Vertel nieuwkomers niet hoe ze moeten leven

Je kunt vluchtelingen in een inburgeringsklasje vertellen wat ze moeten weten. Je kunt ook met ze gaan voetballen en ze helpen bij het zoeken van een baan en huis. Want kijk eens hoe Mekonnen Ykeallo zijn mannen helpt.

Mek vertelt nieuwkomers niet hoe ze moeten leven, maar neemt ze op in de gemeenschap
Journalist, gespecialiseerd in vluchtelingen
GretaRiemersma
Foto: Catharina Gerritsen (voor De Correspondent)

Op een winterse dag staat Mekonnen Ykeallo (50) aan de rand van het Johan Cruijff Court in Amsterdam Nieuw-West te blauwbekken. Hij stampt met zijn sportschoenen op de stoeptegels om ze warm te houden en blijft de jongens op het veld aanmoedigen, bij een mooie pass of een gemiste kans. Hij spreekt ze aan in het Tigrinya Tigrinya wordt door zo’n 7 miljoen mensen gesproken in delen van Eritrea en in de noordelijke Ethiopische regio Tigray. Het is een van de negen talen die in Eritrea worden gesproken. Lees hier meer over de talen van Eritrea en zij antwoorden in dezelfde taal, die hij heeft meegenomen uit Ethiopië en zij uit Eritrea.

‘Mek is belangrijk voor ons,’ zegt Tewelde Gilemariam, een van de jongens die aan de rand van het veldje staan uit te rusten. Zijn vriend Tekleweini Tesfahiwet: ‘Twee, drie maanden geleden wist ik nog niet hoe ik me moest gedragen in Nederland.’ Ykeallo leerde het ze, beweren de twee. Bijvoorbeeld dat het in Eritrea respectvol mag zijn naar beneden te kijken, maar in Nederland mensen elkaar uit respect juist in de ogen kijken.

De jongens horen bij een groep van veertig Eritreeërs, één Soedanees en één Syriër die Ykeallo wegwijs maakt in Nederland. Het zijn vluchtelingen die anderhalf à twee jaar in Nederland zijn. Elke donderdag- en zaterdagochtend voetballen ze op het Johan Cruijff Court en na afloop gaan ze naar de nabijgelegen Stadsboerderij, het buurtcentrum in Amsterdam Nieuw-West, waar ze Nederlands oefenen met buurtbewoners.

Hoe een Ethiopiër ertoe kwam Eritreeërs te helpen

Het was nooit zijn plan dit te doen, vertelt Ykeallo. Het ging automatisch, als water dat zijn weg zoekt in een rivierbedding. Hij voetbalt al jaren op het Johan Cruijff Court, vlak bij zijn huis, en afgelopen herfst stond er ineens een Eritrese jongen te kijken. ‘Wil je meedoen?,’ vroeg Ykeallo.

Daarna kwamen er meer Eritreeërs, die het geweldig vonden dat ze deze man in hun eigen taal hun problemen konden voorleggen. Ze namen rekeningen en brieven van de gemeente mee die ze niet snapten, ze vroegen hoe je een fornuis en een koelkast aansluit. ‘Je bent als een vader voor mij,’ zeiden sommigen. Anderen zagen in hem een broer of een vriend.

Ykeallo begon zich steeds verantwoordelijker te voelen voor de jongens en afgelopen november richtte hij stichting Ykeallo Lees hier meer over stichting Ykeallo. Lees hier meer over stichting Ykeallo. stichting Ykeallo op. Zijn achternaam betekent precies wat hij voorstaat: alles is mogelijk. Eerst wil hij dat ze zich in dit nieuwe land thuis voelen en inventariseert hij hun behoeftes. De volgende fase is dat hij ze helpt bij het vinden van werk of een studie. ‘En als dat is gelukt, kan ik nog niet meteen doei zeggen, integratie is een langdurig proces.’

Zijn stichting staat open voor alle vluchtelingen met een verblijfsstatus, uit alle landen en van beide geslachten. Maar de eerste groep die hij begeleidt, bestaat vooral uit mannelijke Eritreeërs. Daar zit niets achter, zo is het gelopen. Elke keer als hij ze ziet, merkt hij dat deze jongens hem niet voor niets hebben gezocht. Een van hen liet hem het litteken van een kogelgat in zijn buik zien. Bij iemand anders zag hij schroeiplekken op de rug, daar was een brandende kaars overheen gegaan.

‘Deze jongens hebben heel veel meegemaakt. Velen hebben in de gevangenis gezeten, ze zijn gemarteld en ze zijn allemaal gevlucht. En kijk hoe ze hier zijn,’ zegt hij, wijzend op het voetbalveld waar wordt gevochten om de bal. ‘Ze zijn vrolijk. Als je zoveel ellende hebt meegemaakt, is dat goed.’

Hij snapt ze, vooral de Eritreeërs, die de laatste jaren na de Syriërs de grootste groep asielzoekers In 2015 vroegen ruim 8.400 Eritreeërs asiel aan in Nederland. Lees hier meer over de asielstroom naar Nederland. in Nederland zijn. Een half leven geleden kwam hij zelf uit buurland Ethiopië en toen ontmoette hij mensen die hetzelfde deden voor hem. Eén mens kan het verschil maken, weet hij sindsdien. Dat wil hij ook doen, pro deo. ‘Omdat het moet,’ zegt hij.

Hoe Mekonnen Ykeallo naar Nederland kwam

Een week later ontmoeten we elkaar in restaurant Azmarino, gespecialiseerd in Oost-Afrikaans eten, dat hij sinds 2007 runt met zijn vriendin Annemarie in de Amsterdamse Pijp. In de keuken staat vlees te sudderen, de geur trekt door het restaurant. De kachel brandt en geeft de oranje muren een extra warme gloed. Mekonnen Ykeallo, voor de meesten ‘Mek,’ serveert kruidenthee en gaat zitten aan een lange tafel voor de bar. Het is één uur ’s middags en de voordeur is nog dicht.

Hij is net terug van een bespreking met voetbalclub Amstelveen Heemraad. De Eritreeërs willen graag meedoen aan de amateurcompetitie en Ykeallo heeft aan Amstelveen Heemraad gevraagd of ze een compleet elftal kunnen toevoegen. Het bestuur neemt er binnenkort een beslissing over. Ykeallo hoopt dat het lukt: ‘Mijn bedoeling is dat die jongens tussen de mensen komen. Dat werkt, ik ben er het levende voorbeeld van.’

Hij kwam hier in 1994, na een mooi leven in Ethiopië dat eindigde met een vlucht. Hij was de tweede in een gezin met zeven zonen, zijn vader was korpschef bij de politie, zijn moeder zorgde voor het huishouden. Ze woonden in de hoofdstad Addis Abeba en daarna in andere plaatsen. Ze waren niet rijk, maar zeker ook niet arm. ‘Ik kreeg wat ik wilde. Ik kon studeren, voetballen, andere leuke dingen doen.’

Ykeallo deed een opleiding business management en werd gemeenteambtenaar. Na de regeringswissel in 1991 In dat jaar viel de regering van president Mengistu Haile Mariam van Ethiopië, waartoe ook het huidige Eritrea behoorde. Eritrea werd een apart land. waren zijn vader en hij automatisch verdacht omdat ze hadden gewerkt voor het vorige regime. Ykeallo vertrok drie jaar later en kwam met behulp van een mensensmokkelaar in Nederland.

Het eerste wat hij zag, was het centraal station van Rotterdam. Hij bleef tweeënhalf uur stokstijf op één plek zitten en keek om zich heen. ‘Ik kon niet beseffen waar ik was beland. Ik had met blanke mensen in Ethiopië gewerkt, ik had films gezien en boeken gelezen over het Westen, en toch was het vreemd. Ik zag een punker met een gekleurde hanenkam, iemand met een ring door zijn neus. Ik dacht dat alleen Afrikanen zo gek waren, maar nee.’

Even daarna sprak hij een Somaliër aan die hem naar het politiebureau bracht waar hij zich als asielzoeker moest melden. Hij was bang voor wat er ging komen, maar toen kwam de eerste persoon in Nederland die hem hielp. ‘O, kom je uit Ethiopië? Daar heb je me toch goede hardlopers,’ zei de politieagent die hem te woord stond. Ykeallo was verbaasd over het ontspannen gesprek. ‘Die politieagent gaf mij hoop. Mensen kunnen hoop geven hè?’

Ykeallo kwam terecht in asielzoekerscentrum Crailo in Laren, waar hij bijna vijf jaar bleef. Al na een paar maanden werd hij gek van het nietsdoen. ‘Je mocht niet werken, je mocht niet studeren, je mocht niks, niks, niks.’ Hij ging naar VluchtelingenWerk en zei dat hij het zat was. Of ze alsjeblieft iets voor hem te doen hadden.

Hoe Marco, Olaf, Zus en al die anderen hem hielpen integreren

Hij belandde als vrijwilliger bij de plantsoenendienst in Laren en zou in die functie vierenhalf jaar schoffelen, harken, planten water geven, wortels kappen en een hertenkamp verzorgen.

‘Dat was mijn redding. Mensen in Laren zagen mij elke dag en kregen belangstelling voor mij. De bakker vroeg: ‘Wie ben jij?’ De visboer vroeg of ik een haring wilde. Mijn collega’s nodigden me thuis uit. Ik kwam op borrels van de plantsoenendienst en het gemeentehuis. Ik leerde zelfs de burgemeester persoonlijk kennen. Ik voelde me sterker en sterker worden in Nederland.’

Marco, een vriend bij de plantsoenendienst, nam hem op een dag mee naar een oom en tante, Olaf en Zus Snelders. Het klikte zo goed, dat hij al snel een huissleutel kreeg van de familie Snelders. Zij werden voor hem een vader en moeder in Nederland. Hun contact verliep natuurlijk, net zoals jaren later tussen hem en de Eritrese jongens. ‘Nooit heb ik het gevoel gekregen Mek de arme asielzoeker te zijn. Olaf en Zus luisterden naar mij en ik naar hen. We aten en dronken samen. We lachten. Ze lieten mij zien hoe de dingen hier werken. Zij hebben mij gemaakt tot wie ik ben: Mek in Nederland.’

Toen hij een verblijfsvergunning kreeg en een huis in Amsterdam sprak hij vloeiend Nederlands en kende hij de Nederlandse cultuur zo goed dat hij binnen drie maanden slaagde voor de verplichte integratiecursus. Hij deed een ict-opleiding en kreeg een baan bij Stichting Global Start Foundation, die werkloze jongeren in Amsterdam Zuidoost aan een baan helpt. Hij werkte er acht jaar en volgde intussen cursussen jongerenbegeleiding.

Aan het einde van die periode had hij behoefte aan iets anders en met Annemarie begon hij hun restaurant Azmarino. Hij houdt van koken. ‘In Ethiopië was ik de beste vriend van mijn moeder, ik hielp haar altijd,’ zegt hij.

Eerst werkten ze er allebei nog naast om uit te proberen hoe het liep, maar al na anderhalf jaar konden ze zich zes dagen per week aan Azmarino wijden. In maart bestaat het restaurant tien jaar. Hij staat in de keuken, Annemarie serveert. Het is druk, maar dit leven bevalt goed.

En hoe Mekonnen Ykeallo nu nieuwkomers helpt een plek te vinden

Sinds kort is daar dus zijn bemoeienis met de Eritrese jongens bij gekomen. Hij vindt het mooi dat hij juist in contact is gekomen met deze groep, die in Nederland bekendstaat als in zichzelf gekeerd. Hij begrijpt Eritreeërs: Ethiopië en Eritrea zijn van oudsher nauw verwant, Eritrea is pas sinds 1993 onafhankelijk. Tussen 1936 en1941 werd het bezet door de Italianen, van 1941 tot 1950 viel Eritrea onder Brits beheer, en daarna vormden Ethiopië en Eritrea een federatie. Tot Eritrea in 1962 door Ethiopië werd geannexeerd. Een Eritrese rebellenbeweging hielp in 1991 een einde te maken aan het communistische bewind in Ethiopië. Als beloning kreeg het Eritrese volk de gelegenheid om zich in 1993 in een referendum uit te spreken voor onafhankelijkheid. Sindsdien zijn er nooit verkiezingen gehouden. De toenmalige rebellenleider Isaias Afewerki werd president en leidt een van de meest repressieve regimes van Afrika. zijn ouders zijn allebei half Ethiopisch, half Eritrees. ‘Het klopt, Eritreeërs zijn gesloten,’ zegt hij. Ze komen uit een strikte maatschappij, waar de islam en de koptisch-orthodoxe kerk grote invloed hebben.

Maar er is nog iets. ‘Dat ze naar elkaar toetrekken, geeft ook een gevoel van bescherming. Ze hebben tijd nodig om te herstellen.’ De meesten hebben de hel achter zich gelaten, want het Eritrese regime is zeer repressief. Bron: VluchtelingenWerk. Vluchten is moeilijk, bij de grens wordt om het minste geschoten.

Is het gelukt een buurland te bereiken, dan lopen Eritreeërs alsnog de kans te worden mishandeld door mensensmokkelaars die extra geld willen aftroggelen. Sommige vrouwen worden verkracht. ‘Er zijn Eritreeërs die zelfmoord plegen na hun vlucht, omdat ze niet kunnen verdragen wat ze hebben meegemaakt.’

Dit is de reden dat hij zich zo voor ‘zijn’ Eritrese jongens inzet en speciaal voor hen een stichting heeft opgericht: ‘Als ze me vertellen wat ze hebben meegemaakt… Ik heb in Nederland alles. Als ik doorga met mijn leven en niks doe, ben ik geen mens. Ik wil allereerst proberen die jongens tot rust te brengen.’ Voetballen helpt. De bedoeling is: even bij elkaar zijn, het hoofd helder maken en intussen bespreken waar ze mee zitten.

Overigens zien de Eritreeërs zelf hun ‘geslotenheid’ anders. Zij vinden dat Nederlanders alleen aandacht hebben voor Syrische vluchtelingen en minder voor hén. ‘Zij zien er zeker beter uit dan wij,’ roepen sommige jongens. Ze doelen vooral op de lichte huidskleur van de Syriërs, aldus Ykeallo, waarvan ze denken dat Nederlanders die liever zien dan hun kleur. Hij legt ze uit dat het anders ligt. Nederlanders zien wekelijks op televisie dat er in Syrië bommen vallen. In Eritrea komen nauwelijks westerse tv-ploegen binnen en is het geweld minder zichtbaar. ‘Veel Nederlanders weten niet wat jullie hebben meegemaakt. Als jullie daarin verandering willen brengen, moeten jullie je openstellen.’

Alle jongens volgen de verplichte inburgeringscursus en een aantal werkt ernaast. Dat is te danken aan de gemeente Amsterdam, die nieuwkomers voortvarend aan werk helpt. Ykeallo prijst de gemeente om haar inburgeringsbeleid, maar ziet ook waar het fout gaat. Twee van de jongens willen liever studeren, maar hun gemeentelijke contactpersoon zegt: niks studeren, jij gaat vakkenvullen bij de Albert Heijn. ‘Ze doen wel wat hun wordt gezegd, maar mijn ervaring is dat ze zich na twee, drie maanden ziekmelden en dat kost de staat alleen maar geld. Ik hoor van de jongens niets anders dan dat ze zelf hun geld willen verdienen, maar ze zijn niet gemotiveerd om een heel leven vakken te vullen. Ze willen verder komen.’

Hij is nu bezig een gesprek te organiseren met ambtenaren over hun aanpak. ‘Er is beweging. Amsterdam doet zijn best, maar er mist kennis. De ambtenaren gaan uit van zichzelf. Ik zeg: probeer te begrijpen wat die ander wil, waar liggen de talenten. Als deze jonge mensen tevreden zijn, plukt de maatschappij daar de vruchten van. Datzelfde geldt voor de hele inburgering: vertel vluchtelingen niet hoe ze moeten leven, maar neem Contact met Nederlanders is volgens de Algemene Rekenkamer een van de succesfactoren voor inburgering, naast motivatie, persoonlijk welzijn en een snelle start. Zie pagina 41 van het rapport Inburgering. ze op in de gemeenschap zodat ze op een natuurlijke manier leren hoe alles in Nederland werkt.’

Kijk naar hoe hij zijn weg vond. Hij is tevreden. Maar hij zegt erbij dat hij zich niet altijd zo heeft gevoeld. Een jaar of vijf geleden begon hem iets dwars te zitten. Het was gek want hij had zijn leven goed voor elkaar, en toch voelde hij zich niet goed. ‘Misschien heb je Ethiopië nooit afgesloten en moet je terug,’ zei een vriend. Hij ging in 2012 en het was geweldig om oude vrienden te zien. Maar verder was alles vreemd. ‘Alles was daar veranderd en ik merkte ook hoe ik zelf was veranderd.’

Zijn vader is overleden. Zijn broers zijn net als hij uit het land vertrokken. Alleen zijn moeder woont nog in Ethiopië, maar vaak is ze bij een van haar zoons in het buitenland. Hij laat een foto zien van zijn lachende moeder tussen haar kinderen. ‘Weet je wat voor gevoel ik jaren heb gehad?,’ vraagt Ykeallo. ‘Dat ik van huis was en mezelf afvroeg: heb ik nou wel of niet de deur op slot gedaan? Sinds ik in Ethiopië bent geweest is dat weg. Ik heb rust gekregen.’

Dit verhaal is onderdeel van het initiatief Nieuw in Nederland. Zonder financiële bijdrage van Stichting Dioraphte Bekijk hier de site van Dioraphte. Bekijk hier de site van Dioraphte. Stichting Dioraphte was dat niet mogelijk geweest.

januari 27, 2017Permalink

Vluchtelingen. Nooit meer op ‘dat toontje’ praten

Waarom ik nooit meer op ‘dat toontje’ tegen vluchtelingen praat

Ik betrap mezelf erop als ik bij ben: ik bemoei me met hun leven en doe dat op een bepaalde toon. Zoals je tegen ouderen praat eigenlijk. Bij andere Nederlanders zie ik hetzelfde terug. Wat zit hier achter? Waarom ik nooit meer op ‘dat toontje’ tegen vluchtelingen praat

Gastcorrespondent GretaRiemersma
Wesal (9) en Tamim (10) van het Syrische gezin in Glimmen waar Greta Riemersma regelmatig komt. Foto: Tryntsje Nauta (voor De Correspondent)

Ik was op bezoek bij de Syrische familie Alrashed in het Groningse dorpje Glimmen toen er een vechtpartij uitbrak tussen twee van de kinderen: het dove zoontje Tamim (10) sloeg zijn zusje Wesal (9) en zij sloeg terug. Moeder Huda haalde haar schouders op en zei: ‘Dit gebeurt vaker.’

Wat deed ik? Ik stond op, haalde de kinderen uit elkaar en begon ze toe te spreken. Ik zei dat slaan pijn doet, dat we dus beter niet kunnen slaan en nog meer stichtelijks. De kinderen stopten en ik ging weer zitten. Pas toen drong tot me door wat ik had gedaan. Ik had mij bemoeid met de kinderen van een ander.

Nooit zou ik dit in mijn hoofd halen bij Nederlanders. Die zijn allergisch voor elke opmerking van een ander die het gedrag van hun kind ook maar enigszins stuurt. Met mijn fiets schepte ik eens bijna een dreumes die onverwacht de weg overstak en toen ik geschrokken ‘pas op’ riep, keek de vader mij al kwaad aan.

Waarom ging ik dan zo ver bij de familie Alrashed? Het stemde me tot nadenken. Want al vaker merkte ik dat ik bij de Alrasheds dingen doe die ik bij Nederlanders niet flik.

We bemoeien ons meer met vluchtelingen dan met Nederlanders

Ik ken de Alrasheds sinds oktober: vader Mahmoud (42), moeder Huda (33) en hun vier kinderen. In 2012 ontvluchtten ze Syrië en na omzwervingen door Jordanië en Egypte kwamen ze bijna een jaar geleden in Glimmen terecht. Ik leerde ze kennen via Nieuw in Nederland, Lees hier alles over het initiatief Nieuw in Nederland. Lees hier alles over het initiatief Nieuw in Nederland. Nieuw in Nederland, waarmee mijn collega Dick Wittenberg en ik voor De Correspondent onderzoeken hoe nieuwkomers een bestaan opbouwen in Nederland.

Maandelijks vul ik met Huda de bijbehorende vragenlijst in die inzicht geeft in dat nieuwe bestaan. Sinds ze me vroeg of ik Nederlands met haar wilde oefenen, kom ik bijna wekelijks bij de Alrasheds. Soms nodig ik ze uit bij mij thuis, omdat ook onze gezinnen het met elkaar kunnen vinden.

Huda vroeg hem of hij een goedkope, tweedehands vaatwasser voor haar wist, waarop de man antwoordde: ‘Heb je die dan nodig?’

Gaandeweg ben ik mezelf gaan observeren. Want hier klopte iets niet. Na het vechtincident zei ik tegen Huda dat ze beter in de winter de deur naar de onverwarmde schuur kan dichthouden, om te voorkomen dat er kou de huiskamer binnenkomt. Over haar oudste zoon Mohammed (12) zei ik dat zijn jas te koud was voor in de winter.

Ik zag pas goed wat ik aan het doen was toen ik andere Nederlanders hetzelfde gedrag zag vertonen. Op een avond maakte ik mee hoe iemand van de kerk langskwam bij de Alrasheds, die zichzelf de opdracht had gegeven wekelijks bij dit Syrische vluchtelingengezin in zijn dorp langs te gaan. Huda vroeg hem of hij een goedkope, tweedehands vaatwasser voor haar wist, waarop de man antwoordde: ‘Heb je die dan nodig?’ Het was alsof ik in de spiegel keek.

Ik besprak de kwestie met collega Dick Wittenberg, die moest glimlachen. Als vrijwilliger bij Vluchtelingen Werk had hij een nieuwkomer met veel volharding zeil in plaats van laminaat in de maag willen splitsen. De man moest zijn huis inrichten en Dick hielp hem. Toen bleek dat de keuze op laminaat viel, betoogde Dick dat hij beter zeil kon nemen, zeker in de slaapkamer. Zeil was goedkoper. Waarom geld uitgeven dat hij beter aan iets anders kon besteden?

En we doen dat op een bepaalde manier: met het ‘toontje’

Er begon me nog iets op te vallen. Niet alleen bemoeide ik me met zaken waar ik niets mee te maken had, ik deed dat soms ook op een specifieke manier. Dan hoorde ik mezelf net wat duidelijker articuleren en langzamer praten dan normaal.

Natuurlijk, de Alrasheds hebben een gebrekkige kennis van het Nederlands en dus is het handig verstaanbaar te spreken. Maar voor je het weet sluipt er een toontje in dat ook tegen mensen in een verzorgingshuis, mensen met een beperking of ernstig zieken wordt aangeslagen. Let maar eens op, er zit vaak iets overdreven begripvols in. Niks mis met begrip, maar in elke andere conversatie ligt het er nooit zo dik bovenop.

Opnieuw hoorde ik die toon terug bij andere Nederlanders die contact hebben met nieuwkomers. Niet voortdurend en bij iedereen, maar vaak genoeg om er een patroon in te zien. Ik vraag me af hoe het voelt als op één dag tien mensen zo tegen je doen. Voel je je nog serieus genomen? Ik denk het niet. Toen er laatst in Frankrijk iemand zo tegen me praatte, ook al kan ik aardig Frans, werd ik na vijf minuten al gek.

Wat zit hier achter?

Misschien zouden deze toon en houding me jaren geleden niet zijn opgevallen, maar tegenwoordig word je gedwongen erover na te denken. Mensen die zich het lot aantrekken van nieuwkomers worden ook wel Gutmenschen genoemd. Aan de andere kant hoor ik kinderen van de vroegere gastarbeiders zeggen dat ze zich storen aan Nederlanders die precies weten wat het beste voor ze is. Hun ouders hebben dit paternalisme over zich heen laten komen, maar zij weigeren dat. Wat beide visies delen is dit: mensen zouden andere mensen niet helpen omdat ze iets willen doen voor een ander, maar om er zelf een goed gevoel van te krijgen.

Waarom dan toch die houding? En die toon? Want beide getuigen van een ongelijke relatie

Als ik kijk naar het werk dat Nederlanders voor vluchtelingen verrichten, vind ik dat verwijt onterecht. Wat is er mis mee dat de Alrasheds zakken met kleren krijgen en hun rijtjeshuis grotendeels met gedoneerde huisraad hebben ingericht? En dat ze uiteindelijk ook een tweedehands vaatwasser kregen die de man van de kerk gratis voor ze op de kop tikte? Huda was blij toen ze hem kreeg. ‘Ik heb vier kinderen en moet drie dagen in de week naar Nederlandse les. Ik heb het altijd druk. Dit scheelt enorm,’ zei ze.

Een ontelbare hoeveelheid vrijwilligers helpt nieuwkomers dagelijks hun weg te vinden in Nederland – en dat gaat stukken verder dan de lesjes Nederlands die ik aan Huda geef. Grote netwerken als Global Workforce, Lees hier meer over Global Workforce… Lees hier meer over Global Workforce… Global Workforce, Refugee Start Force …hier meer over Refugee Start Force… …hier meer over Refugee Start Force… Refugee Start Force en Open Embassy …en hier meer over Open Embassy. …en hier meer over Open Embassy. Open Embassy koppelen vluchtelingen met een verblijfsstatus aan Nederlanders, waarna ze samen formulieren invullen, zoeken naar werk en duizend andere praktische dingen doen. In bijna elke Nederlandse plaats zijn kleinere clubs en losse vrijwilligers die hulp bieden. Zonder al deze mensen zouden veel vluchtelingen in Nederland er slechter aan toe zijn en langzamer inburgeren.

Maar waarom dan toch die houding? En die toon? Want beide getuigen van een ongelijke relatie, dat valt niet te ontkennen. Wie mensen vertelt hoe ze moeten leven en op een speciale manier tegen ze praat, ook al gebeurt het onbewust, beschouwt ze niet als gelijken.

Waarom ik voortaan mijn mond hou

Toen ik mezelf me hoorde bemoeien met Huda’s kinderen en de deur naar de schuur, dacht ik aan Gloria Wekker, emeritus hoogleraar gender en etniciteit aan de Universiteit Utrecht. Vorig jaar vertelde ze me in een interview Hier kun je dat interview teruglezen (achter een betaalmuur). Hier kun je dat interview teruglezen (achter een betaalmuur). een interview hoe haar familie begin jaren vijftig van Suriname naar Amsterdam emigreerde en daar onder hetzelfde regime viel als de Indo’s die rond die tijd naar Nederland kwamen. Op onverwachte momenten kreeg de familie Wekker bezoek van een maatschappelijk werkster die de huishouding controleerde. Kookte moeder aardappelen in plaats van rijst? Deed ze de was op maandag en maakte ze op woensdag gehakt? Was het huis schoon genoeg?

Ik ben geen maatschappelijk werkster, maar mijn bemoeienis met de Alrasheds was een echo van wat Wekker beschreef. Volgens haar komt dit gedrag voort uit ons vroegere koloniale denken, waardoor Nederlanders zich nog steeds superieur wanen. Het is een boodschap die we onbewust meekrijgen, via televisie, gesprekken en wat we lezen. Ik sluit dat niet uit. Een volk dat eeuwen andere volken aan zich heeft onderworpen, is de bijbehorende houding niet in een paar decennia kwijt.

Ongetwijfeld speelt in de relatie vluchteling-Nederlander ook mee dat de een de ander wegwijs maakt in Nederland. Er is iemand die hulp krijgt en iemand die hulp geeft. Zo’n relatie kan scheef komen te liggen, juist in een land als Nederland waar in principe de overheid verantwoordelijk is voor langdurige hulp aan kwetsbaren. Gewone Nederlandse burgers hoeven die hulp niet te geven – als ze het doen is het een aanvulling, de uitzondering op de regel.

In landen zonder sociale voorzieningen zie je hoe het anders kan. In Marokko ken ik een straat waarin een gezin zonder inkomen overleeft, omdat elk huis om de beurt eten en geld geeft. Het gezin is niet overdreven dankbaar en de rest van de straat praat niet over wat ze doet, want dat zou onbeschaafd zijn. Iedereen weet: vandaag help ik de buren, morgen helpen de buren mij.

Ook al ben ik blij met de sociale voorzieningen in Nederland, zo wil ik het ook zien: hulp als niets bijzonders, als onderdeel van de beschaving. Want die toon en die bemoeizucht van mij, die moeten .

Vind ik het dan goed dat kinderen elkaar slaan? Nee, natuurlijk niet. Maar ik vind het ook niet goed dat kinderen om de zin ‘fuck’ zeggen, met de voeten op tafel zitten en bijna dagelijks frites en chips eten. Ik heb het allemaal meegemaakt met kinderen van Nederlanders en er nooit iets van gezegd. Zolang er niets onwettigs of moreel totaal verwerpelijks gebeurt, hou ik voortaan in alle gevallen mijn mond.

Vluchtelingen

Dit verhaal is onderdeel van het initiatief Nieuw in Nederland. Zonder financiële bijdrage van Stichting Dioraphte Bekijk hier de site van Dioraphte. Bekijk hier de site van Dioraphte. Stichting Dioraphte was dat niet mogelijk geweest.

 

januari 13, 2017Permalink

Beweging 3.0 maakt 16 miljoen vrij

Beweging 3.0 maakt 16 miljoen vrij met verkoop vastgoed

 heeft eind vorig jaar een aantal panden verkocht waarin geen meer werd verleend. Dat heeft de ouderenzorgorganisatie in totaal 16 miljoen euro opgeleverd.

Vastgoed-Fotolia-400.jpg
Foto: Fotolia

Midden december 2016 kon Beweging 3.0 al voor vijf miljoen aan panden verkopen, aan het eind van de maand werd er nog eens voor 11 miljoen euro verkocht. De werd in het jaarverslag dat de organisatie begin december deponeerde al genoemd. Toen was Beweging 3.0  ‘in een vergevorderd stadium’ met de verkoop, maar was nog onduidelijk wanneer de verkoop afgerond zou zijn.

Geld vastgoed voor herstelplan  
Het geld van de verkoop gebruikt de ouderenzorgorganisatie het geld om leningen af te lossen en het herstelplan versneld door te voeren. Er wordt voor 10 miljoen aan schulden afgelost en de overige 6 miljoen gaat onder meer naar het klaarmaken van de verpleeghuizen en –afdelingen in de regio voor zwaardere zorg. Dat de verkoop gelukt is, noemt bestuurder Lex Baaij ‘een prachtig resultaat, dat ruim boven de verwachting is uitgekomen.’ Beweging 3.0 kan volgens hem 2017 ‘met hernieuwde energie starten, het fundament van de organisatie verstevigen en nog beter focussen op de medewerkers en cliënten.’

Beweging 3.0 is een van de zorgorganisaties die op de van de IGZ staan en kreeg in oktober 2016 nog acht maanden de tijd om de zorg te verbeteren.

Beweging 3.0 heeft 2015 met een verlies van 7,5 miljoen euro afgesloten. Dat blijkt uit de jaarrekening die de ouderenzorgaanbieder onlangs heeft gedeponeerd.

Budget - fotolia - 400.jpg
Foto: Fotolia

Eind vorig jaar stond Beweging 3.0 7,5 miljoen euro in de min, blijkt uit het jaarverslag. Een jaar eerder schreef de nog zwarte cijfers: 2014 werd afgesloten met een plus van 2,1 miljoen euro. Het eigen vermogen was in 2015 bijna 23 miljoen euro, tegenover ruim 27 miljoen euro in 2014.

Verlies door wijkverpleging
De organisatie gaf met bijna 2500 medewerkers in 2015 zorg aan ruim 3800 patiënten, waarvan het grootste gedeelte (bijna 2200 mensen) uit de Zorgverzekeringswet kwam en wijkverpleging ontving. Bestuurder Ageeth Ouwehand zei in oktober al dat de wijkverpleging het grootste verlies veroorzaakte voor de zorgorganisatie. Ze gaf toen ook al aan dat Beweging 3.0 een miljoenenverlies had geleden over 2015, maar kon nog niet exact zeggen hoe hoog het precies zou uitvallen. ‘We hebben door onze doelmatige manier van werken te weinig declarabele uren achter de voordeur de reistijden zijn te lang’, zei Ouwehand in oktober. ‘We zien dit jaar het resultaat wel , maar ook voor 2016 verwachten we over de hele linie nog een tekort van miljoenen euro’s.’ De organisatie geeft in het jaarverslag aan ‘in een vergevorderd stadium’ te zijn met de verkoop van een aantal panden en percelen. Daardoor moet 2016 met een fors lager verlies worden afgesloten dan 2015. ‘Het voornemen is om dat deels vóór december 2016 te realiseren, maar er is op dit moment nog onvoldoende zekerheid of de verkopen in 2016 of 2017 gaan plaatsvinden’, staat in het verslag te lezen. Pas in 2018 verwacht het bestuur weer een positief resultaat.

Verscherpt toezicht Beweging 3.0
Beweging 3.0 is een van de zorgorganisaties die in categorie 1 op de IGZ-lijst met verpleeghuizen staat. De inspectie stelde de ouderenzorgaanbieder in oktober onder verscherpt toezicht. Beweging 3.0 kreeg toen acht maanden om de zorg zo te verbeteren dat aan de veldnormen voor wordt voldaan

 

 

januari 8, 2017Permalink

Geen gezucht met wilde lucht, maar je adem omarmen

januari 1, 2017Permalink