatie van armoede plaatst, gaan ze zich verkeerd gedragen.

Terwijl juist hij zich als geen ander in het onderwerp schaarste en de psychische gevolgen ervan heeft verdiept. Zijn onderzoek in een notendop: of het nou gaat om gebrek aan tijd, geld of zelfs calorieën, schaarste maakt onze blik troebel en neemt volledig bezit van onze denkkracht. Met andere woorden: het verkleint de zogeheten bandbreedte die we nodig hebben om goed te functioneren. Dát is waarom drukbezette mensen vaak achter zichzelf aanhollen, waarom diëten meestal mislukken én waarom arme mensen veelal arm blijven.

In één belangrijk opzicht wijkt de laatste groep van de andere af: van armoede kun je geen vrij nemen. Het denkvermogen van de minderbedeelden wordt continu in beslag genomen door hun onvervulde behoeften, stelt Shafir. En dát is de reden waarom ze minder aandacht hebben voor de opvoeding van hun kinderen, ze slechter letten op hun gezondheid en ze vaak minder goed zoeken naar een baan. Politieke leiders moeten dat veel meer gaan beseffen, vindt de onderzoeker. Het sociaal beleid van veel overheden staat bol van strafmaatregelen en deadlines, maar die werken alleen maar averechts. ‘Je kunt mensen opleiden, pushen en straffen wat je wilt, maar je kunt ze niet veranderen. Alleen door iets te wijzigen in hun context, kun je ze helpen.’

'De armen worden volledig opgeslokt door hun geldproblemen.' Foto: Adrie Mouthaan‘De armen worden volledig opgeslokt door hun geldproblemen.’ Foto: Adrie Mouthaan

Dat klinkt mooi, maar ook een beetje vaag. Welk advies geeft u de politieke leiders die u bezoekt?
‘Ze vragen ons vaak wat ze precies moeten doen, maar die vraag kunnen we niet beantwoorden. Het zwakste onderdeel van ons boek, zou je kunnen zeggen, is dat onze aanbevelingen nogal algemeen zijn. Maar daar hebben we heel goede redenen voor. Wat je moet doen, hangt namelijk af van de situatie. En die kan heel verschillend zijn. Er kunnen allerlei nuances meespelen bij de redenen waarom mensen geen baan zoeken. Is het gebrek aan slaap, aan vervoer, aan kinderopvang, of zelfs aan vertrouwen? Dát is waar politici achter moeten komen, door onderzoek en vooral door veel te vragen. Pas als je weet wat er scheelt, kun je een plan maken.’

Maar sociaal beleid is algemeen en kan niet per individu worden vastgesteld.
‘Nee, het gaat ook niet om individuen, maar om de context van een grote groep personen. En die wordt vaak verkeerd begrepen. Een voorbeeld: op de eerste hulp van een ziekenhuis in het Canadese Ontario meldden zich een winter lang iedere dag opnieuw een heleboel daklozen zonder levensbedreigende klachten. De artsen gingen ervan uit dat ze de warmte opzochten en een gratis kopje thee wilden. Ze probeerden ze vriendelijk maar streng weg te sturen, maar de daklozen bleven maar terugkomen. Uiteindelijk is bij een test de groep in tweeën gesplitst, waarbij de ene helft de standaardbehandeling en de andere helft een barmhartige behandeling kreeg. Iemand ging bij ze zitten, was zorgzaam en voerde een uitgebreid gesprek om te horen wat er aan de hand was. En wat dacht je? Zíj kwamen niet meer terug. Ze voelden zich serieus genomen: iemand had naar ze geluisterd en ze geprobeerd te helpen. Dáár was het ze om te doen, niet om de warmte en een kopje thee.’

Als iemand niet op tijd op een sollicitatie verschijnt, betekent dat niet dat hij het niet heeft geprobeerd. Zijn leven is gecompliceerd.

In Nederland gaat de regering uit van de eigen kracht en zelfredzaamheid van mensen. Mensen zijn verantwoordelijk voor hun eigen situatie, is de heilige overtuiging. Wie in de bijstand zit, wordt met ‘prikkels’ zoals verplicht vrijwilligerswerk en strengere sollicitatie-eisen aangespoord te gaan werken. Wat vindt u daarvan?
‘Ik ben niet zo naïef om te denken dat niemand probeert te profiteren van de overheid. Natuurlijk zijn er mensen die dat doen en die moet je ook aanpakken. Maar ik ben ervan overtuigd dat het grootste deel van de werklozen wél wil werken. Bij veel politici slaat de balans door naar de andere kant: zij hebben de neiging te denken dat de meeste werklozen lui zijn, dat ze onverschillig zijn, dat ze het niet begrijpen en dat ook niet willen. Ze onderschatten de invloed van de context. Uit al onze onderzoeksdata blijkt: als je mensen die zich goed gedragen in een situatie van armoede plaatst, gaan ze zich verkeerd gedragen. En als je ze daaruit haalt, gaan ze zich beter gedragen. We are all creatures of the context. Het lukt de armen vaak niet om daar zelf uit te komen. Politici hebben daar een grote verantwoordelijkheid in. Een moeilijke opdracht, dat realiseer ik me ook wel. Het is makkelijker om mensen te straffen dan om mensen te helpen.’

De angst heerst dat als je werklozen te veel helpt, ze te afhankelijk worden van sociale voorzieningen.
‘Natuurlijk, dat is een terechte . Het is een dunne lijn. Je moet hun leven niet té comfortabel maken. Het moet wel blijven lonen om te gaan werken.’

De kunst is, zegt Shafir, om werklozen de arbeidsmarkt op te duwen op een ‘slimme en ondersteunende’ manier. ‘Veel werklozen zoeken niet naar een baan, omdat hun gedachten worden overheerst door andere zorgen. Als iemand niet op tijd op een sollicitatie verschijnt, betekent dat niet dat hij het niet heeft geprobeerd. Zijn leven is gecompliceerd en met straffen maak je het alleen nog maar gecompliceerder. Je kunt hem beter herinneren aan zijn sollicitatie, helpen met het invullen van formulieren, afspraken voor hem maken, kinderopvang regelen. Neem hem zorgen uit handen, zodat hij minder ruis in zijn hoofd heeft.’

Die aanpak kan leiden tot verbluffende resultaten, zo blijkt uit een Amerikaans onderzoek naar studiebeurzen voor kansarme jongeren. Als ze beneden een bepaalde inkomensgrens zitten, kunnen ze aanspraak maken op vier jaar lang een bedrag van maar liefst vierduizend dollar. Slechts één op de drie jongeren die in aanmerking komen, vraagt de beurs daadwerkelijk aan. Ook de groep die uitleg krijgt en met een formulier naar huis wordt gestuurd, laat de kans veelal schieten. Pas wanneer iemand samen met ze het formulier invult, stijgt het percentage deelnemers aanzienlijk. Het is ‘waanzinnig’ om te zien hoe mensen hun recht op de enorme beurs aan hun neus voorbij laten gaan, vindt Shafir. Het biedt ze uiteindelijk zelfs een kans op een levenslang goed inkomen. Maar, benadrukt de wetenschapper: ‘Pas op met de conclusie dat de beurs ze onverschillig zou laten. Als je ze helpt, blijkt dat ze dolgraag willen studeren. Ze zijn alleen zo afgeleid of in beslag genomen door al hun hersenspinsels dat ze er gewoonweg niet aan denken dat formulier in te vullen.’ Kortom, met deze ‘supergoedkope’ interventie bereik je heel veel.

Overheden zouden veel meer onderzoek moeten doen naar het gedrag van mensen: waarom wijken onze acties af van onze intenties?

Je zou het kunnen vergelijken, vervolgt de hoogleraar, met ons eigen donorregistratiesysteem. Een aantal jaar geleden verscheen in het tijdschrift Science een tabel met percentages van mensen die na hun organen afstaan, verspreid over verschillende Europese landen. Shafir: ‘Zes landen hadden een gemiddeld percentage van vierennegentig procent en vijf landen van slechts veertien procent. Oostenrijk en België stonden helemaal aan de ene kant, Duitsland en Nederland aan de andere kant. Weet je waarom?’ Met een triomfantelijke blik: ‘Omdat júllie zelf een formulier moeten invullen. In België geldt het “ja, tenzij”-systeem. Daar hoef je alleen in actie te komen als je het níet wilt. Met één druk op de knop kan een regering het donorprobleem oplossen. Voordat dit bestond, had niemand bedacht dat het zoveel zou uitmaken.’ Wat hij hiermee vooral wil zeggen: ‘Overheden zouden veel meer onderzoek moeten doen naar het gedrag van mensen: waarom wijken onze acties af van onze intenties, wat houdt ons tegen? Vervolgens moeten ze met pilots het juiste beleid vaststellen.’

In Amsterdam heeft de gemeente dat advies goed in haar oren geknoopt. Tijdens zijn laatste bezoek in Nederland eind 2013 trokken een paar ambtenaren Shafir bij een debat aan zijn jasje en maakten een afspraak met hem. Geïnspireerd door zijn verhaal rolde de gemeente kort daarna een pilot uit bij burgers met een bijstandsuitkering: samen met zorgverzekeraar Agis maakten ze een selectie van tweeduizend wanbetalers van de zorgpremie. Ze haalden het hijgende incassobureau uit hun nek en hielden voortaan de zorgpremie direct in van de bijstand. Zo hoefden de armlastigen niet meer te stressen over boetes en dreigbrieven, was het idee. Een evaluatie is er nog niet geweest, maar ‘alle betrokkenen zijn tevreden over de proef’, laat een woordvoerder weten. ‘Voor veel mensen is het een zorg minder en ze krijgen hierdoor weer overzicht op hun situatie.’ Kort geleden is de gemeente een vergelijkbare test begonnen met mensen met een grote huurachterstand bij woningbouwvereniging Rochdale. ‘Heel goed,’ roept Shafir als hij hoort van de initiatieven. ‘Dat klinkt heel slim. Het is ook nog te vroeg om te evalueren, zoiets heeft tijd nodig.

Uit uw onderzoek blijkt dat armen de waarde van geld vaak beter inschatten dan rijken en dat hun aankoopbeslissingen rationeler zijn. Daarmee lijken ze juist slimmer te zijn dan rijke mensen.
‘Ze maken inderdaad minder snel fouten in hun berekeningen. Als je aan mensen vraagt of ze een half uur om willen rijden voor een korting van twintig euro op een totaalbedrag van honderd euro, zegt bijna iedereen ja. Maar als je hetzelfde bedrag kan uitsparen op een aankoop van duizend euro, is bijna niemand bereid om te rijden. Economen zeggen: dat is raar, want het uitgespaarde bedrag is precies even hoog. Arme mensen zijn eigenlijk goede economen, zij rijden wél in beide situaties een blokje om. Het verschil zit erin dat de rijken zich niet zo in verdiepen in deze materie, het maakt ze simpelweg niet uit. Zij kunnen zich die houding ook permitteren. De armen worden volledig opgeslokt door hun geldproblemen. Al het andere valt buiten hun vizier.’

Verlamd

Bij hun focus op de korte termijn, vervolgt de wetenschapper, nemen de armen wel grote risico’s. Zo sluiten ze bijvoorbeeld snelle leningen met torenhoge rentes. Uiteindelijk raken ze daarmee steeds dieper in de schulden. Vooral in Amerika is dat een immens probleem, zegt hij. ‘Er zijn daar meer aanbieders van flitskredieten dan vestigingen van Starbucks en Walmart bij elkaar. Het is een complete jungle. Met hun extreem hoge rentes verwoesten ze de levens van heel veel mensen.’

De wereldwijde financiële crisis is begonnen in 2007 bij arme Amerikanen met veel te hoge hypotheeklasten. Toen de huizenprijzen kelderden, konden zij hun schulden niet meer betalen en raakten de banken in grote problemen. Had u met uw inzicht de crisis kunnen voorspellen?
‘Niet alleen de armen namen waanzinnige beslissingen, maar ook de bankiers. Zij waren degenen die de hypotheken afsloten. En de regering maakte dat mogelijk. Niemand had verwacht dat bankiers dingen zouden doen die hun eigen bank omver zouden halen. Daarvoor heeft ook onze theorie geen verklaring.’

Maar wat de crisis en de enorme ons wel hebben geleerd, is dat de financiële instellingen veel beter gereguleerd moeten worden. En dat gebeurt in de VS veel te weinig, vindt Shafir. ‘In Amerika is een groot verschil tussen wetenschap en beleid. En de banken zijn extreem machtig en nog steeds overmoedig. Er kan zo een nieuwe crisis ontstaan.’

U zat de afgelopen jaren in een commissie die president Obama adviseerde hoe mensen financieel capabeler kunnen worden. Wat vond hij van uw bevindingen?
Met een zucht: ‘Volgens mij vond hij ze persoonlijk heel interessant, maar hij kan er nu helemaal niets mee. In een van de bijeenkomsten zei een van zijn assistenten letterlijk: “Kom alsjeblieft niet met een advies dat door het Congres moet, want daar krijgen we toch niets voor elkaar.” De regering is verlamd. De Republikeinse Partij is meer geïnteresseerd in het verwoesten van Obama dan in het helpen van Amerika.’

Het zou heel goed kunnen dat bepaalde landen een lager IQ hebben dan voorheen.

Zijn hoop is niet gevestigd op Obama, maar op anderen dichtbij de regering. ‘Er is een kleine beweging gaande. Zo sprak ik laatst met Elisabeth Warren, senator van Massachusetts. Zij is de uitvinder van het Consumer Financial Protection Bureau dat mensen ondersteunt bij de aankoop van financiële producten. Dat bureau krijgt steeds meer macht. Ik hoop dat onze adviezen met de tijd meer impact krijgen.’

Door de crisis is de armoede en werkloosheid wereldwijd gestegen. Zijn we met zijn allen nu minder intelligent?
‘Die conclusie zou je kunnen trekken. Het zou heel goed kunnen dat bepaalde landen een lager IQ hebben dan voorheen.’

En wat betekent dat voor zo’n land?
‘Die vraag is ingewikkeld. Het hangt af van de mate waarin het land afhankelijk is van de politieke leiders en in welke mate van het volk zelf. Maar het betekent waarschijnlijk dat kinderen zich slechter kunnen concentreren op school, dat ze minder worden geholpen met hun huiswerk, dat vrouwen minder aandacht hebben voor hun mannen en mannen minder aandacht voor hun vrouwen en dat ze steeds slechter gaan functioneren op hun werk. Ook politieke leiders kunnen in een tunnelvisie belanden. Als ze worstelen met geld gaat dat ten koste van onderwijs en cultuur. Met als gevolg dat je na tien jaar een bevolking hebt die minder gecultiveerd en geschoold is. It comes back to haunt you.’

'Het negatieve stigma van daklozen knaagt aan hun zelfvertrouwen.' Foto: Michael Stravato/HH
‘Het negatieve stigma van daklozen knaagt aan hun .’ Foto: Michael Stravato/HH

Voor zijn meest recente werk is Shafir een zijpad van het onderwerp schaarste ingeslagen. Hij onderzocht wat voor impact een blijk van waardering heeft op het zelfvertrouwen van daklozen. ‘Om daklozen hangt een groot stigma: ze zouden lui, dom, onbetrouwbaar en vies zijn. Ze weten zelf ook dat dat stigma om ze heen hangt. En die wetenschap knaagt aan hun zelfvertrouwen. Een soort selffulfilling prophecy zou je kunnen zeggen. Wij noemen dit fenomeen stereotype threat. In een soepkeuken deden we een studie naar twee groepen daklozen. We lieten ze vertellen over een situatie waar ze trots op waren en daarna legden we formulieren met sociale bijstand waarvoor ze in aanmerking konden komen naast ze neer. De ene groep kreeg waardering voor het verhaal dat ze vertelden, de andere niet. Het bleek dat de daklozen met waardering drie keer zo vaak het formulier meenamen als de daklozen die geen bevestiging kregen. Ook scoorde de eerste groep hoger op de IQ-testen.’ Eigenlijk is het net als bij het onderzoek naar schaarste, zegt Shafir: het negatieve zelfbeeld neemt je gedachten zo in beslag dat er geen ruimte is voor andere dingen. Als dat weg is, ga je beter functioneren.’

Dus als een ambtenaar aan het loket simpelweg tegen een werkloze zegt dat hij slim is, helpt dat die persoon al bij het zoeken naar een baan?
‘Daar raak je een gevoelige snaar. Het lijkt wel uit te maken wie het compliment geeft, of het iemand van de gemeente is of je moeder. Wij zijn zulke vreemde wezens dat dezelfde boodschap, afhankelijk wie hem brengt, heel anders kan overkomen. Misschien heeft een arm persoon wel heel weinig vertrouwen in een ambtenaar. Ook hier zouden ze in Amsterdam een proef mee kunnen doen.’

februari 14, 2016Permalink

Hoe Annemiek (en al die anderen) vluchtelingen helpt

hun leven weer op de rails te krijgen

Met gestrekt been gaat ze de confrontatie aan met onwillige instanties. die niet meewerken, leest ze ongezouten de les. Portret van Annemiek van der Meer, een onorthodoxe vrijwilliger van VluchtelingenWerk.

CorrespondentWereldverbeteraars

Annemiek. Foto: Florian Braakman (voor De Correspondent)

Annemiek. Foto: Florian Braakman (voor De Correspondent)

Annemiek, op huisbezoek: ‘Die ramen mogen ook weleens worden gezeemd.’Annemiek, aan de telefoon met de : ‘Tuurlijk mag u uitpraten. Als u maar iets zinnigs zegt. Mijn cliënt krijgt een aanslag van 1.800 euro voor te veel betaalde huurtoeslag in 2016. Ze heeft dit jaar niet eens huurtoeslag gehad.’Annemiek, over een cliënt: ‘Ik zeg: kom morgenochtend om tien uur langs voor die aanvraag van de kinderbijslag. Kómt hij niet. Bij die familie gaat altijd alles mis.’Ze is direct, hartelijk, meelevend en beleefd. Maar bovenal direct. ‘Ben je zachtaardig en afwachtend, stoot je onvermijdelijk je kop bij instanties. Ben je soft of meegaand, leren je cliënten nooit hoe ze zich in de Nederlandse maatschappij moeten gedragen en op eigen benen moeten staan.’Vijf jaar werkte Annemiek van der Meer (66) als vrijwilliger VluchtelingenWerk Klik hier voor de website van VluchtelingenWerk Nederland.Zuidvleugel in Dordrecht. Ze is een van bijna 10.000 vrijwilligers. Begeleiding van vluchtelingen bij hun eerste voorzichtige schreden in de Nederlandse samenleving is voor het overgrote deel vrijwilligerswerk. De organisatie heeft vijftien vrijwilligers op elke betaalde kracht.Het is het slag mensen waarover Rutger Bregman schreef Lees hier dat verhaal van Rutger Bregman terug.in zijn verhaal ‘Wie goed doet…komt nooit in het journaal (en dat is een groot probleem).’ Het zijn de stille doeners die onze samenleving draaiende houden. Bijna de helft van alle Nederlandse volwassenen doet vrijwilligerswerk. Vier miljoen Nederlanders leveren mantelzorg. Sommigen doen allebei, zoals Annemiek.

Hoe Annemiek helpt

Driftig tikt ze op haar mobieltje. Een krans van rode krullen boven roodgestifte lippen met daaronder een rode, gewatteerde jas. Aan haar gelaarsde voeten vier goedgevulde plastic zakken. Ze zit in het busstation te wachten op een Syrische familie: man en vrouw, vier dochters. Vader is kok, moeder huisvrouw en ongeschoold. Ze spreken alleen Arabisch.

Ze heeft ze gistermiddag nog omstandig verteld hoe ze naar het busstation moeten komen, welke bus ze moeten nemen en hoe laat. Voor hetzelfde geld zijn ze al in de binnenstad uitgestapt. Ze beukt nog eens op haar mobieltje. Hij neemt zijn telefoon niet op.

Daar zijn ze dan toch. Met de volgende bus. Nu moeten ze zich haasten, vlug overstappen, om hun afspraak nog te halen. Annemiek heeft geregeld dat de twee oudste dochters, veertien en twaalf jaar, zich vanmiddag kunnen laten inschrijven voor de Internationale Schakel Klas van het Stedelijk Dalton College, waar ze eerst Nederlands leren. Het is een opstap naar het reguliere onderwijs.

‘Niet goed,’ zegt Annemiek, als ze met haar hand over het doorweekte wollen vest van de oudste dochter strijkt. Het meisje rilt. ‘Eigen schuld,’ zegt Annemiek

Annemiek zegt bij welke bushalte ze eruit moeten. Annemiek weet de kortste weg naar school. Met gebogen hoofden lopen ze door de stromende regen. ‘Niet goed,’ zegt Annemiek, als ze met haar hand over het doorweekte wollen vest van de oudste dochter strijkt. Het meisje rilt. ‘Eigen schuld,’ zegt Annemiek. Had ze maar een winterjas moeten aantrekken, net als de rest van de familie. Annemiek is vorige week nog met ze naar de Kledingbank geweest, waar ze gratis kleren hebben uitgezocht.

Bij de inschrijving op school beperkt Annemiek zich tot de aanvoer van documenten die ze opdiept uit de dikke dossiermap in een van de plastic zakken. De tolk, ook een vrijwilliger bij VluchtelingenWerk, voert het woord. Alleen als het lesrooster ter sprake komt, hamert Annemiek er bij de ouders op dat ze hun dochters genoeg eten en drinken moeten meegeven. ‘Twee boterhammen of een appel is niet genoeg.’

Ze weet ook wel dat ze van hun uitkering moeten leven. Ze krijgen al maanden geen - en huurtoeslag door ‘een foutje van de Belastingdienst.’ Vorige week stond er nog 7,24 euro op hun rekening. Heeft ze hem bij de supermarkt een hele boodschappenkar laten volgooien. Hadden ze weer een week te eten.

Hoe moeten ze ooit de dagelijkse bus naar school voor de twee oudste meiden betalen? Bij de Stichting Leergeld heeft Annemiek al wel een vergoeding voor tweedehands fietsen aangevraagd. Maar dat duurt maanden. Voor de tussentijd heeft ze leenfietsen geritseld.

In een van de plastic tassen zitten alvast kleurige sloten die ze bij de Action heeft gekocht. In een andere zak zit toiletgerei, lekkere geurtjes, die ze heeft gered uit de kast van een overleden vriendin. Een derde zak puilt uit van de etenswaar. ‘Neem allemaal maar mee,’ zegt Annemiek als ze de familie op het busstation in de goede bus naar huis loodst.

Wat het werk van Annemiek inhoudt

Vrijwilligers bij VluchtelingenWerk zijn dienstverleners, geen hulpverleners. Ze steunen de vluchtelingen in praktische kwesties. Ze wijzen hun de weg in de jungle van Nederlandse regelgeving.

Die dienstverlening gaat ver bij Annemiek. Ze regelt kinderopvang voor ouders die drie keer in de week naar Nederlandse les gaan. Ze organiseert een scootmobiel voor een zwaarlijvige hartpatiënte. Ze maakt een afspraak met de oogkliniek voor een halfblinde zoon. Drie dagen in de week is ze er zeker mee kwijt.

‘Sommige dienstverleners doen alleen wat ze moeten doen. Niks extra’s,’ zegt Annemiek. ‘Ik ben zo’n eikel die dossiers mee naar huis neemt om ‘s avonds de administratie te doen.’ Ze heeft de van sommige cliënten. Dat strookt niet met de richtlijnen van VluchtelingenWerk, het is wel efficiënt.

Soms, zegt haar regiomanager, gaat Annemieks dienstverlening te ver. Zoals die keer dat ze een rek met gratis tweedehands kleding tegenover de receptie had geplaatst. ‘Er waren heel veel mensen blij mee,’ zegt Annemiek. Die kleding moest weg uit de ontvangsthal. Volgens de leiding ‘rook het niet zo lekker.’ En: ‘We zijn geen uitdragerij.’

Als compromis kreeg Annemiek achterin het pand een gang toegewezen waar ze haar tweedehands spullen kon stallen. In de schuur op de binnenplaats heeft ze ook nog een voorraad knuffels.

Foto: Florian Braakman (voor De Correspondent)
Foto: Florian Braakman (voor De Correspondent)

Waarom Annemiek dit doet

Toen ze zich vijf jaar geleden meldde bij VluchtelingenWerk, was dat niet voor de sociale contacten. Die heeft ze in overvloed. Ze had 38 jaar als secretaresse voor een gerenommeerd advocaten- en notarissenkantoor gewerkt. Ze was 61, ze bruiste van de energie. Op buitenlandse reizen was ze altijd overal met open armen ontvangen. Zo’n ontvangst gunde ze vluchtelingen ook in Nederland.

Vrijwilligerswerk had ze altijd al gedaan. Haar ouders hadden haar met de paplepel ingegoten dat ze niet voor zichzelf op aarde was. Als kind moest ze elke zaterdag boodschappen doen voor oma. Vijf jaar begeleidde ze vaarvakanties van De Zonnebloem: van Arnhem tot Koblenz. ‘Van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat heel hard werken.’ Vijftien jaar lang hielp ze elke woensdagochtend in een verpleeghuis. ‘Mensen assisteren bij het eten, mensen op het toilet zetten.’ Tot ze zich niet meer kon verenigen met de ‘mensonwaardige’ manier waarop de gehandicapten werden behandeld. ‘Patiënten vervuilden. Ik kom er niet meer.’

‘De houding van de gemiddelde Nederlanders tegenover vluchtelingen is inmiddels verhard. Terwijl 99 van de 100 Nederlanders nooit met ze te maken krijgen’

In het jaar dat ze begon bij VluchtelingenWerk, 2011, gingen asielzoekerscentra dicht. De vluchtelingenstroom liep terug. Het waren andere tijden. ‘Laat ze maar komen, vond de gemiddelde Nederlander.’ Zo herinnert Annemiek zich die tijd. Het begeleiden van vluchtelingen was overzichtelijk. Ze kende bijna iedereen persoonlijk. Met sommigen kreeg ze een band.

In vergelijking met haar begintijd is het aantal cliënten, zo heten vluchtelingen bij VluchtelingenWerk, zeker vervierdubbeld, vertelt Annemiek. ‘En de houding van de gemiddelde Nederlanders tegenover vluchtelingen is inmiddels verhard. Terwijl 99 van de 100 Nederlanders nooit met ze te maken krijgen. Steeds meer Nederlanders voelen zich bedreigd.’

Tegenwoordig moet ze zich verdedigen als ze vertelt dat ze voor VluchtelingenWerk werkt. Dat ze zulke uitvreters helpt. Die lui krijgen zomaar een huis, en ook nog eens huurtoeslag. ‘Wil jij ruilen met een getraumatiseerd gezin met vier kinderen dat moet rondkomen van 1.200 euro per maand?’ luidt meestal haar verweer.

De strijd van Annemiek

Ze ziet die verharding ook terug in een stuggere opstelling van instanties. ‘Die zijn niet blij met mij. Omdat ik zeg waar het op staat.’ Een uitzondering maakt ze voor de gemeente Dordrecht. ‘Daar worden vluchtelingen altijd vriendelijk en correct ontvangen. Bij de Sociale Dienst is dat wel anders. Medewerkers stellen vluchtelingen niet op hun gemak. Ze weigeren Engels te spreken. Ze praten op een toon alsof de vluchteling blij mag zijn dat ze hem ontvangen en dat hij geld krijgt. Een asielzoeker krijgt de indruk dat hij eigenlijk niet welkom is.’

Nog een graadje erger vindt ze de Belastingdienst. ‘Ten eerste: omdat ze zoveel fouten maken. Ze leggen onterechte aanslagen op. Ten tweede: omdat je per telefoontje drie ambtenaren aan de lijn krijgt die altijd beloven terug te bellen. Wat nooit gebeurt. En ten derde: omdat ze geen enkele moeite doen om vluchtelingen uit te leggen hoe het zit. Vluchtelingen begrijpen er niks van. Ik moet zelf ook goed opletten, ze gaan graag over op jargon.’

Als absolute dieptepunt wat betreft dienstverlening noemt ze een plaatselijke woningcorporatie. ‘Ze wijzen vaak heel slecht onderhouden woningen toe. Ze weten dat onze cliënten toch niet kunnen weigeren. Ze vragen er wel de hoofdprijs voor. En dan behandelen ze vluchtelingen ook nog eens als stront.’ Ongepast gedrag laat Annemiek niet over haar kant gaan. ‘Het zijn mensen zoals jij,’ zegt ze dan. ‘Geen tweederangsburgers. Ze hebben alleen wat minder geluk dan jij. Ze komen uit een oorlogsland.’

Het mooiste wat Annemiek overkwam

Heeft de vluchtelingenstroom én de nog veel grotere stroom berichten daarover haar houding tegenover vluchtelingen veranderd? ‘Nee, en nog eens nee. Ik vind dat ze geholpen moeten worden. Eenmaal in het bezit van een verblijfsvergunning moeten ze een plaats in dit land kunnen vinden. Of ze dat lukt, is ook voor Nederland van belang.’

Natuurlijk treft ze vluchtelingen die ze ‘minder prettig’ vindt. Ze heeft ook cliënten de deur gewezen. ‘Mensen die je uitzuigen. Dan hadden ze weer geen eten. Dan hadden ze weer geen geld. Manipulators. Een bodemloze put.’

Haar ervaring: alleenstaande jonge mannen zijn het makkelijkst te corrigeren. Komen ze te laat op een afspraak, dan sta je ze niet eens te woord en maak je meteen een nieuwe afspraak. Zo leren ze hoe het in Nederland werkt. ‘Je moet ze behandelen als kleine kinderen: streng en strikt.’

Aardig of niet, dat doet er niet toe, ze helpt iedereen. Voor mensen die meewerken, loopt ze wel wat harder. Zoals voor die 55-jarige vrouw uit Eritrea. Een heel lief mens. Die woont al zo lang in Dordrecht, die mag officieel geen beroep meer doen op VluchtelingenWerk. Moet ze die vrouw soms naar het sociale wijkteam sturen met haar complexe belastingprobleem?

Gisterochtend, telefoontje: een huilende vrouw aan de lijn. Hyperventilerend, onverstaanbaar. Bleek het die Eritrese vrouw te zijn. Familie had gebeld dat haar 35-jarige zoon was gedeserteerd uit het Eritrese leger. Hij zou hebben gezegd dat hij naar Nederland ging. Zij maakte zich grote zorgen. Waar was haar zoon? Leefde hij nog?

Diezelfde ochtend belde Annemiek naar het hoofdkantoor van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers. Een allervriendelijkste meneer toonde zich bereid om in het databestand te zoeken naar de verloren zoon. Bleek een man met diens naam juist te zijn overgebracht naar de noodopvang in Loon op Zand. Annemiek belde: ja, die meneer kenden ze wel. Diezelfde avond belde hij zijn moeder op.

Annemiek vindt dit het mooiste wat haar in de vijf jaar bij Vluchtelingenwerk is overkomen: het verhaal van de verloren zoon. Het zal haar reputatie binnen de Eritrese gemeenschap in Dordrecht nog vergroten. Daar wordt ze al ‘de engel’ genoemd.

Officieel is ‘de engel’ per 1 januari als vrijwilliger bij VluchtelingenWerk gestopt. De eerste weken in januari verscheen ze nog bijna dagelijks op kantoor. Voorlopig begeleidt ze nog enkele gezinnen. Ook sommige van haar oude klanten kunnen altijd bij haar terecht. Desnoods ontvangt ze hen in de bibliotheek.

Annemiek heeft nu tijd voor zichzelf. Dat is relatief. Hoofdreden dat ze bij VluchtelingenWerk ophield, is dat ze meer tijd wilde doorbrengen met haar 89-jarige moeder die nauwelijks nog kan lopen. Elke dag gaat ze op bezoek, behalve op zondag.

Ze is ook nog lid van Damicitia, een ‘prententieloze borrelclub voor vrouwen.’ En van carnavalsvereniging De Merwekrabbers. Vanmiddag loopt ze in Ooi en Ramsgat, de carnavalsnaam voor Dordrecht, weer in de optocht mee. Verder zingt ze in een koor, waarvoor ze ook de pr doet. En ze heeft zich opgegeven bij het Epilepsiefonds. Deze zomer begeleidt ze patiënten naar diverse Europese bestemmingen. Voorlopig verveelt ze zich niet.

Foto: Florian Braakman (voor De Correspondent)
Foto: Florian Braakman (voor De Correspondent)

Meer verhalen?

februari 7, 2016Permalink