Afschaffen eigen risico

‘Afschaffen eigen risico kost 1 tot 5 miljard euro per jaar’

Het verlagen of afschaffen van het eigen risico in de zorg zou ruim 1 tot bijna 5 miljard euro per jaar kosten. Dat staat in de zogenoemde ombuigings- en intensiveringslijst van het ministerie van Financiën.

Daarin hebben de ambtenaren van het ministerie doorgerekend wat besparingen en investeringen zouden opleveren of kosten.

De vier partijen die over de vorming van een regering praten – VVD, CDA, D66 en GroenLinks – hebben uiteenlopende standpunten over het eigen risico.

VVD en D66 willen het in stand houden, hoewel die laatste partij wel zegt verder onderzoek te willen naar een inkomensafhankelijk eigen risico. Het CDA wil het met ruim honderd euro verlagen, naar 280 euro. GroenLinks wil het als enige afschaffen.

Aan de zorg wordt dit jaar 74,5 miljard euro uitgegeven. Afschaffing van het eigen risico zou 4,8 euro miljard euro kosten. Een verlaging zoals het CDA wil kost de schatkist jaarlijks 1,1 miljard euro.

Een manier om veroudering te keren.

van het Erasmus MC hebben een manier ontwikkeld om te keren.

Vollere vacht
Door oude muizen een experimenteel, zelfontwikkeld stofje te geven, werden deze fitter en alerter. De muizen kregen ze een vollere vacht terug en hun organen gingen weer beter functioneren.

Terugdraaien
Tot nu toe lukte het onderzoekers al wel om veroudering te vertragen. “Maar de tijd terugdraaien, bleek erg lastig”, zegt dr. Peter de Keizer, verouderingsbioloog van de afdeling Moleculaire Genetica van het Erasmus MC.

Kanker
Deze ontdekking kan helpen bij verdere onderzoek naar hoe mensen gezonder oud kunnen worden en ook hoe ze weer gezonder kunnen worden als ze eenmaal kwalen hebben ontwikkeld. Het nieuwe middel lijkt ook goed te werken tegen bepaalde uitbehandelde vormen van kanker. Mogelijk helpt het in de zoektocht naar therapieën daartegen.

Peptide
Belangrijkste element in het onderzoek is Proxofim. Dit is een peptide, een klein eiwit dat makkelijk in de cellen doordringt. Proxofim pakt cellen aan die een rol spelen bij veroudering. Het gaat om de senescente cellen, dat zijn cellen die zijn gestopt met delen, maar niet echt zijn.

Rennen
Proxofim maakt deze senecente cellen dood. “En het zet de omliggende stamcellen aan om nieuw weefsel te maken”, zegt De Keizer. “Bij de muizen was het effect enorm. Ze gingen na drie weken twee tot drie keer zoveel rennen in hun loopwieltjes, hun orgaanfunctie verbeterde en ze kregen na tien dagen weer meer haargroei.”

Ouderdom
De wetenschappers hebben Proxofim nog alleen getest op muizen. Ze willen hun onderzoek graag naar de kliniek brengen. De Keizer: “We hopen over een jaar of twee het onderzoek uit te breiden naar patiënten met agressieve vormen van kanker en in een nog later stadium onderzoek te doen naar ouderdomskwalen.”

Zonder kwalen
“We streven niet naar het eeuwig “, benadrukt hij, “maar langer leven zonder kwalen en in uitstekende gezondheid, dat zou prachtig zijn.”

 

- einde bericht -
 

Bron: Erasmus MC

maart 26, 2017Permalink

Een op de elf huishoudens onder lage-inkomensgrens

Het aantal huishoudens dat vier jaar of langer van een inkomen onder de lage-inkomensgrens moest rondkomen nam in 2015 toe met 27 duizend tot 221 duizend.

Een op de elf huishoudens onder lage-inkomensgrens

Het totaal aantal huishoudens met een inkomen onder de lage-inkomensgrens is in 2015 nagenoeg gelijk gebleven. Dat meldt het CBS op basis van nieuwe, herziene cijfers. Inkomensgegevens van 2016 zijn nog niet bekend.

Van armoede, of beter gezegd inkomensarmoede, is sprake als het inkomen niet voldoende is om een bepaald consumptieniveau te realiseren dat in Nederland als minimaal noodzakelijk wordt geacht. Het CBS maakt voor het meten van armoede gebruik van de lage-inkomensgrens. Deze grens lag in 2015 op 1030 euro per maand voor een alleenstaande en op 1930 euro voor een echtpaar met twee kinderen. Inzichten over wanneer er sprake is van armoede, zijn subjectief. Daarom spreekt het CBS niet van arme huishoudens, maar van huishoudens met een laag inkomen of van huishoudens met risico op armoede.

Een op de elf huishoudens heeft inkomen onder lage-inkomensgrens

Van de ruim 7 miljoen huishoudens in 2015 moest 8,8 procent (626 duizend huishoudens) rondkomen van een inkomen onder de lage inkomensgrens en liep daarmee risico op armoede. Dit is net zoveel als in 2014. In 2014 daalde het aantal huishoudens met een laag inkomen nog met 21 duizend. Het aantal huishoudens dat al ten minste vier jaar van een laag inkomen moest rondkomen steeg in 2015 tot 221 duizend (3,3 procent van alle huishoudens).

Methodewijziging
Cijfers over inkomen zijn doorgaans binnen een jaar na afloop van de verslagperiode bekend. Omdat de inkomensstatistiek is herzien zijn nieuwe cijfers over inkomen en armoede drie maanden later uitgekomen dan gebruikelijk. De herziening ging gepaard met een neerwaartse bijstelling van het aantal huishoudens onder de lage-inkomensgrens. Voor 2014 ging het hierbij om een aanpassing met 85 duizend huishoudens ( 1,2 procentpunt). Voor een groot deel is dit toe te schrijven aan een flinke opwaardering van het voordeel dat huishoudens ontlenen aan eigenwoningbezit. Eigenwoningbezitters worden hierdoor minder vaak dan voorheen tot de groep met (langdurig) een laag inkomen gerekend.

Eerder heeft het CBS gerapporteerd over de groei van het bbp en conjuncturele ontwikkelingen in de eerste drie kwartalen van 2016. Wat de invloed hiervan is op het aantal huishoudens onder de lage-inkomensgrens is nog niet bekend.

Een op de vier eenoudergezinnen heeft laag inkomen

Onderscheiden naar samenstelling van het huishouden krijgen eenoudergezinnen met minderjarige kinderen het vaakst te maken met risico op armoede. Ruim een kwart van de eenoudergezinnen moest in 2015 rondkomen van een laag inkomen, minder dan voorgaande jaren. De daling kan deels worden verklaard door de verhoging van het kindgebonden budget voor alleenstaande ouders in 2015, waardoor de koopkracht van alleenstaande ouders met betaald werk toenam.

In 2015 leefde 1 op de 12 eenoudergezinnen met minderjarige kinderen al minstens vier jaar achtereen onder de armoedegrens. Dit was 0,3 procentpunt meer dan in 2014.

320 duizend kinderen met risico op armoede

In totaal groeiden in 2015 ruim 320 duizend minderjarige kinderen op in een huishouden met een laag inkomen. Voor 125 duizend van hen was dit het vierde jaar achtereen, 8 duizend meer dan in 2014. Vier op de tien van deze kinderen groeiden op in een eenoudergezin en zes op de tien maakten deel uit van een bijstandsgezin

februari 9, 2017Permalink

‘IGZ moet verpleeghuizen meer coachen’

‘IGZ moet verpleeghuizen meer coachen’

De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) zou verpleeghuizen met kwaliteitsproblemen meer moeten coachen om de kwaliteit te verbeteren. Te veel nadruk op sancties werkt verkrampend bij verpleeghuizen, zegt PvdA-Kamerlid Marith Volp.


VolpMarith-foto2.jpg

‘Uit angst voor sancties van de IGZ, zie je dat verpleeghuizen krampachtig reageren’, zegt PvdA-Kamerlid Volp aan de vooravond van het Algemeen Overleg over verpleeghuizen op 8 februari. ‘Ze nemen intern maatregelen om vooral de zaken rond basisveiligheid goed te regelen. Natuurlijk moet de IGZ sanctionerend optreden als het ergens echt niet goed gaat. Maar het zou goed zijn als de IGZ de verpleeghuizen ook meer coacht en begeleidt bij het verbeteren van de kwaliteit.’

Domotica vrijheidsbeperkend
Niet alle onderdelen waarop de IGZ controleert, zijn volgens Volp even zinvol. ‘Neem vrijheidsbeperkende maatregelen. Daar valt volgens de IGZ ook domotica onder, terwijl verpleeghuizen die juist gebruiken om de bewegingsvrijheid van bewoners te vergroten. Mijn collega Carla Dik Faber (ChristenUnie) noemt vaak het voorbeeld van een man die met een riem op zijn stoel wordt gehouden, zodat hij mee kan eten met de overige bewoners. Maar dat valt onder vrijheidsbeperkend. Ik zie liever dat die man aan tafel kan mee eten dan dat het verpleeghuis hem op zijn kamer houdt uit angst dat hij valt. Er zijn nu zogeheten ‘tentbedden’ in verpleeghuizen, waarin bewoners veilig kunnen slapen. Maar die vallen strikt genomen ook onder vrijheidsbeperkend.’

Meer openheid over kwaliteit
De leden van ActiZ zouden op hun beurt meer openheid moeten bieden over kwaliteit, meent Volp. Vorige week werd bekend bijna dertig procent van de ActiZ-leden geen toestemming heeft gegeven om informatie over basisveiligheid in verpleeghuizen openbaar te maken. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft die informatie verzameld in het najaar van 2016 door alle verpleeghuizen een vragenlijst toe te sturen. De vragen gingen over medicatie, hygiëne, gebruik van vrijheidsbeperkende maatregelen en gebruik van psychofarmaca. Over de uitvraag ontstond gedoe tussen verpleeghuizen en de IGZ, die zelfs uitmondde in een tijdelijke boycot van verpleeghuizen bij de aanlevering van informatie aan de IGZ. ‘Die reactie van ActiZ maakt duidelijk dat er werk aan de winkel is voor de IGZ en ActiZ. Ze moeten samen helder krijgen wat de IGZ precies moet meten voor de kwaliteit van . De IGZ kan beter aangeven hoe ze verpleeghuizen kan helpen de kwaliteit te verbeteren.’

Extra geld, extra opleiden
De roep van ActiZ om meer geld voor extra personeel, vindt Volp te kort door de bocht. ‘Ik hou er rekening mee dat er meer geld nodig is dan de 100 miljoen euro die de staatssecretaris nu beschikbaar heeft gesteld. De NZa rekent nu uit hoeveel dat is. Ik zou dat graag willen afwachten. Ik hoop dat we dit in de Kamer buiten partijpolitiek kunnen houden. De problemen in de ouderenzorg los je echt niet op met een extra zak geld. Het is vooral belangrijk dat er een plan komt om te zorgen dat er voldoende personeel wordt opgeleid.’

Reactie IGZ
Een woordvoerder van de IGZ laat in een reactie per mail weten dat het uitgangspunt dat instellingen blijvend leren, zodat de veiligheid wordt gewaarborgd en de kwaliteit verbetert. ‘Maar als een zorgaanbieder roekeloos gedrag vertoont, niet leert van fouten of de wet overtreedt, aarzelen we niet een strengere maatregel te nemen. Dat doen we proportioneel, transparant en afgestemd op de ontwikkelfase van de zorgaanbieder, in het belang van goede zorg.’

Verplichte openbaarmaking
Over het gegeven dat 28 procent van de ActiZ-leden geen toestemming heeft gegeven voor openbaarmaking van de antwoorden op de vragenlijsten, merkt de IGZ op dat er voor 2016 geen verplichting was. Ook waren niet alle verpleeghuizen en thuiszorgorganisaties verplicht de vragenlijst in te vullen. Instellingen die meedoen aan het verbeterprogramma ‘Waardigheid en Trots’ waren vrijgesteld. Deze instellingen proberen andere manieren uit om informatie aan te leveren over de kwaliteit en veiligheid van de zorg die zij leveren. Sommigen kozen ervoor toch de vragenlijst in te vullen. Vanaf 2017 is de vrijblijvendheid er overigens vanaf. Alle verpleeghuizen moeten dan mee doen. De openbaarmaking verloopt dan niet via de IGZ, maar via het Zorginstituut Nederland

februari 7, 2017Permalink

Wat zijn mijn rechten als nieuwkomer in Nederland?

De Syrische journaliste Linda Belal vluchtte anderhalf jaar geleden naar Nederland. Voor het initiatief Nieuw in Nederland schrijft ze over haar ervaringen bij het opbouwen van een nieuw bestaan. Wat zijn mijn rechten als nieuwkomer in Nederland?

Dick Wittenberg Correspondent Nieuw in Nederland
 Ik wil een journalistieke site oprichten, maar kan volgens een ambtenaar beter gaan schoonmaken. ‘Dat is een beroep waar je niet veel ervaring bij nodig hebt en het is trouwens goed voor vrouwen.’
Ga maar leren schoonmaken. Of hoe ik na mijn stad ook mijn beroep verloor
Journalist
LindaBelal

Dinsdagochtend had ik mijn eerste afspraak met een ambtenaar van de gemeente. Het was mijn eerste officiële ontmoeting met iemand van de overheid. Dat gaf mij het gevoel dat ik op de juiste weg was onderdeel van deze samenleving te worden. Hier kun je mijn verhaal ook in het Arabisch lezen. Hier kun je mijn verhaal ook in het Arabisch lezen. te worden.

Ik had zelf om de afspraak gevraagd, want ik had gehoord dat de gemeente al mijn vrienden al een keer had opgeroepen maar mij niet. Misschien omdat ik nogal ver weg woon van de meeste vluchtelingen in mijn stad. Of misschien was ik gewoon nog niet aan de beurt.

Wat betekent dat, een afspraak met een gemeenteambtenaar? In mijn thuisland, Syrië, voel je bij dergelijke ontmoetingen altijd een beetje angst. Je moet nauwkeurig zijn en direct en de tijd nemen voor het onderwerp.

Nu nam ik al mijn papieren mee, de brieven van de gemeente en mijn projectvoorstel: voor een website met verhalen en online radio. Ik nam me voor krachtig en consistent te zijn. Ik focuste op de positieve uitkomsten, bijvoorbeeld dat ik weer live-uitzendingen kan maken of een straatinterview kan doen, want ik mis de studio.

Wat ik wil doen: een journalistieke site oprichten

Ik begon eerst mijn geschiedenis uiteen te zetten, maar dat leek de ambtenaar getuige zijn gelaatsuitdrukking niet veel te interesseren. Ik ging daarom snel over naar het heden, dat vond hij vast veel belangrijker.

De ambtenaar stelde een directe, beetje bozige vraag: ‘Waarom spreek je geen Nederlands?’
Ik antwoordde: ‘Ik heb pas twee maanden les. Ik heb nog met niemand Nederlands gesproken. Ik leer abstracte woorden zonder context. Mijn excuses, ik beloof dat ik bij de volgende afspraak Nederlands met u zal spreken.’

Hij ging verder in het Nederlands en ik begreep geen woord van wat hij zei. Ik probeerde het gesprek in het Engels te laten verder gaan. De ambtenaar wees mij terecht. ‘Je moet onze taal spreken, je bent in een overheidsgebouw.’ Hij zei het op een boze manier en nam een slok water uit het glas dat voor hem stond.

‘Ga leren schoonmaken. Dat is een beroep waar je niet veel ervaring bij nodig hebt en het is goed voor vrouwen’

Ik probeerde het gesprek op het hoofdonderwerp te brengen, waarvan ik dacht dat dit het ijs zou breken, en om mijn schaamte te verbergen over het niet spreken van zijn taal. Ik legde de ambtenaar uit wat mijn plan is: een website en een tijdschrift starten, in het Arabisch en het Nederlands, met hulp van mijn oude Arabische vrienden en mijn nieuwe Nederlandse vrienden.

Ik heb dit plan ontwikkeld omdat ik weet dat Arabische volkeren verslingerd zijn aan verhalen. In het Midden-Oosten houden we er allemaal van die verhalen met elkaar te delen. Ik heb dat geleerd door mijn werk bij de lokale radio in mijn stad Aleppo en ik heb het gemerkt in de meeste Arabische landen die ik heb bezocht, zoals Egypte, Libië, Tunesië en de Emiraten. Een bekende journalist in de Arabische wereld heeft me eens gezegd: ‘Deel een verhaal met iemand en je hebt er een vriend bij.’

Ik legde de ambtenaar uit dat ik de mensen verhalen wil laten vertellen, over hun ervaringen thuis en in Nederland. En er informatie over dit mooie land aan wil toevoegen. Op den duur zal mijn project een bescheiden winst opleveren die voldoende zal zijn om uit de uitkering te komen.

Hij onderbrak me met één Nederlandse zin, die mijn denken volledig heeft veranderd: ‘Wat is je plan B?’
‘Wat bedoelt u met een plan B?’
‘Welk beroep heb je nog meer geleerd behalve journalistiek?’
‘Ik werk al meer dan tien jaar als journalist! Ik kan geen ander werk doen. Ik heb nooit geprobeerd iets anders te leren.’
‘Je moet iets nieuws leren. Laat de hoop op werk als journalist maar varen. Ga leren schoonmaken bijvoorbeeld. Dat is een beroep waar je niet veel ervaring bij nodig hebt en het is trouwens goed voor vrouwen.’

Wat ik moet doen: schoonmaakwerk

Ik heb één keer geprobeerd in Haarlem in een restaurant te werken als bordenwasser. Omdat ik Engels spreek, liet de eigenaar me bestellingen opnemen. Dat mislukte omdat ik geen ervaring had met zulk werk. In Syrië moet je een opleiding van twee jaar doen voordat je klanten mag bedienen.

En zo verloor ik mijn stad voor de tweede keer. Ik weet niet waarom ik het verlies van mijn stad koppelde aan het verlies van mijn droom. De eerste keer dat ik Aleppo verloor, was ruim een maand geleden, toen Syrische regeringstroepen de stad heroverden. Ik kon niet voorkomen dat ik nu weer in huilen uitbarstte. Het voelde alsof de lucht uit de kamer verdwenen was.

Ik huilde niet omdat ik me te goed voelde om als schoonmaker te werken. Ik huilde omdat ik nooit geleerd had om schoon te maken. Ik huilde omdat ik nooit een ander beroep had willen uitoefenen dan journalist.

De ambtenaar bracht me een glas water. Ik dronk ervan zoveel ik kon, en begon in het Nederlands, zo goed en zo kwaad als dat ging. ‘Leer mij hoe ik huizen en hotels moet schoonmaken.’ In het Engels ging ik verder: ‘Ik wil geen geld meer van de overheid, ik wil weer een productief mens zijn en belasting betalen als dank en erkenning voor de bescherming als vluchteling.’

Wat heb je als vluchteling aan een uitkering, als je eigenlijk wilt werken, maar niemand je vertelt hoe je hier aan de slag kunt komen? In het Arabisch hebben we daar een parabel voor. Stel, jij hebt honger en ik geef je twee stukken brood. Eén stuk is ongeschonden, het andere stuk is aangevreten en ik vraag je van beide stukken niet te eten. Dan heb ik je dus feitelijk niets gegeven om je honger te stillen. Ik plaats jou voor een raadsel dat niet op te lossen is.

Huilend verliet ik de afspraak. Ik ging naar het huis van een vriendin en haar man, ongeveer een uur met de bus van mijn huis. Ik wilde met iemand praten over het gebeurde, ik wilde huilen in het Arabisch.

Waarom ik toch wil schoonmaken

De volgende dag kreeg ik een brief van de gemeente waarin mij gevraagd werd een training te volgen om te leren hoe ik met mijn geld moet omgaan. Hoe ik moet rondkomen van de 270 euro die ik maandelijks ontvang. Ik moest hard lachen en besloot dat ik dan toch zou leren schoonmaken.

‘s Avonds kreeg ik bezoek van mijn vriendin en haar man. Beiden zijn afgestudeerd aan de universiteit met diploma’s die internationaal erkend zijn. Ook zij moesten huilen. Ze hadden dezelfde ambtenaar bezocht als ik. Ook zij hadden hem een compleet plan voorgelegd dat hen van een uitkering moest verlossen. Dat had hij afgewezen. Nu overpeinsden we gezamenlijk hoe we konden leren schoonmaken.

We overpeinsden gezamenlijk hoe we konden leren schoonmaken

Waarom wil ik zo snel mogelijk van mijn uitkering af? Als je niet van een uitkering hoeft te leven, kun je zelf kiezen welk beroep past bij jouw kennis en ervaring. Je verandert in een persoon die door de samenleving wordt gerespecteerd.

In mijn land zeggen we dat werk toewijding is. Je werkt om te voelen dat je nog in leven bent, je levert een bijdrage aan de maatschappij. Geen uitkering ontvangen betekent ook dat je niet meer bang hoeft te zijn voor een afspraak met een gemeenteambtenaar.

Maar hoe kom je zover? Volgens mij kost het veel geld om nieuwkomers cursussen te laten volgen en nieuwe beroepen te laten leren. Ik denk dat het nuttiger is hun kennis en ervaring te onderzoeken op basis van universitaire diploma’s en getuigschriften, en hen dan een passend advies te geven.

En waarom ik doorga met schrijven

Beste lezer, ik weet dat het voorgaande je misschien een beetje boos heeft gemaakt. Ik ben immers een gast die naar jullie land is gekomen en jullie weten niet wanneer ik weg zal gaan. En omdat ik zelf ook niet weet hoe lang ik hier zal blijven, moet ik wel weten wat mijn rechten en plichten zijn.

Ik geloof dat de meeste inburgeringscursussen mij leren wat mijn verplichtingen zijn jegens dit mooie land. Dat is ook nodig. Maar ik en alle andere nieuwkomers weten niet wat onze rechten zijn.

In de acht opvangcentra waarin ik verbleef tot ik mijn afgelegen huisje kreeg, hebben veel ambtenaren van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers met me gesproken om mij belangrijke dingen te leren. Zoals: ga niet met je schoenen op de wc-bril zitten, maak de gangen niet schoon met de brandslang, pluk geen giftige paddenstoelen in het bos, maak de konijntjes niet bang, maak de spinnen in de kamers niet , maak je kamer en het sanitair schoon, niet dringen in de rij voor het eten.

Maar niemand van hen heeft me geleerd wat mijn rechten zijn als vluchteling, als die er al zijn. Kan ik bezwaar maken? Kan ik in beroep? Mag ik dit artikel wel schrijven? Krijgt de gemeenteambtenaar een hekel aan mij als hij dit leest? Kan ik mijn eigen websiteproject starten?

En vindt de Nederlandse lezer mij opstandig? Moet ik wissen wat ik schreef? Of gaan jullie mij zelfs terugsturen naar mijn land? In dat geval moet ik nadenken over een beroep dat geschikt is voor mijn land.

Maar het blijft moeilijk om het beroep van journalist zomaar uit mijn hoofd te zetten. Journalistiek is een manier van denken, geen beroep om rijk mee te worden. Journalisten zijn arme sloebers, het is een beroep van opoffering. Dat heb ik vanaf het begin geaccepteerd.

Misschien moet ik toch een nieuw beroep leren om hier waardig te kunnen leven. Maar ik ga door met schrijven, in elke taal die ik ken of die ik nog zal leren. Dat heeft de oorlog in mijn land mij geleerd.

Breuken in het leven komen voor en als je je leven opnieuw moet opbouwen word je koppig van karakter. Je bent immers gered van een zekere dood. Het maakt je een gelukkig mens. Het leven heeft je immers een tweede kans gegeven en die probeer je te grijpen.

Ik ga door met voor jullie te schrijven, totdat ik ook schrijf in jullie taal. Mijn eerste artikel in het Nederlands zal nog wat krom zijn maar je zult het kunnen lezen. En als er fouten in staan, zullen jullie me helpen die te verbeteren.

Dit verhaal is vertaald uit het Arabisch Hier kun je ook de Arabische versie van dit verhaal lezen. Hier kun je ook de Arabische versie van dit verhaal lezen. het Arabisch door Jan Hoogland. Het is onderdeel van het initiatief Nieuw in Nederland. Zonder financiële bijdrage van Stichting Dioraphte Bekijk hier de site van Dioraphte. Bekijk hier de site van Dioraphte. Stichting Dioraphte was dat niet mogelijk geweest.

februari 6, 2017Permalink

Vertel nieuwkomers niet hoe ze moeten leven

Je kunt vluchtelingen in een inburgeringsklasje vertellen wat ze moeten weten. Je kunt ook met ze gaan voetballen en ze helpen bij het zoeken van een baan en huis. Want kijk eens hoe Mekonnen Ykeallo zijn mannen helpt.

Mek vertelt nieuwkomers niet hoe ze moeten leven, maar neemt ze op in de gemeenschap
Journalist, gespecialiseerd in vluchtelingen
GretaRiemersma
Foto: Catharina Gerritsen (voor De Correspondent)

Op een winterse dag staat Mekonnen Ykeallo (50) aan de rand van het Johan Cruijff Court in Amsterdam Nieuw-West te blauwbekken. Hij stampt met zijn sportschoenen op de stoeptegels om ze warm te houden en blijft de jongens op het veld aanmoedigen, bij een mooie pass of een gemiste kans. Hij spreekt ze aan in het Tigrinya Tigrinya wordt door zo’n 7 miljoen mensen gesproken in delen van Eritrea en in de noordelijke Ethiopische regio Tigray. Het is een van de negen talen die in Eritrea worden gesproken. Lees hier meer over de talen van Eritrea en zij antwoorden in dezelfde taal, die hij heeft meegenomen uit Ethiopië en zij uit Eritrea.

‘Mek is belangrijk voor ons,’ zegt Tewelde Gilemariam, een van de jongens die aan de rand van het veldje staan uit te rusten. Zijn vriend Tekleweini Tesfahiwet: ‘Twee, drie maanden geleden wist ik nog niet hoe ik me moest gedragen in Nederland.’ Ykeallo leerde het ze, beweren de twee. Bijvoorbeeld dat het in Eritrea respectvol mag zijn naar beneden te kijken, maar in Nederland mensen elkaar uit respect juist in de ogen kijken.

De jongens horen bij een groep van veertig Eritreeërs, één Soedanees en één Syriër die Ykeallo wegwijs maakt in Nederland. Het zijn vluchtelingen die anderhalf à twee jaar in Nederland zijn. Elke donderdag- en zaterdagochtend voetballen ze op het Johan Cruijff Court en na afloop gaan ze naar de nabijgelegen Stadsboerderij, het buurtcentrum in Amsterdam Nieuw-West, waar ze Nederlands oefenen met buurtbewoners.

Hoe een Ethiopiër ertoe kwam Eritreeërs te helpen

Het was nooit zijn plan dit te doen, vertelt Ykeallo. Het ging automatisch, als water dat zijn weg zoekt in een rivierbedding. Hij voetbalt al jaren op het Johan Cruijff Court, vlak bij zijn huis, en afgelopen herfst stond er ineens een Eritrese jongen te kijken. ‘Wil je meedoen?,’ vroeg Ykeallo.

Daarna kwamen er meer Eritreeërs, die het geweldig vonden dat ze deze man in hun eigen taal hun problemen konden voorleggen. Ze namen rekeningen en brieven van de gemeente mee die ze niet snapten, ze vroegen hoe je een fornuis en een koelkast aansluit. ‘Je bent als een vader voor mij,’ zeiden sommigen. Anderen zagen in hem een broer of een vriend.

Ykeallo begon zich steeds verantwoordelijker te voelen voor de jongens en afgelopen november richtte hij stichting Ykeallo Lees hier meer over stichting Ykeallo. Lees hier meer over stichting Ykeallo. stichting Ykeallo op. Zijn achternaam betekent precies wat hij voorstaat: alles is mogelijk. Eerst wil hij dat ze zich in dit nieuwe land thuis voelen en inventariseert hij hun behoeftes. De volgende fase is dat hij ze helpt bij het vinden van werk of een studie. ‘En als dat is gelukt, kan ik nog niet meteen doei zeggen, integratie is een langdurig proces.’

Zijn stichting staat open voor alle vluchtelingen met een verblijfsstatus, uit alle landen en van beide geslachten. Maar de eerste groep die hij begeleidt, bestaat vooral uit mannelijke Eritreeërs. Daar zit niets achter, zo is het gelopen. Elke keer als hij ze ziet, merkt hij dat deze jongens hem niet voor niets hebben gezocht. Een van hen liet hem het litteken van een kogelgat in zijn buik zien. Bij iemand anders zag hij schroeiplekken op de rug, daar was een brandende kaars overheen gegaan.

‘Deze jongens hebben heel veel meegemaakt. Velen hebben in de gevangenis gezeten, ze zijn gemarteld en ze zijn allemaal gevlucht. En kijk hoe ze hier zijn,’ zegt hij, wijzend op het voetbalveld waar wordt gevochten om de bal. ‘Ze zijn vrolijk. Als je zoveel ellende hebt meegemaakt, is dat goed.’

Hij snapt ze, vooral de Eritreeërs, die de laatste jaren na de Syriërs de grootste groep asielzoekers In 2015 vroegen ruim 8.400 Eritreeërs asiel aan in Nederland. Lees hier meer over de asielstroom naar Nederland. in Nederland zijn. Een half leven geleden kwam hij zelf uit buurland Ethiopië en toen ontmoette hij mensen die hetzelfde deden voor hem. Eén mens kan het verschil maken, weet hij sindsdien. Dat wil hij ook doen, pro deo. ‘Omdat het moet,’ zegt hij.

Hoe Mekonnen Ykeallo naar Nederland kwam

Een week later ontmoeten we elkaar in restaurant Azmarino, gespecialiseerd in Oost-Afrikaans eten, dat hij sinds 2007 runt met zijn vriendin Annemarie in de Amsterdamse Pijp. In de keuken staat vlees te sudderen, de geur trekt door het restaurant. De kachel brandt en geeft de oranje muren een extra warme gloed. Mekonnen Ykeallo, voor de meesten ‘Mek,’ serveert kruidenthee en gaat zitten aan een lange tafel voor de bar. Het is één uur ’s middags en de voordeur is nog dicht.

Hij is net terug van een bespreking met voetbalclub Amstelveen Heemraad. De Eritreeërs willen graag meedoen aan de amateurcompetitie en Ykeallo heeft aan Amstelveen Heemraad gevraagd of ze een compleet elftal kunnen toevoegen. Het bestuur neemt er binnenkort een beslissing over. Ykeallo hoopt dat het lukt: ‘Mijn bedoeling is dat die jongens tussen de mensen komen. Dat werkt, ik ben er het levende voorbeeld van.’

Hij kwam hier in 1994, na een mooi leven in Ethiopië dat eindigde met een vlucht. Hij was de tweede in een gezin met zeven zonen, zijn vader was korpschef bij de politie, zijn moeder zorgde voor het huishouden. Ze woonden in de hoofdstad Addis Abeba en daarna in andere plaatsen. Ze waren niet rijk, maar zeker ook niet arm. ‘Ik kreeg wat ik wilde. Ik kon studeren, voetballen, andere leuke dingen doen.’

Ykeallo deed een opleiding business management en werd gemeenteambtenaar. Na de regeringswissel in 1991 In dat jaar viel de regering van president Mengistu Haile Mariam van Ethiopië, waartoe ook het huidige Eritrea behoorde. Eritrea werd een apart land. waren zijn vader en hij automatisch verdacht omdat ze hadden gewerkt voor het vorige regime. Ykeallo vertrok drie jaar later en kwam met behulp van een mensensmokkelaar in Nederland.

Het eerste wat hij zag, was het centraal station van Rotterdam. Hij bleef tweeënhalf uur stokstijf op één plek zitten en keek om zich heen. ‘Ik kon niet beseffen waar ik was beland. Ik had met blanke mensen in Ethiopië gewerkt, ik had films gezien en boeken gelezen over het Westen, en toch was het vreemd. Ik zag een punker met een gekleurde hanenkam, iemand met een ring door zijn neus. Ik dacht dat alleen Afrikanen zo gek waren, maar nee.’

Even daarna sprak hij een Somaliër aan die hem naar het politiebureau bracht waar hij zich als asielzoeker moest melden. Hij was bang voor wat er ging komen, maar toen kwam de eerste persoon in Nederland die hem hielp. ‘O, kom je uit Ethiopië? Daar heb je me toch goede hardlopers,’ zei de politieagent die hem te woord stond. Ykeallo was verbaasd over het ontspannen gesprek. ‘Die politieagent gaf mij hoop. Mensen kunnen hoop geven hè?’

Ykeallo kwam terecht in asielzoekerscentrum Crailo in Laren, waar hij bijna vijf jaar bleef. Al na een paar maanden werd hij gek van het nietsdoen. ‘Je mocht niet werken, je mocht niet studeren, je mocht niks, niks, niks.’ Hij ging naar VluchtelingenWerk en zei dat hij het zat was. Of ze alsjeblieft iets voor hem te doen hadden.

Hoe Marco, Olaf, Zus en al die anderen hem hielpen integreren

Hij belandde als vrijwilliger bij de plantsoenendienst in Laren en zou in die functie vierenhalf jaar schoffelen, harken, planten water geven, wortels kappen en een hertenkamp verzorgen.

‘Dat was mijn redding. Mensen in Laren zagen mij elke dag en kregen belangstelling voor mij. De bakker vroeg: ‘Wie ben jij?’ De visboer vroeg of ik een haring wilde. Mijn collega’s nodigden me thuis uit. Ik kwam op borrels van de plantsoenendienst en het gemeentehuis. Ik leerde zelfs de burgemeester persoonlijk kennen. Ik voelde me sterker en sterker worden in Nederland.’

Marco, een vriend bij de plantsoenendienst, nam hem op een dag mee naar een oom en tante, Olaf en Zus Snelders. Het klikte zo goed, dat hij al snel een huissleutel kreeg van de familie Snelders. Zij werden voor hem een vader en moeder in Nederland. Hun contact verliep natuurlijk, net zoals jaren later tussen hem en de Eritrese jongens. ‘Nooit heb ik het gevoel gekregen Mek de arme asielzoeker te zijn. Olaf en Zus luisterden naar mij en ik naar hen. We aten en dronken samen. We lachten. Ze lieten mij zien hoe de dingen hier werken. Zij hebben mij gemaakt tot wie ik ben: Mek in Nederland.’

Toen hij een verblijfsvergunning kreeg en een huis in Amsterdam sprak hij vloeiend Nederlands en kende hij de Nederlandse cultuur zo goed dat hij binnen drie maanden slaagde voor de verplichte integratiecursus. Hij deed een ict-opleiding en kreeg een baan bij Stichting Global Start Foundation, die werkloze jongeren in Amsterdam Zuidoost aan een baan helpt. Hij werkte er acht jaar en volgde intussen cursussen jongerenbegeleiding.

Aan het einde van die periode had hij behoefte aan iets anders en met Annemarie begon hij hun restaurant Azmarino. Hij houdt van koken. ‘In Ethiopië was ik de beste vriend van mijn moeder, ik hielp haar altijd,’ zegt hij.

Eerst werkten ze er allebei nog naast om uit te proberen hoe het liep, maar al na anderhalf jaar konden ze zich zes dagen per week aan Azmarino wijden. In maart bestaat het restaurant tien jaar. Hij staat in de keuken, Annemarie serveert. Het is druk, maar dit leven bevalt goed.

En hoe Mekonnen Ykeallo nu nieuwkomers helpt een plek te vinden

Sinds kort is daar dus zijn bemoeienis met de Eritrese jongens bij gekomen. Hij vindt het mooi dat hij juist in contact is gekomen met deze groep, die in Nederland bekendstaat als in zichzelf gekeerd. Hij begrijpt Eritreeërs: Ethiopië en Eritrea zijn van oudsher nauw verwant, Eritrea is pas sinds 1993 onafhankelijk. Tussen 1936 en1941 werd het bezet door de Italianen, van 1941 tot 1950 viel Eritrea onder Brits beheer, en daarna vormden Ethiopië en Eritrea een federatie. Tot Eritrea in 1962 door Ethiopië werd geannexeerd. Een Eritrese rebellenbeweging hielp in 1991 een einde te maken aan het communistische bewind in Ethiopië. Als beloning kreeg het Eritrese volk de gelegenheid om zich in 1993 in een referendum uit te spreken voor onafhankelijkheid. Sindsdien zijn er nooit verkiezingen gehouden. De toenmalige rebellenleider Isaias Afewerki werd president en leidt een van de meest repressieve regimes van Afrika. zijn ouders zijn allebei half Ethiopisch, half Eritrees. ‘Het klopt, Eritreeërs zijn gesloten,’ zegt hij. Ze komen uit een strikte maatschappij, waar de islam en de koptisch-orthodoxe kerk grote invloed hebben.

Maar er is nog iets. ‘Dat ze naar elkaar toetrekken, geeft ook een gevoel van bescherming. Ze hebben tijd nodig om te herstellen.’ De meesten hebben de hel achter zich gelaten, want het Eritrese regime is zeer repressief. Bron: VluchtelingenWerk. Vluchten is moeilijk, bij de grens wordt om het minste geschoten.

Is het gelukt een buurland te bereiken, dan lopen Eritreeërs alsnog de kans te worden mishandeld door mensensmokkelaars die extra geld willen aftroggelen. Sommige vrouwen worden verkracht. ‘Er zijn Eritreeërs die zelfmoord plegen na hun vlucht, omdat ze niet kunnen verdragen wat ze hebben meegemaakt.’

Dit is de reden dat hij zich zo voor ‘zijn’ Eritrese jongens inzet en speciaal voor hen een stichting heeft opgericht: ‘Als ze me vertellen wat ze hebben meegemaakt… Ik heb in Nederland alles. Als ik doorga met mijn leven en niks doe, ben ik geen mens. Ik wil allereerst proberen die jongens tot rust te brengen.’ Voetballen helpt. De bedoeling is: even bij elkaar zijn, het hoofd helder maken en intussen bespreken waar ze mee zitten.

Overigens zien de Eritreeërs zelf hun ‘geslotenheid’ anders. Zij vinden dat Nederlanders alleen aandacht hebben voor Syrische vluchtelingen en minder voor hén. ‘Zij zien er zeker beter uit dan wij,’ roepen sommige jongens. Ze doelen vooral op de lichte huidskleur van de Syriërs, aldus Ykeallo, waarvan ze denken dat Nederlanders die liever zien dan hun kleur. Hij legt ze uit dat het anders ligt. Nederlanders zien wekelijks op televisie dat er in Syrië bommen vallen. In Eritrea komen nauwelijks westerse tv-ploegen binnen en is het geweld minder zichtbaar. ‘Veel Nederlanders weten niet wat jullie hebben meegemaakt. Als jullie daarin verandering willen brengen, moeten jullie je openstellen.’

Alle jongens volgen de verplichte inburgeringscursus en een aantal werkt ernaast. Dat is te danken aan de gemeente Amsterdam, die nieuwkomers voortvarend aan werk helpt. Ykeallo prijst de gemeente om haar inburgeringsbeleid, maar ziet ook waar het fout gaat. Twee van de jongens willen liever studeren, maar hun gemeentelijke contactpersoon zegt: niks studeren, jij gaat vakkenvullen bij de Albert Heijn. ‘Ze doen wel wat hun wordt gezegd, maar mijn ervaring is dat ze zich na twee, drie maanden ziekmelden en dat kost de staat alleen maar geld. Ik hoor van de jongens niets anders dan dat ze zelf hun geld willen verdienen, maar ze zijn niet gemotiveerd om een heel leven vakken te vullen. Ze willen verder komen.’

Hij is nu bezig een gesprek te organiseren met ambtenaren over hun aanpak. ‘Er is beweging. Amsterdam doet zijn best, maar er mist kennis. De ambtenaren gaan uit van zichzelf. Ik zeg: probeer te begrijpen wat die ander wil, waar liggen de talenten. Als deze jonge mensen tevreden zijn, plukt de maatschappij daar de vruchten van. Datzelfde geldt voor de hele inburgering: vertel vluchtelingen niet hoe ze moeten leven, maar neem Contact met Nederlanders is volgens de Algemene Rekenkamer een van de succesfactoren voor inburgering, naast motivatie, persoonlijk welzijn en een snelle start. Zie pagina 41 van het rapport Inburgering. ze op in de gemeenschap zodat ze op een natuurlijke manier leren hoe alles in Nederland werkt.’

Kijk naar hoe hij zijn weg vond. Hij is tevreden. Maar hij zegt erbij dat hij zich niet altijd zo heeft gevoeld. Een jaar of vijf geleden begon hem iets dwars te zitten. Het was gek want hij had zijn leven goed voor elkaar, en toch voelde hij zich niet goed. ‘Misschien heb je Ethiopië nooit afgesloten en moet je terug,’ zei een vriend. Hij ging in 2012 en het was geweldig om oude vrienden te zien. Maar verder was alles vreemd. ‘Alles was daar veranderd en ik merkte ook hoe ik zelf was veranderd.’

Zijn vader is overleden. Zijn broers zijn net als hij uit het land vertrokken. Alleen zijn moeder woont nog in Ethiopië, maar vaak is ze bij een van haar zoons in het buitenland. Hij laat een foto zien van zijn lachende moeder tussen haar kinderen. ‘Weet je wat voor gevoel ik jaren heb gehad?,’ vraagt Ykeallo. ‘Dat ik van huis was en mezelf afvroeg: heb ik nou wel of niet de deur op slot gedaan? Sinds ik in Ethiopië bent geweest is dat weg. Ik heb rust gekregen.’

Dit verhaal is onderdeel van het initiatief Nieuw in Nederland. Zonder financiële bijdrage van Stichting Dioraphte Bekijk hier de site van Dioraphte. Bekijk hier de site van Dioraphte. Stichting Dioraphte was dat niet mogelijk geweest.

januari 27, 2017Permalink

Vluchtelingen. Nooit meer op ‘dat toontje’ praten

Waarom ik nooit meer op ‘dat toontje’ tegen vluchtelingen praat

Ik betrap mezelf erop als ik bij ben: ik bemoei me met hun leven en doe dat op een bepaalde toon. Zoals je tegen ouderen praat eigenlijk. Bij andere Nederlanders zie ik hetzelfde terug. Wat zit hier achter? Waarom ik nooit meer op ‘dat toontje’ tegen vluchtelingen praat

Gastcorrespondent GretaRiemersma
Wesal (9) en Tamim (10) van het Syrische gezin in Glimmen waar Greta Riemersma regelmatig komt. Foto: Tryntsje Nauta (voor De Correspondent)

Ik was op bezoek bij de Syrische familie Alrashed in het Groningse dorpje Glimmen toen er een vechtpartij uitbrak tussen twee van de kinderen: het dove zoontje Tamim (10) sloeg zijn zusje Wesal (9) en zij sloeg terug. Moeder Huda haalde haar schouders op en zei: ‘Dit gebeurt vaker.’

Wat deed ik? Ik stond op, haalde de kinderen uit elkaar en begon ze toe te spreken. Ik zei dat slaan pijn doet, dat we dus beter niet kunnen slaan en nog meer stichtelijks. De kinderen stopten en ik ging weer zitten. Pas toen drong tot me door wat ik had gedaan. Ik had mij bemoeid met de kinderen van een ander.

Nooit zou ik dit in mijn hoofd halen bij Nederlanders. Die zijn allergisch voor elke opmerking van een ander die het gedrag van hun kind ook maar enigszins stuurt. Met mijn fiets schepte ik eens bijna een dreumes die onverwacht de weg overstak en toen ik geschrokken ‘pas op’ riep, keek de vader mij al kwaad aan.

Waarom ging ik dan zo ver bij de familie Alrashed? Het stemde me tot nadenken. Want al vaker merkte ik dat ik bij de Alrasheds dingen doe die ik bij Nederlanders niet flik.

We bemoeien ons meer met vluchtelingen dan met Nederlanders

Ik ken de Alrasheds sinds oktober: vader Mahmoud (42), moeder Huda (33) en hun vier kinderen. In 2012 ontvluchtten ze Syrië en na omzwervingen door Jordanië en Egypte kwamen ze bijna een jaar geleden in Glimmen terecht. Ik leerde ze kennen via Nieuw in Nederland, Lees hier alles over het initiatief Nieuw in Nederland. Lees hier alles over het initiatief Nieuw in Nederland. Nieuw in Nederland, waarmee mijn collega Dick Wittenberg en ik voor De Correspondent onderzoeken hoe nieuwkomers een bestaan opbouwen in Nederland.

Maandelijks vul ik met Huda de bijbehorende vragenlijst in die inzicht geeft in dat nieuwe bestaan. Sinds ze me vroeg of ik Nederlands met haar wilde oefenen, kom ik bijna wekelijks bij de Alrasheds. Soms nodig ik ze uit bij mij thuis, omdat ook onze gezinnen het met elkaar kunnen vinden.

Huda vroeg hem of hij een goedkope, tweedehands vaatwasser voor haar wist, waarop de man antwoordde: ‘Heb je die dan nodig?’

Gaandeweg ben ik mezelf gaan observeren. Want hier klopte iets niet. Na het vechtincident zei ik tegen Huda dat ze beter in de winter de deur naar de onverwarmde schuur kan dichthouden, om te voorkomen dat er kou de huiskamer binnenkomt. Over haar oudste zoon Mohammed (12) zei ik dat zijn jas te koud was voor in de winter.

Ik zag pas goed wat ik aan het doen was toen ik andere Nederlanders hetzelfde gedrag zag vertonen. Op een avond maakte ik mee hoe iemand van de kerk langskwam bij de Alrasheds, die zichzelf de opdracht had gegeven wekelijks bij dit Syrische vluchtelingengezin in zijn dorp langs te gaan. Huda vroeg hem of hij een goedkope, tweedehands vaatwasser voor haar wist, waarop de man antwoordde: ‘Heb je die dan nodig?’ Het was alsof ik in de spiegel keek.

Ik besprak de kwestie met collega Dick Wittenberg, die moest glimlachen. Als vrijwilliger bij Vluchtelingen Werk had hij een nieuwkomer met veel volharding zeil in plaats van laminaat in de maag willen splitsen. De man moest zijn huis inrichten en Dick hielp hem. Toen bleek dat de keuze op laminaat viel, betoogde Dick dat hij beter zeil kon nemen, zeker in de slaapkamer. Zeil was goedkoper. Waarom geld uitgeven dat hij beter aan iets anders kon besteden?

En we doen dat op een bepaalde manier: met het ‘toontje’

Er begon me nog iets op te vallen. Niet alleen bemoeide ik me met zaken waar ik niets mee te maken had, ik deed dat soms ook op een specifieke manier. Dan hoorde ik mezelf net wat duidelijker articuleren en langzamer praten dan normaal.

Natuurlijk, de Alrasheds hebben een gebrekkige kennis van het Nederlands en dus is het handig verstaanbaar te spreken. Maar voor je het weet sluipt er een toontje in dat ook tegen mensen in een verzorgingshuis, mensen met een beperking of ernstig zieken wordt aangeslagen. Let maar eens op, er zit vaak iets overdreven begripvols in. Niks mis met begrip, maar in elke andere conversatie ligt het er nooit zo dik bovenop.

Opnieuw hoorde ik die toon terug bij andere Nederlanders die contact hebben met nieuwkomers. Niet voortdurend en bij iedereen, maar vaak genoeg om er een patroon in te zien. Ik vraag me af hoe het voelt als op één dag tien mensen zo tegen je doen. Voel je je nog serieus genomen? Ik denk het niet. Toen er laatst in Frankrijk iemand zo tegen me praatte, ook al kan ik aardig Frans, werd ik na vijf minuten al gek.

Wat zit hier achter?

Misschien zouden deze toon en houding me jaren geleden niet zijn opgevallen, maar tegenwoordig word je gedwongen erover na te denken. Mensen die zich het lot aantrekken van nieuwkomers worden ook wel Gutmenschen genoemd. Aan de andere kant hoor ik kinderen van de vroegere gastarbeiders zeggen dat ze zich storen aan Nederlanders die precies weten wat het beste voor ze is. Hun ouders hebben dit paternalisme over zich heen laten komen, maar zij weigeren dat. Wat beide visies delen is dit: mensen zouden andere mensen niet helpen omdat ze iets willen doen voor een ander, maar om er zelf een goed gevoel van te krijgen.

Waarom dan toch die houding? En die toon? Want beide getuigen van een ongelijke relatie

Als ik kijk naar het werk dat Nederlanders voor vluchtelingen verrichten, vind ik dat verwijt onterecht. Wat is er mis mee dat de Alrasheds zakken met kleren krijgen en hun rijtjeshuis grotendeels met gedoneerde huisraad hebben ingericht? En dat ze uiteindelijk ook een tweedehands vaatwasser kregen die de man van de kerk gratis voor ze op de kop tikte? Huda was blij toen ze hem kreeg. ‘Ik heb vier kinderen en moet drie dagen in de week naar Nederlandse les. Ik heb het altijd druk. Dit scheelt enorm,’ zei ze.

Een ontelbare hoeveelheid vrijwilligers helpt nieuwkomers dagelijks hun weg te vinden in Nederland – en dat gaat stukken verder dan de lesjes Nederlands die ik aan Huda geef. Grote netwerken als Global Workforce, Lees hier meer over Global Workforce… Lees hier meer over Global Workforce… Global Workforce, Refugee Start Force …hier meer over Refugee Start Force… …hier meer over Refugee Start Force… Refugee Start Force en Open Embassy …en hier meer over Open Embassy. …en hier meer over Open Embassy. Open Embassy koppelen vluchtelingen met een verblijfsstatus aan Nederlanders, waarna ze samen formulieren invullen, zoeken naar werk en duizend andere praktische dingen doen. In bijna elke Nederlandse plaats zijn kleinere clubs en losse vrijwilligers die hulp bieden. Zonder al deze mensen zouden veel vluchtelingen in Nederland er slechter aan toe zijn en langzamer inburgeren.

Maar waarom dan toch die houding? En die toon? Want beide getuigen van een ongelijke relatie, dat valt niet te ontkennen. Wie mensen vertelt hoe ze moeten leven en op een speciale manier tegen ze praat, ook al gebeurt het onbewust, beschouwt ze niet als gelijken.

Waarom ik voortaan mijn mond hou

Toen ik mezelf me hoorde bemoeien met Huda’s kinderen en de deur naar de schuur, dacht ik aan Gloria Wekker, emeritus hoogleraar gender en etniciteit aan de Universiteit Utrecht. Vorig jaar vertelde ze me in een interview Hier kun je dat interview teruglezen (achter een betaalmuur). Hier kun je dat interview teruglezen (achter een betaalmuur). een interview hoe haar familie begin jaren vijftig van Suriname naar Amsterdam emigreerde en daar onder hetzelfde regime viel als de Indo’s die rond die tijd naar Nederland kwamen. Op onverwachte momenten kreeg de familie Wekker bezoek van een maatschappelijk werkster die de huishouding controleerde. Kookte moeder aardappelen in plaats van rijst? Deed ze de was op maandag en maakte ze op woensdag gehakt? Was het huis schoon genoeg?

Ik ben geen maatschappelijk werkster, maar mijn bemoeienis met de Alrasheds was een echo van wat Wekker beschreef. Volgens haar komt dit gedrag voort uit ons vroegere koloniale denken, waardoor Nederlanders zich nog steeds superieur wanen. Het is een boodschap die we onbewust meekrijgen, via televisie, gesprekken en wat we lezen. Ik sluit dat niet uit. Een volk dat eeuwen andere volken aan zich heeft onderworpen, is de bijbehorende houding niet in een paar decennia kwijt.

Ongetwijfeld speelt in de relatie vluchteling-Nederlander ook mee dat de een de ander wegwijs maakt in Nederland. Er is iemand die hulp krijgt en iemand die hulp geeft. Zo’n relatie kan scheef komen te liggen, juist in een land als Nederland waar in principe de overheid verantwoordelijk is voor langdurige hulp aan kwetsbaren. Gewone Nederlandse burgers hoeven die hulp niet te geven – als ze het doen is het een aanvulling, de uitzondering op de regel.

In landen zonder sociale voorzieningen zie je hoe het anders kan. In Marokko ken ik een straat waarin een gezin zonder inkomen overleeft, omdat elk huis om de beurt eten en geld geeft. Het gezin is niet overdreven dankbaar en de rest van de straat praat niet over wat ze doet, want dat zou onbeschaafd zijn. Iedereen weet: vandaag help ik de buren, morgen helpen de buren mij.

Ook al ben ik blij met de sociale voorzieningen in Nederland, zo wil ik het ook zien: hulp als niets bijzonders, als onderdeel van de beschaving. Want die toon en die bemoeizucht van mij, die moeten .

Vind ik het dan goed dat kinderen elkaar slaan? Nee, natuurlijk niet. Maar ik vind het ook niet goed dat kinderen om de zin ‘fuck’ zeggen, met de voeten op tafel zitten en bijna dagelijks frites en chips eten. Ik heb het allemaal meegemaakt met kinderen van Nederlanders en er nooit iets van gezegd. Zolang er niets onwettigs of moreel totaal verwerpelijks gebeurt, hou ik voortaan in alle gevallen mijn mond.

Vluchtelingen

Dit verhaal is onderdeel van het initiatief Nieuw in Nederland. Zonder financiële bijdrage van Stichting Dioraphte Bekijk hier de site van Dioraphte. Bekijk hier de site van Dioraphte. Stichting Dioraphte was dat niet mogelijk geweest.

 

januari 13, 2017Permalink

Beweging 3.0 maakt 16 miljoen vrij

Beweging 3.0 maakt 16 miljoen vrij met verkoop vastgoed

 heeft eind vorig jaar een aantal panden verkocht waarin geen meer werd verleend. Dat heeft de ouderenzorgorganisatie in totaal 16 miljoen euro opgeleverd.

Vastgoed-Fotolia-400.jpg
Foto: Fotolia

Midden december 2016 kon Beweging 3.0 al voor vijf miljoen aan panden verkopen, aan het eind van de maand werd er nog eens voor 11 miljoen euro verkocht. De werd in het jaarverslag dat de organisatie begin december deponeerde al genoemd. Toen was Beweging 3.0  ‘in een vergevorderd stadium’ met de verkoop, maar was nog onduidelijk wanneer de verkoop afgerond zou zijn.

Geld vastgoed voor herstelplan  
Het geld van de verkoop gebruikt de ouderenzorgorganisatie het geld om leningen af te lossen en het herstelplan versneld door te voeren. Er wordt voor 10 miljoen aan schulden afgelost en de overige 6 miljoen gaat onder meer naar het klaarmaken van de verpleeghuizen en –afdelingen in de regio voor zwaardere zorg. Dat de verkoop gelukt is, noemt bestuurder Lex Baaij ‘een prachtig resultaat, dat ruim boven de verwachting is uitgekomen.’ Beweging 3.0 kan volgens hem 2017 ‘met hernieuwde energie starten, het fundament van de organisatie verstevigen en nog beter focussen op de medewerkers en cliënten.’

Beweging 3.0 is een van de zorgorganisaties die op de van de IGZ staan en kreeg in oktober 2016 nog acht maanden de tijd om de zorg te verbeteren.

Beweging 3.0 heeft 2015 met een verlies van 7,5 miljoen euro afgesloten. Dat blijkt uit de jaarrekening die de ouderenzorgaanbieder onlangs heeft gedeponeerd.

Budget - fotolia - 400.jpg
Foto: Fotolia

Eind vorig jaar stond Beweging 3.0 7,5 miljoen euro in de min, blijkt uit het jaarverslag. Een jaar eerder schreef de nog zwarte cijfers: 2014 werd afgesloten met een plus van 2,1 miljoen euro. Het eigen vermogen was in 2015 bijna 23 miljoen euro, tegenover ruim 27 miljoen euro in 2014.

Verlies door wijkverpleging
De organisatie gaf met bijna 2500 medewerkers in 2015 zorg aan ruim 3800 patiënten, waarvan het grootste gedeelte (bijna 2200 mensen) uit de Zorgverzekeringswet kwam en wijkverpleging ontving. Bestuurder Ageeth Ouwehand zei in oktober al dat de wijkverpleging het grootste verlies veroorzaakte voor de zorgorganisatie. Ze gaf toen ook al aan dat Beweging 3.0 een miljoenenverlies had geleden over 2015, maar kon nog niet exact zeggen hoe hoog het precies zou uitvallen. ‘We hebben door onze doelmatige manier van werken te weinig declarabele uren achter de voordeur de reistijden zijn te lang’, zei Ouwehand in oktober. ‘We zien dit jaar het resultaat wel , maar ook voor 2016 verwachten we over de hele linie nog een tekort van miljoenen euro’s.’ De organisatie geeft in het jaarverslag aan ‘in een vergevorderd stadium’ te zijn met de verkoop van een aantal panden en percelen. Daardoor moet 2016 met een fors lager verlies worden afgesloten dan 2015. ‘Het voornemen is om dat deels vóór december 2016 te realiseren, maar er is op dit moment nog onvoldoende zekerheid of de verkopen in 2016 of 2017 gaan plaatsvinden’, staat in het verslag te lezen. Pas in 2018 verwacht het bestuur weer een positief resultaat.

Verscherpt toezicht Beweging 3.0
Beweging 3.0 is een van de zorgorganisaties die in categorie 1 op de IGZ-lijst met verpleeghuizen staat. De inspectie stelde de ouderenzorgaanbieder in oktober onder verscherpt toezicht. Beweging 3.0 kreeg toen acht maanden om de zorg zo te verbeteren dat aan de veldnormen voor wordt voldaan

 

 

januari 8, 2017Permalink

Wie vertrouw je je kind toe?

'Wie vertrouw je je kind toe?'© Robin de Puy

‘Wie vertrouw je je kind toe?’

‘Al leg je van tevoren een briefje neer op de keukentafel’

Carolien Spaans

Hebben jullie eigenlijk een testament?’ vroeg mijn vriendin Carolien terwijl ze in een kop thee blies. Het was donderdagmiddag, Leonard Cohen was en ik had net verteld dat we tickets naar Israël hadden geboekt, onze eerste vakantie zonder de Dochter, onze laatste met z’n tweeën voor we voorgoed met z’n vieren zullen zijn.

‘Nee’, zei ik. ‘Niet eens. Zou wel moeten, hè?’

Carolien haalde haar schouders op. ‘Het is wel handig, ja. Je kan nooit weten.’

Je kan nooit weten, nee, daar waren we wel achtergekomen nadat haar man Jean zeven maanden geleden tijdens een skivakantie in een gletsjer was verdwenen. De schok was enorm en het leed van de lange adem, maar één ding: zijn zaakjes had hij tenminste goed geregeld. ‘Al leg je van tevoren een briefje neer op de keukentafel’, zei Carolien. ‘Dan is er in elk geval íéts duidelijk.’

Ik knikte en keek naar buiten. Het regende, de hele dag al, zelfs de poes verveelde zich. Wat had ik zin in zon. Wat had ik zin in avontuur. Wat had ik zin in een week niks moeten en alles mogen en lang leve de relatie, vooral dat laatste was er nogal eens bij ingeschoten, afgelopen jaar. Maar Israël is geen Ibiza en de gedachte aan een verkeerde plek op de verkeerde tijd was bij mij natuurlijk ook door het hoofd gegaan – één gek en je was er geweest.

‘Hoe heb jij dat eigenlijk geregeld?’, vroeg ik. ‘Waar gaat Lucas naartoe als jij doodgaat?’

‘Naar Jeans broer en zijn vrouw’, zei Carolien. ‘Dat hebben Jean en ik destijds zo besloten.’ Mooi besluit: Jeans broer en zijn vrouw woonden met hun twee dochtertjes vlak achter Carolien, steegje in, poortje door en je was er, dichter bij de bron kon Lucas later niet komen. Mocht Onze Lieve Heer inderdaad zo gek zijn ook Carolien naar huis te halen, zouden haar ouders in dat van haar gaan wonen en zo een huiselijke haag om het jongetje heen vormen – van alle slechte scenario’s was dit beslist de beste.

Terwijl de poes klagelijk miauwde, dacht ik na over wat wij zouden doen.

Familie en vrienden zat, maar wie vertrouwde je je kind toe? Ouders werden oud, vaders waren dood, broers en zussen hadden hun handen vol aan eigen gezinnen. En daarbij: het luisterde nauw, héél nauw. Een groot hart was het belangrijkst, gezond verstand stond op twee en je was spek-koper als je kind enigszins in jouw geest werd opgevoed, maar verder? Had diegene ook genoeg ruimte in huis? Zou je kind later kunnen studeren? Of mocht je dat soort banaliteiten helemaal niet mee laten tellen? En al mocht het wel: de spaarzame keren dat de Man en ik het erover hadden gehad, terloops, tussen het ontbijt en de boodschappen door, was er eigenlijk maar één naam naar voren gekomen, en dat was die van Carolien.

Wie vertrouwde je je kind toe

Eva Hoeke

Maar ja.

‘Hoezo: dat kan nu niet meer?’ Carolien keek me vragend aan.

Ik zuchtte. ‘Omdat je nu in je eentje bent. Dat zou ik nooit van je vragen, om er dan ook nog de voor een ander bij te nemen.’

Ze schudde haar hoofd. ‘Moet je horen: ik zou álles uit mijn handen laten vallen, meteen. Juist mooi toch? Heeft Lukie meteen een zusje en krijg ik alsnog een groot gezin.’

Ik mompelde iets, liep naar de keuken, de poes miauwde nog steeds. ‘Alleen dat malle beest van jullie, die neem ik niet hoor’, hoorde ik haar roepen terwijl ze die jankerd op schoot trok. ‘Die is niet helemaal honderd procent.’

Morgen vertrekken we, dit is mijn briefje, jullie de keukentafel.

eva.hoeke@volkskrant.nl

december 3, 2016Permalink

Allemaal naïef

Naïef en worden vaak in een adem genoemd. Als je eenmaal doorhebt hoe ellendig de is, moet je je daar blijkbaar naar gedragen. Maar hoe langer je erover nadenkt, hoe vreemder het is dat optimisme en naïviteit zo inwisselbaar zijn geworden.

We zijn , laten we ophouden dit elkaar te verwijten
Gastcorrespondent Afhankelijkheid
Rebekkade Wit
Illustratie: Bethany Walrond (voor De Correspondent)

Net na de Amerikaanse verkiezingen zei ik tegen iemand dat ik zin had om mijn brandweerpak aan te trekken.

Hij vroeg wat ik bedoelde. Het was een metafoor, zei ik. Ik had de drang om ‘iets te doen.’ Een vinger in een dijk steken, een brand blussen. Ook die brand was een metafoor.

Aan het einde van het gesprek zei hij dat hij blij was dat hij weer eens een ‘naïef en optimistisch iemand’ had ontmoet.

Ik wist niet wat ik daarvan moest denken, want ik voelde me helemaal niet naïef en optimistisch. Ik weet dat die woorden vaker naast elkaar staan, soms zelfs als synoniemen van elkaar worden gebruikt, maar waarom eigenlijk? Volgens mij omdat we ervan uitgaan dat als je de wereld eenmaal doorziet, je er van wordt. Als je eenmaal doorhebt hoe kut de wereld is, moet je je daar blijkbaar naar gedragen.

Iemand anders zei laatst tegen mij: ‘Soms ben ik bang dat jouw generatie denkt dat alles toch nog goedkomt.’ We keken op dat moment uit op een balkon waar iemand een heel kleine moestuin aan het aanleggen was. Eigenlijk was het een plantenbak, maar toen we vroegen wat hij aan het doen was, zei hij dat hij bezig was aan zijn moestuin. Ik denk niet dat dat naïef en optimistisch was. Ik denk eerder dat het een soort goedgemutste wanhoop was.

Ik heb wel vaker gehoord dat mijn generatie naïef en optimistisch zou zijn. Ik denk het niet. Als je mij kunt betrappen op hoop of een moestuin in mijn zinnen dan kan ik je verzekeren dat die gemaakt is van wanhoop. Optimisme of hoop suggereert wellicht dat je de krant niet leest, maar in mijn geval is hopen het enige wat ik kan doen met de wanhoop waar ik na het lezen van de krant mee achtergelaten word.

En zoals ik het gelul vind dat er na Auschwitz geen gedichten meer geschreven mochten worden, Dat stelde de Duitse filosoof Theodor Adorno. Dat stelde de Duitse filosoof Theodor Adorno. geschreven mochten worden, dat zwijgen de enige legitieme reactie was op de toestand, vind ik het gelul dat pessimisme of wanhoop de enige legitieme reactie is op de toestand van de wereld. Ja, hoe langer je erover nadenkt, hoe vreemder het is dat optimisme en naïviteit zo inwisselbaar zijn geworden.

Als je probeert te begrijpen wat Amerika in Vietnam te zoeken had, kom je al snel bij de dominotheorie uit. Het was het idee dat heel Zuidoost-Azië – nee, de hele wereld! – communistisch zou worden als Vietnam niet binnengevallen zou worden.

Ik stel me voor dat Dwight Eisenhower President van de Verenigde Staten (1953-1961) tijdens de Vietnamoorlog. echt een dominospel had uitgestald op een tafel in het Witte Huis voordat er vergaderd zou worden over de kwestie Vietnam. Dat de president de hele ochtend voorover gebogen had gezeten om de hele wereld in dominosteentjes uit te stallen.

De Amerikanen waren toen op het hoogtepunt van de angst dat het communisme een besmettelijke ziekte was en Eisenhower liet de regering zien wat er met de wereld zou gebeuren als Vietnam zou omvallen. Hij duwde het steentje om dat Vietnam moest voorstellen. Vervolgens vielen alle steentjes, zo had hij ze namelijk opgesteld en uiteindelijk viel ook het steentje dat Amerika moest voorstellen en iedereen aan die tafel was zo geschrokken van het feit dat het lichtgele steentje waarop een de U stond van United (States) dat ze begonnen aan een oorlog die twintig jaar zou duren.

In heel veel opzichten is de Vietnamoorlog verschrikkelijk naïef geweest, en over die naïviteit is niemand heel opgetogen

In heel veel opzichten is de Vietnamoorlog verschrikkelijk naïef geweest, en over die naïviteit is geloof ik niemand heel opgetogen. Toch is die oorlog niet als naïef de boeken ingegaan. Wel als een fout, maar niet als naïef. Waarom is naïviteit zo makkelijk aan het goede toe te schrijven, of het onschuldige, maar niet aan bijvoorbeeld oorlogen?

Toen ik op Google naar meer voorbeelden van naïeve oorlogen zocht, kwam op een site Hier kwam ik terecht. Hier kwam ik terecht. een site terecht waar iemand fulmineerde tegen de arrogantie en naïviteit van de westerse oorlogvoering. Dat je niet moet denken dat je zomaar een een democratie in kunt bombarderen. ‘Misschien zijn die landen nog wel eeuwen van een democratie verwijderd.’

Ik geloof niet dat hij doorhad dat de taal waarin hij zijn strijd tegen oorlog voerde, hoe hij sprak over ‘culturen die nog eeuwen verwijderd zijn van onze beschaving,’ dezelfde taal is die oorlogen rechtvaardigt.

Is dat naïef? Ik weet het niet. Ik denk niet dat hij zichzelf naïef vindt. Wat trouwens een heel vreemd neveneffect is van het woord. Zodra je anderen naïef noemt, ben je het per definitie niet zelf. Ik kan me voorstellen dat alle mensen die zeiden dat het wel meeviel met de besmettelijkheid van het communisme naïef werden genoemd en zo van de dominotafel werden gestuurd.

Het is een diskwalificatiemiddel dat heel effectief is.

Ik twijfel zelden aan de autoriteit van de scheidsrechter die mij van tafel stuurt door te zeggen dat ik naïef ben.

Iemand vertelde mij laatst dat zij een oom heeft die rijk is geworden met het vervoer van wapens. Als zij hem daarnaar vraagt zegt hij meestal dat de wereld ‘nu eenmaal corrupt is.’
‘En als je niet corrupt ben, ben je naïef.’ Ze vroeg hem tot welke categorie zij zelf dan behoorde volgens hem, waarop hij zei dat als ze een mening had over zijn werk, ze waarschijnlijk naïef was.

Los van het feit dat ik me schaamde ten aanzien van het hele universum voor die opmerking, werd ik ineens bang dat als mensen mogen kiezen tussen corrupt en naïef, ze dan liever corrupt zijn.

Christoffel Columbus schrijft Hier vind je een Nederlandse versie. Hier vind je een Nederlandse versie. schrijft in zijn scheepsdagboek uitgebreid over de ‘gedweeë en goedgelovige bevolking.’ Ik denk dat Columbus op dezelfde manier naar de inheemse Amerikanen keek als de corrupte oom naar zijn naïeve nichtje. De inheemse Amerikanen begrepen niet wat bezit was en werden door Columbus uitgelachen en naïef genoemd.

In 1854 werd in een Amerikaanse krant een speech gepubliceerd die Chief Seattle Hier vind je meer over die speech van het opperhoofd. Hier vind je meer over die speech van het opperhoofd. Chief Seattle had gehouden toen hij één van de laatste stukken land overdroeg aan ‘de blanke man’ en die beroemd geworden speech eindigde als volgt:

‘Het maakt niet uit waar wij de rest van onze levensdagen slijten. Lang kan het niet meer duren. Maar waarom zou ik rouwen om het ontijdige lot van mijn volk? Stam volgt op stam en natie volgt op natie, als golven van de zee. Het is de natuurlijke orde en verdriet is zinloos. Uw neergang ligt misschien in de verre toekomst maar zal zeker komen. Want zelfs de blanke man, wiens God met hem wandelde en sprak als met een vriend, is niet gevrijwaard van dit gemeenschappelijk lot. Wellicht zijn we dan uiteindelijk toch broeders. We zullen zien.’

Onlangs zat ik in Mexico naast een IT’er uit België de hele dag op een bus te wachten. Ik vermoed dat hij zichzelf niet naïef zou noemen, dat hij de wereld heus wel door had, omdat hij van alles kon doen met internet. Hij wist bijvoorbeeld een netwerk te hacken met zijn Belgische telefoon, om vervolgens via Google Translate een zinnetje te vertalen dat hij op het Instagramaccount postte van de Mexicanen met wie we net op de foto waren gegaan.

En toen ik vroeg of ik de foto mocht zien, ik stond er immers ook op, zag ik het zinnetje dat hij eronder had gezet. Er stond: Fue muy rico de satisfacerte y tus amigos. Wat min of meer betekent dat hij het erg leuk had gevonden om de jongen en zijn vrienden te bevredigen.

Aan het einde van de dag, spelend op zijn telefoon, zei hij verzuchtend dat we in de toekomst steeds minder gingen hebben. Hij doelde op het feit dat je tegenwoordig bijna alle software moet leasen, maar hij zei het op een toon alsof dat het einde van onze beschaving was.

Ik wou toen dat Chief Seattle bij ons op dat bankje zat. Als Chief Seattle nog zou leven, zou hij zien dat Mexico kapotgaat aan het hebben, dat er door alle drugskartels jaarlijks duizenden hoofden worden afgehakt om macht, geld en territorium te hebben. Hij zou denken aan zijn voorouders die werden uitgelachen, omdat ze nooit hadden stilgestaan bij de gedachte dat er iets te hebben valt. Hij wist allang dat het zo zou aflopen.

De jongen die mij naïef en optimistisch noemde was even oud als ik. Misschien zelfs jonger. Na het gesprek vroeg ik me af: wat is er gebeurd, wat heeft hij doorzien, welk licht is er tot hem gekomen, waardoor hij de wereld in haar volle glorie heeft gezien en hij de legitimiteit kreeg om te zeggen dat sommige dingen naïef zijn.

Want bij mijn weten is het woord alleen maar een alibi. Dat is de enige inhoud die het heeft.

Voor de oom is het een alibi om zijn eigen corruptie op de wereld af te schuiven.

Het is een middel dat alle tegenstanders uitschakelt om een oorlog te beginnen.

Het is iets dat je verbeelding gijzelt, iets waardoor je geneigd bent al je zintuigen te wantrouwen.

Iemand heeft wel eens tegen mij gezegd dat het naïef is te denken dat je met woorden mensen kunt overtuigen. Dat je de wereld zou kunnen veranderen met woorden. Die uitspraak suggereert dat er een wereld was voordat er woorden waren. Ik denk dat er veel dingen waren zonder woorden, maar doorgaans niet de dingen waar oorlog om wordt gevoerd.

Ik wist niet wat ik van die uitspraak moest denken, want ik ben altijd te overtuigen met woorden en ik ben toch ook ‘mensen.’

Bovendien had ik destijds net begrepen – via een vak dat ‘overzicht van de late middeleeuwen’ heette – dat de paus die mensen opstookte om op een kruistocht te gaan, paus Urbanus II, dat gedaan had met een adembenemende speech, waarbij hij de mensen een kerk voorstelde in Jeruzalem waarin God zelf gegijzeld was door de Palestijnen. God lag in een hoekje te kniezen in een kerk en wij moesten hem gaan bevrijden.

Het waren woorden die een beeld vormden waardoor iedereen z’n leven op het spel zette.
Het was een dominospel dat werd vergeleken met de wereld. Het was dat beeld dat een oorlog ontketende.

We zijn het allemaal, naïef, tot en met onze

Ik ben geen pleidooi aan het houden voor of tegen naïviteit. Het gaat erom dat we het allemaal zijn, naïef, tot en met onze dood. Wat betekent dat iemand naïef noemen altijd een zeer onrechtmatige greep naar de macht is.

Rutger Kopland – psychiater en dichter – heeft ooit een gedicht gemaakt gebaseerd op de speech van Chief Seattle. ‘Het opperhoofd spreekt.’ Kopland was hoogleraar in de psychiatrie, gespecialiseerd in depressie en daarom hoofd van de gesloten afdeling psychiatrie van het academisch ziekenhuis in Groningen. Zeven jaar voor zijn dood kreeg hij een zwaar auto-ongeluk. Hij raakte in een coma en toen hij daaruit ontwaakte, moest hij alles wat hij tot dan toe in zijn leven had geleerd, opnieuw leren. Thuis was hij onhandelbaar, waardoor hij op de gesloten afdeling belandde waar hij zelf ooit het hoofd van was.

In de documentaire De taal van het verlangen Hier vind je de documentaire De taal van het . Hier vind je de documentaire De taal van het verlangen. De taal van het verlangen vertelt hij dat hij werd tegengehouden op het moment dat hij naar buiten wilde. Het drong daar en dan pas tot hem door wat dat betekende. Niet naar buiten kunnen maakte hem zo woedend dat hij op die gesloten afdeling regelmatig dacht: ‘Wat is mij godverdomme overkomen.’

Ik stel me voor dat Kopland toen hij opgesloten zat, alle gezichten van al zijn patiënten ineens voor zich zag en het gevoel had dat hij ze nu pas ontmoette. Dat hij in zijn eentje, in een oneindig zwart gat van wanhoop, begreep wat het betekende om daar te liggen.

Dit verhaal achtervolgt mij, omdat ik soms bang ben dat we alle dingen die iemand maken tot wie hij is moeten meemaken voordat we elkaar kunnen ontmoeten. Echt ontmoeten. En de (schok over de) verkiezingsuitslag lijkt mij onder andere een gevolg van een schrijnend gebrek aan ontmoeting.

Ik dacht namelijk even dat als we elkaar zouden vinden en naar elkaar luisteren dat alles dan in ieder geval een beetje beter zou zijn.

We moeten elkaars worden, dacht ik, omdat je soms zin hebt je familie keihard tegen een muur te duwen, maar je wel samen de voorraadkast gaan uitmesten. Maar denkend aan Kopland geloof ik niet dat dat genoeg is. We moeten elkaar worden. Als we tenminste willen dat onze eenzaamheid de planeet niet vernietigt. En alhoewel ik daar allejezusweinig zin in heb, om ‘elkaar te worden’ bedoel ik, en weinig hoop koester over de bereidwilligheid van alle partijen om daaraan mee te werken, denk ik dat je er toch maar beter aan kunt beginnen. Maar dit zei ik niet tegen de jongen op het feestje, en daar heb ik nu spijt van. Het was naïef van mij om te denken dat hij me zou hebben uitgelachen.

november 27, 2016Permalink