Armoede is geen keuze, maar een zware, erfelijke ziekte

“De weg uit de armoede heeft nauwelijks met verdienste en alles met geluk te maken”, schrijft Celia Ledoux, schrijfster en columniste.

Ik vond als kind huisschimmel beschamend en begrijp pas nu dat ik daarom ziek was. Of door die lekkende schoenen. Mijn achterstand in wiskunde kwam door ziekte, al noemden leraars me lui. Dat luwt je schoolzin. Als kleuter al wist ik dat parasieten beschamend waren, en dus verzweeg ik ze, hoe lastig ook.

Armoede leert je schaamte en verstoppen. Gaten, slijt, geur, leegte, tandbederf, jezelf. Je woonplek – een armoekot in een ‘slechte’ sociale wijk. De buren vonden mijn moeder over het paard getild om mijn prestigieuze school. Ik moest slagen om de eer te redden.

Speelafspraakjes had ik na een eerste beschamend debacle nooit meer. Bij een enkel verjaardagsfeest zag ik enorme tuinen, lege huizen, blinkende meubels. Hoe leger het grote huis, hoe rijker. Ik wist hoe dat kwam, – zij hàdden een kuisvrouw, mijn moeder gíng kuisen – maar schaamde me toch.

Die gedachte bleef lang. Nochtans val ik niet meer op. Ik ben wel erg slank met ranke botstructuur. Geen genetisch schoonheidsideaal, wel overgehouden aan zware kinderondervoeding. Armoede geeft je weinig cadeaus, dus de gezondheidsgevolgen neem je erbij.

Ik leerde afkijkend of van vrienden me anders kleden, gedragen, werken. Drie diploma’s, een klimmende carrière.

Oppervlakkig ging het goed. Binnenin ging ik principes voorbij omdat ik klom uit gewoonte en dwang. Kleine dingen verraadden me. Angst bij het openmaken van een factuur. Een rekening staat gelijk aan miserie. Nog steeds voelen de schimmelplekken en afgesloten elektriciteit soms vlakbij. Ik dacht lang dat mijn façade doorzichtig was. Dat dunne haar, die hoekige onzekerheid. Rijke meisjes zijn rond en rustig. Hoe succesvol je ook bent, armoede blijft je bij.

Studeren bij kaarslicht
Dalrymple vindt armoede een keuze. Dalrymple is blind. Nooit zag ik één arme dromen van armoede. Al die achterafkinderen hadden dromen, ideeën, plannen. Ze wilden eruit. Ze waren realistisch: zonder punten of ontdekking werd wereldtournee en chirurgencarrière bijgesteld naar nationaal succes en huisarts, dan coverband of verpleegster. Op een bepaald moment brak er iets. Ze legden zich neer bij fabriek, vrijers, desnoods stempelen. En toch vaak nog die grootspraak vol dromen.

In contrast: mijn klasgenoten. Soms aanleg. Meestal bijlessen, comfort, academies, ouderconnecties, kansen, reisjes, vrienden, geboorterecht. Ik zag ongetalenteerde muizen slagen in frustrerend bedrog. Het was als 100 meter sprint met twee gefaseerde startschoten. Het is moeilijk studeren bij kaarslicht, moeilijk schoonschrijven met je handschoenen aan als verwarming en licht zijn afgesloten.

Nu ben ik middenklasser. Waar ik vandaan kom heet dat ‘rijk’. Nu, na al vier weken heftige ziekte, zie ik mijn huisvesting, relatie noch voortbestaan fundamenteel bedreigd. Vier schone speeltuinen in 100 meter straal, gezonde thuis. Geen zwerfvuil of winkelkar vol koortsachtig rekenen aan de kassa. Rijkdom. Ja, ik geloof het vaak zelf niet.

Mensen noemen mijn ‘succes’ soms merite. Dat maakt me spuugnijdig. Mijn weg heeft nauwelijks met aanleg en alles met geluk te maken. Voor mij: honderden getalenteerde armen die niet slaagden. Ik ontweek drugs, had geen vriendje om me zwanger te maken, werd niet te hard geslagen, bezweek niet aan ziekte, had een betere school. Ik was uit hopeloosheid koppig, ontdekte toevallig wat talent, had wat betrokken familie. De rest viel, viel, viel.

Merite is een gewetensussende uitvlucht. Het betekent dat armoede een keuze is en rijken geen blaam treft.

Fuck keuze. Ik had geluk. Geluk dat OCMW’s nog niet zo harteloos moesten werken en op werklozen geen klopjacht werd gevoerd. Anders was ik vandaag een generationeel OCMW-ganger. Dat schoolgeld was al nauwelijks te betalen, de kinderzorg topzwaar.

Je herinnert het je. Je hart in overdrive als je moeder je tegen de muur drukt terwijl een deurwaarder bonst. Altijd gewelddadig, intimiderend in hun hooghartige smeerlapperij.

Ik herinner me dat een opstel niet te maken valt met een snikkende moeder één flinterdunne muur verder. Ik herinner me uitbuitingsjobs, weken op uien-met-patatten ‘s avonds en een brooddoos met dunne pannenkoek. Ik kon jarenlang geen pannenkoek zien. Ik herinner me ons leeggehaald appartement op een avond. Je schamele thuis, opengebroken en geplunderd om een achterstal van amper 25 euro. Ik herinner me verhalen, die ik nog niet vertellen durf. De steen in je maag, de permanente dreiging. Denken dat armoede een keuze is maakt je niet harteloos. Wel onwetend. Jij herinnert je niks.

Ik zie politieke partijen armen een boosdoener maken, alsof ze erom vragen. Ik zie veroordeelde fraudeurs werklozen ‘profiteurs’ noemen. Wellicht bedoelt Jan De Nul het zo goed als mijn tandarts, die me zo bewondert, maar denkt dat sociale voorzieningen de vuilnisbak in moeten. Zoals ettelijke mensen die rijk of comfortabel geboren zijn, hebben ze geen idee waarover ze het hebben.

Medeverantwoordelijk
Het is comfortabeler om te denken dat armoede een keuze is. Vooral als je het altijd goed had, ten hoogste wat krapjes, en je een goed hart hebt. Als je rijk bent tussen schuldeloze armen, ben je namelijk hardvochtig. Medeverantwoordelijk. Dat wil niemand zijn.

Makkelijker is geloven dat je geboortecomfort en erfprivilege een verworvenheid is en armoede een keuze. Dat maakt de wereld, en jou, minder onrechtvaardig.

Dit idee is een exclusieve luxe van rijken, die ik nooit verwerven kan. Dat kan niemand die tussen armen geboren werd.

Werkloosheid is nooit een keuze, meneer De Nul. Niemand wil onnuttig zijn, iedereen wil slagen. Maar armoede is een zware erfelijke ziekte. De sociale staat heeft mij eruit gered. Ik wil dat u in uw eigen frauderende schemerwerkelijkheid kijkt. Wat u aan solidariteitsbijdrage heeft misgund, bloedt ons systeem van blinde solidariteit leeg. Alleen dat systeem geeft ratjes zoals mij een nieuw leven.

Ik voel nog steeds fantoompijn van mijn al zo lang onbestaande handicap. Maar uw handicap is groter. U beseft niet eens uw eigen luxe.