Dat akelige zwarte beest lag voortdurend op de loer

2991964
© Getty Images

COLUMN

En weer was 14 mei gepasseerd.

Geruisloos, achteloos bijna, alsof zich zes jaar geleden niet een verschrikkelijke ramp had voltrokken. Het was een stille ramp geweest, dat wel, eentje die slechts bestond in de hoofden en harten van vrienden en familie en een toevallige passant. Géén wereldramp dus – al hing dat er maar net van af hoe groot je wereld was.

Het enige dat erop wees, was mijn wankel gemoed en een bericht uit Nieuw-Zeeland van een moeder die de moed erin probeerde te houden. ‘De tuin staat in bloei’, schreef ze in beschaafd jarenvijftig-Engels, ‘de rozen zijn prachtig en gister heb ik een heel stuk gewandeld.’ Verder was ik vaak in haar gedachten en was ze van de ladder gevallen tijdens het ramen lappen, silly her. Pas daarna kwam het echte nieuws, de doffe annonce dat haar huwelijk was gestrand. ‘I drifted away I guess.’

Je hoort het vaker: partners die elkaar verloren nadat ze hun kind waren verloren. Omdat het ziek was geworden, om het leven gekomen, überhaupt nooit het licht had gezien. Of, zoals in dit geval, omdat het kind een kind was geweest met te veel gevoel in het hart en te weinig serotonine in het hoofd om het te dragen.

Dat kind was ooit mijn man.

Depressies zijn alles ontwrichtend, een eindeloos op en af van emoties, net zolang tot je knettergek bent en je het beest óf in de bek kijkt, of het beest jou te grazen neemt

We ontmoetten elkaar in de Amsterdamse club waar we beiden werkten, een komedieclub nota bene. Hij in de keuken, ik in de bediening. Hij beginnend archeoloog, ik journalist. En het belangrijkste: hij depressief en ik ook, wat onmiddellijk bond. Goed, zijn zwarte gat was permanent en dat van mij incidenteel (een defect in de neurologische bedrading versus de dood van een vader) maar wat gaf het, misery loves company. En dus werd de wereld aanvankelijk een stuk aangenamer. Hij leerde mij David Bowie kennen, en Cash en Kerouac. Ik leerde hem het land van zijn Hollandse vader kennen, zijn nieuwe thuisland, zijn hoop in bange dagen. We lachten, huilden, praatten, fietsten, kletsten, sliepen, vreeën en vraten en deden al die andere dingen die normale stellen doen, met één groot verschil, en dat was dat akelige zwarte beest dat voortdurend op de loer lag, grommend, wachtend, plottend op een grandioze comeback.

En die kwam er.

Depressies zijn alles ontwrichtend, een eindeloos op en af van emoties, net zolang tot je knettergek bent en je het beest óf in de bek kijkt, of het beest jou te grazen neemt. Ik herinner me slopende sessies, nachtelijk ontij en bibberige ochtenden. Ik herinner me onvoorspelbare buien, wanhopige daden, met spoed naar de dokter. En ik herinner me vooral de onafwendbare conclusie toen de therapieën niet werkten en de pillen niet pakten, een conclusie die maar één kant op wees. Het eind van onze relatie was een kwestie van lijfsbehoud geweest, niets meer en niets minder. Precies dat probeerde ik me koortsachtig te herinneren toen zes jaar geleden alsnog het telefoontje kwam, later dan verwacht en veel en veels te vroeg. Ik was afwisselend verslagen, verdrietig en vol van berouw, misselijk zelfs. Maar nooit boos. Omdat het recht op zelfbeschikking nu eenmaal het hoogste recht is.

En nu was 14 mei dus weer voorbij. Voor mij, met een doos brieven op tafel en zijn oude schipperstrui in mijn schoot. Maar vooral voor zijn moeder, een vrouw die rozen kweekt, van trapjes valt en op haar oude dag nog gaat scheiden, een moeder die mij vraagt her sweet boy asjeblieft te blijven herinneren, nu en voor altijd.

Al is het het laatste wat ik doe.