Karakter moet op het rapport

 

OPINIE Succes en ambachtelijke kwaliteit zijn door elkaar gaan lopen

DOOR Martin Sommer 19 april 2014

Vertrekkend europarlementariër Thijs Berm an vertelde in de krant hoe hij vooral in het begin had geprobeerd ‘101-tjes’ te halen. 101-tjes, dat wil zeggen dat je het als politicus tot de bovenste regel van Teletekst hebt geschopt. Geen opwekkende bezigheid, maar zo werken die dingen en wij zijn als journalisten geen haar beter. Vroeger was onze ambitie een stuk ‘op de één’. Nu bij de toptien op de Volkskrant-site. Hoeveel kliks heb jij? En ook in de wetenschap moet je bovenal gezien worden. Dat zelfplagiaat van de econoom Nijkamp was een storm in een glas water. Wat wel bleef hangen was het ongelooflijke aantal van 2.759 artikelen die hij had geschreven. Ze waren geteld en gezien – gelezen is een andere kwestie.

Hoeveel kliks heb jij...? Foto ANP

Hoeveel kliks heb jij…? Foto ANP

Dit alles is de neerslag van het idee dat meten ook weten is. Langer dan tien jaar al loopt vrijwel iedereen te hoop tegen de prestatiemeting. Dat gaat van steunkousen aantrekken in tweeënhalve minuut tot het bonnenquotum van de politie. Ik ken niemand die daar blij mee is; toch gaat het door. Kennelijk is er toch wat voor te zeggen. Een politicus die consequent op nul zetels staat in de peilingen heeft geen bestaansrecht. In mijn tijd aan de universiteit had je zogeheten spookhoogleraren – die uitmuntten in afwezigheid. Twee recensies per jaar, dat was een mooi moyenne, vonden ze. Dat wil niemand meer.

Met Máxima in de top tien… Foto ANP

Prestatiemeting heeft dus zin, maar we zijn er wel mee de puree ingedraaid. De formule ‘meten is weten’ betekent ook: ik vertrouw jou voor geen cent. De prikklok belooft dat iemand aan het werk is – althans op zijn werk. Doet hij ook wat?

We zijn afgedreven van de vraag wat goed is en wat slecht. Het armzalige begrip transparantie kwam in de plaats van het normatieve. Je ziet dat iemand iets doet, niet of het de moeite waard is. Als ik boven dit stukje zet: ‘Gratis seks met Máxima’, dan gaat u het lezen en sta ik in de toptien. Staat erboven: ‘Draagvlak voor Europa is dun’, dan kan ik het vergeten. Zo zijn succes en ambachtelijke kwaliteit door elkaar gaan lopen. Dat is het slechte nieuws. Het goede nieuws is dat er een kentering aan zit te komen.

Het was maar een eerste grassprietje, een klein berichtje op de ­wetenschapspagina. ‘Veel publiceren geen eis meer aan universiteit.’ De universiteitskoepel VSNU heeft zich de fraude- en plagiaataffaires aangetrokken. Daarachter ging prestatiedruk schuil, scoren met elke drie dagen een artikel. Zie Nijkamp. Er werd steeds meer geschreven en steeds minder gelezen. Ik kwam in de NRC tegen dat het gemiddelde wetenschappelijke artikel nog drie lezers telt.

In Leiden houden ze van deugd...Foto ANP

In Leiden houden ze van deugd…Foto ANP

Elke vijf jaar stelt de VSNU een nieuw protocol op voor het vaststellen van wetenschappelijke kwaliteit. Ditmaal heeft zich een kleine revolutie voorgedaan. Men kijkt niet meer naar de aantallen artikelen. En waar je publiceert, mag ook geen rol meer spelen. Het hoeft niet per se meer in dat befaamde Amerikaanse blad. Gewoon een goed boek mag ook.

U staat hiervan te kijken en ik ook. Ja, we komen van ver. En met zo’n protocol is natuurlijk niet alles opgelost. Het gaat om een gedragscultuur en het tellen is hiermee niet uit de wereld. Om voor een wetenschapsbeurs in aanmerking te komen, moet je nog altijd liever dertig dan drie artikelen laten zien. Maar het is al heel wat dat men zich realiseert dat perverse prikkels bestaan. De vraag is naar de uitweg. Om het ouderwets te zeggen, karaktervorming moet terug.

Een gemiddeld wetenschappelijk artikel telt nog drie lezers

In een onooglijk klein kamertje aan de Leidse universiteit trof ik de jonge historicus Herman Paul. Ik kwam hem tegen op Youtube, waar hij een praatje hield. U vindt hem op de site van beroepseer.nl – niet toevallig, omdat ze daar al tien jaar strijd leveren voor ambachtelijkheid. Hij vertelde een boeiend verhaal over een Leidse theoloog van honderd jaar geleden, professor Tiele. Deze Tiele was kennelijk een groot wetenschapper. Als eerbetoon had de universiteit na zijn dood de studeerkamer van Tiele als een soort heiligdom bewaard. Van citatiescores had men nog nooit gehoord, het karakter van de man zag je terug in de kamer waarin hij had gewerkt.

Wetenschappelijke deugden

Met de deugden die daarbij hoorden en die honderd jaar geleden nog zonder gêne werden genoemd. Volharding, kritische en psychologische tact, een helder verstand en, zoals stond in een eerbetoon van destijds, ‘tezamen met het gevoeligste gemoed en den reinsten wil’. Herman Paul, schrijver van een stuk over Tiele, bepleit nu wat hij wetenschappelijke deugden noemt: zorgvuldigheid, accuratesse, voorzichtigheid, matigheid, waarheidsliefde, eigenwijsheid, intellectuele moed, toewijding.

Herman Paul spreekt van wetenschappelijke deugden omdat hij huiverig is voor de christelijke orgeltonen op de achtergrond. Want dat zijn het natuurlijk, christelijke vormen van ascese in andere bewoordingen. Dat kan tijdens de paasdagen geen kwaad maar is tegelijk de zwakke stee. Het klinkt zo 19de-eeuws. Wie laat zich vandaag nog de les lezen of vertellen hoe hij zich moet gedragen.

Niet de procedure

Toch zit er veel waars in het verhaal van Herman Paul. Goede wetenschap is een goede wetenschapper – of mutatis mutandis een goede politicus of journalist.

De vraag of iemand zijn werk goed doet, kan niet alleen gaan over fraude of integriteit. Een ethiek die zich beperkt tot de vraag of je binnen de lijntjes bent gebleven, is wel heel mager. Veel belangrijker is wie vertelt wat ambachtelijk voorbeeldig gedrag is. Of, nog beter, zelf het goede voorbeeld geeft. Het is niet de procedure die telt maar de vent m/v.
Karakter, vlijt en gedrag moeten weer op het rapport. Laten we het eens hebben over wat we goed vinden.

april 19, 2014Permalink