Rij

Wanneer laat je iemand voorgaan in de rij bij de ­supermarkt? Als diegene maar één pot poedermelk moet afrekenen en jij honderd dingen. Of als diegene 100 jaar is en jij jonger dan 100.

Zo overzichtelijk kan het sociale verkeer zijn.

Achter mij stonden nog vijf mensen in de rij, want het was een echte HEMA-ochtend
Zelf heb ik er nog een regel aan toegevoegd: ik laat alleen mensen voorgaan als er achter mij niet nog een hele rij staat. Ik heb gewoon geen zin veertien andere wachtende mensen te vragen of zij het ook allemaal goed vinden dat dat kromme vrouwtje met twee rollen AH-Basic-rijstwafels in haar mandje voorgaat.

Maar niet iedereen hanteert deze drie praktische vuistregels.

Ik stond bij de HEMA in de rij om een haarband en een korte broek af te rekenen. Achter mij stonden nog vijf mensen in de rij, want het was een echte HEMA-ochtend, zo’n ochtend met een staalblauwe lucht en een lekker, niet te warm zonnetje. Bovendien is de HEMA bij mij in de buurt onlangs verbouwd tot een helder verlicht, belachelijk goed ingedeeld theedoeken-, waxinelichtjes-, Jip en Janneke-kinderchampagnewalhalla, dus ik kom er nogal vaak. Of zoals de HEMA-caissière laatst tegen me zei: ‘Nu hoef je de buurt nooit meer uit.’

Maar de vrouw helemaal achter in de rij, een mondig type met brede boezem, begon te roepen tegen het oude vrouwtje
Ik mocht gaan afrekenen, met vijf mensen achter mij, en toen sloot er een vrouwtje van bijna 100 jaar aan, met een paar lakenpakketten. Lakenpakketten zijn zwaar. Het vrouwtje stond een beetje voorovergebogen. Ik was al aan het betalen, dus ik kon haar niet meer laten voorgaan, en bovendien zou mijn regel zijn opgegaan: er stonden nog vijf mensen achter mij te wachten en die wilde ik niet stuk voor stuk vragen of het vrouwtje voor mocht.

Maar de vrouw helemaal achter in de rij, een mondig type met brede boezem, begon te roepen tegen het oude vrouwtje. ‘U mag wel voor! U mag wel voor! Gaat u maar voor, mevrouw!’ De andere mensen in de rij, die ook niet de beroerdsten wilden zijn, wilden toch laten merken dat ze het vervelend vonden dat de allerlaatste nu zomaar besloot wie er voor mocht en draaiden hun hoofd met een rukje een paar graden naar achteren, het subtiele, passief-agressieve ­signaal van mensen in een rij die iets irritant ­vinden.

‘Jezus leeft!’
Toen riep de vrouw met de grote boezem: ‘U vindt het wel goed dat deze mevrouw voorgaat, toch? U vindt het wel goed? U vindt het wel goed!’

Het oude vrouwtje met de lakenpakketten was inmiddels achter mij ingevoegd, zodat ze kon gaan afrekenen, onder het mompelen van vele bedankjes. Toen ze de lakenpakketten op de toonbank legde, riep de vrouw met de brede boezem van achter in de rij tegen haar: ‘Ziet u wel? Jezus leeft!’