In Nederland is veel afgunst

INTERVIEW Omstreden is ze en ze werd zelfs berispt door het medisch tuchtcollege. Forensisch psycholoog Corine de Ruiter zou zich in een vechtscheiding hebben laten meeslepen door de moeder. ‘Denk je nou echt dat ik me daarvoor leen?’

Halverwege het interview oogt Corine de Ruiter (53) opeens kwetsbaar. Ze zucht, haar ogen staan vermoeid. Waarom ze steeds diagnoses op afstand stelt, luidt de vraag, terwijl dat haar op zo veel kritiek komt te staan. Klein lachje: ‘Ik doe het volgens mij ook niet meer. Ik kijk wel uit.’

IJdelheid
De Ruiter is klinisch-forensisch psycholoog, ze houdt zich bezig met diagnostiek en behandeling van daders en slachtoffers van strafbare feiten. Over Joran van der Sloot zei ze in de media dat hij psychopatische trekken had, bij Volkert van der G. constateerde ze autisme. Zo kun je niet te werk gaan, verweten vakgenoten haar. Het is allemaal ijdelheid op tv om zulke gratuite beweringen te doen.

Helemaal niet gratuit, verdedigt De Ruiter zich thuis in haar Utrechtse jarendertigwoning; ze wil kennis verspreiden over zaken waarvan ze verstand heeft. ‘In Amerika is veel meer respect voor de deskundige. Daar ben ik een gevierd forensisch psycholoog. Ik at eens met Reid Meloy, die ik had uitgenodigd voor een workshop, in Amerika een bekend forensisch psycholoog. Ik vroeg: Reid, hoe kan ik net zo goed worden als jij? Hij gaf tips, maar hij zei ook, ik zal het nooit vergeten: ‘Je moet oppassen, Corine. In Amerika word je als je goed bent aangemoedigd. Maar hier is veel afgunst, ik voel het.’ Nederland is een polder, hè, alles moet vlak zijn. Ja, ik denk wel dat ik een bedreiging vorm.’

Corine de Ruiter is met sabbatical; van haar hoogleraarschap in Maastricht heeft ze een half jaar vrijaf genomen. In mei werd ze door het medisch tuchtcollege berispt, omdat ze in een rapport meldde dat er ‘serieuze aanwijzingen zijn voor het bestaan van een ernstig vermoeden van meerdere vormen van kindermishandeling’, waaronder seksueel misbruik , door een vader die ze nooit had gezien. Ze drong slechts aan op nader onderzoek, zal ze later in het gesprek zeggen. ‘Ik heb vier van dit soort rapporten in een scheidingszaak gemaakt en bij drie ervan ben ik voor de tuchtraad gedaagd. Dat betekent dat ik dit soort rapporten niet meer kan maken.’

‘Ik vind dat zoiets Nederlands: belangen en posities zijn belangrijker dan de inhoud’
Haar verlof staat er los van, zegt ze: ‘Dat zat al vijf jaar in de pijplijn.’

Een periode van bezinning, zegt een vriend van u.
‘Klopt, ik ben erg aan het nadenken. Ik ben bijna 54, wat wil ik nog? Ik heb een masteropleiding forensische psychologie opgezet, die is een groot succes. Wat nu? Ik zoek altijd uitdaging, routine is niet aan mij besteed. Ik ben er nog niet uit. Ik denk er al jaren over na: wanneer ga ik naar de overkant van de grote plas?’

Corine de Ruiter was twee keer getrouwd, ze heeft zoon Julian (20) uit haar tweede huwelijk en sinds tien jaar een vriend, kinderarts Ferko Öry, met wie ze samenwoont. Na het vwo in Doetinchem studeerde ze een jaar in Amerika (‘Dat heeft mijn leven ingrijpend veranderd’) en ze ging later een jaar naar Oregon voor haar stage klinische psychologie. Daar leerde ze Julians Amerikaanse vader kennen. Hij kwam naar Nederland, werd later ziek en overleed toen Julian 13 was. De Ruiter en hij waren toen al gescheiden. Julian studeert in Amerika.

Het zal meerdere keren in het gesprek opduiken: in Amerika is er ‘een heel ander intellectueel discours’, vindt De Ruiter, waarin ze zich beter thuis voelt dan in de Nederlandse ‘ons-kent-ons-cultuur’.

Fileren
‘De weerstand tegen mij zit erin dat ik voor honderd procent kies voor de kwaliteit van de zorg. Instituutsbelangen vind ik volkomen ondergeschikt. Dat kunnen de mensen die tegen mij zijn niet verdragen. Ik vind dat zoiets Nederlands: belangen en posities zijn belangrijker dan de inhoud. In Amerika kun je op een congres diametraal tegenover elkaar staan in een debat op hoog niveau, en na afloop drink je een borrel met elkaar. Zo zit ik ook in elkaar. Maar in Nederland is wie je vriendjes zijn blijkbaar belangrijker dan de werkelijkheid te onderzoeken.’

Ze roept nogal wat weerstand op, zegt bevriend collega-forensisch psycholoog Vivienne de Vogel over Corine de Ruiter. ‘Ze heeft grote passie voor haar werk, maar ze vliegt wel eens uit de bocht.’ De Vogel volgde De Ruiter op als hoofd van de Van der Hoeven-kliniek, waar tbs’ers worden onderzocht en behandeld en waar ze zeven jaar werkte voor ze hoogleraar werd. ‘Ze is ontzettend ambitieus’, zegt De Vogel ook. ‘Ze is heel inspirerend, maar als ze geen respect voor je heeft, kan ze je fileren.’

Aan de universiteit in Maastricht zette De Ruiter een masteropleiding forensische psychologie op; voordien was het geen apart specialisme. Ook voerde ze wetenschappelijke risicotaxaties in. Niet alleen de geest van een dader moet worden behandeld om de kans op recidive te verkleinen, maar ook risicofactoren als drank- en drugsverslaving, werkproblemen en trauma’s uit het verleden. Ze is van grote betekenis voor het vak, zegt collega-hoogleraar psychologie Harald Merckelbach, die haar al sinds hun studietijd kent. Ze heeft het een stuk wetenschappelijker gemaakt. ‘Wetenschap is voor haar veel meer dan carrière maken; ze wil intrinsiek goed voor de samenleving zijn. Het oude Verlichtingsideaal, zeg maar: de maatschappij verheffen.’

Een rondje bellen onder vakgenoten levert kwalificaties op als ‘hoogmoedig’, ‘solitair opererend’, ‘grensoverschrijdend’ en ‘narcistisch’
Er klinken ook andere geluiden uit het veld. Een rondje bellen onder vakgenoten die liever niet met naam genoemd worden, levert kwalificaties op als ‘hoogmoedig’, ‘solitair opererend’, ‘grensoverschrijdend’ en ‘narcistisch’. Merckelbach: ‘Jalousie de métier. Ze is vrouw én professor, zulke sentimenten spelen een rol.’

Ze is nogal wat seksisme tegengekomen, zegt De Ruiter zelf ook. ‘De universiteit is nog steeds een mannenbolwerk. De hele wereld is een mannenbolwerk, maar zo ben ik niet opgevoed. Ik heb een broer van vijf jaar jonger en mijn vader maakte totaal geen onderscheid tussen ons. Hij ging met me paardrijden en zeilen, aan tafel voerden we heftige discussies, hij nam mij minstens zo serieus als mijn broer. Op de universiteit kom je mannen tegen die heel anders zijn. Daar ben ik allergisch voor. Ik pik dat gewoon niet.’

Vraag je haar zichzelf te scoren op de Big Five, de vijf belangrijkste karaktertrekken die vaak in psychologische tests worden gebruikt, dan zegt ze niet uitgesproken extravert of introvert te zijn. ‘Ik heb veel vrienden en ik hou van feestjes, maar ik heb het ook nodig om alleen te zijn. Om te lezen en te studeren.’ Ook qua (wan)ordelijkheid, bazigheid of inschikkelijkheid en emotionele stabiliteit zet ze zichzelf ergens in het midden. Maar als het gaat om intellectuele autonomie, ja, ‘dan scoor ik helemaal op het uiteinde’, lacht ze. ‘Als kind had ik al een heel onderzoekende geest.’

Het is die onafhankelijke houding waardoor ze geweigerd werd voor het officiële register van getuigen-deskundigen (NRGD), daarvan is ze overtuigd. Het is een lijst professionals die worden ingeschakeld door de rechter om in strafzaken te rapporteren over verdachten. Haar rapporten zouden niet goed genoeg zijn – ze voldoet niet aan de criteria. Welnee, er ligt een richtingenstrijd aan ten grondslag, vindt De Ruiter. Het register is verbonden met het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) en het Pieter Baan Centrum, en daar heeft ze altijd kritiek op geuit.

‘Er is veel verbeterd, maar aanvankelijk vond ik het schokkend hoe onwetenschappelijk daar werd gewerkt. Ik zat bij stafvergaderingen over tbs’ers en dan klonk het: ik denk dat het goed is dat deze persoon naar buiten gaat, want hij doet zijn werk zo goed in de instelling. Dan dacht ik: in wat voor tijd leven jullie hier? Dat iemand zijn werkjes goed doet, betekent niet dat zijn stoornis weg is. Het gaat wel over mensenlevens, je moet systematisch onderzoek doen, net zoals jij voor dit interview naar mij hebt gedaan. De dossiers bestuderen, risicotaxaties maken, dat bestond allemaal niet toen ik begon. Ik heb zeven jaar in de Van der Hoevenkliniek gewerkt en er alles aan gedaan om mezelf en de kliniek bij te scholen. Veel dank aan de toenmalige directie: ik mocht Amerikaanse experts uitnodigen op het gebied van psychopathie en risicotaxatie, we hebben symposia georganiseerd. Je kunt wel zeggen dat we een kleine revolutie teweeg hebben gebracht in het veld.’

Ongemakkelijk
Maar revoluties, zegt De Ruiter, kunnen voor sommigen ongemakkelijk zijn. Vandaar dat er ‘allemaal machinaties’ in werking zijn getreden om haar uit het deskundigenregister te weren. ‘Het was echt van: die De Ruiter moeten we niet.’

U hebt gezegd bij uw afwijzing voor het register: er wordt vals spel gespeeld. Denkt u dan niet: misschien mankeert er inderdaad wel iets, voldoe ik niet aan de criteria?
‘Ik ben een lerende organisatie, zeg ik altijd, ik wil mezelf altijd verbeteren. Maar dit klopt niet. Ik heb me gespecialiseerd op dit terrein. Buitenlandse collega’s zijn soms verbijsterd dat ik voor bepaalde zaken niet wordt geraadpleegd.’

Desondanks treedt ze nog steeds op als getuige-deskundige in straf- en civiele zaken. Hoe dat kan? ‘Pfff, ze gaan gewoon buiten dat register om. Ik word benoemd door het gerechtshof in Den Bosch en in Den Haag door mensen die weten hoe ik werk.’

In 2012 trad Corine de Ruiter op als deskundige op verzoek van Gerard Spong, toen advocaat van een tbs’er die zijn vrouw vermoord had. Ze vond dat de tbs beëindigd kon worden. De instelling waar de man verbleef, was het daarmee oneens en zette vraagtekens bij de betrouwbaarheid van haar rapport. De Ruiter zou beweringen van de tbs’er voor waar hebben aangenomen zonder ze te verifiëren. Ook zou ze de man te kort gesproken hebben om een goed oordeel te kunnen vellen.

‘Ieder mens, hoe slecht hij ook is, heeft hoop nodig op een betere toekomst. Als je die afpakt, heeft zo iemand niets meer te verliezen’
De Ruiter zegt juist altijd bovengemiddeld veel werk te besteden aan zulke rapportages. ‘Ik neem veel tijd om mensen te spreken, ga zeker drie, vier keer naar ze toe. Ik luister heel goed, mensen voelen dat ik echt geïnteresseerd ben. In de gevangenis hoor ik vaak terug: dit heb ik nog nooit aan iemand verteld. Ik oordeel niet meteen van: die is gek, zoals je wel ziet bij veel collega’s.’

Het levenslang achter slot en grendel zetten van misdadigers noemt De Ruiter volstrekt inhumaan. ‘Er zitten veel mensen in de gevangenis met een scala aan problemen: verslaafd, psychisch gestoord, zelf slachtoffer, ze hebben geen werk, geen stabiele omgeving. Wat denk je dat er gebeurt als ze op een dag met een vuilniszak weer op straat staan? Zonder woning, zonder werk, zich een outcast voelend? Dan begint alles van voren af aan. Alleen straffen werkt niet. Je ziet het bij kinderen: als je die alleen maar streng straft, worden ze steeds anti-socialer. Je moet ze ook belonen, complimenten geven en positieve aandacht. Dat geldt ook voor volwassenen. Ieder mens, hoe slecht hij ook is, heeft hoop nodig op een betere toekomst. Als je die afpakt, heeft zo iemand niets meer te verliezen.’

Haar oratie in 2007 bij de start van haar hoogleraarschap in Maastricht – ze werkt er vier dagen per week en haar partner heeft er een huis – was destijds al een pleidooi tegen de harde aanpak van criminaliteit. Ze pleitte erin voor vermijding van gevangenisstraf waar mogelijk, voor behandeling van verslaving in de gevangenis en voor betere nazorg na detentie. Er zijn verbeteringen, zegt De Ruiter nu. ‘Al wordt de onderbuik nog wel heel erg aangevoerd door de bewindslieden op justitie. De maatschappij roept hard om repressie. Ja, je kunt er stemmen mee trekken als politicus, maar het is dom, want het werkt niet.’
‘Kinderrechten worden hier systematisch geschonden.’ Foto Robin de Puy
Draaideurhaatzaaier
Haar opvattingen hebben haar niet bij iedereen geliefd gemaakt. ‘Typisch linkse elite’ was nog het vriendelijkste geluid op GeenStijl.nl. Daar kwam de benaming ‘draaideurhaatzaaier’ bij na een onhandig optreden bij Knevel & Van den Brink, waarin ze Wilders’ ‘verbaal geweld’ benoemde. Hij roept op tot het ‘uitroeien’ van moslims, zei ze in de uitzending. Al tijdens de aftiteling moest ze haar woorden terugnemen: Wilders had het over ‘eten voordat we gegeten worden’, en dat klinkt aanmerkelijk ludieker, vond Tijs van den Brink.

De Ruiter is voorzichtiger geworden met mediaoptredens, maar met opiniestukken roert ze zich wel. Steeds vaker uit ze zich over de aanpak van kindermishandeling, die ze totaal verkeerd vindt in Nederland. Jeugdzorg is versnipperd, het gebrek aan kennis en kunde van medewerkers van meldpunten kindermishandeling en de Raad voor de Kinderbescherming noemt ze schokkend. ‘Het is begonnen in mijn tijd in de Van der Hoeven-kliniek. 95 procent van de mensen die daar zitten hadden met jeugdzorg te maken gehad, waren van het ene pleeggezin naar het andere tehuis gegaan en dat was dus blijkbaar allemaal niet effectief. Ik vroeg me af: waar gaat het mis? Ik ontdekte dat het in de jeugdzorg nog erger is dan in de tbs-kliniek toen ik er kwam werken, qua wetenschappelijke onderbouwing en transparantie. Het hele systeem faalt, maar niemand in Nederland zegt: er moet nu iets gebeuren.’

Dus doet zij het: in een stuk in de NRC klaagt ze samen met Ferko Öry het gebrek aan deskundigheid in de sector aan. In een eerder artikel, vlak na de moord op de broertjes Ruben en Julian door hun vader, schrijft ze: ‘Hoe kan het dat de jeugdzorg in Nederland er in een periode van vier jaar niet in slaagt om een hoogopgeleid, gescheiden echtpaar zodanig te begeleiden dat een voor alle partijen leefbare situatie ontstaat?’ In dit soort ‘vechtscheidingen’ waarin gestreden wordt om de omgang ontbreekt het aan objectieve en deskundige rapporteurs, betoogt ze: ‘De onderzoeker wordt gemakkelijk ‘meegezogen’ in het verhaal van een van de partijen.’

Onafhankelijkheid
Des te opmerkelijker dus dat ze zelf om die reden onlangs door het medisch tuchtcollege berispt werd: ze heeft haar ‘onafhankelijkheid niet weten te bewaren’ in haar hoedanigheid als getuige-deskundige in een civiele zaak. ‘In feite is er een vermenging van haar professionele en niet-professionele rol ontstaan’, oordeelt het college en heeft ze door haar ‘vereenzelviging’ met een van de partijen – moeder – een vechtscheiding verder doen escaleren.

Het ging om een 7-jarig jongetje dat in de media Bram werd genoemd en dat de moeder bij de vader weghield, omdat hij Bram seksueel zou misbruiken en lichamelijk en emotioneel zou mishandelen. Het jongetje is inmiddels aan de vader toegewezen. Moeder zou alles uit de kast hebben gehaald om de deskundigen aan haar kant te krijgen – De Ruiter werd meegesleept, concludeert het tuchtcollege.

‘Wat mij betreft bestaan er helemaal geen vechtscheidingen. Dat is een non-woord’
Onzin, zegt zij aan haar eettafel. ‘Het tuchtcollege vindt dat ik vader valselijk beschuldigd heb. Dat is een drogredenering; ik heb juist geadviseerd dat er meer onderzoek moet worden gedaan. Er zijn genoeg signalen in deze zaak om je serieus zorgen te maken en ik zeg alleen maar: of er wel of geen misbruik heeft plaatsgevonden, is niet adequaat uitgezocht. Dat gebeurt in dit soort gevallen bijna nooit in Nederland.’

U schreef het rapport in opdracht van de advocaat van de moeder en stelt daarin dat zij een ‘fit parent’ is, een geschikte ouder. Hoe onafhankelijk is zo’n rapport? Geldt immers niet: wie betaalt, bepaalt?
‘Als je dat zegt, ja, dan kunnen we de hele forensische en rechtspsychologie wel opdoeken. We hebben onze beroepsethiek. Feitenonderzoek is mijn enige toetssteen en als er uit mijn analyse was gekomen dat moeder geen ‘fit parent’ is, dan was dát mijn conclusie geweest. Maar iedereen framet het als partijdig, net als zo’n zaak als een ‘vechtscheiding’ wordt geframed. Wat mij betreft bestaan er helemaal geen vechtscheidingen. Dat is een non-woord. Ja, er bestaan scheidingen waarin mensen blijven ruziemaken om de kinderen, maar om die steevast te definiëren als een vechtscheiding is onzin, dat is levensgevaarlijk. Daar krijg je dooie kinderen van. De aanname is dan namelijk dat de beschuldigingen vals zijn, maar uit onderzoek in het buitenland blijkt dat in de meerderheid van die gevallen wel degelijk sprake is van mishandeling of misbruik. Dus dat moet je goed onderzoeken. Je moet het kind interviewen, je moet de vader bevragen, je moet politieonderzoek doen, er moeten allerlei dingen gebeuren, maar in Nederland gebeurt dat niet. Jeugdzorg doet niet aan waarheidsvinding. Die zet de ouders aan tafel met een foto van het kind erop en dan moeten ze praten – heb je een gaatje in je hoofd? Je kunt geen wonderen verwachten van mediation. In dit soort high conflict divorces, zoals het heet in de Angelsaksische literatuur, heeft een van de ouders meestal een persoonlijkheidsstoornis: borderline of een narcistische stoornis, bijvoorbeeld. En de andere ouder kan in Nederland nergens naartoe.

‘De pas-afgestudeerde pedagogen die met dit soort uiterst ingewikkelde gevallen te maken krijgen, zijn te jong en te onervaren om ze het hoofd te bieden. Ouders worden in Nederland aan alle kanten beschermd en de kinderen zijn aan hen overgeleverd. Kinderrechten worden hier systematisch geschonden.’

DE ZAAK-‘BRAM’
Arnold Heertje schreef er columns over, arts Paul Pollman mag vanwege zijn bemoeienis met deze en andere zaken niet langer als arts werken en Corine de Ruiter werd erom berispt: de zaak-‘Bram’. Een verbeten strijd tussen gescheiden ouders over de omgangsregeling voor hun zoontje. Moeder verdenkt vader van kindermishandeling en houdt Bram bij hem weg. Na eindeloos veel rechtszaken wordt Bram in 2013 aan vader toegewezen. De advocaat van moeder vraagt De Ruiter te rapporteren of moeder een geschikte ouder is. Dat is zij, concludeert ze. In dezelfde rapportage meldt ze dat er ‘frequente en serieuze aanwijzingen zijn voor het bestaan van een ernstig vermoeden van meerdere vormen van kindermishandeling’. Het medisch tuchtcollege stelt dat ze die suggestie ten onrechte doet, zonder vader te hebben gezien of gesproken, en berispt De Ruiter.
In deze zaak is er onderzoek gedaan door de Raad voor de Kinderbescherming en de vader is van alle blaam gezuiverd.
‘Dat is geen adequaat onderzoek, van de Raad. Jij zegt: die vader is van alle blaam gezuiverd, maar hoe weet je dat? Er is nooit deugdelijk feitenonderzoek gedaan.’

Waarom zou u door het tuchtcollege berispt worden als u alleen maar aandringt op onderzoek? U hebt uitspraken gedaan over vader zonder hem ooit te hebben onderzocht.
‘Wat het tuchtcollege niet begrijpt, is dat ik refereer aan bevindingen uit het dossier. Als ik daarin lees: ‘Het kind werd na bezoek aan vader slapend thuis gebracht, begon nadat het wakker werd hard te huilen en klaagde over pijn in de anus’, ik noem maar wat, is dat toch een opmerkelijke bevinding. Dan kun je niet volstaan met: dit is een vechtscheiding en dat kind interesseert me verder niet.’

‘Ik heb in totaal in vier van dit soort zaken gerapporteerd en in drie is door een van de echtelieden een tuchtzaak aangespannen. Het komt er gewoon op neer dat dit soort forensische rapporten niet meer kunnen worden opgemaakt’
Dat kan moeder wel beweren. Uw opdrachtgever – het blijft een merkwaardige constructie.
Fel: ‘Maar denk je nou echt dat ik me daarvoor leen? Om als een soort hired gun te fungeren? Dan zou ik mezelf toch niet meer in de spiegel kunnen aankijken?’

Uw collega-vakgenoot Peter van Koppen zegt in de NRC over het Maastrichts Forensisch Instituut, waarvoor u zulke rapportages uitvoert: ‘Het is een rapportenfabriek geworden’. Een dure ook; zo’n rapport kost veel geld.
‘Dat zegt hij omdat hij met ruzie is weggegaan in Maastricht. Peter van Koppen is een moeilijke man. Hij is zelf een rapportenfabriek die het allemaal in zijn uppie doet en het geld voor zichzelf wil hebben. Ik heb ook een eigen praktijk, maar dit rapport heb ik voor het Maastrichtse instituut gemaakt en het geld gaat naar de universiteit, niet naar mij.’

Klopt het niet dat u te persoonlijk betrokken bent geraakt in deze zaak, zoals het tuchtcollege stelt? U zit met de zus van de moeder in een organisatie, De Veilige Haven.
‘Ik leerde haar pas kennen door deze zaak. Ze is pedagoog en ze heeft zich bij ons gemeld omdat ze graag wilde meedenken als ervaringsdeskundige. Iedereen uit onze organisatie – een groep professionals die zich zorgen maken over de aanpak van kindermishandeling in Nederland – was het ermee eens dat ze een meerwaarde had, ik beslis dat niet in mijn eentje. Als dit niet eens kan – we leven in een vrij land, hoop ik.

‘Als je alles door een bepaalde bril bekijkt… Het is me inmiddels wel duidelijk dat mensen dat doen. Ik hoor het ook van andere deskundigen; zodra je in zo’n zaak rapporteert, stapt de andere ouder naar de tuchtraad. Ik heb in totaal in vier van dit soort zaken gerapporteerd en in drie is door een van de echtelieden een tuchtzaak aangespannen. Het komt er gewoon op neer dat dit soort forensische rapporten niet meer kunnen worden opgemaakt. Dat betekent dus ook dat ouders die vinden dat het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming niet deugt, nergens meer naartoe kunnen. Want ik ben niet de enige. Er zijn ook allerlei onbekende forensisch psychologen die de mond is gesnoerd.’

‘Als ik deze zaak met collega’s in het buitenland bespreek, staan ze met hun oren te klapperen’
Na drie waarschuwingen van het tuchtcollege denkt u niet: wat doe ik verkeerd?
‘Ja, natuurlijk heb ik dat gedaan, ik heb het uitgebreid geanalyseerd met collega’s. Die vinden net als ik dat de tuchtcolleges buiten hun boekje gaan en dat ze het faciliteren dat de rechten van kinderen geschonden worden.’

Dus het ligt aan het tuchtcollege, niet aan u.
‘In dit geval ben ik daarvan overtuigd, ja. Anders was ik niet in beroep gegaan en had ik de berisping geaccepteerd.’

Hoe beschadigend is dit voor uw reputatie?
‘Heel beschadigend. Ik ga het natuurlijk ook niet meer doen. Dit was de laatste keer, het is einde oefening. Ik ben wel met een aantal mensen bezig om te kijken hoe we dit kunnen veranderen, want er wordt hier niet helder nagedacht. Als ik deze zaak met collega’s in het buitenland bespreek, staan ze met hun oren te klapperen. Dan zeggen ze: wát, gaat dat in Nederland zo? Jeugdzorg is een staat in de staat. Totaal naar binnen gekeerd, en ik ben juist het omgekeerde. Ik kijk: hoe doen ze het elders en wat kan ik ervan leren?’

Zal het een opluchting voor u zijn als u naar Amerika gaat?
‘Nee hoor, want ik ben heel erg Nederlands. Ik denk wel dat ik in het verkeerde land geboren ben. Nederland is erg klein. Iedereen oordeelt hier zo snel. Ik heb workshops gegeven in Amerika, de deelnemers hangen aan je lippen. Hier is het: wie ben jij om me te vertellen dat ik mijn werk anders zou moeten doen?’

‘Een narcist is iemand die zonder enige bagage van alles beweert en zich laat voorstaan op zijn status. Dat doe ik niet’
Kunt u zich er iets bij voorstellen dat er vakgenoten zijn die u zo overtuigd van zichzelf vinden dat het bijna narcistisch zou zijn?
Ze zucht. ‘Ik herken me er niet in. Een narcist is iemand die zonder enige bagage van alles beweert en zich laat voorstaan op zijn status. Dat doe ik niet. Je zou aan mijn studenten moeten vragen of ik poeha heb, volgens mij vindt niemand dat.

‘Ik heb heus fouten, ik kan heel fel zijn, maar ik kan nu eenmaal slecht tegen onrecht. Ik kies voor de underdog. Mijn belangrijkste drijfveer is de wereld om me heen begrijpen. Weet je, soms moet ik aan het sprookje van de nieuwe kleren van de keizer denken. Dan denk ik: waarom zíet niemand dit?’

CV
1960 geboren in Varsseveld (Gld)
1978 vwo-diploma Doetinchem
1978-1979 jaar Amerika met studiebeurs
1979 gaat psychologie studeren in Utrecht
1989 promoveert in Amsterdam op paniek- en angststoornissen
1986-1995 doet onderzoek aan universiteit Leiden en Amsterdam
1995 wordt hoofd onderzoek aan de Van der Hoeven-kliniek voor forensische psychiatrie
2002-2006 hoofd onderzoeksprogramma Trimbos-instituut
1999 wordt bijzonder hoogleraar forensische psychologie aan de UvA
2006 wordt hoogleraar forensische psychologie in Maastricht
Corine de Ruiter woont samen in Utrecht en heeft een zoon van 20.