Deze hoogleraar vindt dat Nederlanders veel te weinig over alles weten

Vandaag presenteert hoogleraar Willem Otterspeer zijn pamflet Weg met de wetenschap. Hij ageert tegen de dominante positie van de natuurwetenschappen én tegen het gebrek aan algemene kennis. Ik zocht hem thuis op om te vragen hoe het dan wel moet.

Deze hoogleraar vindt dat Nederlanders veel te weinig over alles weten (en spreekt de elite daar op aan).

‘Een keer had een beroemde natuurkundige zich bij mij uitgenodigd voor het eten. Hij had gehoord dat ik schilderijen verzamelde en wilde – denk ik – leren wat goede smaak is. Maar het eerste wat hij kwijt wilde, was dat de enige echte wetenschap de natuurkunde was. De rest was postzegels verzamelen.’

Aan het woord is Willem Otterspeer (1950). De zwartbebrilde professor zit in een fauteuil voor het hoge raam van zijn werkkamer. De wanden zijn bekleed met boeken, op de schoorsteenmantel houdt een kaarsje een lichtblauwe theepot warm.

Ik spreek Otterspeer omdat hij zich zorgen maakt over de universiteit, het instituut dat hij al zijn hele academische leven bestudeert. In 1992 promoveerde hij cum laude op de Leidse universiteit in de negentiende eeuw. Nu is hij hoogleraar universiteitsgeschiedenis. Daarnaast schreef hij meerdere biografieën, waarvan de recentste: De zanger van de wrok, over Willem Frederik Hermans.

Otterspeer ergert zich dood aan de dominante positie van de natuurwetenschappen op de universiteit. Dat schrijft hij in het pamflet Weg met de wetenschap    , dat vandaag verschijnt. ‘Je moet aandacht krijgen,’ zegt hij over de titel. ‘Je moet eerst iets lelijks zeggen en het dan nuanceren. Weg met de waarheid zou misschien nog een betere titel zijn geweest. Weg met het idee dat er maar één waarheid is, het uitgangspunt van de natuurwetenschappen.’

Hij is niet de enige die denkt dat de universiteit aan hervorming toe is: het broeit in de academische gemeenschap. Prominente wetenschappers luidden de noodklok in het manifest Science in Transition    Rutger Bregman schreef eerder over Science in Transition. en studenten bezetten het Maagdenhuis.    Thomas Muntz schreef een reconstructie van de Maagdenhuisbezetting. Een greep uit de pijnpunten: de grote publicatiedruk, het lage niveau van de afgestudeerden en een financieringsmodel dat gebaseerd is op aantallen studenten en promovendi.

Maar na het lezen van Otterspeers pamflet bleef ik met een hoop vragen zitten. Wat is er nou precies mis met de universiteit? Wat heeft dat met die dominantie van de natuurwetenschappen te maken? En wat zijn de oplossingen? Ik zoek hem thuis op in Leiden voor een interview in vijf stellingen.

1. De natuurwetenschappen zijn te dominant

Voor wie heeft u het pamflet geschreven?
Otterspeer denkt even na. ‘Eerlijk gezegd heb ik me dat niet zo afgevraagd. Het is ontstaan uit ergernis over de natuurwetenschappen. Die zijn de universiteit gaan domineren, ten koste van de humaniora – de geesteswetenschappen.’

Waaruit blijkt die dominantie van de natuurwetenschappen?
‘Om voor vol te worden aangezien, moet je de natuurwetenschappen nadoen. Zo worden er nauwelijks boeken meer geschreven, omdat alleen academische artikelen meetellen in je beoordeling als wetenschapper. De grote veranderingen in de natuurwetenschap zijn gegaan via artikelen. Maar de grote veranderingen in de cultuurwetenschappen zijn altijd door boeken in gang gezet.’

‘Wij moeten nu duidelijk maken wat de meerwaarde is van de humaniora. En dat moeten we carrément doen’

Otterspeer loopt naar zijn bankstel. Uit een plastic tasje van een Haarlemse boekhandel haalt hij een oude Volkskrant    Het Volkskrantartikel. . ‘Kijk nou: ‘Wetenschap vreest uittocht toptalent naar buitenland.’ Een briljante scheikundige ging naar Abu Dhabi en de hele natuurwetenschap staat op haar achterste benen. Het wordt meteen misbruikt om meer geld te vragen. Terwijl: het gros van de NWO-gelden gaat al naar de natuurwetenschappen.’

Natuurwetenschappelijk onderzoek is toch ook duurder? Een natuurkundig experiment kost meer dan – zeg – een historische studie.
‘Natuurlijk is dat zo. En toch: ze weten op drie manieren de aandacht te trekken. De eerste is het genie die met zijn krijtje het wereldraadsel op het bord oplost.’

En dat krijtje staat dus voor ‘wij kennen de waarheid.’
‘Ja. De andere hobby horse die ze berijden is dat hun onderzoek zo ontzettend nuttig is. Het kan ‘gevaloriseerd’ worden.’

‘De derde manier is bijgeloof. Van al die mensen die op een sterrenkijkavond naar foto’s zitten te kijken van uitdijende heelallen en ontploffende nova’s, begrijpt nog niet één honderdste wat er aan de hand is. Het zijn net de vrolijke hasjrokende studenten die in de jaren zeventig naar Paradiso gingen om druipdia’s te bekijken. Dat is alleen maar bijgelovigheid. Maar daar maken ze meedogenloos gebruik van om hun waar aan de man te brengen.’

Wie zijn ‘ze’?
‘De natuurwetenschappers.’

Allemaal?
‘Allemaal! Jeder ist mitschuldig! En doorgaans ben ik erg voor een consensusmodel, maar ik vind dat het tijd is voor een gevecht tussen de faculteiten. In dit geval is botsing de enige manier. Wij moeten nu duidelijk maken wat de meerwaarde is van de humaniora. En dat moeten we carrément doen.’

2. De geesteswetenschappen verkopen zichzelf niet genoeg

Otterspeer loopt de kamer uit en komt even later met een waxinelichtje terug. Hij haalt het opgebrande kaarsje vanonder de theepot vandaan en zet er een nieuwe voor in de plaats.

Wat is dat dan: de meerwaarde van de humaniora?
‘De natuurwetenschap gaat over wat zekerheid is, het certum in het Latijn. De humaniora gaan over het onzekere. Op het gros van de vragen is geen klip-en-klaar antwoord. Met die onzekerheden kunnen de humaniora als geen ander omgaan.’

Heeft u een voorbeeld van het belang van de geesteswetenschappen?
‘Als wij onze gedachten moeten bepalen over migratiestromen, dan is het extreem nuttig dat we historici en sociologen hebben die zich daar al jaren mee bezighouden. Mijn collega Leo Lucassen is een heel goede migratiehistoricus. Hij weet de grote hoeveelheid vluchtelingen heel goed in perspectief    Lees bijvoorbeeld dit opiniestuk van Lucassen in het NRC. te plaatsen. Hij maakt duidelijk dat de migratiestromen in de zeventiende eeuw beslist groter waren dan nu.’

Daar ligt dus een verantwoordelijkheid voor de geesteswetenschappen.
‘Ja. En ik denk dat de geesteswetenschappen het wat dat betreft hebben laten afweten. Die kunnen hun waar veel beter verkopen.’

3. Nederlands algemene ontwikkeling schiet ernstig tekort

Otterspeers betoog beperkt zich niet tot de universiteit. Hij maakt zich ook druk om het gebrek aan algemene ontwikkeling. Zo lezen zijn studenten geen kranten meer (‘Dat lijkt misschien de Cassandraklacht van een oude man, maar ik zeg maar wat ik ervan vind.’) en weet niemand in Nederland nog hoe een boerderij eruitziet (‘Dit lijkt ook weer zo’n monoloog te worden van ‘vroeger was het allemaal beter,’ maar het is wel belangrijk.’).

Maar hét teken van het algemeen maatschappelijk verval? Museumbezoek. ‘Mensen lopen door tentoonstellingen heen, maar missen totaal de enorme macht aan toespelingen, verwijzingen en citaten. Het gaat allemaal langs ze heen. Ze weten niet eens dat die vrouw in het blauw Maria is.’

‘Dat schilderij wordt niet meer op zijn waarde beoordeeld. Dat is erg voor dat schilderij’

Waarom is dat erg?
‘Omdat je er dan niet van geniet. En dat schilderij wordt niet meer op zijn waarde beoordeeld. Dat is erg voor dat schilderij.’

Oké, maar waarom is dat een maatschappelijk probleem?
‘De intense relatie met het verleden vervalt. Het heden wordt plat. Het gaat mij juist om het vergroten van het heden.’

Het vergroten van het heden?
‘Je moet het zo zien: wat mensen nodig hebben, is een huis waarin ze thuis zijn. Met hoge plafonds en grote ramen. En die kun je ze alleen geven door ze perspectief te bieden. Op het verleden en op de toekomst.’

Wat gebeurt er met iemand die niet in zo’n groot huis woont?
‘Die gaat grote onvrede krijgen met zijn eigen leven, denk ik.’

Maar wat als diegene niet weet wat hij mist?
‘Neem nou die twee schilderijen van Rembrandt. Om duidelijk te maken hoe belangrijk die portretten zijn, moet je weten wat pendantportretten zijn, welke ontwikkelingen Rembrandt doorgemaakt heeft, wat het portret voorstelt in de cultuur van de zeventiende eeuw. Om het misverstand over die portretten te begrijpen, moet je ook nog eens de Nederlandse en Franse politieke cultuur kennen. Ik vind het best als je dat allemaal niet wilt weten, maar het gaat wel om 160 miljoen staatsgeld. Je sluit jezelf buiten.’

4. Studenten hebben geen gemeenschappelijk corpus van kennis

U ziet dus een tekort aan algemene ontwikkeling. Hoe houdt dat verband met het onderwijs?
‘Ik geloof niet zozeer dat studenten of middelbare scholieren nadrukkelijk minder weten dan vroeger. Ze weten alleen allemaal verschillende dingen. Ze hebben geen gemeenschappelijk corpus van kennis meer.’

Waar is die gemeenschappelijke kennis dan voor nodig?
‘Om met elkaar van gedachten te kunnen wisselen, moet er een zekere overlap zijn. Als die er niet is, praat je volledig langs elkaar heen. Je hebt dan twee monologen in plaats van een dialoog.’

 

Maar als je verschillende dingen weet, kun je elkaar ook meer leren.
‘Dan informeer je elkaar wel, maar op een zeer oppervlakkige manier. Omdat het niet terugvalt in een of andere structuur waarin je hiërarchie kunt aanbrengen.’

‘We hadden dat probleem helemaal niet hoeven krijgen als we onze middelbare school op niveau gehouden hadden. Mijn studenten zijn heel erg slecht in Nederlandse grammatica. Er wordt nauwelijks meer echt goede aardrijkskunde of geschiedenis gegeven. Ze weten niet dat Karel de Grote eerder was dan Karel de Vijfde, als ze die twee al kennen. En het zou ook prettig zijn als mensen wisten dat Jezus en Christus dezelfde figuur waren.’

U stelt als oplossing voor: de brede bachelor, zoals in de Verenigde Staten.
‘In Amerika is de bacheloropleiding nadrukkelijk bedoeld voor algemene vorming. Je hebt daar een grote cursuslijst om uit te kiezen. Je stelt mensen in staat om hun geestelijke horizon te verbreden, wat een enorme verrijking is voor hen persoonlijk en voor de maatschappij waarin ze opereren. Tegelijkertijd handhaaf je vakken zoals Frans en Duits. Daar is weinig belangstelling voor, maar die zou je graag willen behouden.’

Waarom moeten zulke vakken dan blijven bestaan?
‘Vakken worden natuurlijk geboren en verdwijnen weer. We hebben in Leiden een enorme bloei gehad in het vak Indologie, omdat we koloniën hadden. Iedereen heeft er vrede mee dat zo’n vak langzaam verdwijnt.’

‘Maar voorlopig is Duitsland nog wel ons buurland, onze grootste afzetmarkt. Het is een gigantische handicap voor het bedrijfsleven dat er zo weinig mensen zijn die vloeiend Duits spreken.’

En wie beslist dan welke vakken gehandhaafd moeten worden en welke niet?
‘Dat doet een zo breed mogelijke en goed geïnformeerde elite.’

5. De elite moet het financieringsmodel veranderen

Op de universiteit wordt steeds meer gemeten: het aantal studenten, het aantal publicaties. U ziet dit als een voortvloeisel uit de dominantie van de natuurwetenschapen. Hoe houdt dat verband met elkaar?
‘Dat is dezelfde invloed van dat scientistische model dat op de humaniora wordt toegepast. Alles wordt terugberekend naar het kwantitatieve, naar eenheden.’

Hoe kun je dat veranderen?
‘De universiteit wordt betaald voor zoveel afstuderende studenten en zoveel promoverende studenten. Wim Kok zou dat een ‘perverse prikkel’ hebben genoemd. Je ziet automatisch dat de maatstaven omlaag gaan. Wij maken met het ministerie afspraken dat tachtig procent van de studenten moet slagen.’

 

‘Dat heeft het voordeel gehad dat er enorm veel activiteit gestopt wordt in het verbeteren van het onderwijs. De mummelende professor die van een papiertje stond voor te lezen die is er niet meer. Daar is niks mee, maar het financieringsmodel moet veranderen.’

Hoe zou dat model eruit moeten zien?
‘Ik ben geen manager. Ik houd me niet bezig met de verandering van het financieringsmodel. Als het nodig is, ga ik dat wel doen. Maar ik houd het nu even bij het pamflet.’

Dan nogmaals: voor wie heeft u het geschreven?
‘Voor die algemene en breed geïnformeerde elite waarvan ik vind dat ze het resultaat van een universiteit moet zijn. Voor een algemeen intellectueel publiek. Niet alleen maar academici, maar ook politici, mensen die in het onderwijs werkzaam zijn enzovoorts.’

Na afloop van het interview loopt Otterspeer met me mee naar de voordeur. ‘Ha, daar is de krant!’ Hij pakt de NRC van de deurmat. ‘Dat tabloidformaat vond ik nog wel prima, maar ik ga niet digitaal lezen. Ik houd het liever op papier.’

Weg met de wetenschap verschijnt vandaag in de serie Horzels    Zihni Özdil schreef eerder een Horzel.

november 7, 2015Permalink