Ik ben Wim Kieft

INTERVIEW Hij is op de goede weg, Wim Kieft, de oud stervoetballer die het land opschrikte met zijn bekentenis in zijn biografie Kieft dat hij lang cokeverslaafd was.

Een scène uit Kieft. Het is maart 2013, de vader van Wim Kieft overlijdt na een zwaar sterfbed. Op de dag van de uitvaart maakt zijn vriendin het uit – ze ging regelmatig ‘op de koffie’ bij een ander. Direct na de plechtigheid meldt hij zich bij een afkickkliniek in Best. Het is de derde keer dat hij zich er laat opnemen. Uit het boek: ‘Ik dacht echt een ogenblik dat ik gek werd. Letterlijk gek, krankzinnig.’

Na een paar dagen ontvlucht Kieft de kliniek. Op het station in Best bestelt hij vier Drambuie’s met ijs. Hij neemt de trein naar Amsterdam, maar stapt onderweg uit om een fles wijn te kopen. Eenmaal in Amsterdam scoort hij coke, wordt in elkaar geslagen door een van zijn dealers annex schuldeisers en checkt in bij een hotel – met vier flessen supermarktwijn en ‘een berg coke’. ‘Het enige dat ik deed, was drinken en de lift nemen naar de begane grond, waar ik de ene dealer na de andere liet komen. Toen dacht ik echt bij mezelf: dit wordt mijn einde. Ik ga dood. Ik sterf hier in deze hotelkamer, helemaal alleen.’

Je kreeg die dag een ‘rude awakening’, zoals ze dat bij de Narcotics Anonymous (NA) noemen.
‘Pas op dat moment accepteerde ik echt dat ik totaal machteloos was, ja. Vanaf dan word je bereidwillig – nou ja, je weet wel, al die stappen uit het programma van de NA.’

Inmiddels is Kieft – winnaar van een Europa Cup I met PSV, het Europees Kampioenschap ’88 met Oranje en de Gouden Schoen als jonge Ajacied – ruim een jaar clean. Maar niet voor niets is het motto van Kief: ‘The monkey is off my back, but the circus is still in town.’

‘Met alcohol zit er nog een opbouw in, maar door de coke neemt dat reptielenbrein meteen alle gevoelens en emoties weg.’
Hij: ‘Bij de NA zeggen ze: ‘Als jij om zes uur ’s ochtends wakker wordt, is die ziekte al om vijf uur opgestaan.’ Hij ligt altijd op de loer. Het gevaarlijke van cocaïne is dat ik na één snuif al niet meer te vertrouwen ben. Met alcohol zit er nog een opbouw in, maar door de coke neemt dat reptielenbrein meteen alle gevoelens en emoties weg.’

Een zonnige vrijdagmiddag, op een rustig terras in Bunnik. Wim Kieft plukt aan zijn All Stars en drinkt een glas melk. Om de hoek bezocht hij een uur eerder zijn psycholoog. Die ochtend was hij in zijn woonplaats Amsterdam al naar een stiltecentrum aan het Vondelpark geweest om een half uur te mediteren. Dat doet hij zeker twee keer per dag. En als hij niet bij zijn vriendin in Utrecht is, bezoekt hij elke ochtend na het mediteren een meeting van de Narcotics Anonymus.

Kieft, kauwend op een clubsandwich: ‘Mijn vaste behandelaar in de kliniek raadde me die meetings aan. Ik zei: ‘Ja, dáág, ik ben Wim Kieft, zit iedereen me daar aan te staren.’ Waarop zij antwoordde: ‘Oja, Wim Kieft? Weet je wie jíj bent? Een verslaafde die dringend hulp nodig heeft.’ De eerste keer ben ik met een capuchon over mijn hoofd langs dat gebouw gelopen. Ik durfde niet naar binnen. Maar toen ik er eenmaal een keer was geweest, wist ik dat het me zou helpen. Ik kan mijn grootste angsten sharen. Iedereen daar weet hoe het is om die allesoverheersende zucht te voelen. Het is eigenlijk de enige plek waar ik níet Wim Kieft de voetballer ben. Als ik iets wil delen, zeg ik: ‘Hallo, ik ben Wim, ik ben verslaafd.’ Ik ben er net als de rest.’

Tot het vaste dagprogramma van Kieft behoort ook een bezoekje aan de apotheek, om een slaappil te halen – zijn jarenlange gebruik heeft zijn slaapritme totaal verstoord. En om de dag kan hij 30 euro pinnen – het geld wordt hem overgemaakt door zijn management. Vanwege de vier ton schuld die hij de afgelopen jaren opbouwde, is hij de komende drie jaar opgenomen in het strikte regime van de schuldsanering, waardoor hij – met twee inwonende dochters – van nog geen twee tientjes per dag moet rondkomen.

Als jij om zes uur ’s ochtends wakker wordt, is die ziekte al om vijf uur opgestaan.
Op de terrastafel ligt een Samsung-telefoon. Eentje met beltegoed. En zonder mobiel internet. Hij haalt zijn schouders op. ‘Als ik wel geld had, wilde ik ook geen internet. Wat moet je ermee?’

Dan: ‘Ik heb er voor gekozen geen medicijnen voor een week te krijgen; als het verkeerd gaat, gooi ik ze zo allemaal naar binnen. En ik wil ook geen 100 euro in een keer kunnen pinnen, anders is het morgen op. Het vertrouwen in mezelf was te klein. Ik kwam nooit een afspraak na, zeker niet die met mezelf. Maar inmiddels gaat het beter en haal ik die slaappillen vaak niet eens meer op. Ik ben gestopt met kalmeringspillen. En de antidepressiva ga ik ook afbouwen. Het vertrouwen groeit.’

Zozeer dat je jezelf soms zelfs een glas wijn permitteert.
‘Ja. Ik realiseer me hoe dat kan overkomen, maar ik heb echt het gevoel dat ik er niet in zal doorslaan.’

Hoe kwam je vanochtend in Bunnik, eigenlijk?
‘Gewoon, met de trein. Van Amsterdam naar Utrecht, overstappen, naar Bunnik, eindje lopen. Het fascineert me dat mensen me daar zo op aankijken. Ja, ik reis met het openbaar vervoer, so what? Wil dat zeggen dat ik geen geld heb?’

De meeste van jouw oud-collega’s verplaatsen zich in glimmende, peperdure auto’s.
‘Van de week zit ik tegenover een Egyptenaar. ‘Wim Kieft, mag ik jou vragen?’ ‘Ja, jij mag mij vragen.’ ‘Jij geen auto?’ Daar moet ik om lachen, natuurlijk. Ik maak er niet zo’n probleem van. Anderen wel.’

Een groot deel van jouw leven staat in het teken van de verslaving en de naweeën ervan.
‘Tijdens de meetings ontmoet ik dagelijks mensen die ook ooit zijn teruggevallen, maar inmiddels al lange tijd clean weten te blijven. Dat is hoopvol: als ik maar blijf gaan, lukt het mij misschien ook. De obsessie van het willen gebruiken, is al afgenomen. Maar het gaat verder dan de coke alleen. Ik loop tegen dingen van vroeger aan: angsten, paniekgevoelens – die heb ik een hele tijd weggesnoven, maar ze komen weer keihard terug. En dan is er nog de schuld, de schaamte. Ik leer mijn gevoelens weer herkennen. Daardoor blijf ik makkelijker uit de dwangmatige gedachten. Ik heb altijd erge paniek in mijn buik gehad. Dat interpreteerde ik als: mijn lichaam heeft coke nodig. Nu weet ik dat het misschien iets anders is. Verdriet, bijvoorbeeld.’

Najaar 1979, hij is 17 jaar, rookt Kieft zijn eerste sigaret. Een mentholletje, gebietst van teamgenoot Piet Schrijvers, tijdens de traditionele Ajax-visdag. Die avond wordt hij ook meteen stomdronken. De volgende ochtend roept trainer Leo Beenhakker zijn jonge spits bij zich. Uit Kieft: ‘Nou, vertel het maar’, zei Beenhakker, ‘wat is er met je aan de hand, Kieft? Heb je de buurvrouw zwanger gemaakt? Is je moeder ongeneeslijk ziek? Zeg het maar, Witte.’ Maar er viel niets te zeggen. Er was niets aan de hand. Ik deed het gewoon. En ik vond het ook gelijk lekker, dat dronken worden. Veel te lekker.’

Na zijn actieve carrière neemt Kieft voor het eerst een lijntje coke; hij is er meteen gek op. Wat begint als recreatief gebruik ontwikkelt zich tot een alles ontwrichtende verslaving, die hij bijna twintig jaar lang voor de buitenwereld verborgen tracht te houden.

Maar dit jaar doet Kieft ineens zijn verhaal, tegen Michel van Egmond, schrijver van onder meer de bestseller Gijp. Kieft is een schrijnend boek over een oud-voetballer die nog dagelijks wordt aangesproken op zijn beroemde kopbal tegen Ierland tijdens het EK 1988, maar wiens leven al lang niet meer draait om zijn successen uit het verleden. Successen die hem bovendien voornamelijk verlegen en ongemakkelijk maakten, zelden trots (‘Wim Kieft uit de Celebesstraat in de spits van Ajax, dat moest een misverstand zijn’).

Waarom wilde je dit boek maken?
‘In eerste instantie voor het geld. Ik wilde van die schuld af. Maar toen we er eenmaal mee bezig waren, merkte ik dat het mij ook hielp. Ik ben gaan inzien dat ik ziek ben, al heb ik zelf ooit de keuze gemaakt om te gaan gebruiken. En naarmate de gesprekken vorderden, dacht ik: het is ook wel mooi dat ik het op deze manier aan mijn kinderen kan vertellen. Mijn oudste dochter Mattia van 24 zei: ‘Pap, toen jij er middenin zat, heb ik er zo veel verdriet om gehad. Moest ik nou begrip hebben voor een vader die dit zijn kinderen aandoet?’ Maar toen ze het boek had gelezen, snapte ze mij beter en zag ze in dat mijn verslaving ook een ziekte is. Dat vond ik zo fijn – al wil ik het daarmee niet gemakkelijk afdoen. Toch, in mijn beleving heb ik de kinderen niet heel veel aangedaan. Het contact is altijd goed gebleven. Op wat ruzietjes na zijn er geen echte incidenten met mijn dochters geweest. Misschien hoop ik met het boek een beetje meer mededogen te krijgen, ook van mijn moeder. Die man uit het boek was ik uiteindelijk ook níét, snap je?’

Mattia is het huis uit, dochter Mauri van 19 woont bij jou, Feline van 4 een paar dagen per week. Je oudste zoon Robbin zie je niet meer.
‘Nee, maar daar wil ik het absoluut niet over hebben. Sommige dingen gaan niemand iets aan.’

Hebben jouw kinderen je weleens zien gebruiken?
‘Mattia wel. Ze zag een keer coke liggen op het toilet, ze wist toen al dat het gaande was. Ze moest ontzettend huilen. Maar op dat moment had ik het al in mijn neus, hè, dus haar verdriet kwam eigenlijk niet echt bij me binnen. Ik deed het af. ‘Ach, joh, niks aan de hand, dat doet toch iedereen?’ De volgende dag had ik wel iets van berouw, maar ook nog niet eens zoals ik het nu kan voelen. Inmiddels begrijp ik hoe vreselijk dat voor haar moet zijn geweest. Maar ik zat in zo’n waanzin. Binnen twee tellen had ik al mijn gevoel weggesnoven. Mattia en Mauri zijn me een keer komen opzoeken in Best. Zo lief. Gingen we met z’n drieën eten. Als ik daar nu aan terugdenk, breekt mijn hart. Toen overzag ik het nog niet. Hoe heftig het voor hen moet zijn geweest dat ik ze weer op het station afzette, want papa moest terug naar de kliniek.’

Plotseling, op cynische toon, en in onvervalst Amsterdams: ‘Zeg, zullen we er niet zo ongeveer een beetje mee ophouden, ik heb het nu wel weer effe gehad met Wimpie Kieft en z’n probleempjes, hoor.’

Hoe heftig het voor hen moet zijn geweest dat ik ze weer op het station afzette, want papa moest terug naar de kliniek
Hij staat op, even naar het toilet. Het blonde hoofd buigt voorover: ‘Ja, ik ga alleen plassen. Je hoeft níét iets anders te denken.’

In de hausse van – riant verkochte – spelersbiografieën, is het verhaal van Kieft opvallend. Waar andere oud-voetballers (René van der Gijp, Andy van der Meijde, Fernando Ricksen) schaamteloos vertelllen over frequente bezoekjes aan paaldansclubs, nachtelijke autoraces op de ring A10 en relaties met lingeriemodellen, is het verhaal van Kieft er vooral een over schaamte. Door de buitenwereld wordt hij gezien als knap en succesvol, van binnen worstelt hij met een enorm minderwaardigheidscomplex. Als hij in 1982 als jongste speler ooit de Gouden Schoen wint voor Europees topscorer van het seizoen en in Parijs op een podium staat tussen spelers als Paolo Rossi, Falcao en Michel Platini, voelt hij zich ‘een loser met een stropdas.’

Nu, bij een tweede glas melk: ‘Ik ben blij dat het geen stoer boek is geworden. Ik wilde geen zelfverheerlijking of smeuïge verhalen. Er is namelijk niets leuks aan een verslaving. Bovendien was ik niet iemand die in bordelen zat te snuiven. Het speelde zich tussen vier muren af. In een hotelkamer, alleen, met zes flessen drank erbij. Steeds weer een stap op weg naar mijn eigen vernietiging. Misschien vinden mensen die het lezen me een sukkel, maar ik wilde eerlijk zijn. Ik heb ook liever niet dat ze het kopen omdat ze denken: ‘Lekker effe lachen om Wim Kieft.’ Het is geen boek waarmee ik hoop een realityshow bij SBS te krijgen, ofzo.’

Uit het boek blijkt dat je al van jongs af aan angstig was. Je sliep vroeger thuis met een mes onder je kussen en een leeg bierflesje naast je bed om in te plassen, omdat je ’s nachts niet in het donker naar het toilet durfde.
‘Ik denk dat wel meer jongetjes dat hebben, hoor, maar ja, wie komt er voor uit? Ik was een bangig kind. Bang voor iets dat ik niet kan benoemen. Ik voelde dreiging. Het onheilspellende gevoel dat er iets naars ging gebeuren.’

Mijn eigenwaarde was nul. Ook toen ik voetbalde, terwijl ik het best goed kon
Jouw vader had een alcoholprobleem.
‘Daardoor kreeg ik wel angst voor de spanning thuis, ja. Maar ik heb me ergens altijd inferieur gevoeld. Mijn eigenwaarde was nul. Ook toen ik voetbalde, terwijl ik het best goed kon. Toen ik zelf begon te drinken, merkte ik dat alcohol mijn persoonlijkheid kon veranderen. Mijn minderwaardigheidsgevoel nam af, ik werd er losser en makkelijker van. Veel mensen kennen dat, maar bij mij sloeg het totaal door.’

Jij was de eerste voetballer van wie er posters stonden in door popsterren gedomineerde blaadjes als Hitkrant, in het blad Club werd jullie postbode geïnterviewd, die zestig brieven per dag bij je afleverde. Je was een meisjesidool, maar Wim Kieft zelf ging in de pauze van school naar huis, om zijn haar te wassen.
‘Ik was een puber, man! Voelde me altijd vies. Stak thuis mijn kop onder de kraan, omdat ik dacht dat mijn haar vet was. Misschien vonden anderen dat ik een leuk koppie had, maar ik had niets te vertellen. Echt niet. En zo onzeker als de pest. Pas op mijn 19de kreeg ik mijn eerste meisje, Sylvia, met wie ik ook meteen trouwde.’

Inmiddels ga je een half jaar met Dagmar. Die dacht: leuk, Wim Kieft, gescheiden, vier kinderen bij twee vrouwen, verslaafd, schulden?
Grote grijns: ‘Nou ja, ze ging inderdaad niet voor de voetballer met geld. Het gaat haar om mij. We kenden elkaar al langer, ze is visagiste bij Sport 1, waar ik analist ben. We maken een schone start. Ik ben nog kwetsbaar, maar we beginnen schuldenvrij. Dat voelt bijzonder.’

Een diepe zucht. ‘Zeg, nou ben je wel klaar, hè?’

Bijna.
Een nog diepere zucht.

Jouw ouders waren angstige mensen, die de deur niet open deden als er thuis onaangekondigd werd aangebeld en bij wie ’s avonds om zeven uur de gordijnen dicht gingen.
‘Dat is wat ik me herinner. Maar mijn zus, die dezelfde opvoeding heeft gehad, zegt: ‘Ik heb geen flauw idee waar je het over hebt.’ Die heeft die angst helemaal niet gevoeld. Dus ik zal er wel vatbaar voor zijn, denk je niet? Het is eerder mijn karakter dan de genen, vermoed ik.

‘Rond mijn 20ste werd ik bekend in heel Nederland – zo bekeken worden, voelde heel onveilig. Ik denk ook dat het dit is: leeftijdgenoten gaan doorstuderen, maar als voetballer kom je al rond je 18de in een wereld terecht waar je voortdurend moet presteren. Daardoor sla je een deel van je persoonlijke ontwikkeling over. Je komt toch een beetje buiten de realiteit te staan.’

Toen je tegen teamgenoot Søren Lerby zei dat je bang was dat je zou gaan huilen als je een penalty miste, lachte hij je keihard uit.
‘En hij vertelde het daarna meteen aan het hele team door. Dat hoort er een beetje bij in die wereld. Je moet onverstoorbaar zijn. Maar zulke dingen vormen je wel.’

In het boek is faalangst een rode draad. Waar komt die vandaan, denk je?
‘Tja, daar probeert mijn psycholoog ook achter te komen. Een bepaalde zekerheid die ik in mijn opvoeding heb gemist, zegt ze. Maar dit vind ik lastig, want er was wel heel veel liefde thuis. Ik wil mijn problemen niet op anderen afschuiven. Ík ben gaan snuiven, ik ben me als een lul gaan gedragen.’

Begin jaren tachtig brachten je zus en jij jullie vader, vloerenlegger in de bouw, naar de Jellinek-kliniek.
‘Mijn vader was een lieve, maar moeilijke man. Op de momenten dat hij dronk, kon hij heel vervelend zijn, heel anders dan de rustige vader die hij gewoonlijk was. Mijn moeder, die al een hoge bloeddruk had, kon daar niet tegen. Haar vader was ook alcoholist. En dan nog zo’n zoon erbij. Dus ja, er zal wel iets van genetica aan te pas komen, hè? Maar goed, mijn ouders gingen scheiden. Wij brachten mijn vader naar de kliniek. Zeven weken later was-ie eraf. Nooit meer gedronken. Daarna zijn mijn ouders opnieuw getrouwd. Die twee hielden echt van elkaar.’

Hebben je ouders je ooit rechtstreeks aangesproken op je problemen?
‘Nee. Niemand. Al kregen steeds meer mensen door dat er iets was. Ze zagen hoe slecht ik eruit zag, dat ik veranderde.’

Ik heb jou weleens zien zitten, overdag aan een bar, het viel me op dat je opvallend veel dronk.
‘Grote kans dat ik daarna ben gaan snuiven. De drank was een opstapje om de barrière te slechten. Na een paar glazen wijn was ik van het gevecht af, dan wist ik: nu doe ik het gewoon. Mijn omgeving wilde misschien niet zien hoe ernstig het was. Uiteindelijk bleek het een enorme bevrijding toen trainer Fred Rutten, die ik kende van PSV, me er rechtstreeks op aansprak. Hij was de eerste die het benoemde. Eindelijk kon ik het kwijt. Hij bracht me naar Best. Nou ja, dan begint de ellende pas, natuurlijk, maar toch: dat was het punt dat ik er iets aan ging doen.’

Rutten heeft je ook regelmatig financieel geholpen, net als Kees Jansma, je ouders, en veel andere mensen.
‘En ik kon ze niet terugbetalen. Daar schaam ik me heel erg voor.’

Ik voel me enorm bevrijd. En ik begin mezelf te accepteren. Hier ben ik, dit ben ik. Ik schaam me steeds minder
Hoe doe je het nu financieel, met kinderen om voor te zorgen en nog geen 20 euro per dag?
‘Er is van alles afgestemd met de schuldsanering. De huur en zorgverzekering zijn betaald, ik krijg geld voor kleding en telefoon, de moeder van Feline krijgt een vast bedrag per maand en ik onderhoud Mauri. Gelukkig heb ik veel werk, dus ik kan goed aflossen. Nu doen we nog boodschappen bij Albert Heijn, maar als dat de Lidl moet worden: ook prima. Mijn kinderen zijn tot een paar jaar terug enorm verwend. Veel mooie cadeaus. Al probeerde ik daar misschien ook iets mee af te kopen. Verder ben ik nooit zo van het geld geweest. Het belangrijkste is dat ik niet meer hoef te liegen. Ik voel me enorm bevrijd. En ik begin mezelf te accepteren. Hier ben ik, dit ben ik. Ik schaam me steeds minder.’

Jij staat algemeen bekend als een van de intelligentere mensen uit de voetbalwereld. Hoe kan het nou dat dit uitgerekend jou overkomt?
‘Ik zou er niet zo’n ding achter zoeken, hoor. Als je het lekker vindt en het maar vaak genoeg blijft doen, kun je op een gegeven moment niet meer zonder. Vervolgens raakt je geld op, krijg je met iedereen ruzie, en wordt je leven een teringzooi. Dat is het verhaal. En nu ben ik er he-le-maal klaar mee. Breng je me naar het station?’

Michel van Egmond Kieft, Voetbal International, € 19,95.

CV Willem Cornelis Nicolaas Kieft
12 november 1962
Geboren in Amsterdam.
Loopbaan
Begint via de Ajax-instuif in de jeugd van Ajax.
4 mei 1980 Debuut als prof bij Ajax.
Seizoen 1981-1982 en 1982-1983 Landskampioen met Ajax.
1981 Debuut in Oranje.
1983 Wint de Gouden Schoen, als Europees topscorer van het jaar, de jongste ooit; 32 goals in de eredivisie.
1983 SC Pisa (drie seizoenen).
1987 Transfer naar PSV, wordt topscorer van de eredivisie. Wint met PSV drie keer de KNVB-beker en wordt drie keer landskampioen.
1988 Wint de Europa Cup I met PSV en wordt met het Nederlands elftal Europees Kampioen.
1990 Naar Bordeaux, na een seizoen terug bij PSV.
8 mei 1994 Afscheid als voetballer. Maakt 194 doelpunten, speelt 42 interlands en scoort 11 maal.
Wim Kieft is analist en co-commentator buitenlands voetbal bij Sport 1, deskundige bij Voetbal International (RTL 7) en columnist van De Telegraaf.
Hij heeft vier kinderen van 26, 24, 19 en 4 jaar. Hij heeft een relatie met Dagmar.