Gekte

Vorige week vrijdag werd ik bijna gek. Meteen al ’s ochtends sprong ik uit mijn vel, waarom precies doet niet ter zake. Toen ik enigszins tot bedaren was gekomen en mijn vel mokkend weer aantrok, kwam ik er absurd lekker in te zitten – gevaarlijk lekker zelfs, een beschreven voorstadium van waanzin. Wie brult er nou ‘tjakka’ als Suzy met koffie de studeerkamer binnenkomt?

 

Emile Ratelband.

Ik ga ook niet over gloeiende kolen lopen, dus kreeg ik een lumineus idee. Voor een column uiteraard. Ideeën voor iets anders, de Firato bezoeken bijvoorbeeld, of even iets opvouwen, krijg ik nog maar zelden.

‘Jij spreken met dubbele tong. Jij slang die rotten zal op prairie.’

Witte Veder zou me opbellen. Hij en Arendsoog hadden mijn column van vorige week gelezen. Dat was het idee. Het zou een nogal bits gesprekje worden, even wat puntjes op de i gringo, op die toon, maar dan wel op z’n Witte Veders, zodat je eerst dacht dat ik met Johan Cruijff zat te bellen. ‘Die kolom wie jij geschreven heb was dus in wezen een geitenkaas.’

‘Met wie spreek ik?’

‘Jij spreken met dubbele tong. Jij slang die rotten zal op prairie.’

(En dan zou ik mijn hand op de hoorn leggen, en tegen Suzy fluisteren: ‘Het is die gekke indiaan. Verdomme zeg. Neerleggen? Nee?’) ‘Hallo, euh… Witte Veder? Ja. Geef me anders Arendsoog even. Meneer Bob voor mij. Ook goed. Roep toch maar even. Jij ook uch, ja.’

(…) ‘Stanhope.’

En dan zou Arendsoog zich verontschuldigen – heeft die roodhuid nou alweer zitten bellen? enzovoort – en al snel zou blijken dat we elkaars werk kenden én waardeerden. ‘Ik heb al je boeken gelezen, cowboy’, zou Arendsoog kraken vanuit het flatje in Etten-Leur dat hij en Witte Veder na de dood van P. Nowee (‘ons pa’) samen hadden betrokken. Een steeds innigere vriendschap zou zich ontplooien, had ik bedacht. We zouden de Stanhoopjes zo nu en dan te eten hebben, iets lekkers voor ze koken uit Ottolenghi, vuurwater voor meneer Veder, Arendsoog z’n geitenmelkje van de blauwe knoop.

Leesbril

Het zouden zeer geanimeerde avonden worden, met veel binnenlandse politiek, veel kunst ook, en een droogkomische Witte Veder die Arendsoog voortdurend plaagt met z’n leesbril, zo van: ‘Hoevele vingers ik opsteken, Bobbie?’ Hihi-haha, waarna er kort wat zou worden vuistgevochten, tafel op z’n kant, bierflessen stuk op de hoofdjes, en erna koffie en een potje Kolonisten van Catan.

Stanhope: ‘Mag er hier binnen geschoten worden?’

Suzy: ‘Liefst alleen buiten, Bob. Wij schieten zelf niet, namelijk.’

De verdere vrijdag was ik stapelgek. Serieus. Suzy?

‘Knettergek.’

Ik kon nergens anders meer aan denken. In ieder stukje moesten die twee voortaan figureren. Arendsoogloze columns zouden zelfs een probleem worden. Geen puf meer voor. Ik wilde bij de krant een aparte Arendsoogdag voorstellen. Een extra column op dinsdag, de mail aan Remarque staat nog klaar.

‘Je wilde een hoed.’

Klopt. Op dinsdag wilde ik op mijn kop op de foto hierboven een cowboyhoed. Ingemonteerd.

‘Je dacht dat iemand anders je voor zou zijn.’

Ook waar. Max Pam, schakend tegen Witte Veder. Witteman, bizons braden met Bob. ‘Op zoek naar Zwarte Veder’ (Asha ten Broeke).

‘Je wilde op Marktplaats alle Arendsogen bestellen.’

Sterker nog: daar is de po