De macht van het woord

Het begon met een onschuldig bericht op Twitter. Ik deelde een artikel dat ik zojuist was tegengekomen, over de ervaringen van een Aziatische transvrouw. Doordat ze eerst als man en daarna als vrouw had geleefd, had ze een scherp inzicht in sekse-stereotypen gekregen – ze zijn er altijd, overal, en dwingend – wat ik interessant vond.


Op mijn berichtje kwam een onverwachte reactie. ‘Trans vrouw. Niet transvrouw’, corrigeerde één van mijn lezers me. Ze stuurde een blogpost mee, waarin het nut van deze extra spatie werd toegelicht met een hartstocht die ik normaliter niet associeer met interpunctie. ‘Ik ben verbijsterd dat ik ooit heb gedacht dat het oké was om het als één woord te schrijven’, stond er. Blijkbaar, zo las ik, impliceer je door geen spatie te gebruiken dat er twee soorten vrouwen zijn: echte vrouwen en transvrouwen. Door een spatie toe te passen verbreek je dat onderscheid; dan is ‘trans’ immers slechts een bijvoeglijk naamwoord en horen alle dames, trans of niet, zelfstandig naamwoordsgewijs weer gewoon bij dezelfde groep.

Een woord als ‘autist’ is niet langer toegestaan. Dit moet ‘mensen met autisme’ zijn, want anders reduceer je hen tot hun stoornis en dat is niet cool.

Het was niet de eerste keer dat ik in zo’n taalkundige discussie terecht kwam. Zo mag je tegenwoordig niet meer zeggen ‘PvdA’ers zijn gek’, want dat is niet accepterend tegenover lieden met psychische problemen (de voormalig gekken). Het woord ‘blank’ (als in: huidskleur) kun je het beste vervangen door ‘wit’, om de bijsmaak van puur en smetteloos te vermijden. Over ‘neger’ hoeven we het niet eens te hebben; dat is inmiddels zo beladen dat het in de categorie ‘zwartjes’ en ‘bruinjoekels’ thuishoort. En homoseksuelen zijn al geruime tijd niet meer homofiel, en hebben daarnaast geen seksuele voorkeur of geaardheid meer, maar een oriëntatie (ik weet even niet meer precies waarom). Ook een woord als ‘autist’ is niet langer toegestaan. Dit moet ‘mensen met autisme’ zijn, want anders reduceer je hen tot hun stoornis en dat is niet cool.

Om eerlijk te zijn krijg ik er soms een punthoofd van. Als schrijver heb ik namelijk graag mijn beschikking over het volledige palet der Nederlandse taal. Daarnaast doet de spatiehebbende ‘trans vrouw’ onze spellingsregels geweld aan: het Groene Boekje stelt duidelijk dat men woorden met voorvoegsels van Griekse of Latijnse oorsprong als samenstelling dient te schrijven (zoals ook locoburgemeester, coassistent).

Leidt dit geklets over goede en foute woorden niet af van waar het echt om gaat?

Komt bij dat door al die verboden woorden toch al niet eenvoudige discussies over seksualiteit, racisme, psychiatrie en gender veranderen in een mijnenveld. Taalkundig micromanagement maakt dat je nauwelijks meer vrijuit en openhartig kunt spreken zonder ergens de mist in te gaan. Bovendien oogt het allemaal zo ontzettend lullig; hebben we bijvoorbeeld qua racisme niet veel meer te vrezen van een Duindorper die zijn wijk wil schoonvegen dan van een verder welwillend persoon die zwarte mensen halsstarrig ‘negers’ blijft noemen? Leidt dit geklets over goede en foute woorden niet af van waar het echt om gaat, namelijk de vrij beroerde manier waarop we in Nederland met minderheden omgaan? En, vraag ik me dan af: als de strijd om emancipatie van die minderheden op woordniveau gevoerd moet worden, is hij dan niet eigenlijk al verloren?

En toch. Ik kan ook niet ontkennen dat taal macht heeft. Anderhalve week geleden schreef psychologiehoogleraar Mark van Vught in zijn blog op Vonk over de ontmenselijking die voorafging aan de genocide op de Tutsi’s in Rwanda, tien jaar geleden. Hij vertelt hoe een radiostation de Hutu’s herhaaldelijk opriep om ‘de kakkerlakken uit te roeien’. Hier werden woorden een soort wapens.

Van een compleet andere maar toch schokkende orde waren de woorden die schrijfster Yvonne Kroonenberg uitte in een interview dat ze gaf aan HP/De Tijd. Ze noemde Noord-Amsterdammers en mensen bij de Action primitief. ‘Ik liep daar rond en probeerde die mensen te begrijpen, op dezelfde manier als dat ik me probeer te verdiepen in het geestelijk leven van dieren.’ En: ‘Iedereen noemt zich ook maar mens tegenwoordig.’

Dat laatste was volgens Kroonenberg een grapje, maar dit is wel precies wat er aan de basis ligt van die ogenschijnlijke muggenzifterij over taal. Wanneer we iemand een autist noemen, of neger, of transvrouw, zetten we hem of haar daarmee apart van de rest van de mensen. Een buitencategorie. Niet als wij. Anders. Vreemd. Niet echt een mens zoals ik een mens ben. Zelfs als dat onbewust of uit onnadenkendheid gebeurt, hebben zulke woorden de macht om de kloof tussen wij en zij te scheppen of te bevestigen. Ik ben verbijsterd dat ik ooit heb gedacht dat dit oké was.

april 24, 2014Permalink