Retweet me en ik zal zeggen wie wij zijn

bestaat vandaag tien jaar. Het medium lijkt vooral een vergaarbak van geklets en geklaag. Maar die 140 tekens die we honderden miljoenen keren per dag de wereld insturen, leveren inmiddels bijzondere nieuwe inzichten op. Welkom in de wondere wereld van de netwerktheorie.

Retweet me en ik zal zeggen wie wij zijn

Correspondent Hacken

Avatar Dimitri Tokmetzis
Illustratie: Esther Aarts (voor De Correspondent)

Illustratie: Esther Aarts (voor De Correspondent)

Dit verhaal over de waarde van Twitter begint niet tien jaar geleden, maar bijna driehonderd jaar. In 1736 loste de Zwitserse wiskundige Leonhard Euler een ingewikkelde puzzel op: de puzzel van de zeven bruggen van Koningsbergen.

De Pruisische stad, thans Kaliningrad, ligt in de monding van rivier de Pregel. Tussen de oevers liggen twee eilandjes, die met zeven bruggen aan elkaar en aan de rivieroevers verbonden waren. De puzzel was: kun je alle bruggen bewandelen zonder een brug tweemaal te betreden? Vermoedelijk zijn in de zoektocht naar het antwoord heel wat schoenen en landkaarten versleten.

Maar Euler had genoeg aan een pen, papier en het inzicht dat het probleem eigenlijk wiskundig van aard was.

Hij bracht het namelijk terug tot de kern. Dus weg met de oevers, de eilanden, het water, de keien, de steegjes en de geuren, kleuren en geluiden van Koningsbergen. Vanuit abstract oogpunt bestond de puzzel uit vier locaties (de twee oevers en de twee eilanden) en de zeven verbindingen ertussen. Volgens Euler was het bruggenprobleem te visualiseren als eennetwerk, Deze boeken leggen de netwerktheorie verder uit.ook wel een graaf genoemd. Vrij simpel rekenwerk toonde vervolgens aan dat het wiskundig onmogelijk was alle bruggen eenmaal aan te doen. Om een nieuwe brug te bereiken, moest je altijd een reeds betreden brug over.

Illustratie: Momkai
Illustratie: Momkai

Eulers oplossing zou de wetenschap ruim tweehonderd jaar later op zijn grondvesten doen schudden. Hij had de grafentheorie bedacht.

Het centrale idee van grafentheorie is dat onder haast alle natuurlijke en sociale fenomenen een wiskundige structuur ligt, waarbij objecten (nodes) met elkaar verbonden zijn (viaedges). Die objecten kunnen bijna alles zijn: mensen, neuronen, planeten, computers, wetenschappelijke publicaties, documenten, websites; alles wat op de een of andere manier een relatie met iets anders kan aangaan. Een verzameling nodes en edges vormt een graaf, een netwerk.

Hoe sterk is mijn relatie?

Het grote voordeel van een wiskundige netwerkbeschrijving is dat je er heel gemakkelijk berekeningen op los kunt laten. Je kunt bijvoorbeeld uitrekenen hoe en wanneer een paar gevallen van griep een epidemie zullen vormen. De nodes zijn dan besmette en (nog) gezonde mensen, de edges de relaties tussen hen. Hoe dikker de edge, hoe vaker deze personen elkaar zien. Aan de structuur van het netwerk kun je zien welke nodes en relaties je moet isoleren om een epidemie te voorkomen. Bijvoorbeeld de nodes die twee bijna losstaande sociale groepen met elkaar verbinden:

Illustratie: Momkai
Illustratie: Momkai

Netwerktheorie maakt het mogelijk de kracht en transformatie van relaties te meten. In 1973 publiceerde de Amerikaanse socioloog Mark Granovetter een baanbrekend onderzoek met de titel The Strenght of Weak Ties, Lees hier The Strenght of Weak Ties.de kracht van zwakke relaties. Hij onderzocht hoe mensen hun sociale netwerk gebruikten om aan werk te komen. Zijn bevinding: banen werden meestal gevonden door tips en hulp van vage kennissen en niet via hechte vrienden en familie. Als je al close bent met bepaalde mensen, deel je waarschijnlijk grotendeels dezelfde informatie. En dat is niet nuttig voor het vinden van werk dat zich buiten je directe kring bevindt (anders had je er al wel van gehoord).

Nu, in tijden van LinkedIn, Facebook en het internet in het algemeen nemen we het denken in relaties en netwerken voor lief. In de jaren zeventig was dit baanbrekend.

De waarde van Twitter

Denken in termen van netwerken brengt ons bij Twitter en de waarde die het microblog heeft. Die waarde is groot voor sociologen, pr-bedrijven en computerwetenschappers.

Twitter maakt namelijk sociale netwerken zichtbaar. We kunnen zien wie met wie communiceert, hoe sterk die relaties zijn en hoe ze veranderen. Ga maar na. Twitter telt 320 miljoen actieve gebruikers die dagelijks honderden miljoenen tweets versturen. Soms is dat onopgemerkt geouwehoer en geklaag in de digitale leegte. Vaker vinden er conversaties plaats tussen mensen die elkaar online of in de fysieke wereld kennen en die, hoe loszandig ook, een gemeenschap vormen.

Een of reply is een sociale interactie. Je spreekt je steun uit voor een idee. Je wilt met iemand geassocieerd worden. Of juist niet

In dit sociale netwerk zijn een retweet en reply meer dan het doorsturen van iemands tweet of een antwoord erop. Een retweet ofreply is een stem voor of tegen een idee of persoon: een sociale interactie. Je spreekt je steun uit voor een idee. Je wilt met iemand geassocieerd worden. Of juist niet.

Het grote voordeel van Twitter is dat de data heel actueel en toegankelijk zijn. Met dat laatste doel ik op de technische infrastructuur: tweets worden voor buitenstaanders ontsloten door middel van een API, een Application Programming Interface. Deze software maakt het mogelijk rechtstreeks en heel gericht data op te vragen uit een database. Je hoeft dus niet van een website te tellen en turven. Ook maakt de API het mogelijk de data heel gestructureerd op te slaan, waardoor je meteen aan het rekenen en analyseren kunt slaan.

Leiden de Olympische Spelen tot meer verbroedering?

Met twee studenten van de Utrecht Data School en onderzoeker Erik Borra (UvA, Digital Methods Initiative) heb ik twee jaar geleden onderzocht Lees hier meer over ons onderzoek.of we met behulp van twitterdata konden bepalen of de Olympische Spelen in Sochi onder atleten tot meer internationaleverbroedering leidden; Lees hier meer over de onderzoeksopzet.een belangrijk ideaal van het sportevenement.

Met behulp van de Twitter-API hebben we alle tweets van zo’n achthonderd atleten (ongeveer één derde, de rest zit niet op Twitter) verzameld tussen 5 en 26 februari 2014. We kregen daarmee de inhoud van de tweets, de interactie tussen gebruikers (mentions,retweets en replies) en nieuwe ‘vriendschappen.’ Uit de analyse bleek al snel dat er tijdens de Spelen weinig nieuwe volgrelaties op Twitter ontstonden.

Maar met de tweets konden we wél een sociaal netwerk visueel construeren, waarbij de atleten nodes zijn en hun interactie (mentions, retweets en replies) de edges. Dit leverde een sociale structuur en daarmee enkele nieuwe inzichten op. In onderstaand filmpje zie je dit zogenoemde mention-netwerk. Met eenvoudig rekenwerk is inzichtelijk te maken dat de meeste atleten toch vooral met atleten uit hun eigen land communiceren. Het antwoord op de vraag of de Spelen – in deze specifieke digitale zin dan – verbroederen is dus een voorzichtige nee.

Maar we zagen ook dat sommige atleten wel degelijk een brugfunctie vervullen tussen nationaliteiten. Zij hebben veel interactie met zowel landgenoten als buitenlandse atleten. Een algoritme kijkt in dit geval naar de structuur van het netwerk en berekent voor iedere atleet de zogenoemde ‘betweenness centrality‘-waarde. Die waarde drukt uit in hoeverre iemand verschillende losse groepen met elkaar verbindt.

De Amerikaanse schaatser Denny Morrison blijkt daarin de hoogste waarde te hebben en vervult kennelijk een brugfunctie tussen nationaliteiten. Ook de Amerikaanse kunstschaatser Alex Shibutani scoort hier heel hoog. Dit is opvallend, want vooral Shibutani heeft matig gepresteerd. Uiteraard is hiermee niet aangetoond of weerlegd dat de Spelen in algemene zin verbroederen. Maar als ik een verhaal over internationale verbroedering tijdens de Olympische Spelen zou schrijven, weet ik nu wel dat je het beste bij déze atleten kunt beginnen.Lees hier een uitgebreide verantwoording van ons onderzoek.

Wie heeft de meeste invloed?

Leuk die theorie, maar wat zijn de praktische toepassingen van dit soort twitteranalyses?

Marketingmanager Rens Dietz van het Eindhovense sociale mediabureau Coosto heeft daar wel een antwoord op. Coosto verzamelt sinds 2009 alle Nederlandse tweets  en verkoopt data en analysetools door aan – vooral grote -bedrijven. Al ons geklets houdt er zestig man aan het werk. Met zoveel data valt namelijk veel te rekenen.

Als een groot bedrijf in een publicitaire storm terechtkomt, zoals de recente privacyzeperd van ING, Hier het nieuws over de proef van ING waar veel commotie over wasis het ondoenlijk overal op te reageren. ING kan in zo’n geval kijken welke mensen op sociale invloedrijk zijn en die proberen te beïnvloeden om het sentiment te keren. Dat zijn niet per se de mensen met de meeste ; iemand kan veel volgers hebben, maar niet actief zijn. Of iemand kan veel volgers hebben die allemaal in dezelfde sociale groep zitten.

Mensen wier tweets het meest worden gedeeld, of die verschillende sociale netwerken met elkaar verbinden, zijn interessanter. Dit zijn twitteraars die een boodschap potentieel ver kunnen verspreiden (overigens zonder dat ze zich daar altijd bewust van zijn).

Het voordeel van Twitter is dat het context biedt over de gebruikers, zegt Dietz. ‘Je kunt als bedrijf live volgen hoe mensen over je praten en van gebruikers meteen zien wie ze zijn, hoe invloedrijk ze zijn en wat ze in het verleden hebben gezegd.’

Om zijn punt kracht bij te zetten, laadt Dietz een aantal zoekopdrachten uit in Coosto’s database. Bij iedere twitteraar staat wie het is, hoeveel berichten hij of zij heeft gestuurd, het aantal volgers, maar ook hoe invloedrijk iemand is.

Coosto probeert optimaal gebruik te maken van een analyse van het netwerk, dus de structuur (wie zegt iets en is die persoon belangrijk) en inhoudelijke analyse (wat zegt iemand).

Zoeken naar de inhoud

Inhoudsanalyse is vrij moeilijk bij Twitter, omdat alles in maximaal 140 tekens gezegd moet worden. Adverteerders willen gepersonaliseerde reclames plaatsen die relevant zijn voor de gebruiker. Hoe meer informatie over iemand beschikbaar is, hoe relevanter de advertentie kan zijn, zo is de gedachte.

Als iemand ‘lekker in een volle veewagon, ‘ tweet, is het misschien niet zo’n goed idee een NS-advertentie te tonen

Google heeft massa’s zoekopdrachten en e-mails en daarmee veel tekst en sporen om te ontdekken waar klanten mee bezig zijn. Facebook heeft comments en vind-ik-leuks die veel over mensen verradentot zijn beschikking. Lees hier wat je allemaal uit vind-ik-leuks kunt halen.Twitter moet het met 140 tekens doen per tweet. Dan is het moeilijk te bepalen waar iemand precies mee bezig is, wat hij denkt, of wat voor persoon hij is. Een favorite is veel beperkter dan een vind-ik-leuk. Niet zelden zijn tweets ook nog eens sarcastisch of ironisch. Computers hebben erg veel moeite dat te herkennen. Als iemand ‘lekker in een volle veewagon, bedanktNS’ tweet, is het misschien niet zo’n goed idee om een NS-advertentie te tonen.

Twitter probeert wel zo relevant mogelijk te zijn voor adverteerders. Sinds een jaar biedt het platform zogenoemde ‘promoted products,‘ waarmee bedrijven hun tweets hoog in de tijdlijn, trends en aanbevolen accounts kunnen plaatsen. Daarvoor gebruikt Twitter een eigen algoritme, de zogenoemde Interest Graph. Die deelt gebruikers in naar sekse, kijkt inhoudelijk naar keywords en hashtags, probeert locaties te achterhalen en naar welke tv-show iemand kijkt (en live becommentarieert).

De Interest Graph klinkt high-tech, maar is kinderspel vergeleken met wat Google en Facebook kunnen met hun algoritmes. Adverteerders zijn in ieder geval nog niet overtuigd. In een recent verslag Lees hier het verslag (en weet meteen hoe Twitter ervoor staat).aan de Amerikaanse beurswaakhond SEC schrijft Twitter: ‘Advertentiebureau’s en potentiële nieuwe adverteerders zien onze Promoted Products mogelijk nog als experimenteel en onbewezen. Mogelijk moeten we hen meer uitleggen hoe onze producten en services werken.’ Dat klinkt niet goed.

Illustratie: Esther Aarts
Illustratie: Esther Aarts

Met tweets de toekomst voorspellen

Betekenis halen uit een tweet is dus dé uitdaging voor wetenschappers, vooral uit de informatica.

Hoogleraar informatieprocessen Maarten de Rijke gebruikt Twitter bijvoorbeeld om zijn algoritmes te ontwikkelen, ze slimmer en autonomer te maken. Op zijn sobere werkkamer op het UvA Science Park in Amsterdam geeft hij een demonstratie van hoe hij Twitter gebruikt. Hij sluit zijn laptop aan op een groot scherm en surft naar streamwatchr.com Bekijk hier streamwatchr..Onder Now playing on the planet staat een teller. Die houdt bij hoeveel muziektweets geanalyseerd zijn (meer dan 150 miljoen) en hoeveel artiesten er zijn gevonden (meer dan 450 duizend). Daaronder is een portrettengalerij van muzikanten en bands.

Dit is waar de wereld op dit moment naar luistert. Als je op een van de portretten klikt, krijg je statistieken te zien waar en wanneer het liedje nog meer geluisterd is en kun je het meteen via YouTube streamen.

Door streamwatchr loopt De Rijke twee tot drie weken voor op de billboards in het voorspellen van toekomstige hits

De wetenschap zit hierin: er komt geen mens aan te pas. Alles is geautomatiseerd en dat is waanzinnig knap. Het analyseren van tweets, het herkennen van liedjes en bands en het linken naar het betreffende liedje op YouTube, het genereren van de statistieken en natuurlijk de presentatie op de website – het is van een ongekende complexiteit. Vooral dat herkennen is moeilijk. De Rijke: ‘Als in een tweet gesproken wordt over Flo Rida wordt dan de Amerikaanse staat Florida of de rapper Flo Rida bedoeld?’ Betekenis geven aan ambigue tekst moet in code gevangen worden. De Rijkes algoritmes zijn zelflerend. ‘We geven ze voorbeelden en daarna moeten ze het maar zelf doen. Dit onderscheid kunnen ze inmiddels maken.’ En dat lijkt wonderwel goed te gaan.

Het interessante is, doceert De Rijke, dat je met een verzameling tweets, op een gegeven moment steeds betrouwbaardere voorspellingen kunt doen. ‘In het begin van het Twitteronderzoek, zo rond 2009, werd vooral gekeken in hoeverre de echte wereld een weerklank had op Twitter. Als mensen bij een concert waren geweest, kon je op Twitter terugzien wat ze ervan vonden. Nu is het onderzoek steeds meer op voorspelling gericht. Kun je op basis van wat online gebeurt iets zeggen over wat er offline staat te komen?’ Door streamwatchr loopt De Rijke twee tot drie weken voor op de billboards in het voorspellen van toekomstige hits. ‘We kunnen met zo’n 80 tot 85 procent zekerheid zeggen of een liedje in de toptien eindigt.’

Wat we doen en wat we nog gaan doen, zowel online als in de fysieke wereld om ons heen, ligt dus verborgen in de datastroom die we genereren. Maar kennis over onszelf en onze (toekomstige) handelingen liggen ook in de structuren van het netwerk besloten. We zijn daarbij geen passieve toeschouwers, maar nodes die met hun geklets en geklaag, gegrap en gescheld edges vormen en zo het netwerk bouwen en continu weer veranderen.

En al doende verraden we veel over onszelf. Of we invloedrijk zijn. Of we voor bedrijven aantrekkelijk zijn. Of we, zoals in het geval van de Olympische atleten, internationaal gericht zijn, of juist liever met onze landgenoten samenklonteren. Met iedere triviale tweet bouwen we mee aan een netwerk dat wetenschappers meer inzicht biedt in hoe we samenleven. Misschien goed om nog eens aan terug te denken als je weer in 140 tekens een tweet de wereld instuurt.

Veel dank aan Daniela van Geenen, Maurits van der Goes en Erik Borra die veel werk hebben verzet met het onderzoek naar de Sotsji-atleten.

Het Digital Methods Initiative heeft de analysetool die wij hebben gebruikt inmiddels beschikbaar gesteld voor het grote publiek. Het lijkt mij leuk om nog een experiment te doen. We kunnen bijvoorbeeld kijken naar een populatie (die goed vertegenwoordigd is op Twitter). Of we kunnen kijken hoe gesproken wordt over een bepaald onderwerp. Graag hoor ik van jullie goede ideeën.

maart 27, 2016Permalink

Wetenschap is kwetsbaar

Wetenschap is kwetsbaar

De vrucht van acht maanden werk: 12 wetenschapsdossiers voor de Leiden online. Ik ben er trots op. Samen met de woordvoerder wetenschapscommunicatie zorgde ik ervoor dat we voor alle faculteiten twee dossiers over kenmerkend publiceerden. Dat kostte veel regelwerk en afstemming, maar het resultaat is er volgens mij naar. De dossiers zien er goed uit en zijn toegankelijk geworden. Ze worden, zo blijkt uit de eerste analyses, ook goed bezocht.

Voor mij persoonlijk betekent het project een enorme stoot ervaring erbij op gebied van wetenschapscommunicatie. Een van de belangrijkste lessen is dat het bij wetenschapscommunicatie niet alleen draait om aan een breed publiek duidelijk maken ‘wat je nou hebt aan dat onderzoek’. is een zeer iets: wijden hun leven aan een zoektocht waarvan ze vaak van tevoren niet weten wat het gaat opleveren. Ook hier is soms de reis belangrijker dan het doel, dikwijls komen onderzoekers onderweg resultaten tegen die ze van tevoren nooit hadden gedacht te vinden. De concurrentie is bovendien moordend, want voor elk vakgebied heb je een grote groep andere mensen die óók op die ene onderzoekssubsidie aan het jagen zijn.

Natuurlijk is verantwoording van wetenschappelijk werk belangrijk, en de resultaten moeten ook zo duidelijk mogelijk worden doorgegeven aan de maatschappij. Maar je moet ook respect hebben voor het feit dat mensen bereid zijn om de grenzen van het bekende op te zoeken, zonder dat ze weten wat dat hen, of ons, precies gaat opleveren. Het zijn toch de pioniers die onze horizon verbreden

maart 20, 2016Permalink

Bedrijfsleven schiet zichzelf in de voet met flexibilisering

Bedrijfsleven schiet zichzelf in de voet met flexibilisering
© ANP

Bedrijfsleven schiet zichzelf in de voet met flexibilisering

De wet van minister Asscher kent gebreken, maar de kritiek van werkgevers is niet terecht.

Een lange reeks critici, vooral van werkgeverszijde, heeft de afgelopen tijd zijn pijlen op de gericht. De nieuwe ontslagregels zouden het voor kleine bedrijven bijna onmogelijk maken nog personeel aan te nemen, ze zouden het gebruik van flexibele contracten stimuleren in plaats van ontmoedigen en arbeidsrechtadvocaten veel extra werk bezorgen.

Wat opvalt aan de kritiek is dat deze er van uitgaat dat bedrijven vooral bezig zijn met de vraag hoe zij zo eenvoudig mogelijk van hun personeel kunnen afkomen. Alsof inkrimpen de enige zinvolle bedrijfsstrategie is. Dat lijkt tekenend voor de manier waarop steeds meer werkgevers tegen hun medewerkers aan kijken. Personeel wordt niet meer gezien als een essentiële productiefactor die bijdraagt aan het succes van de onderneming of instelling, maar als een kostenpost en risicofactor.

Hiermee doen bedrijven niet alleen hun medewerkers tekort, die in voortdurende onzekerheid verkeren over hun werk, maar ook zichzelf. Immers, in de Nederlandse kenniseconomie zijn de medewerkers steeds meer de centrale productiefactor waarmee een zich in gunstige zin kan onderscheiden van andere bedrijven.

Impliciete kennis

De fysieke productiemiddelen – machines, computers, grondstoffen – kan ieder bedrijf op de markt inkopen, evenals gecodificeerde kennis, zoals software en licenties. Het is juist de impliciete kennis (tacit knowledge) van de medewerkers van een bedrijf die het verschil maakt met de concurrenten. Kennis over de wijze van (samen)werken binnen het bedrijf, over de cultuur van de arbeidsorganisatie, over de relatie met klanten en toeleveranciers is uiteindelijk cruciaal in de concurrentiestrijd.

Die impliciete kennis veronderstelt echter wel dat de medewerkers een duurzame band met de arbeidsorganisatie hebben. Het kost immers tijd om die kennis te verwerven en de bereidheid daartoe wordt in belangrijke mate bepaald door je toekomstperspectief. Waarom zou je moeite doen om je de cultuur en de werkwijze van de arbeidsorganisatie eigen te maken als je volgend jaar – of misschien al volgende maand – weer op straat staat?

Het succes van een bedrijf op langere termijn wordt in belangrijke mate bepaald door de betrokkenheid en de inzet van de medewerkers

Het succes van een bedrijf op langere termijn wordt in belangrijke mate bepaald door de betrokkenheid en de inzet van de medewerkers. Maar dat veronderstelt wel dat het bedrijf zijn medewerkers als de belangrijkste productiefactor ziet en hen een redelijke mate van baanzekerheid en ontwikkelingsperspectief biedt. Alleen dan zullen medewerkers en bedrijf bereid zijn wederzijds in hun relatie te investeren en zo steeds meer bedrijfsspecifieke kennis op te bouwen.

Onderzoek laat dan ook zien dat bedrijven met een groter aandeel vaste medewerkers beter scoren op (technologische) innovatie. Stel bijvoorbeeld dat je als medewerker een mogelijkheid ziet om het productieproces efficiënter te organiseren, waardoor het bedrijf met minder personeel toe kan.

Wie een tijdelijke aanstelling heeft, kan dit idee maar beter voor zich houden om te voorkomen dat je als dank je baan kwijt raakt. Wie niet bang hoeft te zijn voor zijn of haar baan, zal eerder bereid zijn bij te dragen aan kwaliteitsverbetering en innovatie. Dat komt de concurrentiekracht van het bedrijf ten goede.

Wie niet bang hoeft te zijn voor zijn of haar baan, zal eerder bereid zijn bij te dragen aan kwaliteitsverbetering en innovatie

Proeftijd

Het is logisch dat bedrijven bij een nieuwe medewerker even de tijd willen nemen om te onderzoeken of deze goed functioneert en bij het bedrijf past. De officiële proeftijd van twee maanden is daarvoor bij meer complexe functies vaak te kort. Het is dan ook begrijpelijk dat werkgevers nieuwe medewerkers liever eerst op een tijdelijk contract aannemen. Maar er is geen goede reden waarom een bedrijf een goed functionerende medewerker na twee jaar geen vast dienstverband zou aanbieden.

Natuurlijk kunnen de omstandigheden veranderen en kunnen er bedrijfseconomische redenen zijn om het dienstverband te beëindigen. Maar daarvoor biedt de wet voldoende mogelijkheden. Wie daaraan twijfelt, moet het maar aan het personeel van V&D of TSN vragen. Als een medewerker na verloop van tijd minder goed gaat functioneren, ligt de verantwoordelijkheid daarvoor in het algemeen niet alleen bij de medewerker maar ook bij de werkgever.

Beiden dienen er zich voor in te spannen dat de medewerker inzetbaar blijft, door scholing of training, het bieden van uitdagend werk of aanpassing van de functie. Alleen als dat niet mogelijk is of als de medewerker daaraan niet meewerkt, heeft de werkgever goede gronden om de werknemer te ontslaan. Het nieuwe ontslagrecht biedt daarvoor ook voldoende mogelijkheden, mits de werkgever een adequaat dossier heeft opgebouwd.

De Wet werk en zekerheid kent zeker zijn gebreken en zal op onderdelen wellicht moeten worden aangepast. Maar de meeste critici van de nieuwe ontslagregels lijken te menen dat het voor het Nederlandse bedrijfsleven belangrijker is om risico’s te mijden en op korte termijn kosten te reduceren dan te investeren in kwaliteit en innovatie.

Een gebrek aan training van medewerkers in de flexibele schil zal na verloop van tijd echter hun duurzame inzetbaarheid aantasten. Daarmee gaan werkgevers voorbij aan de gerechtvaardigde behoefte van aan enige continuïteit en zekerheid. Bovendien brengen zij zo op langere termijn ook het bedrijfsleven en de concurrentiekracht van de economie schade toe.

Paul de Beer, Paul Boselie, Ronald Dekker, Ewald Engelen, Andries de Grip , Alfred Kleinknecht, Joan Muysken, Janneke Plantenga, Frank Pot, Joop Schippers en Esther-Mirjam Sent zijn hoogleraren economie

maart 14, 2016Permalink

400.000 Nederlandse kinderen leven in armoede

Uit recent neurologisch onderzoek blijkt dat dit de ontwikkeling van het kinderbrein belemmert.  Waarom roeien we de (kinder) niet gewoon uit?

In Nederland groeien 400.000 (!) kinderen op in armoede. En dat is nergens voor nodig

Correspondent Vooruitgang

Avatar Rutger Bregman
Nederland is een waanzinnig rijk land dat in de top staat van zo ongeveer ieder internationaal ranglijstje – inclusief die van de ondankbaarheid en het chagrijn. Juist daarom is het zo verdrietig dat een immense groep Nederlanders aan de kant staat. Het is een groep waarvan iedereen, zelfs al ben je een vreemdelingenhater of marktfundamentalist, zou moeten zeggen: ‘Tsja, die kunnen inderdaad he-le-maal niets doen aan hun situatie.’Ik heb het over arme .Volgens de laatste cijfers Die laatste cijfers vind je in het Armoedesignalement 2014 van het SCP en het CBS.zijn het er maar liefst 400.000. Dat zijn er 124.000 meer dan in 2007. Inmiddels leeft één op de negen kinderen in armoede. Er is geen leeftijdscategorie waarbij armoede zoveel voorkomt. De meeste arme kinderen – 300.000 om precies te zijn – zijn jonger dan twaalf. En mocht je denken dat het vooral een kwestie van werklozen in de bijstand is, dan heb je het mis. 60 procent van de arme kinderen heeft werkende ouders.Armoede in Nederland is geen kwestie van een beetje sober leven, zo blijkt uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau. In de praktijk betekent het een gebrek aan kleren en (gezond) eten, regelmatig afgesloten worden van elektriciteit en water, vaker ziek zijn, een onverwarmd huis, geen vakanties, sportclub, verjaardagen of schoolreisjes en de voortdurende angst om uit huis te worden gezet.De impact van armoede is dan ook immens: recent neurologisch onderzoek wijst uit dat het de ontwikkeling van het kinderbrein belemmert. Dit begint al in de baarmoeder, als de stresshormonen van de moeder via de placenta de foetus bereiken. Ook na de geboorte betekent meer armoede minder breinkracht, iets wat waarschijnlijk wordt veroorzaakt door het gebrek aan en het overschot aan stress. ‘In het afgelopen decennium,’ schrijft een journaliste van The New Yorker, Het artikel in The New Yorker vind je hier.‘is er een wetenschappelijke consensus ontstaan: armoede bestendigt armoede, generatie na generatie, door het brein aan te tasten.’

Dweilen met de kraan open

In Nederland bestaat er een wirwar aan programma’s, instanties, hulpverleners en goede doelen die de (kinder)armoede proberen te verlichten. Er zijn speelgoedbanken, babyspullenstichtingen, PC-for-Kids-programma’s, schoolboekenfondsen, opvangtoeslagen, sportregelingen, stadspassen, maaltijdvoorzieningen, formulierenbrigades, enzovoorts, enzoverder. Op advies van de Kinderombudsman is een aantal gemeenten ook begonnen met een ‘kindpakket’ vol vouchers voor schoolreisjes, sportactiviteiten, pianolessen, kleding en noem maar op.

Maar het is dweilen met de kraan open. Vaak maakt minder dan de helft Dat blijkt uit dit onderzoek van de Kinderombudsman (zie pagina 39).van de mensen die recht heeft op zulke programma’s er gebruik van. Menig hulpverlener kan niet eens wijs worden uit de achterliggende papierwinkel. En de overheadkosten zijn niet mals: voor het Amsterdamse kindpakket bedragen ze bijvoorbeeld 10,5 procent (ter vergelijking: als je het geld direct geeft – zoals bij bijvoorbeeld de AOW – bedragen die kosten nog geen half procent).

Het grootste probleem is dat al deze regelingen het probleem niet bij de wortel aanpakken. Ze bestrijden slechts de symptomen. We geven wat bonnen voor sport of muziek, terwijl de thuissituatie onveranderd blijft. Natuurlijk veroorzaakt armoede tal van problemen, maar op zichzelf is het slechts één probleem: een geldprobleem. Armoede is geen multiproblematiek, het veroorzaakt multiproblematiek.

Armoede niet , dat is pas verspilling

Mijn voorstel: ga met een heggenschaar door het woud van regelingen en vouchers en zet een grootschalig programma op van directe cash transfers voor arme gezinnen met kinderen. Uit een fascinerend onderzoek Over dit Amerikaanse onderzoek schreef ik eerder dit artikel.in North Carolina blijkt dat zulke transfers grote effecten hebben op de ontwikkeling van kinderen. Ouders gaan beter opvoeden, er is minder ruzie en stress en kinderen worden gezonder, gelukkiger en braver.

Armoede uitroeien: waarom niet?

In de afgelopen jaren ben ik me steeds vaker gaan afvragen waarom er zo weinig debat is over die 400.000 arme kinderen. Misschien heeft het met het taboe op armoede te maken: er is veel twijfel en schaamte. De armen lijden in stilte. Veel mensen lijken bovendien te denken dat armoede er nu eenmaal bij hoort. Was het Jezus van Nazareth niet die zei dat we ‘de armen altijd bij ons zullen hebben’ (Marcus 14:17)?

Het punt is dat Jezus die woorden sprak in een tijd dat bijna iedereen in de landbouw werkte en slavernij nog doodgewoon was. Newsflash: we leven nu in een waanzinnig rijk land dat in de top van zo ongeveer ieder ranglijstje staat. Dus waarom roeien we die kinderarmoede niet gewoon uit?

Dat is helemaal geen gekke gedachte. Het is in de eerste plaats betaalbaar: volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau kost het 2,1 miljard Deze berekening komt van de onderzoeker Cok Vrooman, van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Ik schreef hier al eens over zijn rekensom.om iedereen op ten minste de armoedegrens te zetten. Gooi er nog een miljard bovenop en de armoede is echt uitgeroeid. Totale kosten: 3,1 miljard. Dat is 0,47 procent van het bruto binnenlands product. Steeds meer onderzoek wijst bovendien uit dat je de kosten van armoedebestrijding uiteindelijk terugverdient. Er zal een enorm reservoir aan energie, creativiteit en intelligentie vrijkomen als we honderdduizenden kinderen uit de armoede opheffen.

De Verenigde Naties spraken onlangs nieuwe ontwikkelingsdoelen af – zo zou de extreme armoede verdwenen moeten zijn in 2030. Waarom zouden we niet minstens zulke ambitieuze doelen afspreken in Nederland? Ik noem maar wat: in 2020 geen dakloze meer op straat, in 2025 de kinderarmoede uitgeroeid en in 2030 geen enkele Nederlander nog onder de . In plaats van ons af te vragen of we zulke doelen wel kunnen betalen, kunnen we beter de vraag stellen of we het ons kunnen permitteren ze niet te halen.

Armoede niet uitroeien, dat is pas verspilling. Iedere generatie weer