Ik wil het antiek van morgen maken

INTERVIEW Hella Jongerius werd door lifestylemagazine Wallpaper uitgeroepen tot op één na invloedrijkste ontwerper ter wereld.
Ze is net uitgeroepen tot op één na invloedrijkste en ‘most wanted’ designer ter wereld door designblad Wallpaper, na Jonathan Ive van Apple en vóór Philippe Starck (op nummer 25) en Marcel Wanders (55). Hella Jongerius kreeg een telefoontje van haar galeriehouder met het goede nieuws.

Hoe reageerde je?
‘Há. Ik zei: second best.’

Je had op één willen staan.
‘Dat zou helemaal wat wezen, hè? Maar ik vind dit een heel mooie plaats en ik voel me zeer vereerd. Tegelijkertijd neem ik het ook met een korrel zout. We moeten maar eens afwachten wat het betekent.’

De eerstvolgende vrouw staat op nummer 15 in de top-100 en in totaal staan er maar een stuk of tien vrouwen in. Waar komt dat toch door?
‘Daar kun je een avond lang een boom over op zetten en dan nog kom ik er niet uit. Ik kom veel goede vrouwen achter de schermen tegen, gelukkig, maar te weinig zichtbaar aan de top. Over het algemeen ben ik erg vóór quota’ – ze lacht – ‘maar voor ontwerpers lijkt me dat niet zo’n goed idee.’
Foto Markus Jans
Waarom is het jou wél gelukt en zo veel andere vrouwen niet?
Hella Jongerius blijft lang stil. ‘Ik weet het niet. Ik weet het echt niet. Zet één extra stap, denk ik wel eens, dan kom je er wél.’

Als het niet seksistisch zou klinken – want waarom zou een vrouw onderdoen voor een man? – dan zou je Hella Jongerius (51) een kerel kunnen noemen. Niet om haar uiterlijk: ze draagt een sobere, blauwe spijkerjurk en platte sandalen op de dag van het interview in Berlijn, de nagels oudroze gelakt, het donkere haar half lang en grijzend. Nee, om haar attitude. Ze twijfelt nooit. Ze neemt graag risico’s. Ze is recht voor z’n raap. Ze is bijzonder goed in wat ze doet en ze zégt het – Hella Jongerius is er een perfect voorbeeld van dat vrouwen vaker hun ambities uit zouden moeten spreken om verder te komen in hun carrière. ‘Bedrijven zouden me ook als visionair kunnen inhuren’, zei ze al in 2001 in een interview, en: ‘Ik loop altijd voor de fanfare uit.’ Let wel: ze had toen al best wat museumstukken op haar naam, maar zo gek was dat niet, alles met het stempel Dutch design erop werd omarmd door conservatoren van designmusea. Maar ze had nog niet de IKEA-vaas (2005) ontworpen, waarvan er wereldwijd ‘o, misschien wel honderdduizenden’ zijn verkocht. Nog niet de Polderbank (ook 2005) en de East River Chair (nieuw) voor meubelfabrikant Vitra – waar ze nu artdirector is, overigens, en dus inderdaad bezoldigd visionair. Ook was er nog geen grote overzichtstentoonstelling van haar werk geweest in museum Boijmans Van Beuningen (2010), waarmee in een klap duidelijk werd dat ze in internationale naam en faam niet onderdoet voor collega’s als Marcel Wanders en Job Smeets – ontwerpers die er niet wars van zijn zichzelf op de borst te trommelen als het pr-gewijs zo uitkomt. Jongerius blaast haar partijtje mee. ‘Ik ben een vrouw met twee extra ballen’, zei ze eens.

‘De Dutch-designwereld vond ik verstikkend’
En daar gedraagt ze zich ook naar. Toen alles in haar leven té gladjes dreigde te verlopen – ze had een succesvolle ontwerpstudio in Rotterdam, dochters Hamer (nu 11) en Griet (nu 9) zaten in de buurt op school en crèche en man Lucas Verweij had een dijk van een baan als directeur van de Academie van Bouwkunst – gooide ze het roer om. Vijf jaar geleden verhuisde ze met haar gezin naar Berlijn om er helemaal opnieuw te beginnen. Zonder vast personeel, zonder vaste opdrachtgevers, zonder vrienden daar nog, teruggeworpen op zichzelf. Ze vond een werkruimte aan zo’n typisch Berlijnse binnenplaats en ging weer doen waar ze jaren te weinig aan toe was gekomen: dingen maken, in haar eentje, met haar handen in het materiaal.

Was je niet bang je succesvolle bedrijf om zeep te helpen?
Jongerius gnuift. ‘Néé. Waar moet je nou bang voor zijn? Ik bén het succesvolle bedrijf. En mezelf had ik meegenomen.’

Het was een complete emigratie: de kinderen naar Duitse scholen, je man zegde zijn baan op.
‘Het bevalt heel goed. Berlijn is voor de kinderen veel prettiger om op te groeien dan Rotterdam, veel meer een gezinsstad. Groener, vriendelijker, je zorgt voor elkaars kinderen. De mensen letten hier nog op elkaar.’ Lacht: ‘Dat deden ze ook in de DDR, ja, en daar plukken we nu de vruchten van. Soms is het vervelend als iemand je naroept dat je het verkeerde kinderzitje op je fiets hebt, maar over het algemeen is die sociale controle fijn. Je ziet hier bijvoorbeeld veel meer kinderen alleen in het openbaar vervoer dan in Nederland. En het is hier niet zo vol.’

‘Er hangt zo’n relaxed newagesfeertje over Berlijn; op elke straathoek kun je yoga doen’
‘Wat ook fijn is: er is hier geen design. Er zijn wel mensen die spulletjes maken, maar er is geen professioneel discours. De Dutch-designwereld vond ik verstikkend. Niet dat ik voortdurend naar openingen moest, maar je maakt wel deel uit van die industrie. Hier speelt dat niet. Het gaat hier niet over geld. Er hangt zo’n relaxed newagesfeertje over de stad; op elke straathoek kun je yoga doen. Ik hoef nooit te reserveren voor een restaurant, er is altijd plek. Ik lunch elke dag buiten de deur, de kinderen eten warm op school. En ’s avonds eten we avondbrood, zoals iedereen hier. Ik hoef nooit te koken.’

Dat komt goed uit, want Jongerius’ carrière nam in Berlijn een hogere vlucht dan ooit in Nederland. Ze zat er nog geen jaar of er belden prestigieuze opdrachtgevers: KLM, tapijtproducent Danskina, het ministerie van Buitenlandse Zaken voor de herinrichting van het VN-gebouw in New York. ‘Ik had nooit op dat effect gerekend, maar je bent blijkbaar toch exotischer als je in het buitenland zit.’ Aan alles is te merken dat Jongerius het ‘in-haar-eentje-lekker-prutsen-met-het-materiaal’-stadium al weer vér voorbij is. Ze heeft een persoonlijk assistent die thee brengt en haar tijd bewaakt en als ze een rondleiding geeft door het pand in het stadsdeel Mitte, waar zij en haar inmiddels al weer vijf werknemers huizen, springen stellingkasten vol kratten met ‘KLM’ en ‘Vitra’ erop in het oog. Ergens boven hangt een variant op het kralengordijn dat ze voor de Delegates Lounge van het VN-gebouw ontwierp; daar moest raambedekking komen die binnenkijken verhinderde, maar wel daglicht doorliet. ‘We willen nu kijken hoe we dat gordijn verder kunnen ontwikkelen. Ik zit het niet zelf te knopen, nee, natuurlijk niet.’ Grinnikt: ‘Ik ben niet de uitvoerder hier.’ Volgende week zit ze zes dagen in Los Angeles, in een gemiddelde week is ze minimaal twee dagen op reis voor haar werk. Man Lucas – die onder meer debatten leidt over design – zorgt dan voor de dochters. ‘Hij heeft meer ingeleverd dan ik met de verhuizing, maar het is niet zo dat hij zijn carrière heeft opgegeven. Hij heeft hem op een andere manier voortgezet. Zo’n bedrijf als dit doe je samen.’ Over heel de wereld vergadert ze met opdrachtgevers, ze overlegt voortdurend met haar twee vaste medewerkers in Nederland, Arian Brekveld en Edith van Berkel. ‘Maar ik zet elke week kruisen in mijn agenda. Als ik niet minstens twee ochtenden alleen kan werken, word ik ongelukkig.’

Jongerius werd beroemd om haar voorliefde voor ambachtelijkheid en imperfectie; haar expres te heet gebakken en daardoor vervormde B-servies is er een mooi voorbeeld van. Ze maakte ook vazen van glas en porselein, ogenschijnlijk slordig aan elkaar geplakt met stukken tape waarop ‘breekbaar’ staat. Haar Polderbank voorzag ze van verschillende kleuren stof en tweedehandsknopen, alsof-ie al geleefd heeft vanaf het begin. Alles wat ze ontwerpt draagt sporen van de maker; toen haar IKEA-vaas al te glad dreigde te worden, toog ze naar de fabriek China om in te grijpen. Aan de arbeiders daar deed ze voor hoe ze de putjes in het keramiek wilde hebben: onregelmatig (al zat die onregelmatigheid gegoten in een mal). Jongerius wijst op haar mond en zegt: ‘Iets vooruit stekende tanden zijn toch ook leuk? Wat afwijkt, dat blijft hangen. Perfectie vind ik saai.’
Grote lijnen
Met spulletjes en vaasjes houdt Jongerius zich overigens de laatste jaren minder en minder bezig; als consultant en artdirector van grote bedrijven doet ze aan innovatie en advies. Voor Vitra ontwikkelde ze een nieuw kleurenpalet – ‘géén Hella Jongerius-verflijn’, maar een kwaliteitsslag, zegt ze, ten bate van de hele industrie. Zo onderzoekt ze hoe kleur op daglicht reageert, want waarom zou je, zoals nu het geval is, willen dat een kleur de hele dag hetzelfde oogt? Ze verdiepte zich in oudere verfrecepten om de intense, ‘gelaagdere’ – ‘gelaagd’ is een woord dat ze graag gebruikt – kleuren terug te brengen die bij producenten zijn verdwenen. Daar wordt rood nu met standaard-zwart gemengd om het donkerder te maken, terwijl het zo veel mooier wordt met bijvoorbeeld donkergroen. Ook voor de KLM wil ze die kwaliteitsslag maken, met mooiere bekledingstoffen, minder plastic in de stoelen, maar aluminium en echt leer. Waar Marcel Wanders en Viktor & Rolf door KLM werden ingezet voor een nieuw bestek en een toilettasje, buigt Jongerius zich over de complete aanpak van het vliegtuiginterieur. Dat doet ze liever, zegt ze: nieuwe materialen ontwikkelen – in de interieurstof die ze voor de vliegtuigen liet weven zitten oude stewardessenuniforms verwerkt – grote lijnen uitzetten. De designindustrie veranderen, van binnenuit. Uit een interview in 2010: ‘Zitten we met z’n allen wel te wachten op nog meer nieuwe spullen? Al die pogingen om de zoveelste nieuwe stoel te maken… Vanaf dag één heb ik daar al moeite mee.’

Toch werd tijdens de laatste meubelbeurs in Milaan met tromgeroffel je nieuwe stoel gepresenteerd, de East River Chair. Principes overboord gegooid?
Jongerius lacht goedgehumeurd, begint over de Delegates Lounge van het Verenigde Naties-gebouw, waarvoor ze een loungestoel zocht die makkelijk verplaatsbaar is. ‘Er wordt daar namelijk in steeds wisselende groepjes bij elkaar gezeten.’ De ultieme stoel kon ze niet vinden, dus toen heeft ze hem zelf maar bedacht, een vergaderstoel op wielen, ze moest hem wel ontwerpen omdat-ie er niet wás. De East River Chair is de consumentenvariant. Zonder wielen, want dat werd te duur, maar, zegt ze tevreden: ‘Ik vind dit eigenlijk ook weer een heel goed ding.’
Foto Markus Jans
Je twijfelt nooit, zeg je. Heb je dat altijd gehad of komt dat met de jaren, gevoed door het succes?
‘Dat is altijd zo geweest. Niet dat ik zo overtuigd ben van mezelf, maar ik ben een praktisch mens: ik neem een beslissing en dan kunnen we dóór. En natuurlijk, doordat ik met de jaren heb gemerkt dat wat ik bedenk vaak staat voor wat een grote groep ook vindt, durf je makkelijker nieuwe wegen in te slaan. Omdat het wordt opgepikt. Nu is dat hele verhaal over ambachtelijkheid en imperfectie één grote marketingtruc van veel bedrijven. Twee jaar na mijn B-servies kwam Villeroy & Boch ook opeens met een onvolmaakt servies. Maar ik ben er al mee bezig vanaf het begin.’

Met de KLM-opdracht is 300 miljoen euro gemoeid. Eng?
‘Nee, ik doe gewoon mijn werk goed. En ik doe het niet alleen. Volgende week is er een bijeenkomst bij de fabrikant van de vliegtuigstoel aan de oostkust van Amerika, daar zitten we met 28 experts. Gaat het over het leeslampje, dan stapt de expert van het leeslampje naar voren; is het klaptafeltje aan de beurt dan staan er weer twee andere mannen op. Ik ben het klankbord als designer. Het is echt niet zo dat ik daar die 300 miljoen in de verkeerde richting kan duwen.’

‘Lelijkheid geeft ademruimte, het kan heel bevrijdend zijn’
Hella Jongerius groeide op in een praktisch, nuchter tuindersgezin in De Meern, nabij Utrecht. Ze heeft drie broers, die, net als zij en als hun vader, alle drie ondernemer zijn geworden. Ze breide, macrameede en haakte – ‘alle dingen die je in de jaren zeventig deed’ – maar een bijzonder oog voor vormgeving had ze niet als kind. ‘Ik richtte mijn kamer in met leuke spulletjes. Maar dat doen alle meisjes.’ In een museum kwam ze nooit met haar ouders en dat er een Akademie voor Industriële Vormgeving bestond, zoals de Design Academy Eindhoven toen heette, kwam ze pas achter toen ze al een opleiding voor ergotherapeut had afgerond. Eenmaal werkend met gehandicapten, wist ze al snel: dit is niets voor mij. ‘Ik ben al sowieso geen type om onder een baas te werken.’ Op haar 25ste begon ze alsnog op de academie. Ze studeerde af met een serie rubberen vazen en wasbakken. Die zetten haar meteen op de kaart vanwege haar hoogstpersoonlijke, onderscheidende handschrift. ‘Ik wil het antiek van morgen maken’, zei ze. ‘Dierbare spullen, die je niet snel meer wegdoet. Die als erfenis naar je kinderen gaan.’

Welke dingen uit je jeugd zijn dat voor jou? Wat zou je willen erven?
Ze denkt na, gaat in gedachten de huiskamer van haar ouders rond. ‘De schilderijen. Er hangt een boerenlandschap dat niet van grote waarde is, maar dat ik als kind altijd heb gezien. Het suikerpotje. Dat soort dingen. Ik heb een Tupperware-maatbeker van mijn moeder waarin altijd haar appeltaartdeeg stond te rijzen. Ze wilde hem wegdoen, maar nu staat hij bij mij.’

Zijn die dingen mooi? Of gewoon: vertrouwd?
‘Ik denk beide. Schoonheid is een deel van de communicatie tussen mens en product. En wat is dan schoonheid? Dat is heel moeilijk, maar voor mij heeft het er altijd mee te maken dat een product zuurstof houdt. Dat het geen dichtgeslibd ding is, maar dat de gebruiker er zichzelf in kan lezen. Er zelf betekenis aan toe kan voegen; het onaffe van een product vind ik altijd heel goed.’

Zit dat allemaal in die maatbeker van Tupperware?
‘Dat is best een lelijk ding.’
Jongerius’ atelier in Berlijn. Foto Markus Jans
Haalt dat je hele pleidooi niet onderuit?
‘Nee, want lelijkheid vind ik interessant. Lelijkheid geeft ademruimte, het kan heel bevrijdend zijn. Het geeft een extra laag aan de dingen waarin je jezelf kunt verliezen.’ Meteen daaropvolgend: ‘Dat is de richting die we uit moeten. Iedereen wil altijd maar nieuw, nieuw, nieuw en zodra we het hebben, verlangen we alweer naar het volgende, want de leegte raakt maar niet gevuld. Maar er zijn dingen, zoals kunst, die meerdere lagen in zich dragen. Die doe je niet weg. Dat is mijn zoektocht: dingen ontwerpen die alle opties openhouden, zodat je er niet op uitgekeken raakt.’

Nog even over die Tupperware-beker: die is anoniem. Nu staat overal een naam op. Dat colaflesje is van Karl Lagerfeld, die pan van Jamie Oliver. Wat vind je van die trend?
‘Ach, dat is allemaal marketing. 60 procent van ons vak is heel slimme marketing die inspeelt op de onzekerheid van de consument. Mensen durven niet zelf te kiezen uit een reeks anonieme producten, want stel je voor dat je het verkeerd doet. Dus er moet er een naam op staan. Wat ik daarvan vind? Ik vaar er ook wél bij; ik weet maar al te goed dat grote bedrijven als KLM, IKEA en Vitra mij vragen om mijn naam. Maar daar staat altijd een reële opdracht tegenover en een lange samenwerking. Anders neem ik de klus niet aan. Ik leen er mijn naam niet voor om ergens een Hella Jongerius-sausje overheen te gooien.’

Krijg je zulke verzoeken vaak?
‘Elke week. Of mijn naam op een kofferlijn kan of op een auto, weet ik veel waar ze me voor vragen. Ik hoef alleen maar een tekening in te leveren of een keer langs te gaan in de fabriek. Soms is het hele product al klaar en hoef ik alleen mijn handtekening maar te zetten. Dat doe ik nooit. Ja, ik laat schepen met geld voorbij gaan, maar ik vind dat consumenten als debielen worden behandeld en ik doe daar niet aan mee.’
Jongerius’ atelier in Berlijn. Foto Markus Jans
Als je zelf een nieuwe pollepel nodig hebt of een wc-rolhouder, let je dan op het design?
‘Ik let er wel op, maar als in de winkel sta koop ik gewoon de houder die beste rolt. Ik maak er geen dagtaak van, daar heb ik helemaal geen tijd voor. Mijn huis is verre van perfect.’

Wat is er echt lelijk in je huis?
‘O, zo veel. Driekwart van alle spullen, ha. Maar ik ben heel tevreden.’

In de mode zie je een tegenreactie: normcore, een soort anti-mode. Gaat dat in jouw vak ook gebeuren, worden we design-moe?
‘Dat zou best kunnen, ja. Ik zie een groot verschil tussen Nederland en Duitsland: in Nederland is álles ontworpen, om de vijf jaar staat er een nieuwe brievenbus. De lelijkheid van Berlijn vind ik een verademing als ik thuiskom.’ Ze lacht: ‘Wat mij betreft wordt er zo min mogelijk ontworpen. Alleen het hoogstnodige.’

Je bekritiseert het systeem van nieuw, nieuw, nieuw, maar het is vast wel de bedoeling dat je nieuwe stoel een verkoophit wordt.
‘Natuurlijk. Als een ontwerp niet goed verkoopt, heb ik mijn werk niet goed gedaan.

‘Dat klinkt inconsequent misschien, maar die vrijheid gun ik mezelf. Je moet ook meedoen om dingen te veranderen, aan de zijlijn lukt dat niet. Natuurlijk, je kunt je afvragen waarom er wéér een nieuwe stoel moet komen. Tja, dat is dan toch de lol in mijn vak. Ik vind spullen maken… leuk. Je kunt zeggen: jij spreekt jezelf lekker tegen. Ja, dat doe ik. En dat vind ik ook fijn. Ik vind het erg leuk om niet altijd het braafste meisje van de klas te zijn.’

CV
Hella Jongerius
30 mei 1963 Geboren in De Meern.
Opleiding
1988 – 1993 Design Academy Eindhoven
werk (selectie)
1993 Start designstudio Jongerius Lab.
1994 Serie Soft Vases voor Droog Design.
1998 B-servies voor Tichelaar, Makkum.
1999 Stoelen voor Cappelini, Milaan.
2001 Kroonluchter van kristal en rubber voor Swarovski.
2002 Repeat meubelstof voor Maharam, New York.
2004 Porselein voor Nymphenburg, München.
2005 PS Jonsberg vazen voor IKEA.
2005 Polderbank voor Vitra.
2007 Blossom-lampen voor Belux.
2009 Frog table voor galerie Kreo, Parijs.
2011 Herinrichting Delegates Lounge VN-gebouw, New York.
2012 Design vliegtuiginterieurs KLM business class.
2014 East River Chair voor Vitra.
2000 – 2004 Hoofddocent aan de Design Academy Eindhoven.
2008 – heden Artdirector van Vitra.
2014 – heden Artdirector van Artek.
Werk opgenomen in de collecties van het MoMa, het Design Museum in Londen, het Cooper Hewitt Design Museum in New York, in 2010 overzichtstentoonstelling in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam
Hella Jongerius is getrouwd met Lucas Verweij, ze hebben twee dochters van 11 en 9 en wonen in Berlijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

september 28, 2014Permalink