GGZ voor ouders met problemen

 GGZ is er voor ouders met problemen, vertrouw hun kinderen aan betrokken naasten toe

van ouders met psychische en verslavingsproblematiek – jaarlijks minstens 577 duizend –  hebben steun nodig, maar moet die per se komen van de geestelijke gezondheidszorg (ggz)? Of kan die support ook, en wellicht liever, geboden worden door naasten? Socioloog en onderzoeker Elize Lam pleit voor een ggz op gepaste afstand.

Hulp schiet tekort voor risicokinderen, kopte Trouw pas verwijzend naar een onderzoek van het Trimbosinstituut. Door falende zouden psychische problemen of verslaving van ouders vaak overgaan op hun kinderen.[1] Een stevige conclusie die te weinig recht doet aan de werkelijkheid.

Niet in de laatste plaats omdat uitsluitend gewezen wordt naar gemeenten die onvoldoende preventieve zorg voor kinderen inkopen en naar professionals buiten de ggz die richtlijnen niet volgen. Er is geen aandacht voor de ggz-volwassenenzorg die al jaren te weinig oog heeft voor de context van cliënten, laat staan ze actief ondersteunt bij hun ouderschap. Terwijl dit voor kinderen zoveel kan uitmaken, zelfs het herstelproces van hun ouders kan bevorderen.[2]

ggz  Preventie als antwoord?

De preventietak van de ggz richt zich juist sterk op de minderjarige kinderen van haar cliënten. Om problemen bij hen voor te zijn, sporen preventiewerkers hen het liefst zo vroeg mogelijk op. Ze willen deze ‘nog-geen-patiënten’ [3] toeleiden naar programma’s waar ze met de ouderproblematiek leren om te gaan. Zo kunnen vierjarigen al meedoen aan lotgenotenclubs, zijn er ‘doe-praatgroepen’ vanaf zes jaar, cursussen en talloze hulpsites.[4]

Nederland is internationaal gezien koploper met haar gestandaardiseerde preventieaanbod, maar de doelgroep benut het nauwelijks. Pogingen om dit te veranderen zijn al jaren onsuccesvol. Dat veel jeugdigen lastig te motiveren zijn om ook in hun (soms spaarzame) vrije tijd met de ouderproblematiek bezig te zijn, en zich vaak niet willen identificeren met de ggz, de wereld van de ouder, lijkt preventiewerkers en andere professionals te ontgaan. Ook de claim van de ggz dat veel ontwikkelde interventies effectief zijn, vindt onvoldoende onderbouwing.[5]

Het professionele systeem wijst terecht op het belang om deze minderjarigen vroegtijdig op te merken en te ondersteunen. Maar is het ook wenselijk dat zij rechtstreeks doelgroep worden van de ggz omdat er iets aan de hand is met hun vader of moeder? Hoewel het veel van kinderen kan vragen om evenwicht te vinden in een onrustige thuissituatie, redt twee op de drie het zonder grote problemen.

Wat ouders mankeert, blijkt uiteindelijk niet doorslaggevend voor hoe het hun kinderen vergaat. Anders zou elk kind in hetzelfde gezin of met een ouder met eenzelfde soort diagnose dezelfde weg afleggen. Veel bepalender is hoe risico- en beschermende factoren van kind, ouders en omgeving op elkaar inwerken. Oftewel, de context waarbinnen een kind opgroeit, speelt mee, maar ook diens persoonlijkheid, hoe het reageert op stress en wie er om hem heen staan.

Netwerk biedt toegang tot ‘lichtere’ werkelijkheid

Essentieel voor een gezonde van een kind, is dat het kind kan zijn. Dat geldt ook voor de kinderen van psychiatrisch zieke en verslaafde ouders. Maar dat schiet er nogal eens bij in. Een betrokken netwerk kan juist dat kind-zijn faciliteren.

Opmerkzame volwassenen, liefst langdurig betrokken, kunnen het verschil maken – denk daarbij aan de ouders van een vriendje, een tante of een buurvrouw. Naasten voor wie het kind en niet de ouderproblematiek maar de onderlinge relatie vertrekpunt is en die in tegenstelling tot hulpverleners het gewone delen: samen naar de markt gaan, een spelletje doen maar ook een luisterend oor bieden als kinderen willen praten. Naasten die rekening houden met hun individualiteit.

Via betrokken netwerkleden kan het kind toegang krijgen tot een andere, lichtere werkelijkheid, en opveren zoals de Franse  Cyrulnik treffend zegt.[6] Alleen al te weten dat er iemand beschikbaar is, die weet wat er thuis speelt, geeft kinderen rust. Netwerkleden kunnen dienen als natuurlijke veerkrachtbeschermers, mits hun betrokkenheid de juiste intenties kent en hun steun aansluit op de behoefte van het kind. Bovendien moet het netwerk de kans krijgen om zijn plek in te nemen maar daar gaat het nog weleens mis.

Liefdevolle en duurzame relaties zijn heilzaam

Wetenschappelijk gezien staat het belang van sociale steun als beschermende factor voor deze kinderen als een huis. Dat erkent ook de ggz.[7] Om de impact van naasten voor hen te vergroten, moet het professionele systeem en het beleid het netwerk echter veel meer dan nu als essentiële partij erkennen. Niet vanuit een instrumentele overtuiging – minder middelen voor professionele inzet en – maar vanuit een fundamenteel weten dat liefdevolle en duurzame relaties met naasten heilzaam zijn.[8] Dat voorkomt de inzet van dure standaardinterventies.

Soms is een professional tijdelijk nodig om het netwerk aan te moedigen of te begrenzen. Ouders zijn daartoe niet altijd in staat. Af en toe kijkt diezelfde omgeving weg of heeft niet het beste met een kind voor, of onderschat ze haar potentieel door te veronderstellen dat wat zij te bieden heeft schril afsteekt tegen de mogelijkheden van professionals die ervoor gestudeerd hebben. Soms komt de steun van onbekende vrijwilligers omdat het netwerk uitgedund of overbelast is. Ook zij kunnen als steungever heel waardevol zijn.[9]

Focus op de ouders

Laten hulpverleners van de ggz en daarbuiten zich allereerst en vooral richten op de ouders met problemen (en hun partners), en hen adequaat ondersteunen bij hun ouderschap. Dat gebeurt nog veel te weinig, al zijn er enkele goede uitzonderingen.[10]

Het is niet nodig om kinderen standaard te behandelen, om de keten ‘van depressie’ te doorbreken.[11] Die kan ook worden doorbroken doordat ouders hun problemen te boven komen, of er zo mee om leren gaan dat ze er voor hun kinderen kunnen zijn, of doordat kinderen voldoende kunnen beschikken over omgevingsbronnen.

Laat professionals kinderen alleen rechtstreeks helpen wanneer ze vastlopen of als de hulpbronnen opdrogen. Dat vraagt lef en adequaat aansluiten bij ouders en kinderen. Ieder kind balanceert tenslotte op z’n eigen manier.

Elize Lam is socioloog, verbonden aan het associate lectoraat Informele netwerken en Laatmoderniteit van de Christelijke Hogeschool Ede en werkzaam als senior adviseur bij Stade Advies. Haar boek ‘Risicokind of evenwichtskunstenaar? Kind zijn ondanks een moeilijke thuissituatie’ verscheen dit najaar bij Scriptum. 

 

Bronnen:

[1] Oosterom, R. (2017, 15 februari). Hulp schiet tekort voor risicokind, Trouw.

[2] Van der Ende, P. C. (2016). Vulnerable parenting: A study on parents with mental health problems: Strategies and support. Groningen: Hanze University of Applied Sciences Groningen

[3] Abma, R, Jansz, J en van Drunen, P. (2001). Psychologische praktijken in: Jansz, J. & Drunen, van. P. redactie(2001). Met zachte hand. Opkomst en verbreiding van het psychologisch perspectief. 3e druk. De Tijdstroom, Leusden. pp17-36

[4] www.koppkvo.nl

[5] De enige twee interventies die wetenschappelijk onderzocht zijn betreffen ‘De ouder-baby interventie’ van Van Doesum en de doe-praatgroep voor 8-12 jarigen door Van Santvoort. Deze laatste groepsinterventie bleek slechts gedeeltelijk effectief en er bleek geen verschil te zijn in het bereiken van het hoofddoel  tussen onderzoeks- en controlegroep. Santvoort, F. van (2012). Support groups for children at risk. A study on risk levels and intervention effects in children of mentally ill or addicted parents. Proefschrift,  Radboud universiteit Nijmegen. Zie ook Zoon, M. & Berg, T. (2014:2,3). Wat werkt voor kinderen van ouders met psychische problemen? Nederlands Jeugdinstituut over effectiviteit interventies.

[6] Cyrulnik, B. (2002). Veerkracht. Over het overwinnen van jeugdtrauma’s. Ambo. Amsterdam; Cyrulnik, B. (2004). Spoken uit het verleden. Leven na een jeugd zonder warmte. Ambo. Amsterdam.

[7] Zie www.koppkvo.nl

[8] Zie bijvoorbeeld Perry, B. & Szalavitz, M. (2007:37-38). De jongen die opgroeide als hond en vele andere verhalen uit het dagboek van een kinderpsychiater. Scriptum Psychologie. Schiedam

[9] Zoals Big Brothers Big Sisters of een steungezin van Buurtgezinnen.nl.

[10] Bijvoorbeeld de methodiek “Ouderschap met Succes en Tevredenheid” (OST)

[11] Mierau, J. (2016, 13 december). Stop keten van depressie: begin bij kinderen. Geraadpleegd op 17 februari 2017.

 

Foto: Stephan Hochhaus (Flickr Creative Commons)

februari 24, 2017Permalink

Rouw bij kinderen, kunnen ze zich aanpassen?

kunnen zich heel goed aanpassen aan een ongelukkige gezinssituatie. Fijn voor de volwassenen, maar niet altijd goed voor het kind. In deze mooie radiodocumentaire (38 minuten) ontdekt Sara Kolster wat de van haar kleine zusje met haar deed toen zij zelf nog een kleuter was. Deze documentaire opent  je ogen voor bij kinderen.
Correspondent Kinderomgang
Marilse EERKENS
Documentairemaakster Sara Kolster (rechts in beeld) op haar vijfde verjaardag, met naast haar zusje Anna. Foto: uit privéarchief Sara Kolster

‘Vroeger dacht ik dat volwassenen niet deden huilen. Maar nu weet ik dat dus wel.’

We horen een tienjarige jongen in de radiodocumentaire Beluister hier de radiodocumentaire Toen ik vijf was.Toen ik vijf was. Die is gemaakt door de journalisten Lees hier meer over het werk van Sara Kolster.Sara Kolster en Bekijk hier de website van Laura Stek.Laura Stek en gaat over het verliezen van een broer of zus op jonge leeftijd. Kolster (38) maakte het zelf mee toen zij net vijf jaar oud was: een paar dagen na haar verjaardag stierf plotseling haar driejarige zusje Anna.

Haar omgeving merkte weinig aan Sara, vertelt ze in Toen ik vijf was. Haar oom herinnert zich dat ze juist veel lucht bracht op de zware momenten: ‘Jij danste rond de kist.’ Toch kan Kolster niet geloven dat de dood van haar zusje geen invloed heeft gehad op haar leven. ‘Een stem in mij zegt: ‘Je moet toch wel verdrietig zijn geweest’.’

Dus als haar eigen dochter vijf jaar oud is, besluit ze met Stek dieper in het onderwerp te duiken. Wat is de impact van het verliezen van een broer of zus op jonge leeftijd? Ze spreekt haar eigen familie, met haar dochter van vijf, met een oude kleuterjuf én met een aantal kinderen die ook een broer of zus hebben verloren toen ze kleuter waren.

Veel behoefte aan contact

‘Waar was jij toen Anna doodging?’ ‘Waarom staat Anna veel vaker op de foto dan jij?’ Kolster heeft geen antwoorden op de vragen van haar vijfjarige dochter. De gesprekken met haar moeder zijn net zo pijnlijk. Ze heeft Sara niet kunnen bieden wat ze nodig had toen Anna net dood was.

Haar moeder heeft Sara vooral op een praktische manier geholpen. Ze regelde zo veel mogelijk afspraakjes voor haar. Dan hoefde ze zich even minder met haar bezig te houden. Iets waar Sara wél behoefte aan had, zo blijkt. Haar moeder vertelt namelijk dat Sara voortdurend in haar buurt was. Als ze aan het strijken was. Als ze vriendinnen op bezoek had. ‘Dan dacht ik: ‘Meisje, even weg, even afstand’.’

‘Kun je je voorstellen dat ik jou gemist heb?’ vraagt Sara aan haar moeder.

‘Dat je mij emotioneel gemist hebt bedoel je?’, vraagt haar moeder. ‘Ik denk het wel.’

Razendsnelle aanpassing

Kinderen passen zich razendsnel aan. Dat maakt Toen ik vijf was heel knap duidelijk. Sara valt haar ouders als kind nooit lastig met vragen over haar dode zusje. ‘Je wilt je moeder niet aan het huilen maken. Ik werd geacht dat verdriet weg te nemen, denk ik.’

Ook de geïnterviewde kinderen geven aan moeite te hebben met het verdriet van hun ouders. Ze zouden de ellende het liefst voor ze oplossen. ‘Als ik groter zou zijn, zou ik papa erbij helpen,’ zegt een meisje. Ze vertelt dat ze haar vader wel ziet huilen, maar dat hij dan altijd zegt dat dit niet zo is.

Ook Yuki, het dochtertje van Sara, spreekt weloverwogen over haar dode tante. Ze lijkt met haar woorden de dood te willen verzachten voor haar moeder. Zo beschrijft ze het doodgaan van Anna niet als doodgaan maar als ‘een beetje doodgaan.’

Rouw is nooit verwerkt

‘Wat ik echt geleerd heb van deze ervaring, is dat je heel erg moet oppassen dat je het gedrag van kinderen niet verkeerd interpreteert,’ zegt Kolster als ik haar aan de telefoon heb. ‘Uitspraken als ‘het is een voorbeeldig kind’ moet je altijd grondig onderzoeken. Is dat wat wij als volwassenen willen zien, of is dat wat er echt aan de hand is?’

Ze hoopt met haar documentaire het onderwerp rouw wat meer op de kaart te zetten. De dood van een familielid is namelijk iets waar je over moet blijven praten. Het is niet iets wat je uit de weg moet gaan, vindt ze. ‘We noemen het rouwverwerking, maar dat is een verkeerd woord. Je verwerkt het niet. Rouw komt altijd weer terug.’

Voor haar vader en moeder heeft de documentaire goed uitgepakt. In het dorp waar ze wonen, is er weer aandacht voor de dood van Anna. En die aandacht en dat praten erover, dat doet ze goed.

februari 19, 2017Permalink

Vergeten kun je leren. Leven met dementie

-activist en Dementiedagboekhouder Leo houdt zich met een flinke dosis positiviteit staande in een samenleving van mensen die hem vanwege zijn ontwijken of juist omarmen. Zijn tips voor omgaan met zijn ook handig als je geen dementie hebt.  Vergeten kun je leren. Leo geeft raad over met dementie
Correspondent Oud worden.

Heiba TARGHI BAKKALI

‘Soms hebben de dingen die je zegt nog maar een helft of een kwart van de waarde. Dat doet wel pijn,’ zegt Leo (1933) over hoe anderen soms reageren op zijn dementie.

Als het aan Leo ligt verandert dit. Daarom schudt hij honderden handen, doet hij zijn verhaal op podia en komt hij voor in twee boeken  en tal van krantenartikelen.

Zo werkt hij ook mee aan mijn project, de Dementiedagboeken,  waar inmiddels vijftien mensen met dementie aan meedoen, wekelijks komt er iemand bij. Met hun spraakberichten “schrijven” ze mee in mijn journalistieke agenda. 

Leo wil beslist niet dat zijn identiteit uitsluitend gedefinieerd wordt door zijn rotziekte: alzheimer. Hij is zoveel meer dan dat.

Hij is echtgenoot, hij is vader, hij is opa, hij heeft ook zijn hele leven gewerkt in de bouw. Eerst als timmerman, later als architect en ten slotte als bouwkundig adviseur. Hij is sociaal bewogen, kunstzinnig en spiritueel ingesteld. (Luister maar)

De Dementiedagboeken
Leo vertelt  Vergeten kun je leren. Leo geeft raad over leven met dementie
SoundCloud

Montage: Romanee Rodriguez

Leo’s lessen

Acht jaar geleden is bij Leo de ziekte van Alzheimer vastgesteld. Hij besloot niet bij de pakken neer te zitten, want dat past niet bij hem. Dus werd hij alzheimer-activist met alzheimer en leert hij nu anderen over zijn ervaring.

Zijn lessen uit jarenlang leven met dementie heeft hij samengevat in Alzheimer voor beginners - een zelfgemaakte brochure.  Dit boekje is bedoeld als reddingsboei voor mensen die ernstig beginnen te vergeten, door alzheimer maar ook door andere soorten dementie. Wat verrast is dat Leo’s lessen ook voor mensen zónder dementie nuttig kunnen zijn.  Zijn eerste en allerbelangrijkste les uit zijn brochure is dat je je probleem, het vergeten, meteen onder ogen moet zien. Dementie, dat kun je maar beter accepteren.

Gemiddeld leven mensen met dementie acht tot tien jaar met hun diagnose. Meestal is alleen de laatste fase van één à twee jaar bar en boos, maar in de praktijk associëren veel mensen de ziekte hiermee. In de periode daarvoor wonen de meeste mensen met dementie gewoon thuis. Maak er het beste van, raadt Leo aan. ‘Kies dus voor blijdschap.’

Hoewel hij acht jaar geleden de diagnose alzheimer kreeg, is hij heel mondig en maakt hij een scherpe indruk. Het is dat hij mij bij onze eerste ontmoeting vertelde dat hij dementie heeft, anders zou ik het misschien niet gemerkt hebben. Althans, niet meteen.

Nu ik Leo wat langer ken, merk ik wel wat van zijn vergeten. Als ik hem iets vertel, schrijft hij dat op in zijn jaloersmakend nette handschrift. Soms gebruikt hij een ongebruikelijk woord om iets te beschrijven, maar ik weet wel gelijk wat hij bedoelt. Sommige vragen ontwijkt hij soepel door van onderwerp te veranderen.

Waarom je tijdig actie moet ondernemen als je begint te vergeten

Dat mensen die beginnen te vergeten dat liever stilhouden is niet zo vreemd. Dementie is omgeven door stigma’s en taboes, waar je als mens met dementie dagelijks mee geconfronteerd wordt. Maar, zegt Leo: ‘Ik durf te zeggen dat iedereen bij jou in de straat het allang weet. Je kan het wel ontkennen, maar ze merken toch wel dat je veel vergeet.’

Maar juist heimelijkheid over beginnende dementie houdt de vooroordelen in stand, constateert Leo. ‘Als iedereen open over zijn dementie zou zijn, zou het schelen.’

‘Als je merkt dat je begint te vergeten moet je meteen aan de slag, metéén,’ zegt Leo, ‘nu kun je nog dingen leren. Als je twee jaar wacht, kun je het absoluut niet meer leren. Leren is met alzheimer heel moeilijk, omdat je het niet onthoudt.’

Er als de kippen bij zijn is een zinnig advies, want ingesleten gewoontes en routines blijven beter hangen bij mensen met dementie. Zo werkt het brein nu eenmaal. Alzheimer veroorzaakt bovendien nog een obstakel. Om een routine te kunnen bedenken heb je hersencapaciteit nodig in het deel van het brein dat met name de ziekte van Alzheimer aantast: het bovenbrein. In dit deel van het brein wordt je vermogen om te denken en te kiezen aangestuurd.

‘Ik maak me geen illusies over hoe het voor mij zal eindigen’

Leo leerde zichzelf een aantal routines aan in de tijd dat hij net begon te vergeten. Daar heeft hij nog steeds veel plezier van. Hij haalt ter illustratie een bakje met verzorgingsproducten uit de badkamer. ‘Dit heb ik ’s morgens nodig als ik me ga wassen,’ zegt hij. ‘Het is mijn systeem om niet te vergeten wat ik ’s ochtends al wel of nog niet heb gebruikt.’

De spullen, waaronder een tandenborstel, douchegel, deodorant, bodylotion en een haarborstel, haalt hij één voor één uit het bakje. En als hij klaar is, gaan ze weer terug in het bakje voor de volgende dag.

Leo heeft meer handigheden, zo zitten zijn portemonnee en sleutels met keyback  aan zijn broek gegespt en heeft hij een vaste plek voor zijn spullen.

‘Ik heb mezelf nog iets aangeleerd,’ zegt Leo. ‘Elke ochtend maak ik de douchecabine schoon met een wisser. Ik heb dat een keer een glazenwasser zien doen en vervolgens probeerde ik het net zo snel te doen als hij. Terwijl ik dat deed moest ik om mezelf lachen.’

Dagen achter elkaar herhaalde Leo steeds dezelfde handeling, totdat deze erin sleet. ‘Ik hoef de wisser maar beet te pakken en ik begin al te lachen. Best idioot, vind ik, als je erover nadenkt. Maar goed, dit is waarom ritme dus zo belangrijk is.’

‘Onbenullig’ klinken zijn voorbeelden, vindt Leo. ‘Maar, alles bij elkaar genomen zijn deze manieren essentieel om zo lang mogelijk zelfstandig te kunnen leven met dementie.’

Hoewel Leo positief in het leven staat, beseft hij terdege waar het voor hem, waarschijnlijk, zal eindigen: zittend in een stoel, niet langer beseffend wie hij is en wat hij hier doet. ‘Ik maak me daarover geen illusies,’ zegt hij.

Hoe anderen op je kunnen reageren als je zegt dat je dementie hebt

‘Diverse kennissen nemen mij niet serieus als ik zeg dat ik gediagnosticeerd ben met alzheimer,’ zegt Leo. ‘Een kennis zegt op de thee dingen als ‘ach, schei toch uit, je hebt helemaal geen alzheimer.’ Ik zeg voortaan dat dit mij pijn doet, dat is ook zo, al sta ik erboven.’

Leo legt uit dat het vooral pijn doet omdat de houding van anderen over zijn dementie doorwerkt in alles wat er beslist wordt. Leo vindt het vervelend dat ‘heel wat mensen’ afstand van hem houden omdat hij alzheimer heeft.

‘Je kunt het al aan iemands houding zien. Als je alzheimer hebt, dan ben je beladen. Dat is gewoon de realiteit, je hoeft je niks wijs te maken.’ Hij probeer ‘gewoon zichzelf’ te blijven. ‘Als ik op een nieuwjaarsfeestje ben, sta ik met iedereen te lullen en heb ik geen schroom over mijn alzheimer.’

Veel mensen met dementie krijgen steeds dezelfde reacties als ze vertellen dat ze dementie hebben. Een veelgehoorde reactie is volgens Leo: ‘ach, ik vergeet ook weleens wat’ of ‘ik ben ook ouder.’ ‘Ik ben dat inmiddels wel gewend, ik reageer er niet meer op,’ schokschoudert hij.

Hij praat liever met jonge mensen, omdat zij er volgens hem over het algemeen wél goed mee omgaan als ze horen dat je alzheimer hebt. Lachend: ‘Het kan zijn dat ik ze een beetje inpak, hoor. Eerst moet je een goede bodem leggen om zoiets te kunnen vertellen. Ik vraag eerst: ‘En? Wat hebben jullie gestudeerd vandaag?’ Dan praten we een poos, en dán vertel ik pas dat ik ook lekker bezig ben met studeren met alzheimer. Dan lachen ze en is het in orde.’

Het inpakken is essentieel om het gesprek prettig te laten verlopen, meent hij. ‘Als je dat niet zou doen, en meteen zou vertellen dat je alzheimer hebt, dan kun je het helemaal vergeten, je wordt dan afgeschreven. De meeste mensen praten niet met je als ze vooraf weten dat je alzheimer hebt, alsof je iets besmettelijks hebt.’

Hij merkt ook dat zijn levenslange ervaring als bouwkundige mensen niets meer zegt. Zijn adviezen over hoe om te gaan met het onderhoud van zijn appartementencomplex worden in de wind geslagen door de bewonerscommissie, merkt hij. ‘Ik laat het maar los, het moet wel, anders zou je geen leven hebben,’ zegt hij op zachte toon.

Wat Leo van de sociale obstakels in algemene zin vindt? ‘Dat is nu eenmaal de realiteit, zo is de maatschappij nu eenmaal,’ reageert hij. ‘Daar moet je mee om leren gaan, je moet het accepteren. Je moet er heel open instaan om daar geen last mee te krijgen. Wat ik heb geleerd is bij jezelf te blijven.’

Tot slot: wat kun je zelf doen als je dementie krijgt?

Leo heeft nog een paar tips voor wie dementie krijgt:

1. Wees optimistisch

Het is vooral belangrijk te kiezen voor blijdschap, stelt Leo. ‘Blijdschap levert blijdschap op.’ Het alternatief, boosheid, zorgt voor een negatieve spiraal waardoor je eerder angstig wordt, vindt hij. ‘Je moet niet over jezelf inzitten. Ik vind helemaal niet dat ik zielig ben en daarom heb ik ook geen angst.’ Volgens Leo moet je het ook wel een beetje in je hebben, die positieve inborst. ‘Als je het niet in je hebt, kun je eraan werken om het meer te krijgen, door verschillende strategieën uit te proberen. Blij zijn en optimisme zorgen dat je overeind blijft.’

2. Stop op tijd met autorijden

Stoppen met autorijden is voor de meeste mensen met dementie moeilijk te accepteren. Leo merkte op een gegeven moment dat hij moe werd van autorijden en minder geconcentreerd achter het stuur zat. ‘Als je slecht autorijdt, moet je daar gewoon mee stoppen. Ik heb zelf bepaald dat ik stopte met autorijden.’

3. Zoek rust op

‘Als we klaar zijn met praten ga ik mezelf terugtrekken om te mediteren,’ zegt Leo tijdens ons gesprek. ‘Dat is mijn manier om weer op te laden, ik krijg dan weer energie.’ Volgens hem is mediteren vooral voor mensen met dementie heel belangrijk. ‘Het helpt je om je gedachten te ordenen.’

4. Ga de natuur in, beweeg

Volgens Leo heeft de natuur in gaan hetzelfde, reparerende, effect. ‘In de natuur kun je in stilte met aandacht kijken naar de natuur, dat zorgt dat zorgen van je afglijden. Spinoza zei niet voor niets dat God en de natuur hetzelfde is.’ De natuur in gaan, gaat ook hand in hand met bewegen, waar Leo groot pleitbezorger van is. ‘Als je beweegt, doet alles het beter.’

Bij geen van de deelnemers aan de Dementiedagboeken vermelden we de achternaam. De volledige namen zijn bekend bij de hoofdredactie.

februari 12, 2017Permalink

Shine bright like a diamond

belonging > Shine bright like a diamond (een modern organisatiesprookje) | leiderschapShine bright like a diamond

Er was eens, lang, lang geleden een echtpaar. Ze verzamelden graag stenen. In de bergen, in mijnen, op verlaten weggetjes – op de meest onverwachte plekken kwamen ze mooie stenen tegen. Amethist, tijgeroog, rozenkwarts, opaal, barnsteen, robijn – van alles hebben ze al gevonden.

Op een dag vond de vrouw een steen. Niet bijzonder mooi, niet volmaakt rond, het had niet de explosieve schoonheid van een bergkristal of het vertederende roze van een rozenkwarts. Niet de spanning van het tijgeroog. En toch had het iets waardoor de vrouw het mee naar huis nam.

De man keek ernaar en trok een minachtend gezicht. Moest deze steen in hun collectie? Het was niet perfect van vorm, niet volmaakt geslepen door de natuur, het had geen bijzondere kleur. Nee, er was geen plek voor de steen. De vrouw had het nog geprobeerd: maar juist met zijn imperfectie had deze steen iets betoverends, iets charmants? Het mocht niet tussen de andere stenen staan. De man gooide de steen zo ver weg als hij kon. De vrouw haalde het stiekem weer op. Met enige vertedering constateerde ze dat de steen niet beschadigd was. Ze legde het op de weg. Misschien zou iemand anders de steen vinden en het een kans geven, dacht ze.

De steen zwierf daarna tientallen jaren. Dan weer in de zak van een avontuurlijke jongen, dan weer in de handen van verliefden die hun namen in bomen kerfden met hem, dan weer tussen de stof op verlaten bergweggetjes. Hij werd gegooid, gerold, geschopt. Ondertussen kleefde er steeds meer vuil aan hem. En zo voelde hij zich ook. Waardeloos, nietig, vuil, onbruikbaar. Hij had er vrede mee als hij voor eeuwig ergens aan de kant van de weg zou liggen. Om geschopt of vergeten te worden.

Op een dag kwam er een Kenner langs. Hij liep dwalend rond, aandachtig, met een dromerige blik in zijn ogen. Hij pakte stenen op, bekeek ze, aaide ze, praatte tegen ze. De steen negeerde de Kenner. Hij was bang voor hem. En hij haatte hem. Weer iemand die hem zou schoppen, weggooien, hem voor waardeloos en nutteloos uitmaken. Geen vorm, geen kleur, geen stijl. Ja, dat soort woorden kende hij maar al te goed.

De Kenner pakte de steen op. Voelde met zijn vingers aan alle kanten, hield het tegen zijn gezicht, tegen de zon. Hij poetste het op met een doekje. En diep in zijn hart wist hij het al. Dit is wat hij zocht. Dit was een schat. Waardevol. Onbetaalbaar. Dat zij hij ook tegen de steen: je bent waardevol. Nu nog een ruwe diamant, maar straks schitterender dan mijn mooiste steen. De steen antwoorde: nee, je vergist je. Ik ben een waardeloos stuk glas, gooi me maar weer weg. Dat weet ik zeker. Dat hebben al honderden mensen tegen me gezegd. Ze hebben me geschopt, weggegooid, genegeerd. Echt, ik ben niets waard.

De Kenner keek mild naar de steen en zei: het feit dat je genegeerd, bevuild en miskend bent, doet niets af aan het feit dat je een diamant bent. Je wezen kan niemand veranderen. Je bent het gewoon. En hij liep glimlachend weg. Met de steen in zijn hand.

…Misschien voel jij je vaak ook zo: vernederd, miskend, niet gezien, niet gewaardeerd. Niet door je leidinggevende, niet door je collega’s en misschien niet eens door jezelf. Dit sprookje over mensen en stenen (of misschien over organisaties en talenten?) draag ik aan jou op. Ik gun jou een Kenner J

februari 11, 2017Permalink

Een op de elf huishoudens onder lage-inkomensgrens

Het aantal huishoudens dat vier jaar of langer van een inkomen onder de lage-inkomensgrens moest rondkomen nam in 2015 toe met 27 duizend tot 221 duizend.

Een op de elf huishoudens onder lage-inkomensgrens

Het totaal aantal huishoudens met een inkomen onder de lage-inkomensgrens is in 2015 nagenoeg gelijk gebleven. Dat meldt het CBS op basis van nieuwe, herziene cijfers. Inkomensgegevens van 2016 zijn nog niet bekend.

Van armoede, of beter gezegd inkomensarmoede, is sprake als het inkomen niet voldoende is om een bepaald consumptieniveau te realiseren dat in Nederland als minimaal noodzakelijk wordt geacht. Het CBS maakt voor het meten van armoede gebruik van de lage-inkomensgrens. Deze grens lag in 2015 op 1030 euro per maand voor een alleenstaande en op 1930 euro voor een echtpaar met twee kinderen. Inzichten over wanneer er sprake is van armoede, zijn subjectief. Daarom spreekt het CBS niet van arme huishoudens, maar van huishoudens met een laag inkomen of van huishoudens met risico op armoede.

Een op de elf huishoudens heeft inkomen onder lage-inkomensgrens

Van de ruim 7 miljoen huishoudens in 2015 moest 8,8 procent (626 duizend huishoudens) rondkomen van een inkomen onder de lage inkomensgrens en liep daarmee risico op armoede. Dit is net zoveel als in 2014. In 2014 daalde het aantal huishoudens met een laag inkomen nog met 21 duizend. Het aantal huishoudens dat al ten minste vier jaar van een laag inkomen moest rondkomen steeg in 2015 tot 221 duizend (3,3 procent van alle huishoudens).

Methodewijziging
Cijfers over inkomen zijn doorgaans binnen een jaar na afloop van de verslagperiode bekend. Omdat de inkomensstatistiek is herzien zijn nieuwe cijfers over inkomen en armoede drie maanden later uitgekomen dan gebruikelijk. De herziening ging gepaard met een neerwaartse bijstelling van het aantal huishoudens onder de lage-inkomensgrens. Voor 2014 ging het hierbij om een aanpassing met 85 duizend huishoudens ( 1,2 procentpunt). Voor een groot deel is dit toe te schrijven aan een flinke opwaardering van het voordeel dat huishoudens ontlenen aan eigenwoningbezit. Eigenwoningbezitters worden hierdoor minder vaak dan voorheen tot de groep met (langdurig) een laag inkomen gerekend.

Eerder heeft het CBS gerapporteerd over de groei van het bbp en conjuncturele ontwikkelingen in de eerste drie kwartalen van 2016. Wat de invloed hiervan is op het aantal huishoudens onder de lage-inkomensgrens is nog niet bekend.

Een op de vier eenoudergezinnen heeft laag inkomen

Onderscheiden naar samenstelling van het huishouden krijgen eenoudergezinnen met minderjarige kinderen het vaakst te maken met risico op armoede. Ruim een kwart van de eenoudergezinnen moest in 2015 rondkomen van een laag inkomen, minder dan voorgaande jaren. De daling kan deels worden verklaard door de verhoging van het kindgebonden budget voor alleenstaande ouders in 2015, waardoor de koopkracht van alleenstaande ouders met betaald werk toenam.

In 2015 leefde 1 op de 12 eenoudergezinnen met minderjarige kinderen al minstens vier jaar achtereen onder de armoedegrens. Dit was 0,3 procentpunt meer dan in 2014.

320 duizend kinderen met risico op armoede

In totaal groeiden in 2015 ruim 320 duizend minderjarige kinderen op in een huishouden met een laag inkomen. Voor 125 duizend van hen was dit het vierde jaar achtereen, 8 duizend meer dan in 2014. Vier op de tien van deze kinderen groeiden op in een eenoudergezin en zes op de tien maakten deel uit van een bijstandsgezin

februari 9, 2017Permalink

‘IGZ moet verpleeghuizen meer coachen’

‘IGZ moet verpleeghuizen meer coachen’

De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) zou verpleeghuizen met kwaliteitsproblemen meer moeten coachen om de kwaliteit te verbeteren. Te veel nadruk op sancties werkt verkrampend bij verpleeghuizen, zegt PvdA-Kamerlid Marith Volp.


VolpMarith-foto2.jpg

‘Uit angst voor sancties van de IGZ, zie je dat verpleeghuizen krampachtig reageren’, zegt PvdA-Kamerlid Volp aan de vooravond van het Algemeen Overleg over verpleeghuizen op 8 februari. ‘Ze nemen intern maatregelen om vooral de zaken rond basisveiligheid goed te regelen. Natuurlijk moet de IGZ sanctionerend optreden als het ergens echt niet goed gaat. Maar het zou goed zijn als de IGZ de verpleeghuizen ook meer coacht en begeleidt bij het verbeteren van de kwaliteit.’

Domotica vrijheidsbeperkend
Niet alle onderdelen waarop de IGZ controleert, zijn volgens Volp even zinvol. ‘Neem vrijheidsbeperkende maatregelen. Daar valt volgens de IGZ ook domotica onder, terwijl verpleeghuizen die juist gebruiken om de bewegingsvrijheid van bewoners te vergroten. Mijn collega Carla Dik Faber (ChristenUnie) noemt vaak het voorbeeld van een man die met een riem op zijn stoel wordt gehouden, zodat hij mee kan eten met de overige bewoners. Maar dat valt onder vrijheidsbeperkend. Ik zie liever dat die man aan tafel kan mee eten dan dat het verpleeghuis hem op zijn kamer houdt uit angst dat hij valt. Er zijn nu zogeheten ‘tentbedden’ in verpleeghuizen, waarin bewoners veilig kunnen slapen. Maar die vallen strikt genomen ook onder vrijheidsbeperkend.’

Meer openheid over kwaliteit
De leden van ActiZ zouden op hun beurt meer openheid moeten bieden over kwaliteit, meent Volp. Vorige week werd bekend bijna dertig procent van de ActiZ-leden geen toestemming heeft gegeven om informatie over basisveiligheid in verpleeghuizen openbaar te maken. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft die informatie verzameld in het najaar van 2016 door alle verpleeghuizen een vragenlijst toe te sturen. De vragen gingen over medicatie, hygiëne, gebruik van vrijheidsbeperkende maatregelen en gebruik van psychofarmaca. Over de uitvraag ontstond gedoe tussen verpleeghuizen en de IGZ, die zelfs uitmondde in een tijdelijke boycot van verpleeghuizen bij de aanlevering van informatie aan de IGZ. ‘Die reactie van ActiZ maakt duidelijk dat er werk aan de winkel is voor de IGZ en ActiZ. Ze moeten samen helder krijgen wat de IGZ precies moet meten voor de kwaliteit van . De IGZ kan beter aangeven hoe ze verpleeghuizen kan helpen de kwaliteit te verbeteren.’

Extra geld, extra opleiden
De roep van ActiZ om meer geld voor extra personeel, vindt Volp te kort door de bocht. ‘Ik hou er rekening mee dat er meer geld nodig is dan de 100 miljoen euro die de staatssecretaris nu beschikbaar heeft gesteld. De NZa rekent nu uit hoeveel dat is. Ik zou dat graag willen afwachten. Ik hoop dat we dit in de Kamer buiten partijpolitiek kunnen houden. De problemen in de ouderenzorg los je echt niet op met een extra zak geld. Het is vooral belangrijk dat er een plan komt om te zorgen dat er voldoende personeel wordt opgeleid.’

Reactie IGZ
Een woordvoerder van de IGZ laat in een reactie per mail weten dat het uitgangspunt dat instellingen blijvend leren, zodat de veiligheid wordt gewaarborgd en de kwaliteit verbetert. ‘Maar als een zorgaanbieder roekeloos gedrag vertoont, niet leert van fouten of de wet overtreedt, aarzelen we niet een strengere maatregel te nemen. Dat doen we proportioneel, transparant en afgestemd op de ontwikkelfase van de zorgaanbieder, in het belang van goede zorg.’

Verplichte openbaarmaking
Over het gegeven dat 28 procent van de ActiZ-leden geen toestemming heeft gegeven voor openbaarmaking van de antwoorden op de vragenlijsten, merkt de IGZ op dat er voor 2016 geen verplichting was. Ook waren niet alle verpleeghuizen en thuiszorgorganisaties verplicht de vragenlijst in te vullen. Instellingen die meedoen aan het verbeterprogramma ‘Waardigheid en Trots’ waren vrijgesteld. Deze instellingen proberen andere manieren uit om informatie aan te leveren over de kwaliteit en veiligheid van de zorg die zij leveren. Sommigen kozen ervoor toch de vragenlijst in te vullen. Vanaf 2017 is de vrijblijvendheid er overigens vanaf. Alle verpleeghuizen moeten dan mee doen. De openbaarmaking verloopt dan niet via de IGZ, maar via het Zorginstituut Nederland

februari 7, 2017Permalink

Wat zijn mijn rechten als nieuwkomer in Nederland?

De Syrische journaliste Linda Belal vluchtte anderhalf jaar geleden naar Nederland. Voor het initiatief Nieuw in Nederland schrijft ze over haar ervaringen bij het opbouwen van een nieuw bestaan. Wat zijn mijn rechten als nieuwkomer in Nederland?

Dick Wittenberg Correspondent Nieuw in Nederland
 Ik wil een journalistieke site oprichten, maar kan volgens een ambtenaar beter gaan schoonmaken. ‘Dat is een beroep waar je niet veel ervaring bij nodig hebt en het is trouwens goed voor vrouwen.’
Ga maar leren schoonmaken. Of hoe ik na mijn stad ook mijn beroep verloor
Journalist
LindaBelal

Dinsdagochtend had ik mijn eerste afspraak met een ambtenaar van de gemeente. Het was mijn eerste officiële ontmoeting met iemand van de overheid. Dat gaf mij het gevoel dat ik op de juiste weg was onderdeel van deze samenleving te worden. Hier kun je mijn verhaal ook in het Arabisch lezen. Hier kun je mijn verhaal ook in het Arabisch lezen. te worden.

Ik had zelf om de afspraak gevraagd, want ik had gehoord dat de gemeente al mijn vrienden al een keer had opgeroepen maar mij niet. Misschien omdat ik nogal ver weg woon van de meeste vluchtelingen in mijn stad. Of misschien was ik gewoon nog niet aan de beurt.

Wat betekent dat, een afspraak met een gemeenteambtenaar? In mijn thuisland, Syrië, voel je bij dergelijke ontmoetingen altijd een beetje angst. Je moet nauwkeurig zijn en direct en de tijd nemen voor het onderwerp.

Nu nam ik al mijn papieren mee, de brieven van de gemeente en mijn projectvoorstel: voor een website met verhalen en online radio. Ik nam me voor krachtig en consistent te zijn. Ik focuste op de positieve uitkomsten, bijvoorbeeld dat ik weer live-uitzendingen kan maken of een straatinterview kan doen, want ik mis de studio.

Wat ik wil doen: een journalistieke site oprichten

Ik begon eerst mijn geschiedenis uiteen te zetten, maar dat leek de ambtenaar getuige zijn gelaatsuitdrukking niet veel te interesseren. Ik ging daarom snel over naar het heden, dat vond hij vast veel belangrijker.

De ambtenaar stelde een directe, beetje bozige vraag: ‘Waarom spreek je geen Nederlands?’
Ik antwoordde: ‘Ik heb pas twee maanden les. Ik heb nog met niemand Nederlands gesproken. Ik leer abstracte woorden zonder context. Mijn excuses, ik beloof dat ik bij de volgende afspraak Nederlands met u zal spreken.’

Hij ging verder in het Nederlands en ik begreep geen woord van wat hij zei. Ik probeerde het gesprek in het Engels te laten verder gaan. De ambtenaar wees mij terecht. ‘Je moet onze taal spreken, je bent in een overheidsgebouw.’ Hij zei het op een boze manier en nam een slok water uit het glas dat voor hem stond.

‘Ga leren schoonmaken. Dat is een beroep waar je niet veel ervaring bij nodig hebt en het is goed voor vrouwen’

Ik probeerde het gesprek op het hoofdonderwerp te brengen, waarvan ik dacht dat dit het ijs zou breken, en om mijn schaamte te verbergen over het niet spreken van zijn taal. Ik legde de ambtenaar uit wat mijn plan is: een website en een tijdschrift starten, in het Arabisch en het Nederlands, met hulp van mijn oude Arabische vrienden en mijn nieuwe Nederlandse vrienden.

Ik heb dit plan ontwikkeld omdat ik weet dat Arabische volkeren verslingerd zijn aan verhalen. In het Midden-Oosten houden we er allemaal van die verhalen met elkaar te delen. Ik heb dat geleerd door mijn werk bij de lokale radio in mijn stad Aleppo en ik heb het gemerkt in de meeste Arabische landen die ik heb bezocht, zoals Egypte, Libië, Tunesië en de Emiraten. Een bekende journalist in de Arabische wereld heeft me eens gezegd: ‘Deel een verhaal met iemand en je hebt er een vriend bij.’

Ik legde de ambtenaar uit dat ik de mensen verhalen wil laten vertellen, over hun ervaringen thuis en in Nederland. En er informatie over dit mooie land aan wil toevoegen. Op den duur zal mijn project een bescheiden winst opleveren die voldoende zal zijn om uit de uitkering te komen.

Hij onderbrak me met één Nederlandse zin, die mijn denken volledig heeft veranderd: ‘Wat is je plan B?’
‘Wat bedoelt u met een plan B?’
‘Welk beroep heb je nog meer geleerd behalve journalistiek?’
‘Ik werk al meer dan tien jaar als journalist! Ik kan geen ander werk doen. Ik heb nooit geprobeerd iets anders te leren.’
‘Je moet iets nieuws leren. Laat de hoop op werk als journalist maar varen. Ga leren schoonmaken bijvoorbeeld. Dat is een beroep waar je niet veel ervaring bij nodig hebt en het is trouwens goed voor vrouwen.’

Wat ik moet doen: schoonmaakwerk

Ik heb één keer geprobeerd in Haarlem in een restaurant te werken als bordenwasser. Omdat ik Engels spreek, liet de eigenaar me bestellingen opnemen. Dat mislukte omdat ik geen ervaring had met zulk werk. In Syrië moet je een opleiding van twee jaar doen voordat je klanten mag bedienen.

En zo verloor ik mijn stad voor de tweede keer. Ik weet niet waarom ik het verlies van mijn stad koppelde aan het verlies van mijn droom. De eerste keer dat ik Aleppo verloor, was ruim een maand geleden, toen Syrische regeringstroepen de stad heroverden. Ik kon niet voorkomen dat ik nu weer in huilen uitbarstte. Het voelde alsof de lucht uit de kamer verdwenen was.

Ik huilde niet omdat ik me te goed voelde om als schoonmaker te werken. Ik huilde omdat ik nooit geleerd had om schoon te maken. Ik huilde omdat ik nooit een ander beroep had willen uitoefenen dan journalist.

De ambtenaar bracht me een glas water. Ik dronk ervan zoveel ik kon, en begon in het Nederlands, zo goed en zo kwaad als dat ging. ‘Leer mij hoe ik huizen en hotels moet schoonmaken.’ In het Engels ging ik verder: ‘Ik wil geen geld meer van de overheid, ik wil weer een productief mens zijn en belasting betalen als dank en erkenning voor de bescherming als vluchteling.’

Wat heb je als vluchteling aan een uitkering, als je eigenlijk wilt werken, maar niemand je vertelt hoe je hier aan de slag kunt komen? In het Arabisch hebben we daar een parabel voor. Stel, jij hebt honger en ik geef je twee stukken brood. Eén stuk is ongeschonden, het andere stuk is aangevreten en ik vraag je van beide stukken niet te eten. Dan heb ik je dus feitelijk niets gegeven om je honger te stillen. Ik plaats jou voor een raadsel dat niet op te lossen is.

Huilend verliet ik de afspraak. Ik ging naar het huis van een vriendin en haar man, ongeveer een uur met de bus van mijn huis. Ik wilde met iemand praten over het gebeurde, ik wilde huilen in het Arabisch.

Waarom ik toch wil schoonmaken

De volgende dag kreeg ik een brief van de gemeente waarin mij gevraagd werd een training te volgen om te leren hoe ik met mijn geld moet omgaan. Hoe ik moet rondkomen van de 270 euro die ik maandelijks ontvang. Ik moest hard lachen en besloot dat ik dan toch zou leren schoonmaken.

‘s Avonds kreeg ik bezoek van mijn vriendin en haar man. Beiden zijn afgestudeerd aan de universiteit met diploma’s die internationaal erkend zijn. Ook zij moesten huilen. Ze hadden dezelfde ambtenaar bezocht als ik. Ook zij hadden hem een compleet plan voorgelegd dat hen van een uitkering moest verlossen. Dat had hij afgewezen. Nu overpeinsden we gezamenlijk hoe we konden leren schoonmaken.

We overpeinsden gezamenlijk hoe we konden leren schoonmaken

Waarom wil ik zo snel mogelijk van mijn uitkering af? Als je niet van een uitkering hoeft te leven, kun je zelf kiezen welk beroep past bij jouw kennis en ervaring. Je verandert in een persoon die door de samenleving wordt gerespecteerd.

In mijn land zeggen we dat werk toewijding is. Je werkt om te voelen dat je nog in leven bent, je levert een bijdrage aan de maatschappij. Geen uitkering ontvangen betekent ook dat je niet meer bang hoeft te zijn voor een afspraak met een gemeenteambtenaar.

Maar hoe kom je zover? Volgens mij kost het veel geld om nieuwkomers cursussen te laten volgen en nieuwe beroepen te laten leren. Ik denk dat het nuttiger is hun kennis en ervaring te onderzoeken op basis van universitaire diploma’s en getuigschriften, en hen dan een passend advies te geven.

En waarom ik doorga met schrijven

Beste lezer, ik weet dat het voorgaande je misschien een beetje boos heeft gemaakt. Ik ben immers een gast die naar jullie land is gekomen en jullie weten niet wanneer ik weg zal gaan. En omdat ik zelf ook niet weet hoe lang ik hier zal blijven, moet ik wel weten wat mijn rechten en plichten zijn.

Ik geloof dat de meeste inburgeringscursussen mij leren wat mijn verplichtingen zijn jegens dit mooie land. Dat is ook nodig. Maar ik en alle andere nieuwkomers weten niet wat onze rechten zijn.

In de acht opvangcentra waarin ik verbleef tot ik mijn afgelegen huisje kreeg, hebben veel ambtenaren van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers met me gesproken om mij belangrijke dingen te leren. Zoals: ga niet met je schoenen op de wc-bril zitten, maak de gangen niet schoon met de brandslang, pluk geen giftige paddenstoelen in het bos, maak de konijntjes niet bang, maak de spinnen in de kamers niet , maak je kamer en het sanitair schoon, niet dringen in de rij voor het eten.

Maar niemand van hen heeft me geleerd wat mijn rechten zijn als vluchteling, als die er al zijn. Kan ik bezwaar maken? Kan ik in beroep? Mag ik dit artikel wel schrijven? Krijgt de gemeenteambtenaar een hekel aan mij als hij dit leest? Kan ik mijn eigen websiteproject starten?

En vindt de Nederlandse lezer mij opstandig? Moet ik wissen wat ik schreef? Of gaan jullie mij zelfs terugsturen naar mijn land? In dat geval moet ik nadenken over een beroep dat geschikt is voor mijn land.

Maar het blijft moeilijk om het beroep van journalist zomaar uit mijn hoofd te zetten. Journalistiek is een manier van denken, geen beroep om rijk mee te worden. Journalisten zijn arme sloebers, het is een beroep van opoffering. Dat heb ik vanaf het begin geaccepteerd.

Misschien moet ik toch een nieuw beroep leren om hier waardig te kunnen leven. Maar ik ga door met schrijven, in elke taal die ik ken of die ik nog zal leren. Dat heeft de oorlog in mijn land mij geleerd.

Breuken in het leven komen voor en als je je leven opnieuw moet opbouwen word je koppig van karakter. Je bent immers gered van een zekere dood. Het maakt je een gelukkig mens. Het leven heeft je immers een tweede kans gegeven en die probeer je te grijpen.

Ik ga door met voor jullie te schrijven, totdat ik ook schrijf in jullie taal. Mijn eerste artikel in het Nederlands zal nog wat krom zijn maar je zult het kunnen lezen. En als er fouten in staan, zullen jullie me helpen die te verbeteren.

Dit verhaal is vertaald uit het Arabisch Hier kun je ook de Arabische versie van dit verhaal lezen. Hier kun je ook de Arabische versie van dit verhaal lezen. het Arabisch door Jan Hoogland. Het is onderdeel van het initiatief Nieuw in Nederland. Zonder financiële bijdrage van Stichting Dioraphte Bekijk hier de site van Dioraphte. Bekijk hier de site van Dioraphte. Stichting Dioraphte was dat niet mogelijk geweest.

februari 6, 2017Permalink

‘Het wordt écht beter in verpleeghuizen’

‘Het wordt écht beter in verpleeghuizen’
Verzorgenden en verpleegkundigen hebben afwisselend hoopvol maar ook cynisch gereageerd op de tijdelijke norm verpleeghuiszorg. We legden de meest kritische vragen voor aan Jan Kremer, voorzitter van de Kwaliteitsraad van het Zorginstituut, die de tijdelijke norm opstelde.
001_RBIAdam-image-1305417.jpeg
Foto: Roos Koole (ANP)
Is het al 1 april?

‘Ik begrijp dat verzorgenden cynisch kunnen worden omdat ze jarenlang onder hoge werkdruk moeten werken. En dat ze maar moeilijk kunnen geloven dat de situatie echt gaat veranderen. Maar we zijn bloedserieus met deze tijdelijke norm. Het wordt écht beter in verpleeghuizen: deze norm wordt de basis voor toezicht door IGZ en de inkoop van zorgkantoren. Het is nu aan de politiek om te kijken wat dit betekent voor de hoeveelheid geld die nodig is om dit voor elkaar te krijgen.’

Er wordt gesproken van minimaal twee verzorgenden op intensieve zorgmomenten zoals bij terminale en het opstaan en naar bed gaan. Twee verzorgenden op hoeveel bewoners?

‘Die tijdelijke norm gaat over minimaal twee verzorgende die beschikbaar zijn voor een bewoner die op dat moment intensieve zorg nodig heeft. Het is geen vaste norm voor het aantal verzorgenden op een aantal bewoners, zoals de vaak genoemde twee op acht. Zo’n norm zou geen recht doen aan de verschillen tussen cliëntgroepen en de verschillen tussen de context van zorgorganisaties.’

Maar stel dat er een groep van dertig bewoners is die naar bed moeten worden gebracht, dan is twee verzorgenden toch niet genoeg?

‘Dat lijkt me niet, nee. Maar sowieso moeten leidinggevenden met de verzorgenden bespreken waar de knelpunten in de zorg zijn. Dus als dit is op een moment dat er te weinig verzorgenden zijn om bewoners naar bed te brengen, dan moet hiermee iets gedaan worden.’

Hoe zit het met de minimale norm in de nacht? Daar wordt niks over gezegd.

‘Goed punt. De nacht komt niet echt aan bod in de tijdelijke norm.’

Terwijl verzorgenden behoefte hebben aan zo’n norm. Want nu is er soms één verzorgende verantwoordelijk voor tachtig bewoners…

‘Dat lijkt me inderdaad niet verantwoord. Maar sowieso worden de knelpunten in de zorg voor 1 juli door leidinggevenden besproken met verzorgenden, waarin dit soort situaties ook aan bod moeten komen. Want na 1 juli moeten zorginstellingen op hun website openbaar maken hoe de samenstelling van het zorgteam is, en voor hoeveel bewoners dit is. Ik denk niet dat managers op hun site willen schrijven dat er één verzorgende verantwoordelijk is voor tachtig cliënten in de nacht… Er staat trouwens ook in de tijdelijke norm dat er intensieve zorgmomenten minimaal twee verzorgenden aanwezig moeten zijn. Dus als iemand bijvoorbeeld ’s nachts veel zorg nodig heeft, of er zijn veel mensen met dementie die dwalen, dan moeten er minimaal twee verzorgenden aanwezig zijn.’

Wat een vage norm…. Er wordt niet gesproken over zoveel verzorgenden voor zoveel bewoners. En wat is ‘voldoende tijd’? Dit is niet echt omschreven volgens de RUMBA…

‘We hebben er bewust voor gekozen om de norm niet te strak op te leggen, want het is juist de bedoeling dat de exacte invulling in het veld besloten wordt. Want verzorgenden weten het beste wat er nodig is. Wij willen hen de ruimte bieden om dit in te vullen.’

Maar betekent dit niet dat managers zo ook ruimte hebben om ermee te sjoemelen?

‘Nee, dat kan niet, want ze moeten allemaal met de medewerkers een kwaliteitsplan maken en IGZ gaat ook controleren of dit voldoende is en of het wordt nageleefd.’

Krijgen instellingen er ook een bak geld bij?

‘Het is niet aan ons om dit te bepalen. Wij schetsen de inhoud. Nu gaat de Nederlandse Zorgautoriteit bekijken wat dit financieel betekent en het is dan aan de politiek om dan te beslissen hoeveel geld daarvoor beschikbaar komt.’

februari 2, 2017Permalink