Het brein van pap

Huilen, troosten, knuffelen: veel mannen herkennen zichzelf niet meer terug na hun geboorte als vader. Wat gebeurt er volgens wetenschappers in hun hoofd? En wat volgens de verse pappa’s zelf?

DOOR Ianthe Sahadat FOTO’S Eddo Hartmann 14 juni 2014

Als ergens een baby begint te huilen, draaien velen geïrriteerd hun hoofd om. Zo niet Pieter Rijlaarsdam (42). Hij veert op, wil iets doen, vraagt zich hardop af: komt er al iemand om te troosten?

Rijlaarsdam werd bijna vier jaar geleden vader van Tobias. Sindsdien bestaat de wereld voor een groot deel uit kinderen, wezens die tot die tijd vrijwel non-existent waren in zijn beleving. ‘Ik had gewoon niet door dat er kinderen waren en nu zie en hoor ik ze overal. Vooral als ze verdrietig zijn, dat gaat door merg en been.’

De daling in testosteron zorgt bij de vaders in spe voor een afname van de voortplantingsdrift en agressie
Het is geen ongebruikelijke transitie die Rijlaarsdam doormaakte. Met hem zijn er meer mannen die zichzelf niet meer herkennen na hun geboorte als vader. Een rondvraag op de redactie leverde aardige voorbeelden op. In tranen bij The Gladiator (‘als de gezinnen worden uitgemoord’), tijdelijk niet meer naar journaalbeelden uit Afrika kunnen kijken (‘helaas is dat weer weggegaan’) of veranderen van haantje in weekdier (‘dat is allemaal weer goed gekomen’).

Waar moeders negen maanden met een buik vol baby en een lijf vol hormonen rondlopen, moet de vader het doen met het schilderen van de kinderkamer en het aanschouwen van de baringsstrijd. En dan is hij of zij er ineens: zijn kind.
Vrouwen veranderen tijdens hun zwangerschap gemerkt of ongemerkt al in moeders, daar helpt de biologie hen een handje bij. Hormonen voor het aanmaken van melk, hormonen om te nestelen, om te zorgen – je zou haast zeggen dat een moeder het maar makkelijk heeft.

Maar hoe zit dat eigenlijk bij mannen, hoe worden zij vader?

Decennialang zeiden biologen dat de natuurlijke rol van de vader niet veel meer is dan die van zaadleverancier. Een wijfje bevruchten en weer door, zonder enige interesse in het nageslacht. Alleen een laagje beschaving zou mensenvaders tot een andere rol kunnen dwingen.
Peuterdansen: brok in de keel
Pieter Rijlaarsdam (42) is vader van Tobias (bijna 4)
‘Het is geleidelijk gegaan dat ik zorgzamer werd, maar ik had vrij snel het gevoel dat ik de enige ben die voor hem kan zorgen, dat hij volledig afhankelijk is van mij.
Vroeger vond ik kinderen maar zeurende, schreeuwende poepmachines. Baby’s hoefde ik niet per se vast te houden, liever niet zelfs. Ik was bang dat ik iets zou breken. Het woord hydrofiele luier vond ik angstaanjagend, maar dat was meteen over toen Tobias geboren was. Nu vind ik baby’s leuk en lief. En wil ik juist met ze knuffelen.
Knuffelen, slapen met je kind op je borst, ik had niet verwacht dat ik dat fijn zou vinden.
Als ik mensen op de stoep zie fietsen, scheld ik ze uit. Niet te erg, want ik probeer minder te vloeken voor m’n zoontje. Natuurlijk reed ik vroeger ook op de stoep, maar nu denk ik: mafkees, daar had mijn kind kunnen lopen.
Of als ik ouders verveeld naast een huilend kind met hun mobieltje zie spelen, daar kan ik me echt aan storen. In dat opzicht ben ik een ander mens geworden: ik voel een extreme verantwoordelijkheid naar kinderen toe.
Huilen deed ik vroeger niet, en ook nu niet. Maar toen mijn zoontje laatst naar peuterdansen ging, kreeg ik wel een dikke brok in mijn keel. Zag ik al die meisjes in roze pakjes elegant zwieren en draaien en mijn zoontje met zijn onhandige motoriek daar tussen. Hij kon er niks van, maar hij deed zo zijn best. Dat brak mijn hart.
Ik wil hem beschermen, met hem spelen. Ik vind een dag met hem echt een feest. Hij is altijd vrolijk en ik vind hem heel grappig en slim, maar dat zegt elke vader waarschijnlijk van zijn kind.
Vrienden en collega’s zeiden: als je kinderen krijgt, is je leven over. Ik werk als cv-monteur, met veel bouw­types, dus deels is het stoere praat. Maar ik ken genoeg mannen die niet de hele tijd met hun kind willen doorbrengen. Daar snap ik niets van. Mijn leven is er alleen maar leuker op geworden met hem. Een dag met hem op pad doe ik tien keer liever dan me lam zuipen in de kroeg, en ik houd echt nog wel van een biertje.’
Een van de eerste primatologen die zich tegen deze opvatting verzetten, was de Amerikaanse Sarah Blaffer Hrdy. Zij stelde in de jaren zeventig dat de mens de grote uitzondering van de zoogdieren is, met een biologische basis voor vaderliefde en een hormoonspiegel die helemaal niet zo veel van de vrouw verschilt.

Veertig jaar later is de wetenschap er nog niet helemaal uit, maar het gedachtengoed van Blaffer Hrdy lijkt te hebben gewonnen. De hormoonspiegel van de man verandert inderdaad als hij vader wordt. Zelfs al voor de geboorte van zijn kind.

Onlangs publiceerde een Israëlisch onderzoeksteam dat al jaren onderzoek doet naar het vaderbrein een opvallende studie in het wetenschappelijke tijdschrift PNAS. De onderzoekers observeerden ouders met hun kind in de huiselijke omgeving, daar maakte zij opnames die zij later lieten terughoren aan de ouders terwijl ze in de MRI-scanner lagen. Ze bekeken de hersenactiviteit en maten het oxytocineniveau in het bloed en speeksel van de ouders.

Knuffelhormoon
Oxytocine wordt ook wel het knuffelhormoon genoemd. Lange tijd zagen wetenschappers het als een typisch vrouwelijk hormoon, dat bij verliefdheid maar ook bij de verzorging van kinderen een rol speelt. Maar mannen blijken het in gelijke mate aan te maken.

Volgens de onderzoekers verandert het brein van de vader net zozeer als dat van de moeder. Zowel bij moeders als bij vaders worden bepaalde hersengebieden actief bij de komst van een kind. Een biologische verwantschap met het kind hoeft er niet eens te zijn; de onderzoekers bekeken ook de hersenen van homoseksuele adoptieparen, deze vaders veranderden even goed.

Onderzoekers stellen enthousiast vast hoe kneedbaar het brein is en hoe goed het zich aan omstandigheden (in dit geval een hulpbehoevend baby’tje) kan aanpassen
Met name het hersendeel de amygdala werd beduidend actiever bij verse vaders. De amygdala, ook wel amandelkern genoemd, is een soort schakelpaneel voor emotionele prikkels in de hersenen. Uit eerdere studies is bekend dat dit hersendeel een belangrijke rol speelt bij de verzorging van kinderen.

Hoe betrokkener de vader is bij de verzorging van het kind, hoe actiever dit hersendeel blijkt te zijn en hoe meer bepaalde circuits in de hersenen worden geactiveerd. En deze veranderingen in het brein zorgen er weer voor dat vaders net als moeders reageren op babytranen, gelach of huid-op-huidcontact met hun kind.

Overigens zagen de onderzoekers wel een klein verschil tussen het mannen- en vrouwenbrein. Bij de vaders werd een hersengebied actief dat een rol speelt bij sociale processen en het interpreteren van het gedrag van anderen. De onderzoekers concluderen hieruit dat vaders nog iets meer nadenken over de verzorging van hun kind, terwijl het bij moeders instinctiever zou gaan. Maar de verschillen zijn miniem en ze stellen vooral enthousiast vast hoe kneedbaar het brein is en hoe goed het zich aan omstandigheden (in dit geval een hulpbehoevend baby’tje) kan aanpassen.

Babygelach
Hoogleraar gezinspedagogiek Rien van IJzendoorn van de Universiteit Leiden doet veel onderzoek naar de werking van het hormoon oxytocine. Hoe groot de invloed van hormonen op verzorgend gedrag is, is hem bekend. Zo liet hij vaders van peuters zichzelf via de neus pufjes oxytocine of een placebo toedienen, waarna zij met hun kind moesten spelen. ‘Het spel na toediening van de oxytocine was beter en stimulerender, ze gingen gelijk op met het kind, voelden beter aan wanneer ze bijvoorbeeld even moesten wachten bij het bouwen van een toren of het maken van een puzzel’, zegt Van IJzendoorn.

Uit eerdere experimenten wist Van IJzendoorn al dat oxytocine de hersenactiviteit omlaag brengt in gebieden in het brein die opwinding of afkeer registreren en dat gebieden waar de emotionele waarde van prikkels wordt vastgelegd juist worden geactiveerd. ‘Babygelach wordt dus belonender voor iemand die meer oxytocine beschikbaar heeft.’

Pleisters plakken
De Amerikaanse psychiater en neurobioloog Louann Brizendine van de Universiteit van Californië houdt zich al jaren bezig met het vrouwen- en mannenbrein. Uit haar praktijk kent ze de voorbeelden: vaders die huilen bij een kinderfilm, vaders die pleisters willen plakken op elke bloedende knie, vaders die nooit iets met kinderen hadden en sinds de geboorte van hun eigen kind alle baby’s willen knuffelen en beschermen. ‘Ik ken vaders die op zondagen niet aanspreekbaar waren, want dan moesten ze hun football-wedstrijd zien. Dat veranderde van de ene op de andere dag toen hun kind er was. Soms vergeten ze zelfs tijdelijk hun hobby’s.’

Dezelfde breincircuits die actief worden als we ‘gewoon’ verliefd zijn, treden in werking bij het zien van je pasgeboren kind. Oogcontact, aanrakingen en de geur van de baby versterken dat, zegt Brizendine. ‘Er is een gebied, dat ik voor het gemak even het ouderinstinct-gebied noem, dat meteen na de kennismaking met je kind wordt geactiveerd, zowel bij vrouwen als bij mannen. Hoe het precies werkt, weten we niet, maar het aaibare uiterlijk van een baby met bolle, zachte wangetjes en grote onschuldige ogen speelt zeker een rol.’ Dat kinderen er bij veel diersoorten vertederend uitzien, heeft een functie.
Heel anders de skihelling af
Stef de Rijk (39) is vader van Nora (5) en Merijn (3)
‘Vooral mijn verantwoordelijkheidsgevoel is anders. Ik ken opeens meer angst en ben voorzichtiger. Als ik nu ga skiën ga ik niet als een maniak naar beneden, want ik mag mijn been niet breken. Ik ben me erg bewust dat mijn gezondheid niet langer alleen over mijzelf gaat. Het gaat niet alleen over verlies van inkomsten, maar ook over het gevoel dat ik er moet zijn voor mijn gezin.
Ik geloof niet dat ik voor de geboorte van mijn dochter al erg veranderd ben, dat kwam echt geleidelijk nadat ik haar krijsend in mijn armen had.
Nu merk ik dat uitgaan bijvoorbeeld minder belangrijk is. Er is iets anders zoveel belangrijker. Ik doe het nog wel, maar ik hoef niet meer eindeloos door, al was het maar omdat de dag altijd weer om 7 uur begint. Ook had ik misschien niet verwacht dat ik allerlei clichébeelden van vaders zonder moeite zou volgen. Vaders op bakfietsen vond ik een afschuwelijk beeld, maar even later reed ik gewoon op een bakfiets met grote roze kappen, die kon ik voor een goede prijs krijgen en het maakte me niets meer uit.
Misschien is dat wel de grootste verandering, dat de buitenkant er minder toe doet. Ik ga naar campings met een glijbaan en ik woon in een wijk met brede stoepen, veel kinderen en scholen.
Zorgzamer ben ik ook. Koken deed ik al, maar voor je vrouw is het toch anders, die redt zichzelf ook. Je kinderen niet. Dus nu kook ik voor kleine kinderen, die het dan vervolgens niet opeten. Daar kan ik nog steeds niet aan wennen, trouwens.
Er is een grap van Hans Teeuwen dat hij een vader speelt die de tekening van zijn kind belachelijk maakt. Daar moest ik altijd heel hard om lachen. Nog steeds hoor, maar zelf ben ik inmiddels enorm vertederd door wat ze tekenen. Ik lees daar veel meer in dan een ander.
Ik schrijf ook bijzondere uitspraken op die ze vanaf het begin doen. Nora komt vaak thuis en zegt: wat is het thuis toch fijn. Dat raakt me enorm. Ik ben meubelmaker en heb alles in huis zelf gebouwd, een groter compliment kan ik niet krijgen.’
Vaders die actief betrokken zijn bij de verzorging van hun kind ontwikkelen ook een ander testosteronniveau dan degenen die dat niet zijn. Maar of de nabijheid van de baby daarvoor zorgt of dat de vaders met lagere testosteronniveaus gewoon sneller geneigd zijn zich intensiever op hun baby te storten, weten we niet.

Brizendine merkt op dat bij vaders en moeders dezelfde hersendelen (de amygdala, het angst- en zorgencentrum en de insula, waar impulsbeslissingen worden genomen) oplichten in reactie op babygehuil, alleen is de reactie bij de gemiddelde moeder intenser. ‘Daarom zie je vaak dat moeder al naar het kind is gehold als de vader nog niets doorheeft.’

Een laatste hersenreactie in deze cyclus is de reactie op het zien van het gezicht van de gekalmeerde baby na het verschonen van een luier of het geven van voeding. Onmiddellijk wordt er een signaal naar de nucleus accumbens, het beloningscentrum van de hersenen, gestuurd. Vervolgens is het de kracht van de herhaling die de hersenen steeds beter inricht op de zorgtaak. Hoe vaker dit hersencircuit wordt doorlopen, hoe beter en sneller de verbindingen zullen zijn. Ziehier de aanleg van het vaderbrein.

Knuffelverlangen
‘Daarom reageert de gemiddelde vader anders op babygehuil dan een man zonder kinderen’, zegt Brizendine. ‘Ik spreek geregeld vaders die verbaasd zijn over hun eigen verlangen om hun kind vast te houden, te knuffelen en met hen te spelen. Vaak hadden ze het niet van zichzelf verwacht.’

Of vaders kunnen floreren in hun rol ligt volgens Brizendine aan de moeder. ‘Sommige vrouwen laten hun man niet bij het kind als het huilt, ze willen alles zelf doen. Dat werkt averechts. De hersenconnecties die de vader zorgzamer maken, worden juist getriggerd als ze meer met hun kind bezig zijn. Geef hun dus die ruimte, zeg ik tegen moeders.’

Al in de jaren negentig deed de Britse arts Peter Fleming onderzoek naar de veranderingen in de hormoonspiegel van verse vaders. Hij liet vaders en mannen zonder kinderen luisteren naar babygehuil en ontdekte dat vaders veel sterker op het geluid reageerden dan niet-vaders. In combinatie met andere geluiden pikten ze het gehuil sneller op en ze hadden er een sympathiekere reactie op: geen irritatie; ze wilden het kind troosten.

De marmosetvader is van alle diersoortenvaders, inclusief de mens, waarschijnlijk de meest betrokken papa
Uit metingen bij de vaders net voor hun vaderschap en erna bleek dat hun testosteronniveau was gedaald en hun prolactineniveau was gestegen. De oorzaak van deze hormonale veranderingen weet hij aan de omgang met de baby en de nabijheid van de zwangere vrouw. De daling in testosteron zorgt bij de vaders in spe voor een afname van de voortplantingsdrift (wel zo handig voor de focus) en agressie (meer geduld met de baby). Prolactine, dat bij vrouwen onder meer een belangrijke rol bij de aanmaak van borstvoeding speelt, zorgt voor een nestdrang – iets waar dus niet alleen vrouwen last van hebben.

In de jaren hierop deden wetenschappers van verschillende disciplines (psychiaters, artsen, neurobiologen, gedragswetenschappers en zelfs antropologen) verder onderzoek naar de veranderingen in de hormoontoevoer van vaders en de werking van het vaderbrein. Veel van dit onderzoek deden ze bij dieren. Bij knaagdieren en vogels maar ook bij meer op de mens lijkende diersoorten, zoals primaten. Vooral het verzorgingsgedrag, de hormonen en het brein van de marmoset zijn bestudeerd, een kleine apensoort uit Zuid- en Midden-Amerika met grote ogen en een aaibare kuif.

Betrokken marmosetpapa
De marmosetvader is van alle diersoortenvaders, inclusief de mens, waarschijnlijk de meest betrokken papa. De eerste maand na de geboorte houden de vaders hun jong gemiddeld 15 uur per dag in de armen.

Diverse internationale onderzoeken tussen 2000 en 2012 tonen aan dat bij marmosetvaders veranderingen optreden in het voorste deel van de hersenen, de prefontale cortex. Het aantal contactplaatsen tussen zenuwcellen neemt in dit deel van de hersenen toe. De prefontale cortex speelt een belangrijke rol bij het vooraf inschatten van een situatie of gevolgen.

Ook neemt de gevoeligheid in dit deel van de hersenen toe voor de hormonen prolactine, oxytocine en vaso­pressine, stoffen die stuk voor stuk sociaal gedrag stimuleren. Uit de scans die de onderzoekers maakten van de vader­apen en de niet-vaderapen bleek dat de mate van activiteit sterk verschilt. Ze concludeerden dat dit het gevolg is van het intensieve contact tussen vader en kind.
Man met weeën
Een extreme variant van het vaderbrein is het zogeheten couvadesyndroom. De term is afgeleid van het Franse woord voor broeden: couver. Bij mannen die te kampen hebben met dit fenomeen verandert hun hormoonhuishouding zodanig dat zij als het ware schijnzwanger worden. Ze komen kilo’s aan, hebben last van misselijkheid, zijn emotioneler en kunnen tegen het einde van de zwangerschap van hun vrouw zelfs weeën ervaren.
In 2000 wist Anne Storey, hoogleraar psychologie aan de Memorial Universiteit in St. Johns in Canada, te bewijzen dat het niveau van het hormoon prolactine bij mannen stijgt tegen het einde van de zwangerschap van hun vrouw. Het testosteronniveau van de mannen daalt.

Haar onderzoek is belangrijk, aangezien zij meerdere meetmomenten gebruikte, wat lang niet bij alle onderzoeken naar het vrouwenbrein het geval is. Zo kon zij bewijzen dat de mannen niet van nature al een andere hormoonspiegel hadden, maar dat hun hormoonaanmaak veranderde onder invloed van hun naderende vaderschap.

Ook steeg het cortisolniveau in het mannenbloed in de periode net voor de bevalling. Cortisol, dat ook wel het stresshormoon wordt genoemd, maakt de vaders in spe alerter en zorgt dat zij hun vrouw en het ongeboren kind willen beschermen.
Hoe de veranderingen in de hormoonhuishouding van de man voor de geboorte precies ontstaan, is niet duidelijk. Mogelijk speelt de geur (via feromonen) van de vrouw een rol.

Onderzoekers van Harvard publiceerden in 2006 een vervolg op het onderzoek van Storey. Zij voerden hun onderzoek uit aan de hand van geluidsfragmenten van babygehuil, beelden van baby’s en de geur van baby’s. Het bleek dat de bijna-vaders gemiddeld een daling van 33 procent in hun testosteronniveau hadden en een stijging van 20 procent in de aanmaak van prolactine.

Om te kijken wat testosteron met de vadergevoelens van mannen kan doen, spoten Australische wetenschappers mannetjesvogels met jongen in met testosteron. Prompt verlieten zij hun nest en lieten hun jongen in de steek om een eindje verderop uit volle borst nieuwe vrouwtjes te verleiden.

Een beetje een festivalgevoel
Sander van Andel (33) is sinds 4 mei vader van Aafke
‘Ik zit in een achtbaan, maar wel een heel leuke. Het lijkt een beetje op het festivalgevoel, je slaapt weinig en toch heb je de volgende dag weer zin om blij door te gaan. Het is een soort positieve roes, door het weinige slapen is het alsof je op een wolk zit, maar soms dwaal je wel even af.
Voor de geboorte wilde ik vooral dat alles in orde was in huis, het deed me denken aan merels die af en aan vliegen om een nestje te bouwen. Ik ben bioloog, dus ik had me oprecht afgevraagd hoe ik zou reageren op zo’n wezentje met heel basale reflexen. Vrienden zeiden vooraf: jij wordt vast een goede vader. Dan dacht ik: hoe weet je dat nou? Ik had zelf geen idee. Nu ze er is, gaat het vrij natuurlijk, al zal ik vast nog veel moeten leren.
Van tevoren had ik gezegd dat ik het echt zou toegeven als ze lelijk zou zijn, maar ze is heel mooi, vind ik. Andere mensen zeggen het ook, maar misschien is dat uit beleefdheid. Er was niet een specifiek moment waarop het gebeurde, maar ik ben een beetje verliefd op haar geworden. Ik wil voor haar zorgen, haar vasthouden. En ze motiveert me om me in te zetten voor een wereld waar bedreigde dieren beter beschermd worden. Ook kan ik me er nu al op verheugen om haar de wereld en de natuur te laten zien en te leren kennen.
Tegen haar ben ik natuurlijk erg zacht, maar op andere momenten ben ik volgens mij niet emotioneler. Wel vind ik gesprekken over kinderen ineens interessant, dat had ik ook nooit van mijzelf verwacht. Bij de geboorte had ik tranen van emotie, dat is ook zo’n bijzondere gebeurtenis. En ik voel me echt een trotse vader. Soms verbaas ik me wel over mijn eigen gedrag. Dan ben je doodmoe en wordt ze midden in de nacht wakker en dan ga je toch nog een half uur naar haar zitten luisteren of ze wel in slaap valt.’
Ook de Nederlandse hersenonderzoeker Dick Swaab van het Nederlands Herseninstituut wijdt in zijn boek Wij zijn ons brein een hoofdstuk aan het vaderbrein. Hij geeft een voorbeeld van de werking van het hormoon prolactine. Tijdens zijn promotie spoot Swaab mannetjesratten in met het hormoon. De dag erop hadden ze stuk voor stuk enorme nesten van zaagsel gebouwd. Ook memoreert hij een mannelijke patiënt die door een goeaardige tumor veel prolactine produceerde. Deze man deed op de zaal in het ziekenhuis waar hij lag, niets liever dan de verpleging helpen met het afsoppen van kastjes.

Tot slot geeft Swaab aan dat de oude hormoonwaarden van de man weer herstellen als de baby een week of zes oud is. Wel benadrukt hij dat de hersenpaden die het waarnemen en reageren op de hulpbehoevendheid van kinderen hebben aangelegd, waarschijnlijk nooit meer helemaal zullen verdwijnen. Eens een vader, altijd een vader.

Vaderschap in de literatuur
Willem Jan Otten
‘Er is negen maanden geleden een afspraak gemaakt met iemand die ik nog nooit heb gezien. Niets weet ik van hem af – alleen dat hij van nu af bij ons gaat inwonen en door ons onderhouden gaat worden. Tijdens de eerste ontmoeting zegt hij niets. Soms maakt hij een brullend geluid in een vreemde, medeklinkerloze taal. Ik besluit hem een naam te geven, waar hij niet naar luistert. (…) Of ik door de geboorte veranderd ben, vraagt men. Ja, zeg ik, want veranderen staat in hoog aanzien. Wat me intussen verbaast, is dat alles veranderd lijkt – de dagindeling, de nachtrust, de geuren, de handelingen, de geluiden in huis, het gewicht van de boodschappentassen –, alles, behalve ikzelf.’
(Uit ‘Kroniek van zoon die vader wordt’, opgenomen in essaybundel De letterpiloot, 1994)
Erik Menkveld
‘Je eerste apen, je eerste hond,
je eerste stappen, je eerste brood,
je eerste Mozart, je eerste minnaar
(die nu waarschijnlijk de melk ook
uit de mondhoeken loopt) –
voor je er werkelijk aan begint
lijk je ze even te repeteren
met je voorhoofd, je ogen, je mond.
Je eerste Stravinsky, je eerste kind,
je eerste dode (misschien wel je vader):
als schaduwen van zomerwolken
over een weiland waaien alle gezichten
die je nodig zult hebben later
over je hoofdje dat pasgeboren
in de bocht van mijn elleboog ligt.’
(‘Al je gezichten’, uit de dichtbundel Schapen nu!, 2001)
Jeroen Brouwers
‘Naast de deuren van de operatiezaal brandt een rode lamp. In de hal hangen kinderschilderijtjes met poesjes en geit­jes, verder wegwijzers en ingelijste mededelingen. Links de bronzen plaquette van de stichter van de kraamkliniek, versierd met varens en palmen. Alles hangt op ooghoogte, volmaakt in het gelid. Daaronder en -boven heerst tot in de uiterste hoeken en naden de reinheid die Ockeloen terneerdrukt omdat ze de stilte uitstraalt die slechts op straffe van iets gruwelijks, dat hem zal worden aangedaan, mag worden verstoord. Er hangt geen klok, ook heeft Ockeloen geen horloge, wat het wachten verlengt en verergert. (…)
De lift is een houten kamer waarin zeker twee bedden kunnen staan. Hoewel de broeierig bedompte ruimte fel verlicht is, merkt Ockeloen de heer in een van de hoeken pas op als hij voelt dat de lift omlaag gaat in plaats van omhoog; zijn maag kantelt er even van, hij denkt onmiddellijk aan een ongeluk, aan het neerstorten van de lift. Hij denkt aan de alarmbel en de stopknop die wel gesaboteerd zullen zijn. Aan Laura denkt hij, terwijl alles omtrent haar weer op hem terugspringt en hij denkt: dat kind, dat hoeft niet meer voor mij.’
(Uit Joris Ockeloen en het wachten, roman 1967)
Cornelis Verhoeven
‘Vier weken zit ik nu in dit zomerhuisje en altijd is er wel iets geweest dat mij met nadruk aan de buitenwereld en aan mijn eigen voorgeschiedenis herinnerde, al was het maar mijn heimwee en het bonzen van mijn wrok. Nu staat er een koepel van vrede over mijn onderkomen. Alles is bijeen onder deze stolp van rust, mijn dronken gedachten, herinneringen en heimelijke verlangens, maar vooral de adem van mijn kinderen. Mijn jongen ligt met zijn kontje omhoog te slapen op de divan en de kleine meid, haar beer tegen zich aan, droomt op het open vlierinkje. Straks zal ik daar ook gaan slapen.’
(Uit De glans van oud ijzer, autobiografisch proza 1996)
Jan Wolkers
‘Voor het raam blijft hij staan. De auto’s staan in de sneeuw vastgeklonken als reusachtige keien. Bij de melkboer wordt het beslagen raam roze gekleurd door een verlichte reclameplaat in de etalage. In sommige huizen is het licht al aan. In een kamer aan de overkant houdt een vrouw een baby omhoog in het gele lamplicht. Ze praat waarschijnlijk tegen de baby want ze trekt gezichten met een overdreven expressie. Daniël doet de vitrage opzij om beter te kunnen kijken. Als de vrouw merkt dat ze bespied wordt neemt ze de baby op de arm en trekt het gordijn dicht. Het sneeuwt nog steeds, maar bijna niet zichtbaar meer. Een sneeuw van kleine vlokken. Tussen het stof op de vensterbank ligt een lieveheersbeestje. Het is zo droog dat de pootjes eraf vallen als Daniël het oppakt. Tussen zijn vingers wrijft hij het tot poeder.
De hoop is vervlogen denkt hij. Het hogedrukgebied gaat alweer in kracht toenemen.’
(Uit Een roos van vlees, roman 1963)