How to meet an angel

 DOOR Sylvia Witteman 1 april 2014

Aan de Eerste Constantijn Huygensstraat staat een kliniek voor ‘ernstige psychische problemen’. Tegen de gevel hangt een opvallend kunstwerk: een lange ladder die ver boven het dak uit naar voren helt, met op de uiterste punt een man. Helemaal alleen, rechtop, de armen radeloos ten hemel geheven, klaar voor een dodelijke sprong. Een tafereel, kortom, dat me niet bij uitstek geschikt lijkt voor mensen met ernstige psychische problemen.

 

How to meet an angel heet het kunstwerk ook nog. Wie is hier nu gek? Maar nee, ‘de sculptuur gaat over hoop, ondersteuning, en de stapsgewijze weg naar herstel’ lees ik op een begeleidend bordje, en die man ‘staat met wijdopen armen klaar om de kliniek te verlaten, de stad te omarmen en wellicht een beschermengel te ontmoeten.’ Tsja.

‘Wat sta je nou te kijken?’, vraagt een vrouw in een rolstoel achterdochtig. Ze moet tegen de 70 zijn, propperig dik, in joggingpak, met uitwaaierende, gelooide rimpels rond ogen en mond. Bij de ingang van de kliniek zit ze, lekker in het zonnetje, fanatiek te roken. Ik wijs naar het kunstwerk ­boven onze hoofden. ‘Daar word je toch zeeziek van?’, zegt ze. En, tegen een pluizig besnorde adolescent naast haar, die met wippende adamsappel een sjekkie staat dicht te likken: ‘Maar ik schiet ze ook gerust voor hun toges vóórdat ze me aanraken. Gerust. Als je toch leest dat…’ ‘Sinds wanneer kan jij lezen dan?’, onderbreekt de jongen haar, waarna de oude het op een inschikkelijk grijnzen zet.

De jongen laat zich inmiddels door de dikke vrouw de bereiding van panharing uit de doeken doen. ‘Zout en ­peper, bij de staart pakken, door de bloem halen en de hete boter in. En dan op een witte boterham…’

Ik denk na over die juweliersvrouw die ­vorige week twee gewapende overvallers doodschoot en waarschijnlijk geen straf krijgt. Er zullen, neem ik aan, heel wat mensen zijn die nu óók een pistool aanschaffen om zich in voorkomende gevallen te kunnen verdedigen. Weer andere mensen zullen zich stellig voornemen nooit een juwelierszaak te beginnen. Ik behoor tot het laatste soort.

Er komt een meisje de kliniek uitgelopen, haar ogen knipperend tegen de zon. Ze is iets van 18, een tenger kind met zachte bruine ogen en Indische trekken. Aarzelend kijkt ze om zich heen, een nylon weekendtasje in de hand. De jongen laat zich inmiddels door de dikke vrouw de bereiding van panharing uit de doeken doen. ‘Zout en ­peper, bij de staart pakken, door de bloem halen en de hete boter in. En dan op een witte boterham…’

Het meisje bijt op haar lip en begint te ­lopen in de richting van de Overtoom. ‘Klaar om de stad te omarmen en wellicht een ­beschermengel te ontmoeten’? Wie weet.

‘Een vérse witte boterham’ besluit de dikke vrouw. ‘Maar het kan ook met puree.’