Sociale wijkteams: egoloos hulpverlenen noodzakelijk

Sociale wijkteams zouden veel meer vanuit het principe van “egoloos hulpverlenen” moeten werken. Gert Schout, projectleider Eigen Kracht bij BOPZ van het VU medisch centrum, schrikt er soms van hoeveel verschillende teams er binnen een wijk opereren. “Een speciaal team voor kinderen, een team voor volwassenen, een FACT-team vanuit de GGZ, een FACT-team vanuit de verslavingszorg. Er ontstaat alweer snel een kluwen spaghetti van hulpverleners en hulpverlenersteams. Maar als we het hebben over één gezin, één plan, één regisseur, dan zou er inderdaad maar één regisseur moeten zijn, namelijk het gezin zélf”.

“Als ik dat weer zie, breek ik je poten”

Schout deed in het kader van zijn onderzoek Eigen Kracht-conferenties met mensen die door de hulpverlening opgegeven waren. Na de Eigen Kracht-conferenties bleek zo’n 60 % van deze mensen geholpen. “En dat hebben wij niet gedaan, dat hebben die mensen zélf gedaan”, stelt Schout. “Zo was er een man die zichzelf in hoog tempo aan het dooddrinken was. Hij had een gangpad van zijn slaapkamer naar de voordeur en het koffiezetapparaat in de keuken. De rest van zijn woning lag bezaaid met drankflessen, urine, braaksel, levende en dode ratten”. Op enig moment stond deze man met zijn rug tegen de muur. Er dreigde een BOPZ en zijn huis zou van gemeentewege schoongemaakt moeten worden. De kosten van dat laatste zouden volledig bij de man ik kwestie komen te liggen. Dat punt was volgens Schout het punt waarop er een doorbraak gerealiseerd kon worden met deze meneer. “Als we een plan konden maken dat de gemeente ervan kon overtuigen dat we niet binnen drie maanden weer dezelfde situatie zouden hebben, dan kon de BOPZ-maatregel achterwege blijven en zou de gemeente de helft van de kosten van het schoonmaken betalen”. Daarop wilden de Eigen Kracht werkers de man met familie in contact stellen. De man zelf dacht daar echter anders over. Met familie wou hij geen contact. Op zo’n punt aangekomen wordt vaak onterecht geconcludeerd dat zo iemand geen sociaal kapitaal heeft, maar vaak wordt er na grondig zoeken nog wel slapend sociaal kapitaal gevonden”. Na enig doorvragen bleek hij wel een band te hebben met een viertal oud-collega’s. Die werden benaderd en gaven aan dat zij zich onder voorbehoud wel met hem wilden bemoeien. Schout: “En dan heb je een gesprek waar die collega’s bij zijn en zie je ineens dingen gebeuren die onmogelijk zijn wanneer er alleen hulpverleners bij betrokken zouden zijn geweest. Eén van die collega’s zei ‘Als ik jouw gordijnen na twee uur ’s middags nog een keer dicht zie zijn, dan weet ik wat er aan de hand is en breek ik je poten’. Dat is iets wat familie of vrienden zomaar kunnen zeggen, maar hulpverleners niet”.

Disabling professionals

Niet alleen kunnen professionals sommige dingen niet tegen een cliënt zeggen, soms staan ze een oplossing van de problemen ronduit in de weg. Schout spreekt in dat verband over “disabling professionals”: professionals die het onmogelijk maken dat mensen krachtig worden. “Uiteindelijk willen alle professionals macht uitoefenen. Als ik zelf vanwege mijn werk bij een hulpverlener langs ga, dan heb ik al hun GSM-nummers, maar ik ga toch gewoon in de wachtkamer zitten en bel altijd het algemene nummer. Dan ervaar je eens wat het is om als cliënt met een prepaid telefoon in de wacht te moeten staan. En in zo’n wachtkamer geeft de cliënt die erkenning nodig heeft juist erkenning aan de professional in plaats van andersom. Ik ben op tijd, ik wacht op je, ik vind het niet erg als je iets te laat bent en ik volg je adviezen op. Terwijl juist de professional die erkenning aan de cliënt zou moeten geven! Dat wil niet zeggen dat die professional slecht is, maar wel dat die professional gevangen zit in een systeem dat deze machtsverschillen geïnstitutionaliseerd heeft”.

Reddersindustrie

Schout vervolgt: “We zitten als hulpverleners veelal gevangen in een mindset waarin we onze reddersfantasie kwijt kunnen. Ik noem de hulpverleningsindustrie soms ook wel de reddersindustrie. Het vervelende van de reddersfantasie van hulpverleners is dat cliënten zich gered gaan voelen of zich slachtoffer gaan voelen van mislukte reddingsoperaties.”.

Reddersfantasieën scheppen volgens de onderzoeker een cultuur van afhankelijkheid. Steeds als er één plan, één gezin, één regisseur is, dan vindt er eerst diagnostiek plaats. “Maar als je kijkt naar extreme gevallen, zoals bijvoorbeeld het meisje van Nulde of het Maasmeisje, dan vraag ik me af of diagnostiek het eerste was dat nodig is. Als je kijkt naar de mensen die deze tragedies veroorzaakt hebben, dan gaat het namelijk vooral over mensen die, in de woorden van bioloog Frans de Waal, ‘los zijn geraakt van de kudde’. Misschien moeten we mensen niet eerst diagnosticeren, maar eerst terugbrengen naar de kudde. Gehlen zei ooit dat alle mensen gehandicapt zijn. We houden elkaar overeind. We lopen op krukken, maar omdat we zo dicht bij elkaar staan, vallen we niet om. De nabijheid van anderen is dus verschrikkelijk belangrijk”.

Dat losraken van de kudde zagen Schout en zijn mede-onderzoekers bij bijna alle 41 van de OGGZ-casussen die zij bestudeerden. Mensen kwamen los te staan van hun sociale steunstructuren en konden de energie en de steun niet meer vinden om hun problemen te lijf te gaan. “En dan maken professionals cliënten vaak méér afhankelijk door zorg voor ze te gaan regelen en snijden mensen af van hun eigen probleemoplossend vermogen”, concludeert Schout. “Mensen moeten hoofdrolspelers worden in hun eigen toneelstuk”.

Geen hippe bril

De volgende vraag is hoe je in sociale wijkteams hulpverleners cultiveert die genieten van het succes van hun cliënten en resultaten niet zozeer toeschrijven aan hun eigen interventie, maar aan de inspanningen van de hoofdrolspeler en diens netwerk. Hulpverleners zouden moeten vermijden om als deskundige neergezet te worden bij een cliënt. “Dat betekent dus ook dat je rekening houdt met je kleding. Dat je dus niet met een peperduur overhemd en je hippe bril tegenover zo iemand gaat zitten. Dat kan vervreemden en benadrukt machtsverschillen”.

Oerkrachten

De “oerkrachten” die volgens Schout tussen familieleden en vrienden leven, blijken andere krachten dan de krachten die leven tussen een hulpverlener en een cliënt. “Wanneer een baldadige jongen een scooter gesloopt heeft en de schade moet vergoeden en je betrekt de familie daarbij, dan maakt het diepe indruk op zo’n jongen wanneer hij ziet dat zijn oma op Saba een tientje bijlegt om de schade te vergoeden. Dan heb je dus iets gedaan waar je oma schade van ondervindt. Voor een hulpverlener wil zo’n knul niet veranderen, maar wel voor zijn moeder of zijn oma.

Te kleine keuken

Dat het voor hulpverleners moeilijk is om te stoppen met denken in termen van welke andere professionals er aan boord gehaald moeten worden, wordt soms pijnlijk duidelijk bij sommige zogenaamde keukentafelgesprekken. “Bij sommige keukentafelgesprekken passen alle betrokken hulpverleners niet eens in de keuken. Dan zijn er vooral hulpverleners aanwezig, en nauwelijks familie en vrienden. Dan zitten daar dus veel mensen, maar veelal niet de mensen die er horen te zitten.

Rol van professionals in sociale wijkteams

Hebben professionals in sociale wijkteams dan helemaal geen rol meer als het aan de Eigen Kracht onderzoeker ligt? “Jawel”, zegt Schout, “de rol van de professional is om de denkkracht van de groep te realiseren”. Daarnaast moeten professionele hulpverleners nog op een aantal andere zaken toezien.

Allereerst moet soms het individu ondersteund worden, maar altijd diens sociale netwerk versterkt worden. Zelfredzaamheid is goed, maar daar is vaak eerst samen-redzaamheid voor nodig. Schout: “Vraag mensen uit. hebben ze familie, collega’s vrienden? Nee? Hebben ze dan iemand die bijna een vriend is?”

Tweede uitgangspunt dat door de professional bewaakt zou moeten worden is dat de eigenaar van de problemen ook de eigenaar van de oplossingen blijft. De cliënt en diens sociale omgeving gaan aan de slag. Niet de hulpverlener. “Als professional stimuleer je, bevestigt, moedigt aan en geniet van hun resultaten. En je confronteert mensen wanneer ze keuzes uitstellen”.

Het is ook van belang dat hulpverleners in sociale wijkteams zich realiseren dat er een enorme kracht uitgaat van het netwerk rondom een cliënt. De denkkracht van de groep levert immers veelal een beter plan op. Bovendien is de groep 24 uur per dag, zeven dagen per week beschikbaar. Schout: “Je werkt dus niet met het netwerk, maar je bereikt resultaten door het netwerk”.

Krachtenveld

Een bijzonder lastige opgave voor hulpverleners is om zichzelf te positioneren in het bredere krachtenveld. Aan de ene kant ben je casemanager, maar aan de andere kant moet de regie bij de cliënt blijven. Maar ook organisatiebelangen spelen een rol: “Je werkt bij een marktgerichte instelling die zoekt naar het vergroten van zijn marktaandeel, terwijl er tegelijkertijd van je verwacht wordt dat je jezelf als hulpverlener overbodig maakt”. Ook het balanceren tussen enerzijds egoloos hulpverlenen, waarin de leden van sociale wijkteams de successen van de cliënt ook écht de successen van de cliënt laten zijn en de regie bij hem of haar laten liggen, en anderzijds hun tanden laten zien en duidelijk maken dat er nadelige consequenties kunnen zijn als het probleem niet opgelost wordt, blijkt in de praktijk moeilijk. Schout: “Soms blijken dwang en drang vanuit sociale wijkteams nodig om mensen in een positie te brengen waarin ze zelf weer de regie over hun leven ter hand kunnen nemen. Omdat de gevolgen van niet de regie nemen erger zijn dan de last van het zelf werken aan een oplossing”.