Afschudden

Soms heb je geen trek in iemands gezelschap. U kent het vast. Er stapt een vage kennis de trein in, en hoewel je snel wegkruipt in het kleine ijzeren prullenbakje en doet alsof je een half opgegeten hamburger bent, komt diegene toch naast je zitten.

 

‘God, wat leuk!’

Meestal zit ik zoiets uit. Er moeten wel bijzonder abjecte zaken voorvallen, wil ik op het eerstvolgende station uitstappen met een smoes, een noodgreep die vrijwel altijd nieuw ongerief veroorzaakt. (Je vergeet je tas. Je mist een vliegtuig. Je volgende trein wordt gekaapt.)

Noodgreep

Eergisteren paste ik hem toch toe, de noodgreep. Ik zat in de trein naar Rotterdam en naast me plofte een meneer neer die het een en ander met me te ­bespreken had, vond hij. Ik was toch wie ik was?

Dat ­beaamde ik.

Goed. Welnu, het ging over mijn columns, hij vond ze heel interessant, maar er waren verbeterpunten, wat overigens ook voor mijn roman gold, maar daarover kwamen we straks te ­spreken.

Toen we vijf intense minuten later Leiden binnenrolden, verontschuldigde ik me, bestemming bereikt, oost west, thuis best, het was me een genoegen. Ik stapte uit, liep 30 meter en schoot de trein weer in. Eenmaal in Rotterdam – ik sloop met omlaag gerichte blik over het perron – tikte er iemand op mijn schouder.

‘Nog even over je boek’, zei hij.

‘Jup’, zei ik. ‘Vertel.’

Wanneer het afschudden mislukt, moet je dat dragen als Redbad Fokkema, vind ik.

Onderweg verloren we op raadselachtige wijze alle muzen, zodat ik en ik meen Pieter Jeroense plotseling helemaal alleen aan de bar stonden met onze halfgod

Redbad Fokkema – hij leeft niet meer – doceerde moderne poëzie in Utrecht toen ik daar in de jaren negentig Nederlands studeerde. Er stonden boeken over Achterberg en de Vijftigers op zijn naam. Hij was zelf dichter. Zag eruit als een dichter. Ik beleefde hem in die tijd als een soort Stefan George. Maar wel een Stefan George die zich graag in Café De Gasterij omgaf met aantrekkelijke muzen.

Niettemin leek een avond in Fokkema’s aura mij het hoogste. Op een keer, na een laat werkcollege, nodigde hij ons uit voor een borrel. Onderweg verloren we op raadselachtige wijze alle muzen, zodat ik en ik meen Pieter Jeroense plotseling helemaal alleen aan de bar stonden met onze halfgod.

Ik herinner me een stroef gesprekje over ­Leopold en Boutens, een paar keer aangestoken door Pieter, waarna Fokkema er kortaf zijn kaarsendover over legde. Hij keek op zijn horloge. ‘Jongens’, sprak hij, ‘moeder de vrouw heeft de piepers gaar.’

Kielzog

Buiten gaven we Fokkema 20 meter voorsprong. We zagen hoe hij licht achteroverhellend in zijn dichtersmantel de straat uitschreed. Hij sloeg de hoek om. Wij volgden. Bij de volgende hoek sloeg hij weer af, richting Dom. In zijn kielzog staken we het glanzende Domplein over. Geen idee waarom, maar in plaats van rechtdoor te lopen, waar we allebei heen moesten, besloten we Fokkema te volgen. Nogmaals de hoek om.

Voordien was het me nooit opgevallen, maar wie vier keer linksaf de hoek omslaat, beschrijft een kartelige cirkel. We stonden weer in de straat van het instituut. We zagen Fokkema nog net De Gasterij binnen stappen.

Toen we door het rode tochtdoek de kroeg betraden, stond onze poète maudit alweer met een jenever aan de bar.

‘Jongens’, zei hij, ‘wat drinken jullie?