Recept voor een betere gezondheidszorg

Onze gezondheidszorg is gebouwd op gelijkheid en meetbaarheid. Maar mensen verschillen van elkaar, zegt geriater Joris Slaets. Hij stelt voor van het medisch consult weer een ontmoeting te maken.

Recept voor een betere gezondheidszorg: laat mensen hun verhaal vertellen

Correspondent Goede gesprekken
Lex BOHLMEIJER

Foto: Marijn Smulders (voor De Correspondent)

De Correspondent
Lex Bohlmeijer – in gesprek met Joris Slaets
SoundCloud

Interview

Hij is arts en heeft een grote belangstelling voor filosofie.

Dat is niet zo gek, want in zijn tak van sport, de ouderengeneeskunde, valt vaak maar weinig te genezen. Wat wel veel naar boven komt: de vraag naar de zin van het leven. En dan zijn het de filosofen die helpen een antwoord te formuleren.

In de Els Borst Lezing die Joris Slaets (1953) onlangs gaf Je kan de lezing hier terugvinden.citeerde hij dan ook de Joodse filosoof Emmanuel Levinas: ‘Ik benader de andersheid van een Ander vanuit de verbondenheid die ik met hem heb en niet door buiten de relatie te treden om over de termen ervan te reflecteren.’

Levinas keerde zich tegen het liberale gedachtegoed waarin autonomie, vrijheid en gelijkheid centraal staan. Voor hem zijn de belangrijkste waarden juist te vinden in verbondenheid. Precies zo denkt Slaets’ over de gezondheidszorg: de relatie tussen patiënt en arts is van groot belang, groter misschien wel dan autonomie of meetbaarheid.

Het relationele is bijna volledig weggefilterd uit medische procedures

Maar juist dit relationele aspect is bijna volledig weggefilterd uit de procedures – en dat is een schrijnend gemis.

Tijd voor het verhaal

In zijn lezing zette Slaets twee zorgperspectieven tegenover elkaar: het normatieve en het narratieve.

Onze gezondheidszorg is opgebouwd binnen het normatieve kader: de regels, procedures en modellen gelden zonder onderscheid des persoons. Ze zijn objectief en meetbaar. En ze zijn negatief geladen: binnen dit ‘luik’ streef je naar het wegnemen van klachten, ziekten, lijden.

In plaats daarvan stelt Slaets voor om een narratief kader in te bouwen. Daarin creëer je ruimte voor de patiënt om zijn of haar verhaal te vertellen. Het consult wordt zo een ontmoeting, luisteren wordt net zo belangrijk als het zoeken naar een oplossing of het opstellen van een behandelplan. Slaets is ervan overtuigd dat artsen dan veel betere medische besluiten gaan nemen.

Hoe meet je dat?

Belangrijke vraag, gezien de zorgverzekeraars, blijft natuurlijk hoe je dat dan allemaal meet. Bij de Leyden Academy on Vitality and Ageing Bezoek hier de website van de Leyden Academy on Vitality and Ageing.doen ze daar onderzoek naar. In opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ontwikkelen ze een zogeheten Leefplezierplan.

Want de oplossing is even simpel als elegant: in plaats van boekwerken vol te schrijven met objectieve waarnemingen (‘mevrouw is vannacht drie keer naar de wc geweest,’ enzovoorts) nodig je mensen uit om een klein verhaal te vertellen. Startpunt is de vraag: ‘Is er iets wat u vandaag geraakt heeft?’

Het antwoord mag positief of negatief zijn. Het verhaal kan verteld worden door de patiënt, de familie en de zorgverlener. Zij zijn de baas over hun verhaal.

En zij zouden op die manier weleens nieuw inzicht kunnen bieden in de échte kwaliteit van .

 

december 12, 2017Permalink

Tot wat voeden we eigenlijk op?

Zeven jaar geleden werd ik voor het eerst geconfronteerd met mijn gebrek aan opvoedidealen. Een gemiste kans: nadenken over de vraag wat je wilt bereiken met opvoeden, vergroot de kans dat je dichter bij die idealen uitkomt.

Tot wat voeden we eigenlijk op?

Correspondent Kinderomgang
Marilse EERKENS

Illustraties: Tsjisse Talsma (voor De Correspondent)

‘Jorrit en Gregor lopen een groot deel van de dag met ijzeren hamers door de crèche. Floor knijpt Ramon en krijgt een blok tegen haar hoofd.’

Welkom op de ‘anti-autoritaire kresj’ Prins Constantijn, door ouders opgericht in het Amsterdam van de jaren Lees hier meer over Onze Kresj, de documentaire van Marije Meerman.zeventig. Nauwkeurig wordt de hele dag bijgehouden wat de kinderen uitspoken. Niet om de ouders in te lichten, maar om later te bespreken of er juist gehandeld is.

‘Juist handelen’ betekent op de kresj dat Floor Ramon gewoon kan knijpen. En je als ouder niets zegt als Ramon een blok naar Floors hoofd gooit. Het idee is dat je kinderen niet moet begrenzen. Alleen zo kunnen ze zich ontplooien tot ‘prachtige kinderen.’

Opvallend: het zijn vooral kinderloze vrijwilligers die uitblinken in het toepassen van deze opvoedstrategieën. Neem Piet de Vries, die ‘niks met kinderen heeft’ en ze vooral ziet als ‘een middel tot een hoger doel.’

Het gaat de opvoeders om niet minder dan het vormen van een nieuw soort mens. Goed ontwikkeld, onafhankelijk, ongevoelig voor autoriteit en niet bang om conflicten aan te gaan. Als dat doel bereikt is, zou de héle samenleving erop vooruitgaan.

Dit alles en meer zie je in de documentaire Onze Kresj. Die vanuit nu bekeken op je lachspieren werkt en tegelijk veel verbazing oproept. De gekozen aanpak – weinig structuur en daardoor weinig veiligheid – brengt kinderen namelijk eerder verder dan dichter bij het soort mens dat de ouders voor ogen hadden.

Toch heb ik ook bewondering voor de ouders en de medeopvoeders. Ze hadden zeer uitgesproken ideeën over wat ze wilden bereiken met de opvoeding van hun kinderen en discussieerden daar vaak (en lang) over.

Ook interessant is dat die opvoeddoelen méér behelsden dan het geluk van het kind zelf. De kresjouders deden een poging hun kinderen te vormen tot mensen die zich zouden inzetten voor een betere wereld. Zoals de vader van filmmaker Marije Meerman zegt: ‘Ik ben vader, ik moet de wereld beter achterlaten.’

Laten we nadenken en praten over onze opvoeddoelen

In dit stuk, de aftrap van een verhalenreeks, wil ik bepleiten dat het goed is idealistischer op te voeden. Voor het kind én de maatschappij is het zinvol na te denken over onze opvoeddoelen. Wat voor een soort burgers willen we dat onze kinderen worden?

Ik begeef me daarmee op glad ijs. Wie ben ik om me met de opvoeding van jullie kinderen te bemoeien? Ik ben zelf ook nooit zo gediend van ongevraagd opvoedadvies.

Voor de duidelijkheid: dit is niets meer dan een oproep meer na te denken over wat je wil bereiken met het opvoeden van je kinderen – en daarbij het maatschappelijk belang niet te vergeten.

Ik ben zelf ook nooit zo gediend van ongevraagd opvoedadvies

Laten we een bepaalde opvoedsleur doorbreken. Want door op een hoger niveau na te denken over opvoeden kun je bijvoorbeeld voorkomen dat je een schooljaar lang tegen je dertienjarige zoon blijft schreeuwen dat hij nu toch echt aan zijn huiswerk moet.

In plaats daarvan, zie je dan dat het roer om moet en je beter op zoek kunt gaan naar manieren om zijn intrinsieke motivatie te verhogen.

Geloof me, daarmee wordt het opvoeden ook veel leuker. Je bent bezig met wat je wél wilt bereiken in plaats van wat je wilt voorkomen. En dat is uiteindelijk ook weer in het belang van de maatschappij.

Dit roept natuurlijk vragen op. Is het niet naïef te denken dat je met het opvoeden van kinderen de maatschappij kunt beïnvloeden? En hoe weet je dan dat de huidige opvoeders een gebrek aan maatschappelijk opvoedidealisme hebben?

Kun je met opvoeden de maatschappij veranderen?

Het lastige is dat de invloed van opvoeding op de maatschappij heel moeilijk te onderzoeken is. Er zijn talloze factoren van invloed op hoe een samenleving eruitziet.

Toch ben ik er door pedagogiekhoogleraar Micha de Winter van overtuigd dat je deze link wel kunt leggen. In zijn boek Lees hier meer over De Winters boek.Verbeter de wereld, begin bij de opvoeding stelt hij dat er een ‘duidelijke relatie is tussen opvoeding en de manier waarop het er in de wereld aan toe gaat.’

Een kind dat slaan als een manier ziet om een ruzie te beslechten, zal later niet veel moeten hebben van ‘polderen,’ geeft hij als voorbeeld. Dat betekent ‘dat het collectief van burgers mee profiteert dan wel mede lijdt onder een al dan niet geslaagde opvoeding, inclusief de kinderen zelf.’

Hoe subtiel die opvoeding maatschappelijk doorwerkt, blijkt uit het werk van Alfie Kohn. In zijn internationale opvoedbestseller Unconditional Parenting zet hij zich af tegen de populaire opvoedstrategie gewenst gedrag te belonen – met stickers of extra aandacht bijvoorbeeld – en ongewenst gedrag te negeren of straffen – denk aan het ‘strafstoeltje’ of ‘geen toetje.’

Hoewel dit volgens Kohn op korte termijn kan leiden tot aanpassingen, is de kans groot dat kinderen op lange termijn hun intrinsieke motivatie verliezen. Vriendelijk zijn, aandacht besteden aan je schoolwerk en je klasgenoten niet pesten worden dan zaken die je niet doet omdat je het echt wilt, maar omdat je er een beloning voor krijgt of straf mee kunt ontlopen.

Maar wat als de beloning of die strafdreiging aan kracht inboet? Het is geen direct gevolg, maar de link met de uit de hand gelopen bonuscultuur in de bankenwereld, de calculerende burger en de overheid die inzet op strenger straffen en méér camerabewaking is dan snel gelegd.

En voor wie nu nog steeds twijfelt over die invloed van opvoeden op de maatschappij: kijk ook eens naar het grote belang van empathie. In zijn boek Lees hier wat ik eerder schreef over Perry’s boek.Born for love – why empathy is essential and endangered schrijft de Amerikaanse neuropsychiater Bruce Perry dat empathie ten grondslag ligt aan zo ongeveer alles wat een maatschappij doet functioneren: vertrouwen, altruïsme, samenwerking, liefde, liefdadigheid. 

En nu komt het opvoeddeel: Perry, maar ook primatoloog Frans de Waal, antropoloog Sarah Hrdy en docent Mary Gordon, stellen dat dit empathisch vermogen weliswaar is aangeboren maar dat het wél gevoed en ontwikkeld moet worden. Met andere woorden: het empathische gehalte van een maatschappij wordt in belangrijke mate bepaald door de opvoeders.

Kortom, wat precies de invloed van opvoeding is op het functioneren van de maatschappij, valt niet te zeggen. Maar dát de invloed er is, valt niet te ontkennen. Voor mij is dat genoeg reden er langer bij stil te staan.

Maar is er wel een gebrek aan opvoedidealisme?

De eerste keer dat ik geconfronteerd werd met mijn eigen gebrek aan opvoedidealisme en concrete opvoeddoelen, was tijdens een opvoedcursus die ik zo’n acht jaar geleden volgde als redacteur van het tijdschrift J/M-ouders.

‘Wat willen jullie bereiken met het opvoeden van jullie kinderen?’ vroeg de cursusleidster. Na een korte stilte begonnen we allemaal te schutteren: ‘Eh.. dat ze gelukkig worden.’ ‘Dat ze het leven kunnen gaan leiden dat zij willen…dat ze later een baan kunnen vinden?’

We deden maar wat. We lieten ons leiden door een onbewust gevoel van wat goed was

Ook met de vragen hoe we dat geluk van onze kinderen dan dachten te bereiken en wat de invloed van onze opvoedaanpak op de maatschappij zou kunnen zijn, hadden we moeite. We deden maar wat. We lieten ons leiden door een onbewust gevoel van wat goed was en door de grotere of kleinere kinderproblemen die ondertussen op ons pad kwamen.

Mijn indruk is dat de huidige generatie ouders dat óók doet. Toen ik een tiental basisschoolouders dezelfde vraag voorlegde – ‘wat hoop je te bereiken met het opvoeden van je kinderen?’ – bleken zij dat net zo moeilijk te vinden als de ouders in mijn opvoedcursusgroepje:

  • ‘Ik wil dat mijn kind echt kind kan zijn…dat het een lekkere vrijbuiter wordt…geen eenheidsworst…een levensgenieter.’
  • ‘Ik wil een positief warm kind dat open in het leven staat. Ze moeten een lekker leven hebben. Plezier hebben.’

Net als in mijn cursusgroep draaide de opvoeding bij hen vooral om het individuele geluk van hun kinderen. Geen van de ouders legde een link tussen opvoeding en maatschappij. En als ik ze vroeg naar het belang van opvoeding voor de maatschappij, zeiden ze dat het vooral zaak is om kinderen te leren zich netjes te gedragen: ‘aan de regels houden,’ ‘respect,’ ‘niet altijd alle aandacht opeisen.’

Natuurlijk zijn een cursus en een rondvraag geen bewijs. Maar mijn bevindingen zijn wel in lijn met wat Micha de Winter schrijft: ‘Veel ouders maar ook docenten, politici en tv-programmamakers lijken te denken dat de opvoeding is geslaagd als er zich geen serieuze problemen hebben voorgedaan.’

Natuurlijk is dat een zegen, stelt hij. Ook voor de maatschappij. ‘Maar,’ zo vraagt hij retorisch, ‘is opvoeding een succes als een kind geen crimineel wordt? Of niet ten prooi valt aan loverboys of breezerseks?’

Wat is de definitie van een geslaagde opvoeding?

Wat de definitie van een geslaagde opvoeding dan wél moet zijn, daar kun je over discussiëren. Toch denk ik dat er een aantal opvoeddoelen zijn die voor iedereen – kind én maatschappij – heel belangrijk zijn.

Daarom ga ik die doelen in meerdere verhalen uitdiepen. En wil ik met jullie praten over hoe je idealistisch opvoedt en hoe je die doelen in de praktijk kunt nastreven.

Ik stel de volgende opvoeddoelen voor:

  • Weten wat het betekent om in een democratische samenleving te leven. De Winter ziet dat de democratische gezindheid zijn vanzelfsprekendheid aan het verliezen is: toenemend accent op eigenbelang, calculerend burgerschap, migratie vanuit landen met minder democratische regimes en cultuur, oprukkend fundamentalisme en politieke desinteresse. Het laatste rapport van de onderwijsinspectie lijkt dit verhaal te onderstrepen: ‘Als we de houding van Nederlandse scholieren vergelijken met die van scholieren in andere landen, heeft Nederland verhoudingsgewijs een grote groep die het beginsel van gelijke rechten afwijst.’
  • Een goed ontwikkeld empathisch vermogen. Zowel Perry als Gordon wijzen op Lees meer over dit onderzoek in dit artikel van Scientific American.onderzoek dat empathie bij Amerikaanse studenten een stuk minder is ontwikkeld dan dertig jaar geleden. Of dit ook voor Nederland geldt is de vraag. Maar gezien het eerder genoemde belang van empathie voor het functioneren van een maatschappij, vind ik het niet iets om te lichtzinnig aan voorbij te gaan.
  • Liefde voor de natuur en kennis van milieuproblemen. Recent onderzoek vanUNICEF laat zien dat Nederland behoort tot de groep OESO-landen waar vijftienjarige kinderen het minst weten over milieuproblemen. Ook dat kennistekort verdient aandacht van opvoeders. Zeker als je bedenkt dat ‘het versterken van contact met de natuur’ niet behoort tot de officiële onderwijsleerdoelen, zo leerde ik van documentairemaker Bekijk hier het verhaal dat Winters hier over hield bij TEDx afgelopen juni.Rolf Winters.
  • Het vermogen om kritisch te denken en op te komen voor wat je belangrijk vindt. Ik denk dat Alfie Kohn een punt heeft als hij stelt dat opvoeders, maar ook bestuurders nog erg vaak handelen vanuit de opvatting dat mensen alleen in beweging komen om een straf te ontlopen of een beloning te krijgen. Deze aanname heeft een aantal serieuze consequenties: handelen vanuit dit principe ondermijnt de intrinsieke motivatie van mensen en daarmee het zélf nadenken. In een samenleving waarin duurzaamheid het vaak aflegt tegen kortetermijnwinsten en waarin het moeilijk navigeren is in een zee van informatie, denk ik dat het belangrijk is om je voor dit doel in te zetten.

Nu is deze lijst natuurlijk verre van compleet. Ik zou nog wel een aantal andere opvoeddoelen kunnen toevoegen. Denk aan het ontwikkelen van creativiteit of van nieuwsgierigheid. Maar ik denk dat de bovengenoemde doelen op dit moment het urgentst zijn.

De vraag is nu natuurlijk: hoe bereik je die doelen? Want bodypainten met kresjvrijwilligers lijkt niet het beoogde effect te hebben gehad. Maar hoe maak je dan wél het verschil?

De Canadese Mary Gordon, docent en oprichter van het internationaal verspreide onderwijsprogramma

november 26, 2017Permalink

40 procent van tijd kwijt aan formulieren

Arts is 40 procent van tijd kwijt aan formulieren

Onderzoek

Door administratieve taken hebben artsen minder tijd voor patiënten.

Het komt regelmatig voor dat artsen dezelfde informatie over patiënten in meerdere systemen moeten verwerken.

Artsen zijn gemiddeld veertig procent van hun werkweek bezig met administratie. Vooral wijkverpleegkundigen (48,5 procent), maag-, darm- en leverspecialisten (43,2 procent) en psychiaters (39,4 procent) moeten veel administratief werk doen, waardoor ze minder tijd hebben voor het contact met patiënten. Medewerkers in de vragen zich bovendien regelmatig af waarom ze formulieren zitten in te vullen. Wekelijks besteden zij zo’n twee uur aan administratieve taken, terwijl ze geen idee hebben voor wie ze dat precies doen.

Dit blijkt uit de conclusies van de denktank ‘(Ont)Regel de Zorg’, die maandenlang onderzoek deed naar de vraag hoeveel tijd zorgprofessionals in hun werkweek besteden aan administratie.

Opdrachtgevers waren actiecomité Het Roer Moet Om, dat eerder met succes vocht voor vermindering van overbodige regels in de huisartsenzorg, en ledenorganisatie en dienstverlener VvAA (120.000 leden in de zorg).

De denktank deed specifiek onderzoek naar maag-darm-leverartsen, ziekenhuisverpleegkundigen, wijkverpleegkundigen, psychiaters, fysiotherapeuten en apothekers. De negen onderzoekers spraken met tientallen deskundigen en meer dan honderd medewerkers in de zorg.

De resultaten worden deze zaterdag of een conferentie in Utrecht voorgelegd aan minister Bruno Bruins (Medische Zorg, VVD).

Vijf uur voor intake

Vooral voor wijkverpleegkundigen – het zijn er zo’n 9.300 in Nederland – is de situatie zorgwekkend. Zij besteden gemiddeld 17 uur van een 35-urige werkweek aan het invullen van formulieren. Na het contact met patiënten is de wijkverpleegkundige gemiddelde wekelijks nog 3,5 uur bezig vast te leggen hoe die bezoeken zijn verlopen.

De ‘intake’ van een nieuwe patiënt kost buiten de gesprekken met diegene en familie nog eens meer dan vijf uur aan administratie. De verpleegkundige moet dit doen voor de zorgverzekeraar, voor de eigen organisatie, voor collega’s of voor de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).

Zorgverleners, schrijven de onderzoekers, snappen wel dat informatie moet worden vastgelegd om de kwaliteit van zorg op peil te houden (bijhouden patiëntendossiers), maar zien zóveel voorbeelden van onnodige bureaucratie, dat ze „gefrustreerd” raken.

Het komt regelmatig voor dat artsen dezelfde informatie over patiënten in meerdere systemen moeten verwerken. „Daarnaast ervaren zorgverleners de verplichte administratie als gebrek aan vertrouwen een aantasting van hun professionele autonomie.”

Overbodige regels

Er leven al langer zorgen over overmatige bureaucratie in de zorg. In augustus bleek uit een onderzoek van beroepsvereniging VvAA nog dat zestig procent van de zorgverleners last heeft van overbodige regels, procedures en voorschriften die hen belemmeren in hun werk. Niet eerder werd gekeken naar hoeveel tijd artsen eigenlijk kwijt zijn aan het invullen van administratie.

Maandag demonstreren ziekenhuis- en wijkverpleegkundigen én verzorgenden tegen de administratielast in hun werk. Ze zullen alle administratie die zij zelf overbodig achten, achterwege laten. Ze hopen zo aan te tonen dat ze meer tijd overhouden voor de patiënt en de klant.

november 18, 2017Permalink

Nederlanders met een migratieachtergrond

Het is oud nieuws dat mensen ouder dan ooit worden. Dat een bepaalde groep zo langzamerhand óók oud en kwetsbaar wordt, valt dus bijna niet op.

Nederlanders met een migratieachtergrond

Ik heb het over Nederlanders met een migratieachtergrond. Zij die in de jaren zestig, zeventig en tachtig hun vaderland verlieten om hier een nieuw leven te beginnen.

Voor de hand ligt dat oudere eerstegeneratiemigranten meegaan in het zorgsysteem als zij zorgbehoeftig worden. Dat is helaas makkelijker gezegd dan gedaan.

Zo zijn er aanwijzingen dat deze groep te laat de weg naar de dokter vindt. Als mensen dementie krijgen bijvoorbeeld. Onder anderen Philip Scheltens vertelde me dit.

‘De hoeveelheid mensen van Turkse of Marokkaanse afkomst met dementie is per jaar op de vingers van een paar handen te tellen. Die komen vrijwel nooit naar de dokter.’ Niet omdat ze er niet zijn, denkt de directeur van het Alzheimercentrum, maar omdat ze niet durven.

Er zijn meer tekenen aan de wand dat we een probleem over het hoofd zien. In ouderenzorginstellingen als verpleeghuizen kom je doorgaans bar weinig Nederlanders met een migratieachtergrond tegen.

De verklaringen? Oudere eerstegeneratiemigranten leunen doorgaans meer op hun kinderen en zijn dikwijls hulpbehoevender. Dat eerste is soms cultureel bepaald, dat tweede heeft met het gigantische verschil tussen laag- en hoogopgeleiden in Nederland te maken.

Hoe groot zijn de gezondheidsverschillen?

Want laagopgeleiden, waar veel eerstegeneratiemigranten onder vallen, leven maar liefst 19 jaar langer in ongezondheid dan hoogopgeleiden. Twintig jaar leven met aandoeningen als hartklachten, zere knieën, suikerziekte, rugklachten en andere ellende.

Dit gigantische verschil heeft niet zozeer met het verschil in kennis te maken, maar met het verschil in financiële mogelijkheden om gezondere keuzes te maken. En ongetwijfeld maakt de levensstijl van mensen uit de sociale omgeving ook uit, liet verouderingsprofessor David van Bodegom mij weten.

Het is extra zorgwekkend dat onder oudere migranten meer vraag moet zijn naar ouderenzorg, maar die zorgvraag vaker uitblijft. Hoe dat komt?

Het is zorgwekkend dat onder oudere migranten meer vraag moet zijn naar ouderenzorg, maar die zorgvraag dikwijls uitblijft

Het lijkt erop dat de ouderenzorg niet migrantbestendig is. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een uitzending van Bekijk hier de Nieuwsuur-uitzending over oudere migranten in de zorg.Nieuwsuur én het boek Yemma van Mohammed Benzakour. De roman gaat over zijn moeder, een eerstegeneratiemigrant, die na een beroerte afhankelijk wordt van verpleeghuiszorg.

Benzakour schrijft dat zijn moeder geen Hollandse hap wil eten en zij met haar zoon in de kelder – want dat mag niet op haar kamer of in de kantine – de meegebrachte Marokkaanse gerechten moet nuttigen.

Nu is dat wat mager om conclusies te trekken, dus zal ik in het onderzoek moeten duiken. Ik ben op de hoogte van het werk van Bekijk hier onderzoek door Pharos op dit gebied.expertisecentrum Pharos, dat zich specialiseert in gezondheidsverschillen. Maar er zullen ongetwijfeld meer onderzoekers of kenniscentra zijn die zich hierin verdiepen. Iemand tips?

november 12, 2017Permalink

Spijt van het moederschap

Spijt van het moederschap

Lynn BERGER
Correspondent Technologie en Cultuur

Toen mijn vriendinnen en ik een jaar of veertien waren had een van ons, ergens uit de ether of van de straat of uit een tijdschrift, een belangrijke wijsheid opgepikt. Die ging zo: ‘Het is beter om spijt te hebben van dingen die je wél hebt gedaan, dan van dingen die je hebt gelaten.’

Onze hele middelbareschooltijd lang diende die uitspraak als levensmotto. Het was een balsem, een bezwerende formule waar we elkaar geregeld aan herinnerden, wanneer een van ons weer eens in tranen was, omdat we in die tijd nu eenmaal voortdurend dingen deden waar we vrijwel onmiddellijk spijt van hadden.

Zoals de keer dat we onze haren drie uur lang in de waterstofperoxide hadden gehangen. (Dat was ik.) Of het soort spijt dat we met ons hele lichaam voelden, zoals na een weekend doorhalen op een dieet van Bacardi Breezer en Smirnoff Ice.

Er was seks met studenten die veel te oud en veel te fout voor ons waren. Soms was die seks ook nog eens onveilig. Een keer raakte een van ons zwanger.

Abortus.

Maar hé, zeiden we dan, kop op: ‘Je kan beter spijt hebben van dingen die je wél hebt gedaan…’ et cetera.

Spijt is een emotie die komt opzetten wanneer we denken dat onze huidige situatie beter was geweest als we bepaalde dingen in het verleden anders hadden gedaan. Het is per definitie een rotgevoel maar kan, zoals andere rotgevoelens als pijn en honger, ook nuttig zijn. Wie ergens spijt van heeft, zal in de toekomst waken voor het maken van dezelfde fout: niet nog een keer je partner bedriegen, niet weer ruzie zoeken met iemand die groter en sterker is dan jij.

Spijt is hoe we leren.

Een paar jaar geleden vroegen onderzoekers van de University of Illinois en Northwestern University aan Amerikanen uit alle gelederen van de samenleving Lees meer over de studie op de website van Northwestern.waar ze zoal spijt van hadden. De liefde bleek een belangrijke bron van spijt, gevolgd door onder meer familie-interacties, carrière, financiën, en de opvoeding.

De ondervraagden hadden evenveel spijt van dingen die ze wél hadden gedaan als van dingen die ze juist hadden gelaten – maar de tweede categorie spijt, spijt van wat ze níét hadden gedaan, bleek wel veel langer aan te houden dan de eerste.

Dat cliché waarmee mijn vriendinnen en ik elkaar om de oren sloegen was dus niet eens helemaal uit de lucht gegrepen – hoe gratuit ik het achteraf ook vind klinken.

We deden eindexamen, gingen studeren, betrokken kamers in andere steden. Een van ons trok backpackend door Australië, een ander studeerde Frans in Frankrijk. We begonnen met werken, er werden huizen gehuurd, soms zelfs gekocht. (Dat was ik niet.) De eerste baby’s werden geboren. We hadden de troostende woorden over het betere soort spijt steeds minder vaak nodig. Ze zakten weg.

Jarenlang heb ik er niet meer aan gedacht.

Tot ik een poosje geleden het boek Lees meer over het boek op de website van de uitgever.Regretting Motherhood las van de Israëlische socioloog Orna Donath. Het is een boek over spijt van iets wat je wél hebt gedaan, spijt ook van misschien wel het allernaarste soort: spijt van het moederschap.

(Voor wie ongewenst geen kinderen heeft is dit wellicht ook nog eens een kwetsende vorm van spijt. De emoties die daarbij komen kijken verdienen zeker ook een boek, maar daarover gaat deze column niet.)

Donath interviewde 23 vrouwen in verschillende leeftijden die allemaal één ding gemeen hadden: ze hadden kinderen gekregen, en daar hadden ze spijt van.

En dan ook echt spijt: deze vrouwen waren niet ambivalent, ze hadden geen ‘enerzijds, anderzijds’-achtige gevoelens, vonden het moederschap niet alleen maar ‘zwaarder dan gedacht.’ Nee, ze hadden spijt: ze vonden de nadelen niet opwegen tegen de voordelen, en als ze terug konden reizen in de tijd, dan hadden ze het anders gedaan.

Dan hadden ze het niet gedaan.

Toen Donath de eerste bevindingen uit haar onderzoek publiceerde, leidde dit tot mediahypes in onder meer Israël, Duitsland, Engeland en Australië. Donath en de vrouwen waar ze over schreef werden afgebrand, soms zelfs bedreigd. ‘Alle kinderen in de stad moeten worden opgesteld, zodat ze één voor één met een mes een stuk van d’r kunnen afsnijden,’ was een typische reactie.

De spijtmoeders werden ervan beschuldigd sléchte moeders te zijn; hun kinderen viel vooral medelijden ten deel.

was geboren, en ging viraal

Maar er waren ook vrouwen die zich aangemoedigd voelden om als spijtmoeder uit de kast te komen: ze schreven ingezonden brieven, begonnen blogs, lieten zich interviewen. De hashtag #regrettingmotherhood was geboren en ging viraal. Het boek werd een bestseller en in meerdere talen vertaald. Het is, dat is wel helder, Lees er meer over in bijvoorbeeld dit artikel op The Guardian.geen marginaal fenomeen.

Voor de duidelijkheid: deze vrouwen hielden over het algemeen ontzettend veel van hun kinderen. Ze zorgden er ook voor, naar hun beste kunnen en met alle liefde.

Maar ze hadden wel spijt.

Spijt omdat de moederrol hun niet paste. Spijt omdat ze de beperkingen die het moederschap met zich meebracht, onverdraaglijk vonden. Spijt omdat ze het idee hadden dat sociale en culturele normen hen een weg op hadden geduwd die ze eigenlijk niet hadden willen bewandelen.

Spijt, kortom, van iets dat ze wél hadden gedaan, en achteraf gezien beter hadden kunnen laten.

Donath is een academicus van het geëngageerde, activistische soort. Het verhaal van spijtmoeders moet verteld worden, stelt zij, omdat er op deze vorm van spijt zo’n groot taboe rust.

Het is een emotie die moeders eigenlijk niet mogen voelen, een onderwerp dat vrijwel onbespreekbaar is: de samenleving ziet het moederschap als zo’n natuurlijk onderdeel van het leven van een vrouw, de moederliefde als zodanig van het type dat alles overwint, dat wie géén kinderen wil al heel wat heeft uit te leggen.

Laat staan dat er ruimte is voor wie wél kinderen krijgt, maar het vervolgens betreurt.

Soms kregen moeders die voor hun spijt uitkwamen het label ‘postnatale depressie’ opgeplakt, zo vertelden ze aan Donath – ook wanneer ze helemaal niet depressief waren. Dat label is een manier om emoties te ondermijnen door ze te medicaliseren, en maakt het bespreken van een andere optie, de optie van spijt, vrijwel onmogelijk.

Met haar boek wil Donath het taboe op spijt helpen doorbreken, en de wrok die ze daarmee over zichzelf en haar geïnterviewden afroept, neemt ze op de koop toe.

Eerlijk: ik geloof niet dat het ooit bij mij was opgekomen, vóór ik Regretting Motherhood had gelezen, dat je spijt zou kunnen hebben van het moederschap. Ik vind het vaak zwaar, loodzwaar; doodvermoeiend, vreemd ook.

Er zijn weken waarin alle nachten gebroken zijn, en als er dan in mijn tijdlijn The Guardian: ‘Sleep should be prescribed’: what those late nights out could be costing you.’een veelgedeeld interview verschijnt met een wetenschapper die slaapgebrek koppelt aan een groter risico op Alzheimer, kanker, suikerziekte, obesitas en ‘een slechte mentale gezondheid,’ dan vraag ik me weleens af of we er wel zo verstandig aan hebben gedaan.

Diezelfde vraag dringt zich op wanneer ik lees dat Lees er meer over in het boek ‘Solitude’ van Michael Harris.‘geregeld alleen zijn’ een belangrijke voorwaarde is voor inspiratie, levensvreugde en creativiteit. Of wanneer kinderloze vrienden lange wereldreizen maken, emigreren naar Amerika, of in deze overspannen huizenmarkt gewoon nog iets kunnen kopen omdat ze aan één slaapkamer genoeg hebben.

Maar dat zijn nooit échte twijfels, en het is ook nooit spijt. Hoewel het me ergens te berekenend voorkomt om in termen van ‘voor- en nadelen’ te denken, staat er voor mij in elk geval genoeg tegenover het slaapgebrek en het getetter, de rotzooi en de beklemming.

Zoals, bijvoorbeeld, de veel te wijze opmerkingen uit de mond van een driejarige. Of het warme gevoel van een babyhoofd op je schouder. De haast buitenaardse schoonheid van hun gezichten, waarin ik die van hun vader en mijzelf zie, maar dan gefilterd, getransformeerd tot iets waar ik urenlang naar zou kunnen kijken (als ze maar wat langer stil zouden zitten).

Het moederschap is extreem lastig ongedaan te maken

Daar komt bij dat ik ergens geloof dat er bepaalde dingen zijn waarbij het hebben van spijt écht geen zin heeft. En dat het op de wereld zetten van kleine wezentjes die volledig van jou afhankelijk zijn, er daar een van is. Het is tenslotte extreem lastig ongedaan te maken, dat moederschap – en hoewel spijt je misschien zal behoeden voor het krijgen van een tweede of derde kind, word je daar niet minder moeder van.

Maar spijt ís natuurlijk niet altijd zinvol, en al helemaal niet altijd rationeel. Ik twijfel er niet aan dat de spijt in Regretting Motherhood oprecht is. We weten al, schrijft Donath, dat het moederschap vervulling, vreugde, liefde, comfort, trots en bevrediging kan bieden, net als hulpeloosheid, frustratie, schuldgevoelens en woede.

Waarom zou het niet ook gevoelens van spijt met zich mee kunnen brengen? En zou het niet beter zijn, als die laatste emotie nu eenmaal bestaat, om die te erkennen, er woorden aan te geven, het erover te hebben?

Want zolang spijt een taboe is zullen talloze jonge vrouwen blijven denken dat moeder worden het meest natuurlijke is wat je als vrouw kan doen – ook wanneer ze dat eigenlijk niet willen. Ze zullen blijven geloven dat die moedergevoelens vanzelf wel komen; ze zullen, aangemoedigd door partners en ouders en vriendinnen, zwanger blijven raken; en ze zullen spijt blijven hebben.

En dat zal voor altijd een van de meest verdrietige vormen van spijt zijn die er bestaat – zelfs, of misschien wel juist, in combinatie met de liefde die je voelt voor de kinderen die je liever niet had gehad. Spijt is hoe we leren, maar dit is wel een hele wrede les.

Een paar weken terug zaten mijn vriendinnen en ik in zo’n kindvriendelijk café waarvan we tot een paar jaar geleden het bestaan niet kenden.

Een van ons, dat was ik, had haar oudste dochter meegenomen. Een van ons hoopte binnenkort zwanger te raken. Een ander gaf haar baby van twee maanden de borst, en weer een ander had de kinderwagen met daarin haar slapende zoontje in een hoek geparkeerd.

‘We hebben het over je gehad,’ zei de voedende moeder tegen mij: ‘Je hebt ons niet goed genoeg gewaarschuwd. Het is veel zwaarder dan we hadden gedacht.’

Het was niet echt een boze beschuldiging. Ik geloof niet dat ze me iets kwalijk nam, en ook niet dat ze spijt had van het moederschap. Evenwel is het mogelijk dat ik in mijn verhalen vooral het tweede deel, dat deel waarin ik zei dat het moederschap ‘ook heel mooi’ was, had benadrukt.

Omdat ik nooit had overwogen dat het voor iemand echt heel anders uit zou kunnen pakken.

Voor sommige moeders zal het lezen van Regretting Motherhood erkenning bieden, troost ook, de wetenschap dat ze niet alleen zijn. Voor anderen kan het boek een correctie vormen op onbewuste aannames. Met als gevolg, misschien, een voortaan wat omzichtiger antwoord op de vraag hoe het nu is, dat moederschap.

Niet meer alleen het mooie benadrukken. De lastige kanten niet langer wegwuiven. De optie van spijt expliciet benoemen.

Mijn dochter kroop bij me op schoot, haar krullen kriebelden in mijn neus. De baby was klaar met drinken, haar moeder hield haar overeind. Met één hand ondersteunde ze haar dochter. Ze zag er zo jong uit. Wij allemaal, misschien wel.

‘Sorry,’ zei ik voor de zekerheid. ‘Dat spijt me.’

Deze column las ik voor op 30 oktober, tijdens de boekpresentatie van Lees meer over het boek op de site van Uitgeverij Cossee.Het Groeit! Het Leeft!, waarin de columns zijn verzameld die Lees meer over Marjolijn van Heemstra op haar website.Marjolijn van Heemstra voor Trouw schreef over moederschap.

 

november 5, 2017Permalink

Uitbuiting en machtsmisbruik kennen vele vormen

Tomas VANHESTE
Correspondent Europa tussen macht en verbeelding
Beste lezer,

Op vele voorpagina’s prijkte deze week een Europees succesverhaal. Eindelijk waren ze het in de EU eens geworden over de bestrijding van verdringing op de arbeidsmarkt.

Maar zo Europees blijkt dat succesverhaal toch niet te zijn. Elk land heeft zijn eigen held. Frankrijk hijst president Macron op de troon die heeft laten zien dat hij serieus werk wil maken van een Europa dat beschermt. Nederland salueert afzwaaiend PvdA-minister Lodewijk Asscher, die al jaren geleden aan de alarmbel trok over goedkope Polen die Nederlandse arbeiders het brood uit de mond stoten. België prijst eurocommissaris Marianne Thyssen, die de plannen maakte om sociale dumping aan te pakken.

In Oost-Europa nemen sommigen dan weer helemaal geen overwinning waar van een ‘sociaal Europa’ dat komaf maakt met uitbuiting van arbeiders en oneerlijke concurrentie. Onder meer Polen en Hongarije stemden tegen het maandagnacht door de ministers van sociale zaken gesloten akkoord. Daar zien ze in de strijd tegen sociale dumping een protectionistische poging van machtige, rijke landen zich af te sluiten voor werknemers van elders voor wie de bereidheid voor een lager loon te werken een van hun schaarse concurrentievoordelen is.

Bij al het gejubel vergaten sommigen ook nog eens goed te kijken naar wat er precies was besloten na vele onderhandelingsronden. De kranten berichtten er al over op basis van het persbericht dat na afloop naar buiten werd gebracht, terwijl de precieze tekst van het gesloten compromis pas later beschikbaar was.

Daaruit blijkt, zoals ik in Lees hier m’n update over het compromis van maandag.deze update optikte, dat nog helemaal niet zo duidelijk is dat het mantra waarmee het besluit werd gebracht – ‘gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde plaats’ – echt waar wordt gemaakt. Bovendien is er nog niets definitief. Want de onderhandelingen tussen Parlement en Raad moeten nog beginnen. En Agnes Jongerius, de Nederlandse onderhandelaar vanuit het Parlement en oud-vakbondsvoorzitter, is zeker nog niet uitgestreden.

Schaduweconomie en microjobs

Terwijl de ministers van Sociale Zaken maandagavond zaten te onderhandelen, twitterde denktank Bruegel Lees hier dat stuk.een stuk rond waarin medewerker Zsolt Darvas betoogde dat ze zich bezighielden met een weinig urgent probleem. Want het aantal gedetacheerde werknemers uit lagelonenlanden in West-Europa zou honderd keer lager liggen dan het aantal undeclared workers, mensen met een niet-officiële baan.

Niet alleen in omvang maar ook in ernst een vele malen groter probleem, vond Darvas. Dergelijke werknemers zijn volledig overgeleverd aan de grillen van hun werkgever, krijgen geen sociale bescherming en verdienen vaak minder dan het minimumloon. Dat leidt tot oneerlijke concurrentie en ondermijnt de verzorgingsstaat.

De schaduweconomie zou in West-Europese landen een omvang hebben die loopt van 9 procent van het bruto nationaal product in Luxemburg, al bepaald niet weinig, tot maar liefst 21 procent in België.

Ik stuurde de auteur een mailtje met de vraag waar hij die cijfers vandaan had. Hij verwees me naar Dat paper is hier te lezen.een paper waarin getallen staan over de periode tot 2007.

Het leken mij wat gedateerde en niet helemaal geloofwaardige cijfers. Bovendien kon ik mij wel vinden in de reactie van Agnes Jongerius, die ik de kritiek van Darvas voorlegde. ‘Er is altijd een groter probleem te vinden. Een oorlog tussen Noord- en Zuid-Korea, nog veel erger.’

Maar de dag nadat ik had besloten de kritiek van Darvas in mijn update links te laten liggen, las ik in Le Soir over Hier vind je het onderzoek van Le Soir.een onderzoek dat de Belgische krant had gedaan naar mensen met minibanen. ‘26 euro per dag, het salaris van de microjobs’ was de kop. Via het webplatforms als Amazon Mechanical Turk en rapidworkers.com zouden in België duizenden mensen grijpstuivers verdienen met het liken van bepaalde merken op het internet en het tellen van tampondoosjes in supermarkten. Harde cijfers heeft Le Soir niet, maar het schrijft over een ‘groeiend leger van zombiewerkers.’

Machtsmisbruik in het Parlement

Uitbuiting en machtsmisbruik, het treft meestal de meest kwestbaren aan de onderkant van de arbeidsmarkt, illegalen en laagopgeleiden.

Maar het komt natuurlijk ook in de beste kringen voor. Volgende week spreek ik iemand die als medewerker in het Europees Parlement lange uren maakte, zich geterroriseerd en uitgebuit voelde en met een burn-out eindigde.

Het zijn voor veel parlementaire assistenten en stagiairs in het Parlement maar al te herkenbare ervaringen. In een kwetsbare positie, vaak zonder vast contract, werken ze zich een slag in de rondte om de begeerlijke job maar te behouden.

Velen krijgen daarbij ook nog eens te maken met seksuele intimidatie. Jeanne Ponté, een Franse parlementair medewerkster, was er in 2014 slachtoffer van. Sindsdien hield ze In dit artikel is een video opgenomen waarin ze erover vertelt.een notitieboekje bij, waarin ze bijna vijftig gevallen van seksuele intimidatie in het Europees Parlement boekstaafde.

Achter de mooie woorden over Europese eendracht en solidariteit gaat niet zelden een lelijke werkelijkheid van verdeeldheid en machtsverschil schuil.

oktober 29, 2017Permalink

Jim van Os

Mensen reduceren tot een diagnose is een ingreep in de identiteit’

180 graden: Jim van Os

Psychiater (57) veranderde van standpunt over de juiste behandeling bij psychisch lijden.
Marjon Bolwijn
Jim van Os is psychiater aan het UMC Utrecht. ©Ivo van der Bent / de Volkskrant

Oude standpunt

‘Psychische aandoeningen zoals schizofrenie en depressie hebben duidelijke kenmerken. Alle tweehonderd stoornissen en symptomen staan in de DSM, de ‘bijbel’ van de psychiatrie. Daarmee kunnen hulpverleners objectief diagnosticeren. Wetenschappelijk onderzoek wijst uit welke behandeling bij welke aandoening past en verpakt die in richtlijnen waar je op kunt bouwen. Het doel van behandelen is symptomen verminderen. De geneeskunde die aan de universiteit en in de opleiding tot psychiater wordt onderwezen is van een verbluffende logica. Als expert weet je hoe de mens in elkaar zit en hoe te handelen.’

Het Keerpunt

De wet­ma­tig­he­den zijn veel zwakker dan wordt voorgesteld

‘Twee ontdekkingen deden mij inzien dat deze logica zeer wankel is. Na mijn studie geneeskunde in Amsterdam ging ik verder studeren in Bordeaux en daarna in Londen. Tot mijn verbijstering bleek de diagnose schizofrenie in Frankrijk iets heel anders in te houden dan in Engeland. Ze hanteren er andere symptomen. Ook de prognose en behandeling verschillen. Een onderzoek onder psychiaters in beide landen bevestigde dit. Ik concludeerde dat de diagnostiek van psychisch lijden wellicht meer te maken heeft met cultuur dan met waardevrije wetenschap. Het maakte mij sceptisch over de op ‘bewijs’ gebaseerde diagnose- en behandelrichtlijnen.

‘Die scepsis werd gevoed door ervaringen van familieleden met psychische klachten. Mijn nicht bijvoorbeeld kreeg uiteenlopende diagnoses: een bipolaire stoornis, zei de een. Nee, schizofrenie, zei de ander. Een persoonlijkheidsstoornis, meende een collega. In werkelijkheid is psychisch lijden een mix van weinig specifieke symptomen als slapeloosheid, somberheid, angsten, geheugenproblemen, verslaving – en dat in verschillende gradaties en combinaties over de tijd. De wetmatigheden onder diagnostiek en behandeling zijn veel zwakker dan wordt voorgesteld.’

Diagnoses zijn labels die de persoon persen in een dia­gnos­tiek-be­han­del­richt­lijn voor de niet-be­staan­de gemiddelde patiënt

Nieuwe Standpunt

‘Diagnoses bij psychische klachten zijn slechts hypothesen. Het zijn labels die de persoon persen in een diagnostiek-behandelrichtlijn voor de niet-bestaande gemiddelde patiënt. Iemand met psychische klachten reduceren tot een wetenschappelijke abstractie is geen medische handeling – het is een dubieuze ingreep in de identiteit. Je academische cultuur mag voorschrijven dat schizofrenie bestaat, maar geeft je dat het recht om mensen dat label op te plakken? Er zijn patiënten die last hebben van extreme achterdocht, van geheugen- en concentratiestoornissen, die stemmen in hun hoofd horen, hun bed niet uitkomen. Maar allemaal op een verschillende manier en met een verschillend beloop. Hen allen ‘schizofreen’ noemen – met de meer of minder expliciete boodschap: je hebt een ongeneeslijke, chronische hersenziekte – dat is nogal wat. Terwijl er mensen zijn die maar één keer een psychose krijgen en daarna nooit meer.

‘Beter is het om als hulpverlener bij iedereen opnieuw verwonderd vragen te stellen: wat is er gebeurd, waar heb je last van, waar zit je kracht, wat zijn je doelen en wat heb je nodig om die te bereiken? Korte termijn symptoombestrijding is secondair aan het versterken van de weerbaarheid op lange termijn. Help de persoon zijn verhaal te ontwikkelen, inzicht te krijgen in onderliggende kwetsbaarheid en kracht, greep te krijgen op beperkingen en regie te pakken over de behandeling. En nieuwe doelen te formuleren die het leven zin kunnen geven.’

 Het effect

Het UMC Utrecht Her­sen­cen­trum en ik hebben elkaar gevonden in een hoger doel: de patiënt als partner

‘Nadat ik voor het eerst mijn nieuwe visie kenbaar maakte, in 2015 in NRC, werd ik op een medisch congres in de VS voor gek verklaard. Maar met een tegendraads geluid bereik je soms meer dan met polderen achter de schermen. Er is veel in beweging gekomen. Met collega’s heb ik een andere benadering van hulpverlening bij psychisch lijden beschreven in het boek Goede ggz!. De minister nodigde ons uit. Er lopen pilots in steden als Eindhoven, Rotterdam en Amsterdam, gebaseerd op kleinschaligheid, community en bevordering van de weerbaarheid. Ook werken we met e-communities, zodat mensen online aan lotgenotencontact en informatie kunnen komen in de veiligheid van hun woning. De e-community psychosenet.nl telt bijna 1 miljoen bezoekers per jaar. En ik werk nu bij het UMC Utrecht Hersencentrum. Vroeger kibbelde ik ermee, nu hebben we elkaar gevonden in een hoger doel: de patiënt als partner.’

oktober 22, 2017Permalink

Eberhard van der Laan

Deze week schreef aan de Amsterdamse raad dat de bom bij de Pegida-demonstratie in februari wel degelijk echt was. De media doken vervolgens massaal op het opgeklopte nieuwtje over de ‘bom’ – en dat is jammer, want de brief van de Amsterdamse burgemeester bevat wijze woorden die meer aandacht verdienen.

Legden alle politici hun beleid maar zo uit als Eberhard van der Laan

Correspondent Politie & Criminaliteit
Bart DE KONING
Afbeelding van de rookbommen uit het politiedossier van Matt.

Het was een verrassend bericht in Lees hier het Parool-artikel.Het Parool, deze week: ‘Nepbom’ bij Pegida-demonstratie bij Stopera was toch echt. En al snel las je op Het bericht van Nu.nl.Nu.nl, Het bericht op de Telegraafsite.Telegraaf.nl, Het bericht van de NOS.Nos.nl, Dit schreef het AD.AD.nl en Zie hier het bericht op The Post Online.The Post Online berichten van diezelfde strekking.

Het Parool baseerde zich op een Lees hier de brief.brief die Eberhard van der Laan naar de gemeenteraad had gestuurd om de gang van zaken rond de demonstraties van Pegida en de NVU nog eens toe te lichten. En die brief, daar kunnen andere burgemeesters een voorbeeld aan nemen. Daar kom ik zo op terug.

Maar eerst wat Van der Laan over de bom schreef: ‘Voorlopig onderzoek heeft uitgewezen dat het verdachte pakket een vuurwerkbom betrof met eenontstekingsmechanisme dat van afstand kon worden bediend. Een explosie tijdens de demonstratie had verstrekkende gevolgen kunnen hebben.’

Het Parool baseert de ‘nepbom’ op het politiedossier van Matt Cornell. Hij is de Amerikaanse student die in februari werd gearresteerd omdat hij verdacht werd van het plaatsen van de ‘bom.’ Cornell bleek volledig onschuldig en stond anderhalve dag later alweer op straat. Daarover schreef ik in juli een uitgebreide Lees mijn reconstructie hier terug.reconstructie – op basis van het politiedossier. Het vreemde is dat uit dat dossier direct duidelijk wordt dat hetniet om een echte bom ging. Die rookbommen zijn met de beste wil van de wereld niet als een explosief te zien, zoals filmpjes op Zie hier een filmpje van deze rookbommen.YouTube laten zien: ze knallen niet, maar geven een paar minuten flinke rookwolken.

In het eerste verhoor spreekt de recherche dan ook niet over een bom, maar vragen ze alleen naar vuurwerk en rookbommen. De recherche verwachtte ook niet dat Matt Cornell echte explosieven in huis zou hebben. Hij werd ’s ochtends om tien minuten over zes door een team rechercheurs van zijn bed gelicht – een gebruikelijk tijdstip om verdachten in hun slaap te verrassen. Als de politie hem echt gevaarlijk had gevonden was hij door een gespecialiseerd arrestatieteam (AT) opgepakt – midden in de nacht.

Pas in het tweede verhaal van Het Parool volgt onder het tussenkopje ‘Bom of nepbom?’ wat meer nuance. Gemeente en politie erkennen dat het inderdaad geen explosieve bom was, maar dat een rookbom ook ‘flinke paniek’ had kunnen veroorzaken. Tja, dat zou theoretisch inderdaad kunnen. Het is een vergezocht scenario: supporters steken bij voetbalwedstrijden aan de lopende band rookbommen af, zonder dat er paniek ontstaat op de tribunes.

Al die ophef over de nepbom leidt af van twee andere zaken: Matt Cornell heeft nog steeds geen excuses aangeboden gekregen voor zijn arrestatie en geen vergoeding voor zijn ingebeukte voordeur. Zijn advocaat Caroline Buisman heeft daarover een schadeverzoek ingediend bij de rechtbank – de zaak dient op 30 september aanstaande.

Alle verstandige dingen waar het relletje van afleidde

Daarnaast leidt het relletje rond de bom af van alle verstandige dingen die Eberhard van der Laan ook schrijft in zijn brief over het waarborgen van soms tegenstrijdige grondrechten bij demonstraties. Dat is vaak heel lastig. De brief is zeer de moeite waard, omdat Van der Laan niet alleen de principes van botsende grondrechten in een rechtsstaat uiteenzet, maar ook praktisch uitlegt hoe de agent op straat daar in de hitte van het moment mee om moet gaan.

Amsterdam voelt zich ‘existentieel verbonden’ aan de demonstratievrijheid, schrijft Van der Laan. Maar zo’n grondrecht krijgt pas echt betekenis als de inhoud van zo’n demonstratie –bijvoorbeeld tegen de islam en tegen asielbeleid – fundamenteel botst met waar de gemeente Amsterdam voor staat. ‘Dat levert moeilijke afwegingen op, zeker als partijen in Amsterdam het grondrecht gebruiken op een manier die bij andere mensen tot pijn of angst leidt,’ schrijft Van der Laan.

Zo is een expliciete doelstelling dat de persvrijheid moet worden beschermd. De politie heeft op 6 februari een verslaggever van PowNews beschermd tegen een agressieve demonstrant die aan de befaamde microfoon met plopkap stond te rukken. Deze heeft een waarschuwing gekregen en is daarna meteen op vrije voeten gesteld – want de vrijheid van demonstratie is óók een grondrecht. Van der Laan is terecht trots op de manier waarop de politie dit heeft afgehandeld: ‘Het directe optreden door de politie bij dit incident is conform het draaiboek en exemplarisch voor dat beleid.’

Juist omdat er zoveel Joodse Amsterdammers zijn vermoord, is de oorlog in de hoofdstad nog steeds een open zenuw

En wat doe je als mensen met een hakenkruis komen aanzetten – zelfs als dat hakenkruis symbolisch in een prullenbak staat? Hoewel Amsterdam zeer liberaal is, hebben gemeente, Openbaar Ministerie en politie (de driehoek) hier een harde streep getrokken: geen nazi-symbolen: ‘Zo zijn er bij de NVU demonstratie vier personen aangehouden omdat zij de Hitlergroet deden of afbeeldingen bij zich droegen, die duidelijk antisemitisch van aard zijn, zoals een haakneus afgebeeld op een verbodsbord of een logo van een neonazistische organisatie.’

Van der Laan legt omstandig uit waarom alle hakenkruizen verboden zijn – ook als ze antifascistisch bedoeld zijn. Juist omdat er zoveel Joodse Amsterdammers zijn vermoord, is de oorlog in de hoofdstad nog steeds een open zenuw: ‘Het is mede om die reden dat de Amsterdamse driehoek tijdens manifestaties in Amsterdam geen hakenkruizen duldt; niet op spandoeken en zelfs niet als onderdeel van een verbodsbord of prullenbak.’

Ook in dit geval hanteert de jurist Van der Laan weer de mengeling van principiële argumenten en praktische toepasbaarheid: ‘In sommige gevallen is een hakenkruis ook niet eigenstandig strafbaar. Zo kan een situatie ontstaan dat wél opgetreden wordt bij een persoon die tegen Pegida demonstreert met een hakenkruis in een verbodsbord, en tegelijkertijd niet wordt opgetreden tegen een Pegidademonstrant met een hakenkruis in een prullenbak. Dit maakt het handhaven op straat voor de politie complex, met uiteindelijk directe risico’s voor het ontstaan van wanordelijkheden.’

Je zou willen dat alle politici hun beleid zo zouden kunnen uitleggen.

oktober 6, 2017Permalink

we hebben een schuldenprobleem

Schulden: je komt er zo in, maar kom er maar eens uit. Want wie niet meer kan betalen, wordt verder op kosten gejaagd. En wie daarna van zijn schulden af wil komen, moet een bureaucratische triatlon lopen – ongetraind.

Beste gemeenten van Nederland, we hebben een schuldenprobleem

Correspondent Economie
Jesse FREDERIK
Illustraties door Leon Postma, Kwennie Cheng en Roel van Eekelen

8.000 keer werd vorig jaar een huis ontruimd, 20.000 keer werd de elektriciteit afgesloten, 89.000 keer meldde iemand zich bij de schuldhulpverlening en 3 miljoen keer belde ergens een deurwaarder aan. Een op de vijf huishoudens loopt risico op problematische schulden, meer dan 300.000 mensen hebben een bewindvoerder.

Niemand heeft hier baat bij. Schuldeisers zien hun geld niet terug. De belastingbetaler is miljarden kwijt aan een steeds verder uitdijend bureaucratisch moeras. Hulpverleners raken moedeloos van de protocollen, beslisbomen en zelfredzaamheidsmatrices. En de schuldenaar? Die is het lijdend voorwerp van al deze gekte: hij verliest zijn moed, zijn gezondheid, zijn hoop.

Dat moet veranderen. Als mensen in de schulden komen, moet er veel sneller zicht komen op een oplossing. Een oplossing die recht doet aan de verantwoordelijkheid van alle betrokkenen.

Daarom zijn wij, Jesse Frederik (De Correspondent), Ester Gould en Sarah Sylbing (Schuldig) en Annemarie Gehrels (Annemarie Gehrels Advies | Coaching | Training), de campagne Schuldvrij! begonnen.

Wij willen praktische voorstellen doen voor de verkiezingsprogramma’s voor de gemeenteraadsverkiezingen. Om een einde te maken aan dit geldverslindende systeem dat alleen maar verliezers kent.

1. Experimenteer met het overnemen van schulden

Na drie jaar schuldsanering krijgen schuldeisers vaak nog geen 10 procent van hun geld terug. Als gemeente kun je beter sneller om tafel met schuldeisers: ‘Jullie krijgen nu je 10 procent, dan nemen wij de schuld over.’

Dat is geen liefdadigheid, maar een investering.

Ga maar na: momenteel kost drie jaar een bewindvoerder aanstellen zo’n 5.000 euro. En dan is er aan het eind van de rit vaak bijna niks opgelost. Voor datzelfde geld kun je ongeveer 50.000 euro aan schulden opkopen en oplossen. Mits de schuldeisers, zoals gebruikelijk, akkoord gaan met 10 procent. Zo bespaar je niet alleen op de kosten van de bewindvoering, maar ook op uitkeringen, jeugdzorg, geestelijke gezondheidszorg, schuldhulpverlening, ziekteverzuim en ga zo maar door.

De gemeenten Den Haag en Leiden laten zien dat dit werkt. De verlammende stress valt weg door het schuldopkoopprogramma en er ontstaat ruimte om verder te kijken. Ruimte voor de schuldenaar die gebruikt kan worden om te investeren in het opdoen van financiële kennis om herhaling te voorkomen, in het volgen van een opleiding of het vinden van een baan.

Schuldsanering kan ook collectief geregeld worden. Maak met bijvoorbeeld woningcorporaties een afspraak over alle problematische schulden van inwoners van een gemeente. Zo kan enorm worden bespaard op uitvoeringskosten. Een saneringstraject voor een enkele burger kost de gemeente namelijk zo’n 3.000 euro, terwijl de afloscapaciteit van een schuldenaar met een minimuminkomen maar 1.800 euro is.

2. Geef schuldhulpverleners de mogelijkheid hun werk te doen

Niet alles kun je achter een Haags bureau of op een gemeentehuis voorzien. Toch is het werk van hulpverleners momenteel dichtgetimmerd in protocollen en beslisbomen. Al die regels gaan te veel uit van de zelfredzaamheid van burgers en geven te weinig ruimte aan het inschattingsvermogen van de hulpverlener.

Mensen die diep in de schulden zitten zijn niet zelfredzaam, blijkt keer op keer uit onderzoek. Regels worden te strikt toegepast, waardoor veel mensen uit een hulpverleningstraject vallen. Geef uitvoerders daarom meer ruimte om uitzonderingen te maken, want er is niet één formule. Niet elke schuld is gelijk geboren.

Geef hulpverleners daarnaast een bureaucratievrij budget dat ze naar eigen inzicht kunnen inzetten. Geld dat vrij te besteden is om echt maatwerk te leveren en zo grotere maatschappelijke problemen te voorkomen.

Op gemeentelijk niveau zijn hier al succesvolle pilots mee geweest. Uit de evaluatie van zo’n experiment in Zaanstad, waarbij sociale wijkteams 800.000 euro kregen om naar eigen inzicht te besteden, bleek hoe succesvol dit kan zijn.

3. Voorkom problematische schulden en wijs schuldeisers op
hun verantwoordelijkheid

Veel gemeenten geven meer uit aan bewindvoering dan aan schuldhulpverlening, en meer aan schuldhulpverlening dan aan schuldpreventie. Dat moet anders. Schuld vroeg signaleren is van groot belang. Het duurt vaak jaren voor mensen zich melden bij de schuldhulpverlening. Bovendien is het veel makkelijker om mensen te helpen als de schuldenlast nog klein is.

Maak daarom afspraken met woningcorporaties, zorgverzekeraars, energieleveranciers en waterbedrijven dat zij bij twee maanden achterstand melding doen bij de gemeente. De gemeente kan dan zorgen dat hulpverleners contact leggen met de bewoners, om hen te ondersteunen om weer grip te krijgen op hun geld. De gemeente Amsterdam heeft daar met het programma Vroeg Eropaf goede ervaring mee en in de gemeente Nijmegen loopt eveneens een succesvol project, Vindplaats Schulden.

Gemeenten kunnen ook kijken hoe ze nóg vroeger in actie kunnen komen. Door bijvoorbeeld samen met corporaties en nutsbedrijven alert te zijn op ingrijpende levensgebeurtenissen, zoals echtscheiding of verlies van een naaste. Zulke gebeurtenissen kunnen het recht op toeslagen stevig beïnvloeden, terwijl ingewikkelde formulieren invullen het laatste is waar je op zo’n moment aan denkt. Corporaties en andere bedrijven kunnen hun klanten dan in contact brengen met instanties die hen hierbij ondersteunen. De gemeenten Hilversum, Den Haag en Zwolle experimenteren hier al mee.

4. Het is tijd voor nieuwe ideeën

Helaas is de overheid vaak zelf onderdeel van het probleem. De Belastingdienst, het Centraal Justitieel Incassobureau, de zorgverzekeraars: veel schulden worden veroorzaakt door wet- en regelgeving uit Den Haag.

Schuldvrij! zal nog voorstellen presenteren om de landelijke politiek te verbeteren. Ondertussen kunnen gemeenten al veel doen om mensen te helpen. Door de decentralisaties wordt de toekomst van de verzorgingsstaat steeds meer lokaal bepaald. Er is ruimte om iets nieuws te proberen. En iets nieuws, dat is hard nodig

augustus 20, 2017Permalink

Deurwaardersleed: ontslagen en geen skybox meer

augustus 8, 2017Permalink