POLITIEK WIL STRENGER TOEZICHT

POLITIEK WIL STRENGER TOEZICHT OP INSTELLINGEN VOOR BESCHERMD WONEN

-

Normal_depressief

De politiek wil dat de kwaliteit van bij beschermd wonen wordt aangepakt. Zo moeten er onaangekondigde inspectiebezoeken plaatsvinden en dienen individuele zorgklachten serieus genomen te worden. Hiermee reageert de politiek op een individueel geval: een 21-jarige jongen met autisme en gedragsproblemen die niet de zorg krijgt die hij nodig heeft. Dat meldt Omroep Gelderland.

De 21-jarige autistische Bart Bruil woonde beschermd bij Woonzorgnet. Hij werd volgens de instelling te agressief en moest weg. Woonzorgnet stelt enkel goede zorg te hebben geleverd aan de jongen. Volgens zijn ouders kreeg hij echter nauwelijks dagbesteding, geen begeleiding en werd er niet aan zijn doelen gewerkt. Diverse deskundigen hebben het zorgdossier van de jongen bekeken en concluderen hetzelfde: Bruil kreeg niet de zorg die hij nodig had.

“Dit soort situaties komen veel te vaak voor. Marktwerking heeft ervoor gezorgd dat er positieve zorginitiatieven zijn ontstaan, maar heeft er ook voor gezorgd dat zorgaanbieders geld verdienen belangrijker vinden dan de juiste zorg bieden”, zegt 50-Plusser Leonie Sazias. Volgens haar worden ouders bovendien monddood gemaakt. Ze pleit dan ook voor onderzoek op individueel klachtenniveau, wat niet bij Bruil is gebeurd.

De Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden (VGGM) kwam aangekondigd op bezoek bij Woonzorgnet. Iets wat Lea Manders, politicus in Arnhem, een verkeerde keuze noemt. Aangekondigde controles zijn gemakkelijker te doorstaan dan onaangekondigde bezoeken.

Diverse Kamerleden stellen bovendien het inkomen van enkele bestuurders van Woonzorgnet aan de kaak. Drie directeuren verdienden vorig jaar samen bijna 500.000 euro. SP-Kamerlid Lilian Marijnissen en VVD’er Sophie Hermans willen het probleem aan de kaak stellen. Waar Marijnissen vindt dat geld voor de zorg enkel naar de zorg moet, vindt Hermans dat er in ieder geval grenzen gesteld moeten worden. “Als de bedragen die in het artikel genoemd worden kloppen dan vraag ik mij af hoe de directie dat kan rechtvaardigen”, aldus D66-Kamerlid Vera Bergkamp.

Door: Redactie Nationale Zorggids

Een manier om veroudering te keren.

van het Erasmus MC hebben een manier ontwikkeld om te keren.

Vollere vacht
Door oude muizen een experimenteel, zelfontwikkeld stofje te geven, werden deze fitter en alerter. De muizen kregen ze een vollere vacht terug en hun organen gingen weer beter functioneren.

Terugdraaien
Tot nu toe lukte het onderzoekers al wel om veroudering te vertragen. “Maar de tijd terugdraaien, bleek erg lastig”, zegt dr. Peter de Keizer, verouderingsbioloog van de afdeling Moleculaire Genetica van het Erasmus MC.

Kanker
Deze ontdekking kan helpen bij verdere onderzoek naar hoe mensen gezonder oud kunnen worden en ook hoe ze weer gezonder kunnen worden als ze eenmaal kwalen hebben ontwikkeld. Het nieuwe middel lijkt ook goed te werken tegen bepaalde uitbehandelde vormen van kanker. Mogelijk helpt het in de zoektocht naar therapieën daartegen.

Peptide
Belangrijkste element in het onderzoek is Proxofim. Dit is een peptide, een klein eiwit dat makkelijk in de cellen doordringt. Proxofim pakt cellen aan die een rol spelen bij veroudering. Het gaat om de senescente cellen, dat zijn cellen die zijn gestopt met delen, maar niet echt zijn.

Rennen
Proxofim maakt deze senecente cellen dood. “En het zet de omliggende stamcellen aan om nieuw weefsel te maken”, zegt De Keizer. “Bij de muizen was het effect enorm. Ze gingen na drie weken twee tot drie keer zoveel rennen in hun loopwieltjes, hun orgaanfunctie verbeterde en ze kregen na tien dagen weer meer haargroei.”

Ouderdom
De wetenschappers hebben Proxofim nog alleen getest op muizen. Ze willen hun onderzoek graag naar de kliniek brengen. De Keizer: “We hopen over een jaar of twee het onderzoek uit te breiden naar patiënten met agressieve vormen van kanker en in een nog later stadium onderzoek te doen naar ouderdomskwalen.”

Zonder kwalen
“We streven niet naar het eeuwig “, benadrukt hij, “maar langer leven zonder kwalen en in uitstekende gezondheid, dat zou prachtig zijn.”

 

- einde bericht -
 

Bron: Erasmus MC

maart 26, 2017Permalink

Rouw bij kinderen, kunnen ze zich aanpassen?

kunnen zich heel goed aanpassen aan een ongelukkige gezinssituatie. Fijn voor de volwassenen, maar niet altijd goed voor het kind. In deze mooie radiodocumentaire (38 minuten) ontdekt Sara Kolster wat de van haar kleine zusje met haar deed toen zij zelf nog een kleuter was. Deze documentaire opent  je ogen voor bij kinderen.
Correspondent Kinderomgang
Marilse EERKENS
Documentairemaakster Sara Kolster (rechts in beeld) op haar vijfde verjaardag, met naast haar zusje Anna. Foto: uit privéarchief Sara Kolster

‘Vroeger dacht ik dat volwassenen niet deden huilen. Maar nu weet ik dat dus wel.’

We horen een tienjarige jongen in de radiodocumentaire Beluister hier de radiodocumentaire Toen ik vijf was.Toen ik vijf was. Die is gemaakt door de journalisten Lees hier meer over het werk van Sara Kolster.Sara Kolster en Bekijk hier de website van Laura Stek.Laura Stek en gaat over het verliezen van een broer of zus op jonge leeftijd. Kolster (38) maakte het zelf mee toen zij net vijf jaar oud was: een paar dagen na haar verjaardag stierf plotseling haar driejarige zusje Anna.

Haar omgeving merkte weinig aan Sara, vertelt ze in Toen ik vijf was. Haar oom herinnert zich dat ze juist veel lucht bracht op de zware momenten: ‘Jij danste rond de kist.’ Toch kan Kolster niet geloven dat de dood van haar zusje geen invloed heeft gehad op haar leven. ‘Een stem in mij zegt: ‘Je moet toch wel verdrietig zijn geweest’.’

Dus als haar eigen dochter vijf jaar oud is, besluit ze met Stek dieper in het onderwerp te duiken. Wat is de impact van het verliezen van een broer of zus op jonge leeftijd? Ze spreekt haar eigen familie, met haar dochter van vijf, met een oude kleuterjuf én met een aantal kinderen die ook een broer of zus hebben verloren toen ze kleuter waren.

Veel behoefte aan contact

‘Waar was jij toen Anna doodging?’ ‘Waarom staat Anna veel vaker op de foto dan jij?’ Kolster heeft geen antwoorden op de vragen van haar vijfjarige dochter. De gesprekken met haar moeder zijn net zo pijnlijk. Ze heeft Sara niet kunnen bieden wat ze nodig had toen Anna net dood was.

Haar moeder heeft Sara vooral op een praktische manier geholpen. Ze regelde zo veel mogelijk afspraakjes voor haar. Dan hoefde ze zich even minder met haar bezig te houden. Iets waar Sara wél behoefte aan had, zo blijkt. Haar moeder vertelt namelijk dat Sara voortdurend in haar buurt was. Als ze aan het strijken was. Als ze vriendinnen op bezoek had. ‘Dan dacht ik: ‘Meisje, even weg, even afstand’.’

‘Kun je je voorstellen dat ik jou gemist heb?’ vraagt Sara aan haar moeder.

‘Dat je mij emotioneel gemist hebt bedoel je?’, vraagt haar moeder. ‘Ik denk het wel.’

Razendsnelle aanpassing

Kinderen passen zich razendsnel aan. Dat maakt Toen ik vijf was heel knap duidelijk. Sara valt haar ouders als kind nooit lastig met vragen over haar dode zusje. ‘Je wilt je moeder niet aan het huilen maken. Ik werd geacht dat verdriet weg te nemen, denk ik.’

Ook de geïnterviewde kinderen geven aan moeite te hebben met het verdriet van hun ouders. Ze zouden de ellende het liefst voor ze oplossen. ‘Als ik groter zou zijn, zou ik papa erbij helpen,’ zegt een meisje. Ze vertelt dat ze haar vader wel ziet huilen, maar dat hij dan altijd zegt dat dit niet zo is.

Ook Yuki, het dochtertje van Sara, spreekt weloverwogen over haar dode tante. Ze lijkt met haar woorden de dood te willen verzachten voor haar moeder. Zo beschrijft ze het doodgaan van Anna niet als doodgaan maar als ‘een beetje doodgaan.’

Rouw is nooit verwerkt

‘Wat ik echt geleerd heb van deze ervaring, is dat je heel erg moet oppassen dat je het gedrag van kinderen niet verkeerd interpreteert,’ zegt Kolster als ik haar aan de telefoon heb. ‘Uitspraken als ‘het is een voorbeeldig kind’ moet je altijd grondig onderzoeken. Is dat wat wij als volwassenen willen zien, of is dat wat er echt aan de hand is?’

Ze hoopt met haar documentaire het onderwerp rouw wat meer op de kaart te zetten. De dood van een familielid is namelijk iets waar je over moet blijven praten. Het is niet iets wat je uit de weg moet gaan, vindt ze. ‘We noemen het rouwverwerking, maar dat is een verkeerd woord. Je verwerkt het niet. Rouw komt altijd weer terug.’

Voor haar vader en moeder heeft de documentaire goed uitgepakt. In het dorp waar ze wonen, is er weer aandacht voor de dood van Anna. En die aandacht en dat praten erover, dat doet ze goed.

februari 19, 2017Permalink

Wat zijn mijn rechten als nieuwkomer in Nederland?

De Syrische journaliste Linda Belal vluchtte anderhalf jaar geleden naar Nederland. Voor het initiatief Nieuw in Nederland schrijft ze over haar ervaringen bij het opbouwen van een nieuw bestaan. Wat zijn mijn rechten als nieuwkomer in Nederland?

Dick Wittenberg Correspondent Nieuw in Nederland
 Ik wil een journalistieke site oprichten, maar kan volgens een ambtenaar beter gaan schoonmaken. ‘Dat is een beroep waar je niet veel ervaring bij nodig hebt en het is trouwens goed voor vrouwen.’
Ga maar leren schoonmaken. Of hoe ik na mijn stad ook mijn beroep verloor
Journalist
LindaBelal

Dinsdagochtend had ik mijn eerste afspraak met een ambtenaar van de gemeente. Het was mijn eerste officiële ontmoeting met iemand van de overheid. Dat gaf mij het gevoel dat ik op de juiste weg was onderdeel van deze samenleving te worden. Hier kun je mijn verhaal ook in het Arabisch lezen. Hier kun je mijn verhaal ook in het Arabisch lezen. te worden.

Ik had zelf om de afspraak gevraagd, want ik had gehoord dat de gemeente al mijn vrienden al een keer had opgeroepen maar mij niet. Misschien omdat ik nogal ver weg woon van de meeste vluchtelingen in mijn stad. Of misschien was ik gewoon nog niet aan de beurt.

Wat betekent dat, een afspraak met een gemeenteambtenaar? In mijn thuisland, Syrië, voel je bij dergelijke ontmoetingen altijd een beetje angst. Je moet nauwkeurig zijn en direct en de tijd nemen voor het onderwerp.

Nu nam ik al mijn papieren mee, de brieven van de gemeente en mijn projectvoorstel: voor een website met verhalen en online radio. Ik nam me voor krachtig en consistent te zijn. Ik focuste op de positieve uitkomsten, bijvoorbeeld dat ik weer live-uitzendingen kan maken of een straatinterview kan doen, want ik mis de studio.

Wat ik wil doen: een journalistieke site oprichten

Ik begon eerst mijn geschiedenis uiteen te zetten, maar dat leek de ambtenaar getuige zijn gelaatsuitdrukking niet veel te interesseren. Ik ging daarom snel over naar het heden, dat vond hij vast veel belangrijker.

De ambtenaar stelde een directe, beetje bozige vraag: ‘Waarom spreek je geen Nederlands?’
Ik antwoordde: ‘Ik heb pas twee maanden les. Ik heb nog met niemand Nederlands gesproken. Ik leer abstracte woorden zonder context. Mijn excuses, ik beloof dat ik bij de volgende afspraak Nederlands met u zal spreken.’

Hij ging verder in het Nederlands en ik begreep geen woord van wat hij zei. Ik probeerde het gesprek in het Engels te laten verder gaan. De ambtenaar wees mij terecht. ‘Je moet onze taal spreken, je bent in een overheidsgebouw.’ Hij zei het op een boze manier en nam een slok water uit het glas dat voor hem stond.

‘Ga leren schoonmaken. Dat is een beroep waar je niet veel ervaring bij nodig hebt en het is goed voor vrouwen’

Ik probeerde het gesprek op het hoofdonderwerp te brengen, waarvan ik dacht dat dit het ijs zou breken, en om mijn schaamte te verbergen over het niet spreken van zijn taal. Ik legde de ambtenaar uit wat mijn plan is: een website en een tijdschrift starten, in het Arabisch en het Nederlands, met hulp van mijn oude Arabische vrienden en mijn nieuwe Nederlandse vrienden.

Ik heb dit plan ontwikkeld omdat ik weet dat Arabische volkeren verslingerd zijn aan verhalen. In het Midden-Oosten houden we er allemaal van die verhalen met elkaar te delen. Ik heb dat geleerd door mijn werk bij de lokale radio in mijn stad Aleppo en ik heb het gemerkt in de meeste Arabische landen die ik heb bezocht, zoals Egypte, Libië, Tunesië en de Emiraten. Een bekende journalist in de Arabische wereld heeft me eens gezegd: ‘Deel een verhaal met iemand en je hebt er een vriend bij.’

Ik legde de ambtenaar uit dat ik de mensen verhalen wil laten vertellen, over hun ervaringen thuis en in Nederland. En er informatie over dit mooie land aan wil toevoegen. Op den duur zal mijn project een bescheiden winst opleveren die voldoende zal zijn om uit de uitkering te komen.

Hij onderbrak me met één Nederlandse zin, die mijn denken volledig heeft veranderd: ‘Wat is je plan B?’
‘Wat bedoelt u met een plan B?’
‘Welk beroep heb je nog meer geleerd behalve journalistiek?’
‘Ik werk al meer dan tien jaar als journalist! Ik kan geen ander werk doen. Ik heb nooit geprobeerd iets anders te leren.’
‘Je moet iets nieuws leren. Laat de hoop op werk als journalist maar varen. Ga leren schoonmaken bijvoorbeeld. Dat is een beroep waar je niet veel ervaring bij nodig hebt en het is trouwens goed voor vrouwen.’

Wat ik moet doen: schoonmaakwerk

Ik heb één keer geprobeerd in Haarlem in een restaurant te werken als bordenwasser. Omdat ik Engels spreek, liet de eigenaar me bestellingen opnemen. Dat mislukte omdat ik geen ervaring had met zulk werk. In Syrië moet je een opleiding van twee jaar doen voordat je klanten mag bedienen.

En zo verloor ik mijn stad voor de tweede keer. Ik weet niet waarom ik het verlies van mijn stad koppelde aan het verlies van mijn droom. De eerste keer dat ik Aleppo verloor, was ruim een maand geleden, toen Syrische regeringstroepen de stad heroverden. Ik kon niet voorkomen dat ik nu weer in huilen uitbarstte. Het voelde alsof de lucht uit de kamer verdwenen was.

Ik huilde niet omdat ik me te goed voelde om als schoonmaker te werken. Ik huilde omdat ik nooit geleerd had om schoon te maken. Ik huilde omdat ik nooit een ander beroep had willen uitoefenen dan journalist.

De ambtenaar bracht me een glas water. Ik dronk ervan zoveel ik kon, en begon in het Nederlands, zo goed en zo kwaad als dat ging. ‘Leer mij hoe ik huizen en hotels moet schoonmaken.’ In het Engels ging ik verder: ‘Ik wil geen geld meer van de overheid, ik wil weer een productief mens zijn en belasting betalen als dank en erkenning voor de bescherming als vluchteling.’

Wat heb je als vluchteling aan een uitkering, als je eigenlijk wilt werken, maar niemand je vertelt hoe je hier aan de slag kunt komen? In het Arabisch hebben we daar een parabel voor. Stel, jij hebt honger en ik geef je twee stukken brood. Eén stuk is ongeschonden, het andere stuk is aangevreten en ik vraag je van beide stukken niet te eten. Dan heb ik je dus feitelijk niets gegeven om je honger te stillen. Ik plaats jou voor een raadsel dat niet op te lossen is.

Huilend verliet ik de afspraak. Ik ging naar het huis van een vriendin en haar man, ongeveer een uur met de bus van mijn huis. Ik wilde met iemand praten over het gebeurde, ik wilde huilen in het Arabisch.

Waarom ik toch wil schoonmaken

De volgende dag kreeg ik een brief van de gemeente waarin mij gevraagd werd een training te volgen om te leren hoe ik met mijn geld moet omgaan. Hoe ik moet rondkomen van de 270 euro die ik maandelijks ontvang. Ik moest hard lachen en besloot dat ik dan toch zou leren schoonmaken.

‘s Avonds kreeg ik bezoek van mijn vriendin en haar man. Beiden zijn afgestudeerd aan de universiteit met diploma’s die internationaal erkend zijn. Ook zij moesten huilen. Ze hadden dezelfde ambtenaar bezocht als ik. Ook zij hadden hem een compleet plan voorgelegd dat hen van een uitkering moest verlossen. Dat had hij afgewezen. Nu overpeinsden we gezamenlijk hoe we konden leren schoonmaken.

We overpeinsden gezamenlijk hoe we konden leren schoonmaken

Waarom wil ik zo snel mogelijk van mijn uitkering af? Als je niet van een uitkering hoeft te leven, kun je zelf kiezen welk beroep past bij jouw kennis en ervaring. Je verandert in een persoon die door de samenleving wordt gerespecteerd.

In mijn land zeggen we dat werk toewijding is. Je werkt om te voelen dat je nog in leven bent, je levert een bijdrage aan de maatschappij. Geen uitkering ontvangen betekent ook dat je niet meer bang hoeft te zijn voor een afspraak met een gemeenteambtenaar.

Maar hoe kom je zover? Volgens mij kost het veel geld om nieuwkomers cursussen te laten volgen en nieuwe beroepen te laten leren. Ik denk dat het nuttiger is hun kennis en ervaring te onderzoeken op basis van universitaire diploma’s en getuigschriften, en hen dan een passend advies te geven.

En waarom ik doorga met schrijven

Beste lezer, ik weet dat het voorgaande je misschien een beetje boos heeft gemaakt. Ik ben immers een gast die naar jullie land is gekomen en jullie weten niet wanneer ik weg zal gaan. En omdat ik zelf ook niet weet hoe lang ik hier zal blijven, moet ik wel weten wat mijn rechten en plichten zijn.

Ik geloof dat de meeste inburgeringscursussen mij leren wat mijn verplichtingen zijn jegens dit mooie land. Dat is ook nodig. Maar ik en alle andere nieuwkomers weten niet wat onze rechten zijn.

In de acht opvangcentra waarin ik verbleef tot ik mijn afgelegen huisje kreeg, hebben veel ambtenaren van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers met me gesproken om mij belangrijke dingen te leren. Zoals: ga niet met je schoenen op de wc-bril zitten, maak de gangen niet schoon met de brandslang, pluk geen giftige paddenstoelen in het bos, maak de konijntjes niet bang, maak de spinnen in de kamers niet , maak je kamer en het sanitair schoon, niet dringen in de rij voor het eten.

Maar niemand van hen heeft me geleerd wat mijn rechten zijn als vluchteling, als die er al zijn. Kan ik bezwaar maken? Kan ik in beroep? Mag ik dit artikel wel schrijven? Krijgt de gemeenteambtenaar een hekel aan mij als hij dit leest? Kan ik mijn eigen websiteproject starten?

En vindt de Nederlandse lezer mij opstandig? Moet ik wissen wat ik schreef? Of gaan jullie mij zelfs terugsturen naar mijn land? In dat geval moet ik nadenken over een beroep dat geschikt is voor mijn land.

Maar het blijft moeilijk om het beroep van journalist zomaar uit mijn hoofd te zetten. Journalistiek is een manier van denken, geen beroep om rijk mee te worden. Journalisten zijn arme sloebers, het is een beroep van opoffering. Dat heb ik vanaf het begin geaccepteerd.

Misschien moet ik toch een nieuw beroep leren om hier waardig te kunnen leven. Maar ik ga door met schrijven, in elke taal die ik ken of die ik nog zal leren. Dat heeft de oorlog in mijn land mij geleerd.

Breuken in het leven komen voor en als je je leven opnieuw moet opbouwen word je koppig van karakter. Je bent immers gered van een zekere dood. Het maakt je een gelukkig mens. Het leven heeft je immers een tweede kans gegeven en die probeer je te grijpen.

Ik ga door met voor jullie te schrijven, totdat ik ook schrijf in jullie taal. Mijn eerste artikel in het Nederlands zal nog wat krom zijn maar je zult het kunnen lezen. En als er fouten in staan, zullen jullie me helpen die te verbeteren.

Dit verhaal is vertaald uit het Arabisch Hier kun je ook de Arabische versie van dit verhaal lezen. Hier kun je ook de Arabische versie van dit verhaal lezen. het Arabisch door Jan Hoogland. Het is onderdeel van het initiatief Nieuw in Nederland. Zonder financiële bijdrage van Stichting Dioraphte Bekijk hier de site van Dioraphte. Bekijk hier de site van Dioraphte. Stichting Dioraphte was dat niet mogelijk geweest.

februari 6, 2017Permalink

Vluchtelingen. Nooit meer op ‘dat toontje’ praten

Waarom ik nooit meer op ‘dat toontje’ tegen vluchtelingen praat

Ik betrap mezelf erop als ik bij ben: ik bemoei me met hun leven en doe dat op een bepaalde toon. Zoals je tegen ouderen praat eigenlijk. Bij andere Nederlanders zie ik hetzelfde terug. Wat zit hier achter? Waarom ik nooit meer op ‘dat toontje’ tegen vluchtelingen praat

Gastcorrespondent GretaRiemersma
Wesal (9) en Tamim (10) van het Syrische gezin in Glimmen waar Greta Riemersma regelmatig komt. Foto: Tryntsje Nauta (voor De Correspondent)

Ik was op bezoek bij de Syrische familie Alrashed in het Groningse dorpje Glimmen toen er een vechtpartij uitbrak tussen twee van de kinderen: het dove zoontje Tamim (10) sloeg zijn zusje Wesal (9) en zij sloeg terug. Moeder Huda haalde haar schouders op en zei: ‘Dit gebeurt vaker.’

Wat deed ik? Ik stond op, haalde de kinderen uit elkaar en begon ze toe te spreken. Ik zei dat slaan pijn doet, dat we dus beter niet kunnen slaan en nog meer stichtelijks. De kinderen stopten en ik ging weer zitten. Pas toen drong tot me door wat ik had gedaan. Ik had mij bemoeid met de kinderen van een ander.

Nooit zou ik dit in mijn hoofd halen bij Nederlanders. Die zijn allergisch voor elke opmerking van een ander die het gedrag van hun kind ook maar enigszins stuurt. Met mijn fiets schepte ik eens bijna een dreumes die onverwacht de weg overstak en toen ik geschrokken ‘pas op’ riep, keek de vader mij al kwaad aan.

Waarom ging ik dan zo ver bij de familie Alrashed? Het stemde me tot nadenken. Want al vaker merkte ik dat ik bij de Alrasheds dingen doe die ik bij Nederlanders niet flik.

We bemoeien ons meer met vluchtelingen dan met Nederlanders

Ik ken de Alrasheds sinds oktober: vader Mahmoud (42), moeder Huda (33) en hun vier kinderen. In 2012 ontvluchtten ze Syrië en na omzwervingen door Jordanië en Egypte kwamen ze bijna een jaar geleden in Glimmen terecht. Ik leerde ze kennen via Nieuw in Nederland, Lees hier alles over het initiatief Nieuw in Nederland. Lees hier alles over het initiatief Nieuw in Nederland. Nieuw in Nederland, waarmee mijn collega Dick Wittenberg en ik voor De Correspondent onderzoeken hoe nieuwkomers een bestaan opbouwen in Nederland.

Maandelijks vul ik met Huda de bijbehorende vragenlijst in die inzicht geeft in dat nieuwe bestaan. Sinds ze me vroeg of ik Nederlands met haar wilde oefenen, kom ik bijna wekelijks bij de Alrasheds. Soms nodig ik ze uit bij mij thuis, omdat ook onze gezinnen het met elkaar kunnen vinden.

Huda vroeg hem of hij een goedkope, tweedehands vaatwasser voor haar wist, waarop de man antwoordde: ‘Heb je die dan nodig?’

Gaandeweg ben ik mezelf gaan observeren. Want hier klopte iets niet. Na het vechtincident zei ik tegen Huda dat ze beter in de winter de deur naar de onverwarmde schuur kan dichthouden, om te voorkomen dat er kou de huiskamer binnenkomt. Over haar oudste zoon Mohammed (12) zei ik dat zijn jas te koud was voor in de winter.

Ik zag pas goed wat ik aan het doen was toen ik andere Nederlanders hetzelfde gedrag zag vertonen. Op een avond maakte ik mee hoe iemand van de kerk langskwam bij de Alrasheds, die zichzelf de opdracht had gegeven wekelijks bij dit Syrische vluchtelingengezin in zijn dorp langs te gaan. Huda vroeg hem of hij een goedkope, tweedehands vaatwasser voor haar wist, waarop de man antwoordde: ‘Heb je die dan nodig?’ Het was alsof ik in de spiegel keek.

Ik besprak de kwestie met collega Dick Wittenberg, die moest glimlachen. Als vrijwilliger bij Vluchtelingen Werk had hij een nieuwkomer met veel volharding zeil in plaats van laminaat in de maag willen splitsen. De man moest zijn huis inrichten en Dick hielp hem. Toen bleek dat de keuze op laminaat viel, betoogde Dick dat hij beter zeil kon nemen, zeker in de slaapkamer. Zeil was goedkoper. Waarom geld uitgeven dat hij beter aan iets anders kon besteden?

En we doen dat op een bepaalde manier: met het ‘toontje’

Er begon me nog iets op te vallen. Niet alleen bemoeide ik me met zaken waar ik niets mee te maken had, ik deed dat soms ook op een specifieke manier. Dan hoorde ik mezelf net wat duidelijker articuleren en langzamer praten dan normaal.

Natuurlijk, de Alrasheds hebben een gebrekkige kennis van het Nederlands en dus is het handig verstaanbaar te spreken. Maar voor je het weet sluipt er een toontje in dat ook tegen mensen in een verzorgingshuis, mensen met een beperking of ernstig zieken wordt aangeslagen. Let maar eens op, er zit vaak iets overdreven begripvols in. Niks mis met begrip, maar in elke andere conversatie ligt het er nooit zo dik bovenop.

Opnieuw hoorde ik die toon terug bij andere Nederlanders die contact hebben met nieuwkomers. Niet voortdurend en bij iedereen, maar vaak genoeg om er een patroon in te zien. Ik vraag me af hoe het voelt als op één dag tien mensen zo tegen je doen. Voel je je nog serieus genomen? Ik denk het niet. Toen er laatst in Frankrijk iemand zo tegen me praatte, ook al kan ik aardig Frans, werd ik na vijf minuten al gek.

Wat zit hier achter?

Misschien zouden deze toon en houding me jaren geleden niet zijn opgevallen, maar tegenwoordig word je gedwongen erover na te denken. Mensen die zich het lot aantrekken van nieuwkomers worden ook wel Gutmenschen genoemd. Aan de andere kant hoor ik kinderen van de vroegere gastarbeiders zeggen dat ze zich storen aan Nederlanders die precies weten wat het beste voor ze is. Hun ouders hebben dit paternalisme over zich heen laten komen, maar zij weigeren dat. Wat beide visies delen is dit: mensen zouden andere mensen niet helpen omdat ze iets willen doen voor een ander, maar om er zelf een goed gevoel van te krijgen.

Waarom dan toch die houding? En die toon? Want beide getuigen van een ongelijke relatie

Als ik kijk naar het werk dat Nederlanders voor vluchtelingen verrichten, vind ik dat verwijt onterecht. Wat is er mis mee dat de Alrasheds zakken met kleren krijgen en hun rijtjeshuis grotendeels met gedoneerde huisraad hebben ingericht? En dat ze uiteindelijk ook een tweedehands vaatwasser kregen die de man van de kerk gratis voor ze op de kop tikte? Huda was blij toen ze hem kreeg. ‘Ik heb vier kinderen en moet drie dagen in de week naar Nederlandse les. Ik heb het altijd druk. Dit scheelt enorm,’ zei ze.

Een ontelbare hoeveelheid vrijwilligers helpt nieuwkomers dagelijks hun weg te vinden in Nederland – en dat gaat stukken verder dan de lesjes Nederlands die ik aan Huda geef. Grote netwerken als Global Workforce, Lees hier meer over Global Workforce… Lees hier meer over Global Workforce… Global Workforce, Refugee Start Force …hier meer over Refugee Start Force… …hier meer over Refugee Start Force… Refugee Start Force en Open Embassy …en hier meer over Open Embassy. …en hier meer over Open Embassy. Open Embassy koppelen vluchtelingen met een verblijfsstatus aan Nederlanders, waarna ze samen formulieren invullen, zoeken naar werk en duizend andere praktische dingen doen. In bijna elke Nederlandse plaats zijn kleinere clubs en losse vrijwilligers die hulp bieden. Zonder al deze mensen zouden veel vluchtelingen in Nederland er slechter aan toe zijn en langzamer inburgeren.

Maar waarom dan toch die houding? En die toon? Want beide getuigen van een ongelijke relatie, dat valt niet te ontkennen. Wie mensen vertelt hoe ze moeten leven en op een speciale manier tegen ze praat, ook al gebeurt het onbewust, beschouwt ze niet als gelijken.

Waarom ik voortaan mijn mond hou

Toen ik mezelf me hoorde bemoeien met Huda’s kinderen en de deur naar de schuur, dacht ik aan Gloria Wekker, emeritus hoogleraar gender en etniciteit aan de Universiteit Utrecht. Vorig jaar vertelde ze me in een interview Hier kun je dat interview teruglezen (achter een betaalmuur). Hier kun je dat interview teruglezen (achter een betaalmuur). een interview hoe haar familie begin jaren vijftig van Suriname naar Amsterdam emigreerde en daar onder hetzelfde regime viel als de Indo’s die rond die tijd naar Nederland kwamen. Op onverwachte momenten kreeg de familie Wekker bezoek van een maatschappelijk werkster die de huishouding controleerde. Kookte moeder aardappelen in plaats van rijst? Deed ze de was op maandag en maakte ze op woensdag gehakt? Was het huis schoon genoeg?

Ik ben geen maatschappelijk werkster, maar mijn bemoeienis met de Alrasheds was een echo van wat Wekker beschreef. Volgens haar komt dit gedrag voort uit ons vroegere koloniale denken, waardoor Nederlanders zich nog steeds superieur wanen. Het is een boodschap die we onbewust meekrijgen, via televisie, gesprekken en wat we lezen. Ik sluit dat niet uit. Een volk dat eeuwen andere volken aan zich heeft onderworpen, is de bijbehorende houding niet in een paar decennia kwijt.

Ongetwijfeld speelt in de relatie vluchteling-Nederlander ook mee dat de een de ander wegwijs maakt in Nederland. Er is iemand die hulp krijgt en iemand die hulp geeft. Zo’n relatie kan scheef komen te liggen, juist in een land als Nederland waar in principe de overheid verantwoordelijk is voor langdurige hulp aan kwetsbaren. Gewone Nederlandse burgers hoeven die hulp niet te geven – als ze het doen is het een aanvulling, de uitzondering op de regel.

In landen zonder sociale voorzieningen zie je hoe het anders kan. In Marokko ken ik een straat waarin een gezin zonder inkomen overleeft, omdat elk huis om de beurt eten en geld geeft. Het gezin is niet overdreven dankbaar en de rest van de straat praat niet over wat ze doet, want dat zou onbeschaafd zijn. Iedereen weet: vandaag help ik de buren, morgen helpen de buren mij.

Ook al ben ik blij met de sociale voorzieningen in Nederland, zo wil ik het ook zien: hulp als niets bijzonders, als onderdeel van de beschaving. Want die toon en die bemoeizucht van mij, die moeten .

Vind ik het dan goed dat kinderen elkaar slaan? Nee, natuurlijk niet. Maar ik vind het ook niet goed dat kinderen om de zin ‘fuck’ zeggen, met de voeten op tafel zitten en bijna dagelijks frites en chips eten. Ik heb het allemaal meegemaakt met kinderen van Nederlanders en er nooit iets van gezegd. Zolang er niets onwettigs of moreel totaal verwerpelijks gebeurt, hou ik voortaan in alle gevallen mijn mond.

Vluchtelingen

Dit verhaal is onderdeel van het initiatief Nieuw in Nederland. Zonder financiële bijdrage van Stichting Dioraphte Bekijk hier de site van Dioraphte. Bekijk hier de site van Dioraphte. Stichting Dioraphte was dat niet mogelijk geweest.

 

januari 13, 2017Permalink

Geen gezucht met wilde lucht, maar je adem omarmen

januari 1, 2017Permalink

Wie vertrouw je je kind toe?

'Wie vertrouw je je kind toe?'© Robin de Puy

‘Wie vertrouw je je kind toe?’

‘Al leg je van tevoren een briefje neer op de keukentafel’

Carolien Spaans

Hebben jullie eigenlijk een testament?’ vroeg mijn vriendin Carolien terwijl ze in een kop thee blies. Het was donderdagmiddag, Leonard Cohen was en ik had net verteld dat we tickets naar Israël hadden geboekt, onze eerste vakantie zonder de Dochter, onze laatste met z’n tweeën voor we voorgoed met z’n vieren zullen zijn.

‘Nee’, zei ik. ‘Niet eens. Zou wel moeten, hè?’

Carolien haalde haar schouders op. ‘Het is wel handig, ja. Je kan nooit weten.’

Je kan nooit weten, nee, daar waren we wel achtergekomen nadat haar man Jean zeven maanden geleden tijdens een skivakantie in een gletsjer was verdwenen. De schok was enorm en het leed van de lange adem, maar één ding: zijn zaakjes had hij tenminste goed geregeld. ‘Al leg je van tevoren een briefje neer op de keukentafel’, zei Carolien. ‘Dan is er in elk geval íéts duidelijk.’

Ik knikte en keek naar buiten. Het regende, de hele dag al, zelfs de poes verveelde zich. Wat had ik zin in zon. Wat had ik zin in avontuur. Wat had ik zin in een week niks moeten en alles mogen en lang leve de relatie, vooral dat laatste was er nogal eens bij ingeschoten, afgelopen jaar. Maar Israël is geen Ibiza en de gedachte aan een verkeerde plek op de verkeerde tijd was bij mij natuurlijk ook door het hoofd gegaan – één gek en je was er geweest.

‘Hoe heb jij dat eigenlijk geregeld?’, vroeg ik. ‘Waar gaat Lucas naartoe als jij doodgaat?’

‘Naar Jeans broer en zijn vrouw’, zei Carolien. ‘Dat hebben Jean en ik destijds zo besloten.’ Mooi besluit: Jeans broer en zijn vrouw woonden met hun twee dochtertjes vlak achter Carolien, steegje in, poortje door en je was er, dichter bij de bron kon Lucas later niet komen. Mocht Onze Lieve Heer inderdaad zo gek zijn ook Carolien naar huis te halen, zouden haar ouders in dat van haar gaan wonen en zo een huiselijke haag om het jongetje heen vormen – van alle slechte scenario’s was dit beslist de beste.

Terwijl de poes klagelijk miauwde, dacht ik na over wat wij zouden doen.

Familie en vrienden zat, maar wie vertrouwde je je kind toe? Ouders werden oud, vaders waren dood, broers en zussen hadden hun handen vol aan eigen gezinnen. En daarbij: het luisterde nauw, héél nauw. Een groot hart was het belangrijkst, gezond verstand stond op twee en je was spek-koper als je kind enigszins in jouw geest werd opgevoed, maar verder? Had diegene ook genoeg ruimte in huis? Zou je kind later kunnen studeren? Of mocht je dat soort banaliteiten helemaal niet mee laten tellen? En al mocht het wel: de spaarzame keren dat de Man en ik het erover hadden gehad, terloops, tussen het ontbijt en de boodschappen door, was er eigenlijk maar één naam naar voren gekomen, en dat was die van Carolien.

Wie vertrouwde je je kind toe

Eva Hoeke

Maar ja.

‘Hoezo: dat kan nu niet meer?’ Carolien keek me vragend aan.

Ik zuchtte. ‘Omdat je nu in je eentje bent. Dat zou ik nooit van je vragen, om er dan ook nog de voor een ander bij te nemen.’

Ze schudde haar hoofd. ‘Moet je horen: ik zou álles uit mijn handen laten vallen, meteen. Juist mooi toch? Heeft Lukie meteen een zusje en krijg ik alsnog een groot gezin.’

Ik mompelde iets, liep naar de keuken, de poes miauwde nog steeds. ‘Alleen dat malle beest van jullie, die neem ik niet hoor’, hoorde ik haar roepen terwijl ze die jankerd op schoot trok. ‘Die is niet helemaal honderd procent.’

Morgen vertrekken we, dit is mijn briefje, jullie de keukentafel.

eva.hoeke@volkskrant.nl

december 3, 2016Permalink

Allemaal naïef

Naïef en worden vaak in een adem genoemd. Als je eenmaal doorhebt hoe ellendig de is, moet je je daar blijkbaar naar gedragen. Maar hoe langer je erover nadenkt, hoe vreemder het is dat optimisme en naïviteit zo inwisselbaar zijn geworden.

We zijn , laten we ophouden dit elkaar te verwijten
Gastcorrespondent Afhankelijkheid
Rebekkade Wit
Illustratie: Bethany Walrond (voor De Correspondent)

Net na de Amerikaanse verkiezingen zei ik tegen iemand dat ik zin had om mijn brandweerpak aan te trekken.

Hij vroeg wat ik bedoelde. Het was een metafoor, zei ik. Ik had de drang om ‘iets te doen.’ Een vinger in een dijk steken, een brand blussen. Ook die brand was een metafoor.

Aan het einde van het gesprek zei hij dat hij blij was dat hij weer eens een ‘naïef en optimistisch iemand’ had ontmoet.

Ik wist niet wat ik daarvan moest denken, want ik voelde me helemaal niet naïef en optimistisch. Ik weet dat die woorden vaker naast elkaar staan, soms zelfs als synoniemen van elkaar worden gebruikt, maar waarom eigenlijk? Volgens mij omdat we ervan uitgaan dat als je de wereld eenmaal doorziet, je er van wordt. Als je eenmaal doorhebt hoe kut de wereld is, moet je je daar blijkbaar naar gedragen.

Iemand anders zei laatst tegen mij: ‘Soms ben ik bang dat jouw generatie denkt dat alles toch nog goedkomt.’ We keken op dat moment uit op een balkon waar iemand een heel kleine moestuin aan het aanleggen was. Eigenlijk was het een plantenbak, maar toen we vroegen wat hij aan het doen was, zei hij dat hij bezig was aan zijn moestuin. Ik denk niet dat dat naïef en optimistisch was. Ik denk eerder dat het een soort goedgemutste wanhoop was.

Ik heb wel vaker gehoord dat mijn generatie naïef en optimistisch zou zijn. Ik denk het niet. Als je mij kunt betrappen op hoop of een moestuin in mijn zinnen dan kan ik je verzekeren dat die gemaakt is van wanhoop. Optimisme of hoop suggereert wellicht dat je de krant niet leest, maar in mijn geval is hopen het enige wat ik kan doen met de wanhoop waar ik na het lezen van de krant mee achtergelaten word.

En zoals ik het gelul vind dat er na Auschwitz geen gedichten meer geschreven mochten worden, Dat stelde de Duitse filosoof Theodor Adorno. Dat stelde de Duitse filosoof Theodor Adorno. geschreven mochten worden, dat zwijgen de enige legitieme reactie was op de toestand, vind ik het gelul dat pessimisme of wanhoop de enige legitieme reactie is op de toestand van de wereld. Ja, hoe langer je erover nadenkt, hoe vreemder het is dat optimisme en naïviteit zo inwisselbaar zijn geworden.

Als je probeert te begrijpen wat Amerika in Vietnam te zoeken had, kom je al snel bij de dominotheorie uit. Het was het idee dat heel Zuidoost-Azië – nee, de hele wereld! – communistisch zou worden als Vietnam niet binnengevallen zou worden.

Ik stel me voor dat Dwight Eisenhower President van de Verenigde Staten (1953-1961) tijdens de Vietnamoorlog. echt een dominospel had uitgestald op een tafel in het Witte Huis voordat er vergaderd zou worden over de kwestie Vietnam. Dat de president de hele ochtend voorover gebogen had gezeten om de hele wereld in dominosteentjes uit te stallen.

De Amerikanen waren toen op het hoogtepunt van de angst dat het communisme een besmettelijke ziekte was en Eisenhower liet de regering zien wat er met de wereld zou gebeuren als Vietnam zou omvallen. Hij duwde het steentje om dat Vietnam moest voorstellen. Vervolgens vielen alle steentjes, zo had hij ze namelijk opgesteld en uiteindelijk viel ook het steentje dat Amerika moest voorstellen en iedereen aan die tafel was zo geschrokken van het feit dat het lichtgele steentje waarop een de U stond van United (States) dat ze begonnen aan een oorlog die twintig jaar zou duren.

In heel veel opzichten is de Vietnamoorlog verschrikkelijk naïef geweest, en over die naïviteit is niemand heel opgetogen

In heel veel opzichten is de Vietnamoorlog verschrikkelijk naïef geweest, en over die naïviteit is geloof ik niemand heel opgetogen. Toch is die oorlog niet als naïef de boeken ingegaan. Wel als een fout, maar niet als naïef. Waarom is naïviteit zo makkelijk aan het goede toe te schrijven, of het onschuldige, maar niet aan bijvoorbeeld oorlogen?

Toen ik op Google naar meer voorbeelden van naïeve oorlogen zocht, kwam op een site Hier kwam ik terecht. Hier kwam ik terecht. een site terecht waar iemand fulmineerde tegen de arrogantie en naïviteit van de westerse oorlogvoering. Dat je niet moet denken dat je zomaar een een democratie in kunt bombarderen. ‘Misschien zijn die landen nog wel eeuwen van een democratie verwijderd.’

Ik geloof niet dat hij doorhad dat de taal waarin hij zijn strijd tegen oorlog voerde, hoe hij sprak over ‘culturen die nog eeuwen verwijderd zijn van onze beschaving,’ dezelfde taal is die oorlogen rechtvaardigt.

Is dat naïef? Ik weet het niet. Ik denk niet dat hij zichzelf naïef vindt. Wat trouwens een heel vreemd neveneffect is van het woord. Zodra je anderen naïef noemt, ben je het per definitie niet zelf. Ik kan me voorstellen dat alle mensen die zeiden dat het wel meeviel met de besmettelijkheid van het communisme naïef werden genoemd en zo van de dominotafel werden gestuurd.

Het is een diskwalificatiemiddel dat heel effectief is.

Ik twijfel zelden aan de autoriteit van de scheidsrechter die mij van tafel stuurt door te zeggen dat ik naïef ben.

Iemand vertelde mij laatst dat zij een oom heeft die rijk is geworden met het vervoer van wapens. Als zij hem daarnaar vraagt zegt hij meestal dat de wereld ‘nu eenmaal corrupt is.’
‘En als je niet corrupt ben, ben je naïef.’ Ze vroeg hem tot welke categorie zij zelf dan behoorde volgens hem, waarop hij zei dat als ze een mening had over zijn werk, ze waarschijnlijk naïef was.

Los van het feit dat ik me schaamde ten aanzien van het hele universum voor die opmerking, werd ik ineens bang dat als mensen mogen kiezen tussen corrupt en naïef, ze dan liever corrupt zijn.

Christoffel Columbus schrijft Hier vind je een Nederlandse versie. Hier vind je een Nederlandse versie. schrijft in zijn scheepsdagboek uitgebreid over de ‘gedweeë en goedgelovige bevolking.’ Ik denk dat Columbus op dezelfde manier naar de inheemse Amerikanen keek als de corrupte oom naar zijn naïeve nichtje. De inheemse Amerikanen begrepen niet wat bezit was en werden door Columbus uitgelachen en naïef genoemd.

In 1854 werd in een Amerikaanse krant een speech gepubliceerd die Chief Seattle Hier vind je meer over die speech van het opperhoofd. Hier vind je meer over die speech van het opperhoofd. Chief Seattle had gehouden toen hij één van de laatste stukken land overdroeg aan ‘de blanke man’ en die beroemd geworden speech eindigde als volgt:

‘Het maakt niet uit waar wij de rest van onze levensdagen slijten. Lang kan het niet meer duren. Maar waarom zou ik rouwen om het ontijdige lot van mijn volk? Stam volgt op stam en natie volgt op natie, als golven van de zee. Het is de natuurlijke orde en verdriet is zinloos. Uw neergang ligt misschien in de verre toekomst maar zal zeker komen. Want zelfs de blanke man, wiens God met hem wandelde en sprak als met een vriend, is niet gevrijwaard van dit gemeenschappelijk lot. Wellicht zijn we dan uiteindelijk toch broeders. We zullen zien.’

Onlangs zat ik in Mexico naast een IT’er uit België de hele dag op een bus te wachten. Ik vermoed dat hij zichzelf niet naïef zou noemen, dat hij de wereld heus wel door had, omdat hij van alles kon doen met internet. Hij wist bijvoorbeeld een netwerk te hacken met zijn Belgische telefoon, om vervolgens via Google Translate een zinnetje te vertalen dat hij op het Instagramaccount postte van de Mexicanen met wie we net op de foto waren gegaan.

En toen ik vroeg of ik de foto mocht zien, ik stond er immers ook op, zag ik het zinnetje dat hij eronder had gezet. Er stond: Fue muy rico de satisfacerte y tus amigos. Wat min of meer betekent dat hij het erg leuk had gevonden om de jongen en zijn vrienden te bevredigen.

Aan het einde van de dag, spelend op zijn telefoon, zei hij verzuchtend dat we in de toekomst steeds minder gingen hebben. Hij doelde op het feit dat je tegenwoordig bijna alle software moet leasen, maar hij zei het op een toon alsof dat het einde van onze beschaving was.

Ik wou toen dat Chief Seattle bij ons op dat bankje zat. Als Chief Seattle nog zou leven, zou hij zien dat Mexico kapotgaat aan het hebben, dat er door alle drugskartels jaarlijks duizenden hoofden worden afgehakt om macht, geld en territorium te hebben. Hij zou denken aan zijn voorouders die werden uitgelachen, omdat ze nooit hadden stilgestaan bij de gedachte dat er iets te hebben valt. Hij wist allang dat het zo zou aflopen.

De jongen die mij naïef en optimistisch noemde was even oud als ik. Misschien zelfs jonger. Na het gesprek vroeg ik me af: wat is er gebeurd, wat heeft hij doorzien, welk licht is er tot hem gekomen, waardoor hij de wereld in haar volle glorie heeft gezien en hij de legitimiteit kreeg om te zeggen dat sommige dingen naïef zijn.

Want bij mijn weten is het woord alleen maar een alibi. Dat is de enige inhoud die het heeft.

Voor de oom is het een alibi om zijn eigen corruptie op de wereld af te schuiven.

Het is een middel dat alle tegenstanders uitschakelt om een oorlog te beginnen.

Het is iets dat je verbeelding gijzelt, iets waardoor je geneigd bent al je zintuigen te wantrouwen.

Iemand heeft wel eens tegen mij gezegd dat het naïef is te denken dat je met woorden mensen kunt overtuigen. Dat je de wereld zou kunnen veranderen met woorden. Die uitspraak suggereert dat er een wereld was voordat er woorden waren. Ik denk dat er veel dingen waren zonder woorden, maar doorgaans niet de dingen waar oorlog om wordt gevoerd.

Ik wist niet wat ik van die uitspraak moest denken, want ik ben altijd te overtuigen met woorden en ik ben toch ook ‘mensen.’

Bovendien had ik destijds net begrepen – via een vak dat ‘overzicht van de late middeleeuwen’ heette – dat de paus die mensen opstookte om op een kruistocht te gaan, paus Urbanus II, dat gedaan had met een adembenemende speech, waarbij hij de mensen een kerk voorstelde in Jeruzalem waarin God zelf gegijzeld was door de Palestijnen. God lag in een hoekje te kniezen in een kerk en wij moesten hem gaan bevrijden.

Het waren woorden die een beeld vormden waardoor iedereen z’n leven op het spel zette.
Het was een dominospel dat werd vergeleken met de wereld. Het was dat beeld dat een oorlog ontketende.

We zijn het allemaal, naïef, tot en met onze

Ik ben geen pleidooi aan het houden voor of tegen naïviteit. Het gaat erom dat we het allemaal zijn, naïef, tot en met onze dood. Wat betekent dat iemand naïef noemen altijd een zeer onrechtmatige greep naar de macht is.

Rutger Kopland – psychiater en dichter – heeft ooit een gedicht gemaakt gebaseerd op de speech van Chief Seattle. ‘Het opperhoofd spreekt.’ Kopland was hoogleraar in de psychiatrie, gespecialiseerd in depressie en daarom hoofd van de gesloten afdeling psychiatrie van het academisch ziekenhuis in Groningen. Zeven jaar voor zijn dood kreeg hij een zwaar auto-ongeluk. Hij raakte in een coma en toen hij daaruit ontwaakte, moest hij alles wat hij tot dan toe in zijn leven had geleerd, opnieuw leren. Thuis was hij onhandelbaar, waardoor hij op de gesloten afdeling belandde waar hij zelf ooit het hoofd van was.

In de documentaire De taal van het verlangen Hier vind je de documentaire De taal van het . Hier vind je de documentaire De taal van het verlangen. De taal van het verlangen vertelt hij dat hij werd tegengehouden op het moment dat hij naar buiten wilde. Het drong daar en dan pas tot hem door wat dat betekende. Niet naar buiten kunnen maakte hem zo woedend dat hij op die gesloten afdeling regelmatig dacht: ‘Wat is mij godverdomme overkomen.’

Ik stel me voor dat Kopland toen hij opgesloten zat, alle gezichten van al zijn patiënten ineens voor zich zag en het gevoel had dat hij ze nu pas ontmoette. Dat hij in zijn eentje, in een oneindig zwart gat van wanhoop, begreep wat het betekende om daar te liggen.

Dit verhaal achtervolgt mij, omdat ik soms bang ben dat we alle dingen die iemand maken tot wie hij is moeten meemaken voordat we elkaar kunnen ontmoeten. Echt ontmoeten. En de (schok over de) verkiezingsuitslag lijkt mij onder andere een gevolg van een schrijnend gebrek aan ontmoeting.

Ik dacht namelijk even dat als we elkaar zouden vinden en naar elkaar luisteren dat alles dan in ieder geval een beetje beter zou zijn.

We moeten elkaars worden, dacht ik, omdat je soms zin hebt je familie keihard tegen een muur te duwen, maar je wel samen de voorraadkast gaan uitmesten. Maar denkend aan Kopland geloof ik niet dat dat genoeg is. We moeten elkaar worden. Als we tenminste willen dat onze eenzaamheid de planeet niet vernietigt. En alhoewel ik daar allejezusweinig zin in heb, om ‘elkaar te worden’ bedoel ik, en weinig hoop koester over de bereidwilligheid van alle partijen om daaraan mee te werken, denk ik dat je er toch maar beter aan kunt beginnen. Maar dit zei ik niet tegen de jongen op het feestje, en daar heb ik nu spijt van. Het was naïef van mij om te denken dat hij me zou hebben uitgelachen.

november 27, 2016Permalink

Hoe (on)tevreden is Nederland echt?

Vanuit ontwikkelingsland Amerika zag ik: in weinig landen hebben mensen het zo goed als in Nederland. Toch las ik in het nieuws steeds over de ‘boze Nederlander’. Nu ik terug ben, wil ik op zoek naar een antwoord op de vraag: is Nederland gelukkig? Of is dat schone schijn?

Hoe (on)tevreden is Nederland echt?

Correspondent Klein Nederland

Avatar Arjen van Veelen
Ik zweef in een plezierwiel, zo’n vijftig meter boven zee. Ik droom niet, het is oktober 2016. Scheveningen beschikt sinds kort over een permanent reuzenrad, net als Londen, Tianjin en New York. Mijn gondel heeft airconditioning.Beneden me ligt de pier, die jarenlang oogde als een omgevallen, verwaarloosde Euromast, maar inmiddels is gerestyled tot fraaie foodboulevard waar badgasten, van alle kleuren en talen, smikkelend boven het water kunnen flaneren.Over het strand hobbelen ruiters, in zee dobberen geduldige surfers, langs de vloedlijn zoekt een man met een emmertje naar schaaldieren. De blanke top der duinen schittert, zelfgemaakte vliegers gaan op.Zomaar een maandagmiddag in een volmaakt Nederland.

Nederland welvaartland

Begin deze zomer verhuisden mijn vrouw en ik vanuit het Amerikaanse St. Louis, Missouri Hier kun je al mijn verhalen vanuit Amerika teruglezen. naar het Nederlandse Den Haag. We kenden de stad niet, maar Amsterdam was te duur geworden en Den Haag de enige grote stad met een zee.

‘Nederlanders beseffen niet hoe goed ze het hebben,’ is een dooddoener die je niet vaak genoeg kunt inwrijven.

Wie vanuit een ontwikkelingsland – wat ook Amerika voor een belangrijk deel is – terugkeert, ontkomt niet aan die omgekeerde cultuurschok. Nederland is zo schathemeltjerijk.

‘Nederlanders beseffen niet hoe goed ze het hebben,’ is een dooddoener die je niet vaak genoeg kunt inwrijven

Terwijl ik rondjes draai, heb ik zicht op de historische iconen van de Scheveningse kust. Zoals het Kurhaus, dat prachtige, negentiende-eeuwse badhotel, ooit gebouwd voor de welgestelden.

Op oude reclametekeningen zie je hoe het ooit soeverein te midden van de lege duinen lag. Inmiddels is het hotel ingebouwd met de wanarchitectuur van de jaren zeventig en tachtig. In een recente aflevering Kijk de uitzending ‘Parel aan de Noordzee’ hier terug. van Andere Tijden over Scheveningen klonk verlangen door naar de tijd dat de kust nog leeg was.

En inderdaad: fraai is anders, al die all-you-can-eat-sushi’s, Kruidvats en McDonald’s. Of de casino’s die het Kurhaus van liefst drie kanten omsingelen. Tegelijkertijd is nauwelijks een krachtiger symbool voor onze rijkdom denkbaar dan dit volgebouwde duingebied.

Het Kurhaus raakte in de jaren zestig in verval, juist doordat de groeide: welgestelden namen voortaan het vliegtuig naar de zon. En die zonvlucht lijkt sindsdien een grondrecht voor iedere Nederlander geworden. Zelfs de doorsnee Scheveningse jeugd vliegt in de zomer naar Chersonissos.

En nu ligt de welvaart hier weer voor het oprapen. De snackbars heten ‘fritesatelier’ en in de strandtenten verkopen ze geen kroketten, maar speciaal via een geheim Parijs adresje geïmporteerde sardientjes. Op terrasjes drink je mojito naast boeddhabeelden – tenzij je aan het strandyogaën bent.

Waarom dan zo ontevreden?

Vanuit het reuzenrad zie ik in de verte het standbeeld van de Vissersvrouw bezorgd over zee turen. Even verder staat een monument met namen van omgekomen vissers erop. De laatste visser verdronk jaren geleden. En de Vissersvrouw is nu een museumstuk uit een tijd dat de steenrijken aan het pootjebaden waren in dezelfde zee waar het plebs verdronk.

De beelden die de huidige tijd typeren, zijn de reusachtige boeddha’s die bij talloze strandtenten staan opgesteld – op de plek waar vroeger de vissersboten lagen. Ze stralen een intens behagen uit.

Vanuit de gondel zie ik ook de zuidboulevard. Prachtig vernieuwd, met als vertrouwde ijkpunten de gietijzeren rode vuurtoren en de hardstenen gedenknaald. Die naald werd in 1865 geplaatst om de plek te markeren waar een halve eeuw eerder Willem I Frederik aan land kwam, een rijkeluiszoontje dat dankzij een coup van drie opportunistische heren tot koning van Nederland werd gekroond. Dit is de plek waar de mythe van Nederland is geboren.

Als we inzoomen op de naald zien we goudkleurige teksten aan vier zijden: GOD REDDE NEDERLAND — 30 NOVEMBER 1813 — HET DANKBARE VOLK — 24 AUGUSTUS 1865.

Ruim tweehonderd jaar later is dat dankbare volk zo weldoorvoed en welgesteld als de koning toen. Je zou verwachten dat het nog dankbaarder is geworden.

Het omgekeerde is het geval — als de berichten kloppen die ik in Amerika meekreeg.‘Mensen zijn boos en ze hebben gelijk,’ Het stuk op Joop.nl: ‘Mensen zijn boos en ze hebben gelijk.’ had ik gelezen. En: ‘Boze burgers na referendum nog bozer.’ Het stuk op Ad.nl: ‘Boze burgers na referendum nog bozer.’ En laatst nog, bij de aankondiging van een debat in De Balie: ‘Iedereen is boos.’ Kijk hier het debat tussen Bas Heijne en Tom Lanoye terug.

Zelfs de koning begon er onlangs in de Troonrede weer over. Want de economie draait wel weer als een tierelier, ‘tegelijkertijd zijn in de maalstroom van alledag onrust en onbehagen kenmerken van deze tijd.’

Als ze nu een standbeeld zouden plaatsen, dan was het eerder zo’n weldoorvoede boeddha met een middelvinger omhoog en de tekst: VAN HET ONDANKBARE VOLK.

De problemen van deze tijd

Begin deze zomer, ik was net verhuisd en ging een plant kopen om het balkonnetje mee op te luisteren. Om de hoek zit een snoezige winkelstraat met groentejuweliers, ijscozaken sedert negentienzoveel en een pas geopende Poolse supermarkt.

In de bloemenzaak zocht ik een wijnrank uit. Het was zaterdag, de zon scheen — een meteorologische meevaller na een paar dagen kwakkelend weer. ‘Lekker weertje,’ zei ik dus tegen de verkoopster. Die beaamde dat met een glimlach, maar een andere klant zei, met haar hoofd tussen de flora: ‘Ja, maar dat hadden ze anders níet voorspeld!’

De nijdigheid waarmee de vrouw het zei, bracht me even van mijn stuk: dus toch, de beruchte boze burger bestaat. Ze bleek zelfs ontstemd over de zon, omdat ‘ze’ het weerbericht fout hadden. Had ze haar dag niet? Was ze van dat onverbeterlijke pessimistische soort dat ik wel ken uit de Rotterdamse volkswijk waar ik opgroeide — het type dat loterijen aanklaagt omdat ze weer niets gewonnen hebben?

In ieder geval leek de vrouw een uitzondering. De meerderheid van de Nederlanders die ik trof, straalde van . En ik zag ook geen reden waarom ze hier níet vrolijk zouden zijn. Het leven leek hier een feest. Elke dag is een festival gaande. Vuurwerkfestival, Vliegerfestival, Foodtruckfestival.

De meerderheid van de Nederlanders die ik trof, straalde van geluk

Zelfs de problemen waarover de media berichtten, kwamen eerder komisch over dan tragisch. Zo werd de Scheveningse kust deze zomer geteisterd door een ‘tsunami’ aan golfsurfers, berichtte de NOS. Hier het nieuwsbericht over de tsunami aan golfsurfers. Ik las ook over een afgrijselijke meeuwenoverlast. De Telegraaf: ‘Meeuw verslaat Den Haag.’ En er is sprake van hevige onrust Aldus de NOS: ‘Pokémon-hoofdstad Kijkduin kan overlast Pokémon Go niet meer aan.’ door jongelingen die met hun mobiel door de natuur van Kijkduin struinen op zoek naar Pokémons.

Waren er dan helemaal geen boze burgers? Ik bezocht twee demonstraties, eentje tégen en eentje vóór boerkini’s. Beide trokken slechts een handjevol demonstranten, en zelfs daar leek men niet echt boos. De demonstraties leken eerder verkleedfeesten, eerder verzetjes dan .

Foto's: Arjen van Veelen
Foto’s: Arjen van Veelen

En dus bekroop me het gevoel dat die zorgen van de Nederlanders even virtueel – dat wil zeggen: niet bestaand – zijn als de Pokémonfiguurtjes in de duinen. En dacht ik: de eerste politicus die zegt ‘zanik niet zo, kijk nou hoe fokking rijk we zijn, ga toch stand-uppeddelen’ heeft mijn onverbiddelijke stem.

Maar in Scheveningen is de grootste partij de meeuwenlogopartij. De PVV wil minder moslims. Die moslims zijn niet virtueel, je ziet inderdaad veel moslims op het strand van Scheveningen. Sterker, je ziet er alles door elkaar zitten; barbecueënd, frisbeeënd – het lijkt soms verdomd wel een gelukte samenleving, dat strand.

Nu zijn hier ook best zaken om van te huilen. Bijna één op de vier kinderen in Den Haag groeit op in armoede. Dit meldt Omroep West over armoede in Den Haag. En één op de tien is werkloos. Daarmee zit de stad in de top drie Lees hier wat het AD schrijft over werklozen in Den Haag. van Nederland. En het aantal dakloze Hagenezen groeit explosief. Dit schrijft het AD over daklozen in Den Haag.

Net als in St. Louis waren er hier rellen tegen politiegeweld, bijvoorbeeld toen Mitch Henriquez door agenten werd gedood. En net als St. Louis is Den Haag een van de gesegregeerdste steden van het land. Ook hier het scherpe contrast tussen villa’s en verval.

Maar zelfs in de wijken waar het Lebarablauw domineert, zagen de straten en de mensen er vele malen vrolijker uit dan in de getto’s in St. Louis. Ter illustratie: de graffiti die ik hier aantrof is niet alleen van professioneel niveau – zoals een Haagse Harry op een afbraakpand – maar ook gesubsidieerd en aangebracht om een oude wijk op te fleuren voor die gesloopt wordt voor nieuwbouw.

Het is natuurlijk een dooddoener om te zeggen: ‘Vroeger was het pas erg.’ Of ‘in Afrika, daar hebben ze pas honger.’ En misschien leef ik met mijn hoofd nog te veel in mijn vorige land. Maar ik ben zeer benieuwd: misschien zijn de Nederlanders wel helemaal niet boos. En misschien zijn ze ook helemaal niet verwend.

Begin van een verhalenreeks

Die vragen kan ik natuurlijk niet beantwoorden terwijl ik rondjes draai in mijn ivoren reuzenrad. Dat moet ik aan de Nederlanders zelf vragen. Dat ga ik de komende maanden dus doen. Te beginnen door wandelingen te maken in Den Haag.

Den Haag is Nederland natuurlijk niet, maar staat wel symbool voor Nederland – en niet vanwege de microkosmos Madurodam. De koning werkt er én Barbie. Het is de stad van vlaggetjesdag, van Koninklijke Shell én van de Hofstadgroep. Internationaal én lokaal.

Heel Nederlands, kortom, dus ik hoop dat de verhalen ook inzichtelijk zijn voor de rest van het land — zo niet, dan hoor ik het graag.

Foto's: Arjen van Veelen
Foto’s: Arjen van Veelen

Ik begin mijn wandelingen bij de hardstenen, afgeknotte gedenknaald met de gouden bol, van het Dankbare Volk, naast de halte waar Tram 11 omkeert. Vanaf daar ga ik grofweg de route van die tram volgen, de stad door, door alle bevolkingslagen, naar Hollands Spoor.

Ofwel: van de plek waar de mythe van Nederland geboren is, naar de wijken waar Nederland — volgens sommigen — Nederland niet meer is.

Mijn werkhypothese luidt voorlopig: Nederland is het gelukkigste land op aarde.

Kijken hoe lang die standhoudt.

oktober 9, 2016Permalink

Eldar Shafir: ‘Haal de ruis uit het hoofd van armen’

Foto: Adrie Mouthaan
zijn voortdurend druk met en nemen daardoor domme beslissingen, stelt psycholoog Eldar Shafir. De overheid kan ze beter helpen dan ze daarvoor straffen. ‘Neem hen uit handen.’

 ‘Haal de ruis uit het hoofd van armen’

Zijn grootste angst was dat iemand over hem zou zeggen: ‘Wat een idioot. Hij stelt dat de armen dom zijn.’ Maar tot nu toe begrijpt iedereen zijn boodschap dondersgoed, zegt de vooraanstaande psycholoog Eldar Shafir (56) van de Amerikaanse universiteit van Princeton. Het is nu ruim een jaar geleden dat de van oorsprong Israëliër samen met Harvard-econoom Sendhil Mullainathan het baanbrekende onderzoek over de gevolgen van op ons denkvermogen lanceerde. Gebrek aan geld of tijd heeft een aantoonbaar negatieve invloed op ons IQ, luidde hun opzienbarende conclusie. Met talloze verwijzingen naar experimenten van henzelf en van andere onderzoekers lieten ze in hun boek Schaarste zien hoe willekeurige mensen, geplaatst in een situatie van , ‘domme’ beslissingen nemen. Het werd een bestseller en is inmiddels in zo’n vijftien talen beschikbaar, inclusief Chinees en Koreaans. Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman noemde het boek ‘de mooiste combinatie van hart en hoofd die ik heb gezien in ons veld’.

Sinds de publicatie reist Shafir de hele wereld over om zijn bevindingen over te brengen aan politieke leiders en instanties die zich bezighouden met armoedebeleid. De Amerikaanse president Obama benoemde hem in een commissie die adviseert hoe het volk ‘financieel capabeler’ gemaakt kan worden. Nu is hij in Nederland voor een presentatie op de International Convention of Psychological Science. Het is de eerste keer dat het congres in Europa wordt georganiseerd. Voor de onderzoeker is het een uitgelezen kans om zijn denkbeelden via collega- te verspreiden.

Helemaal vergeten

Ietwat aan de late kant arriveert Shafir in de lobby van het vijfsterrenhotel The Grand Amsterdam. Er zat te weinig speling tussen zijn afspraken, verontschuldigt hij zich met een charmante glimlach. Bovendien had het vliegtuig twee uur vertraging vanwege een kapot gootsteentje in een van de toiletten. ‘En het wachten was voor niets, tijdens de vlucht was het nog steeds stuk.’

Na aankomst haastte hij zich van afspraak naar afspraak. Net wilde hij heel even op adem komen op zijn hotelkamer, maar een kort telefoontje deed hem de schrik om het hart slaan: hij werd herinnerd aan zijn belofte dat hij gisteren een oordeel over een onderzoeksvoorstel zou mailen. ‘Ik was het helemaal vergeten,’ verzucht Shafir. ‘Misschien denken ze op de universiteit dat ik er geen zin in had, maar dat is absoluut niet waar. Ik voel me er verschrikkelijk over.’

Welkom in de wereld van de schaarste. Wie wel eens te veel hooi op zijn vork neemt en te krappe deadlines afspreekt, zal zich in dit verhaal herkennen. Je kunt alleen nog maar denken aan je meest dringende opdracht en hebt geen ruimte meer in je hoofd voor andere belangrijke toezeggingen. Vervolgens vergeet je één afspraak of gaat er iets anders mis in je planning. Vanaf dat moment stapelen de problemen zich op. Ook voor Shafir is het een bekende valkuil. ‘Ik neem me steeds voor tussen alle afspraken een half uur speelruimte in te bouwen. Maar helaas is dat een kunst waarin ik niet goed ben.’

Uit al onze onderzoeksdata blijkt: als je mensen die zich goed gedragen in een situatie van armoede plaatst, gaan ze zich verkeerd gedragen.

Terwijl juist hij zich als geen ander in het onderwerp schaarste en de psychische gevolgen ervan heeft verdiept. Zijn onderzoek in een notendop: of het nou gaat om gebrek aan tijd, geld of zelfs calorieën, schaarste maakt onze blik troebel en neemt volledig bezit van onze denkkracht. Met andere woorden: het verkleint de zogeheten bandbreedte die we nodig hebben om goed te functioneren. Dát is waarom drukbezette mensen vaak achter zichzelf aanhollen, waarom diëten meestal mislukken én waarom arme mensen veelal arm blijven.

In één belangrijk opzicht wijkt de laatste groep van de andere af: van armoede kun je geen vrij nemen. Het denkvermogen van de minderbedeelden wordt continu in beslag genomen door hun onvervulde behoeften, stelt Shafir. En dát is de reden waarom ze minder aandacht hebben voor de opvoeding van hun kinderen, ze slechter letten op hun gezondheid en ze vaak minder goed zoeken naar een baan. Politieke leiders moeten dat veel meer gaan beseffen, vindt de onderzoeker. Het sociaal beleid van veel overheden staat bol van strafmaatregelen en deadlines, maar die werken alleen maar averechts. ‘Je kunt mensen opleiden, pushen en straffen wat je wilt, maar je kunt ze niet veranderen. Alleen door iets te wijzigen in hun context, kun je ze helpen.’

'De armen worden volledig opgeslokt door hun geldproblemen.' Foto: Adrie Mouthaan‘De armen worden volledig opgeslokt door hun geldproblemen.’ Foto: Adrie Mouthaan

Dat klinkt mooi, maar ook een beetje vaag. Welk advies geeft u de politieke leiders die u bezoekt?
‘Ze vragen ons vaak wat ze precies moeten doen, maar die vraag kunnen we niet beantwoorden. Het zwakste onderdeel van ons boek, zou je kunnen zeggen, is dat onze aanbevelingen nogal algemeen zijn. Maar daar hebben we heel goede redenen voor. Wat je moet doen, hangt namelijk af van de situatie. En die kan heel verschillend zijn. Er kunnen allerlei nuances meespelen bij de redenen waarom mensen geen baan zoeken. Is het gebrek aan slaap, aan vervoer, aan kinderopvang, of zelfs aan vertrouwen? Dát is waar politici achter moeten komen, door onderzoek en vooral door veel te vragen. Pas als je weet wat er scheelt, kun je een plan maken.’

Maar sociaal beleid is algemeen en kan niet per individu worden vastgesteld.
‘Nee, het gaat ook niet om individuen, maar om de context van een grote groep personen. En die wordt vaak verkeerd begrepen. Een voorbeeld: op de eerste hulp van een ziekenhuis in het Canadese Ontario meldden zich een winter lang iedere dag opnieuw een heleboel daklozen zonder levensbedreigende klachten. De artsen gingen ervan uit dat ze de warmte opzochten en een gratis kopje thee wilden. Ze probeerden ze vriendelijk maar streng weg te sturen, maar de daklozen bleven maar terugkomen. Uiteindelijk is bij een test de groep in tweeën gesplitst, waarbij de ene helft de standaardbehandeling en de andere helft een barmhartige behandeling kreeg. Iemand ging bij ze zitten, was zorgzaam en voerde een uitgebreid gesprek om te horen wat er aan de hand was. En wat dacht je? Zíj kwamen niet meer terug. Ze voelden zich serieus genomen: iemand had naar ze geluisterd en ze geprobeerd te helpen. Dáár was het ze om te doen, niet om de warmte en een kopje thee.’

Als iemand niet op tijd op een sollicitatie verschijnt, betekent dat niet dat hij het niet heeft geprobeerd. Zijn leven is gecompliceerd.

In Nederland gaat de regering uit van de eigen kracht en zelfredzaamheid van mensen. Mensen zijn verantwoordelijk voor hun eigen situatie, is de heilige overtuiging. Wie in de bijstand zit, wordt met ‘prikkels’ zoals verplicht vrijwilligerswerk en strengere sollicitatie-eisen aangespoord te gaan werken. Wat vindt u daarvan?
‘Ik ben niet zo naïef om te denken dat niemand probeert te profiteren van de overheid. Natuurlijk zijn er mensen die dat doen en die moet je ook aanpakken. Maar ik ben ervan overtuigd dat het grootste deel van de werklozen wél wil werken. Bij veel politici slaat de balans door naar de andere kant: zij hebben de neiging te denken dat de meeste werklozen lui zijn, dat ze onverschillig zijn, dat ze het niet begrijpen en dat ook niet willen. Ze onderschatten de invloed van de context. Uit al onze onderzoeksdata blijkt: als je mensen die zich goed gedragen in een situatie van armoede plaatst, gaan ze zich verkeerd gedragen. En als je ze daaruit haalt, gaan ze zich beter gedragen. We are all creatures of the context. Het lukt de armen vaak niet om daar zelf uit te komen. Politici hebben daar een grote verantwoordelijkheid in. Een moeilijke opdracht, dat realiseer ik me ook wel. Het is makkelijker om mensen te straffen dan om mensen te helpen.’

De angst heerst dat als je werklozen te veel helpt, ze te afhankelijk worden van sociale voorzieningen.
‘Natuurlijk, dat is een terechte . Het is een dunne lijn. Je moet hun leven niet té comfortabel maken. Het moet wel blijven lonen om te gaan werken.’

De kunst is, zegt Shafir, om werklozen de arbeidsmarkt op te duwen op een ‘slimme en ondersteunende’ manier. ‘Veel werklozen zoeken niet naar een baan, omdat hun gedachten worden overheerst door andere zorgen. Als iemand niet op tijd op een sollicitatie verschijnt, betekent dat niet dat hij het niet heeft geprobeerd. Zijn leven is gecompliceerd en met straffen maak je het alleen nog maar gecompliceerder. Je kunt hem beter herinneren aan zijn sollicitatie, helpen met het invullen van formulieren, afspraken voor hem maken, kinderopvang regelen. Neem hem zorgen uit handen, zodat hij minder ruis in zijn hoofd heeft.’

Die aanpak kan leiden tot verbluffende resultaten, zo blijkt uit een Amerikaans onderzoek naar studiebeurzen voor kansarme jongeren. Als ze beneden een bepaalde inkomensgrens zitten, kunnen ze aanspraak maken op vier jaar lang een bedrag van maar liefst vierduizend dollar. Slechts één op de drie jongeren die in aanmerking komen, vraagt de beurs daadwerkelijk aan. Ook de groep die uitleg krijgt en met een formulier naar huis wordt gestuurd, laat de kans veelal schieten. Pas wanneer iemand samen met ze het formulier invult, stijgt het percentage deelnemers aanzienlijk. Het is ‘waanzinnig’ om te zien hoe mensen hun recht op de enorme beurs aan hun neus voorbij laten gaan, vindt Shafir. Het biedt ze uiteindelijk zelfs een kans op een levenslang goed inkomen. Maar, benadrukt de wetenschapper: ‘Pas op met de conclusie dat de beurs ze onverschillig zou laten. Als je ze helpt, blijkt dat ze dolgraag willen studeren. Ze zijn alleen zo afgeleid of in beslag genomen door al hun hersenspinsels dat ze er gewoonweg niet aan denken dat formulier in te vullen.’ Kortom, met deze ‘supergoedkope’ interventie bereik je heel veel.

Overheden zouden veel meer onderzoek moeten doen naar het gedrag van mensen: waarom wijken onze acties af van onze intenties?

Je zou het kunnen vergelijken, vervolgt de hoogleraar, met ons eigen donorregistratiesysteem. Een aantal jaar geleden verscheen in het tijdschrift Science een tabel met percentages van mensen die na hun organen afstaan, verspreid over verschillende Europese landen. Shafir: ‘Zes landen hadden een gemiddeld percentage van vierennegentig procent en vijf landen van slechts veertien procent. Oostenrijk en België stonden helemaal aan de ene kant, Duitsland en Nederland aan de andere kant. Weet je waarom?’ Met een triomfantelijke blik: ‘Omdat júllie zelf een formulier moeten invullen. In België geldt het “ja, tenzij”-systeem. Daar hoef je alleen in actie te komen als je het níet wilt. Met één druk op de knop kan een regering het donorprobleem oplossen. Voordat dit bestond, had niemand bedacht dat het zoveel zou uitmaken.’ Wat hij hiermee vooral wil zeggen: ‘Overheden zouden veel meer onderzoek moeten doen naar het gedrag van mensen: waarom wijken onze acties af van onze intenties, wat houdt ons tegen? Vervolgens moeten ze met pilots het juiste beleid vaststellen.’

In Amsterdam heeft de gemeente dat advies goed in haar oren geknoopt. Tijdens zijn laatste bezoek in Nederland eind 2013 trokken een paar ambtenaren Shafir bij een debat aan zijn jasje en maakten een afspraak met hem. Geïnspireerd door zijn verhaal rolde de gemeente kort daarna een pilot uit bij burgers met een bijstandsuitkering: samen met zorgverzekeraar Agis maakten ze een selectie van tweeduizend wanbetalers van de zorgpremie. Ze haalden het hijgende incassobureau uit hun nek en hielden voortaan de zorgpremie direct in van de bijstand. Zo hoefden de armlastigen niet meer te stressen over boetes en dreigbrieven, was het idee. Een evaluatie is er nog niet geweest, maar ‘alle betrokkenen zijn tevreden over de proef’, laat een woordvoerder weten. ‘Voor veel mensen is het een zorg minder en ze krijgen hierdoor weer overzicht op hun situatie.’ Kort geleden is de gemeente een vergelijkbare test begonnen met mensen met een grote huurachterstand bij woningbouwvereniging Rochdale. ‘Heel goed,’ roept Shafir als hij hoort van de initiatieven. ‘Dat klinkt heel slim. Het is ook nog te vroeg om te evalueren, zoiets heeft tijd nodig.

Uit uw onderzoek blijkt dat armen de waarde van geld vaak beter inschatten dan rijken en dat hun aankoopbeslissingen rationeler zijn. Daarmee lijken ze juist slimmer te zijn dan rijke mensen.
‘Ze maken inderdaad minder snel fouten in hun berekeningen. Als je aan mensen vraagt of ze een half uur om willen rijden voor een korting van twintig euro op een totaalbedrag van honderd euro, zegt bijna iedereen ja. Maar als je hetzelfde bedrag kan uitsparen op een aankoop van duizend euro, is bijna niemand bereid om te rijden. Economen zeggen: dat is raar, want het uitgespaarde bedrag is precies even hoog. Arme mensen zijn eigenlijk goede economen, zij rijden wél in beide situaties een blokje om. Het verschil zit erin dat de rijken zich niet zo in verdiepen in deze materie, het maakt ze simpelweg niet uit. Zij kunnen zich die houding ook permitteren. De armen worden volledig opgeslokt door hun geldproblemen. Al het andere valt buiten hun vizier.’

Verlamd

Bij hun focus op de korte termijn, vervolgt de wetenschapper, nemen de armen wel grote risico’s. Zo sluiten ze bijvoorbeeld snelle leningen met torenhoge rentes. Uiteindelijk raken ze daarmee steeds dieper in de schulden. Vooral in Amerika is dat een immens probleem, zegt hij. ‘Er zijn daar meer aanbieders van flitskredieten dan vestigingen van Starbucks en Walmart bij elkaar. Het is een complete jungle. Met hun extreem hoge rentes verwoesten ze de levens van heel veel mensen.’

De wereldwijde financiële crisis is begonnen in 2007 bij arme Amerikanen met veel te hoge hypotheeklasten. Toen de huizenprijzen kelderden, konden zij hun schulden niet meer betalen en raakten de banken in grote problemen. Had u met uw inzicht de crisis kunnen voorspellen?
‘Niet alleen de armen namen waanzinnige beslissingen, maar ook de bankiers. Zij waren degenen die de hypotheken afsloten. En de regering maakte dat mogelijk. Niemand had verwacht dat bankiers dingen zouden doen die hun eigen bank omver zouden halen. Daarvoor heeft ook onze theorie geen verklaring.’

Maar wat de crisis en de enorme ons wel hebben geleerd, is dat de financiële instellingen veel beter gereguleerd moeten worden. En dat gebeurt in de VS veel te weinig, vindt Shafir. ‘In Amerika is een groot verschil tussen wetenschap en beleid. En de banken zijn extreem machtig en nog steeds overmoedig. Er kan zo een nieuwe crisis ontstaan.’

U zat de afgelopen jaren in een commissie die president Obama adviseerde hoe mensen financieel capabeler kunnen worden. Wat vond hij van uw bevindingen?
Met een zucht: ‘Volgens mij vond hij ze persoonlijk heel interessant, maar hij kan er nu helemaal niets mee. In een van de bijeenkomsten zei een van zijn assistenten letterlijk: “Kom alsjeblieft niet met een advies dat door het Congres moet, want daar krijgen we toch niets voor elkaar.” De regering is verlamd. De Republikeinse Partij is meer geïnteresseerd in het verwoesten van Obama dan in het helpen van Amerika.’

Het zou heel goed kunnen dat bepaalde landen een lager IQ hebben dan voorheen.

Zijn hoop is niet gevestigd op Obama, maar op anderen dichtbij de regering. ‘Er is een kleine beweging gaande. Zo sprak ik laatst met Elisabeth Warren, senator van Massachusetts. Zij is de uitvinder van het Consumer Financial Protection Bureau dat mensen ondersteunt bij de aankoop van financiële producten. Dat bureau krijgt steeds meer macht. Ik hoop dat onze adviezen met de tijd meer impact krijgen.’

Door de crisis is de armoede en werkloosheid wereldwijd gestegen. Zijn we met zijn allen nu minder intelligent?
‘Die conclusie zou je kunnen trekken. Het zou heel goed kunnen dat bepaalde landen een lager IQ hebben dan voorheen.’

En wat betekent dat voor zo’n land?
‘Die vraag is ingewikkeld. Het hangt af van de mate waarin het land afhankelijk is van de politieke leiders en in welke mate van het volk zelf. Maar het betekent waarschijnlijk dat kinderen zich slechter kunnen concentreren op school, dat ze minder worden geholpen met hun huiswerk, dat vrouwen minder aandacht hebben voor hun mannen en mannen minder aandacht voor hun vrouwen en dat ze steeds slechter gaan functioneren op hun werk. Ook politieke leiders kunnen in een tunnelvisie belanden. Als ze worstelen met geld gaat dat ten koste van onderwijs en cultuur. Met als gevolg dat je na tien jaar een bevolking hebt die minder gecultiveerd en geschoold is. It comes back to haunt you.’

'Het negatieve stigma van daklozen knaagt aan hun zelfvertrouwen.' Foto: Michael Stravato/HH
‘Het negatieve stigma van daklozen knaagt aan hun .’ Foto: Michael Stravato/HH

Voor zijn meest recente werk is Shafir een zijpad van het onderwerp schaarste ingeslagen. Hij onderzocht wat voor impact een blijk van waardering heeft op het zelfvertrouwen van daklozen. ‘Om daklozen hangt een groot stigma: ze zouden lui, dom, onbetrouwbaar en vies zijn. Ze weten zelf ook dat dat stigma om ze heen hangt. En die wetenschap knaagt aan hun zelfvertrouwen. Een soort selffulfilling prophecy zou je kunnen zeggen. Wij noemen dit fenomeen stereotype threat. In een soepkeuken deden we een studie naar twee groepen daklozen. We lieten ze vertellen over een situatie waar ze trots op waren en daarna legden we formulieren met sociale bijstand waarvoor ze in aanmerking konden komen naast ze neer. De ene groep kreeg waardering voor het verhaal dat ze vertelden, de andere niet. Het bleek dat de daklozen met waardering drie keer zo vaak het formulier meenamen als de daklozen die geen bevestiging kregen. Ook scoorde de eerste groep hoger op de IQ-testen.’ Eigenlijk is het net als bij het onderzoek naar schaarste, zegt Shafir: het negatieve zelfbeeld neemt je gedachten zo in beslag dat er geen ruimte is voor andere dingen. Als dat weg is, ga je beter functioneren.’

Dus als een ambtenaar aan het loket simpelweg tegen een werkloze zegt dat hij slim is, helpt dat die persoon al bij het zoeken naar een baan?
‘Daar raak je een gevoelige snaar. Het lijkt wel uit te maken wie het compliment geeft, of het iemand van de gemeente is of je moeder. Wij zijn zulke vreemde wezens dat dezelfde boodschap, afhankelijk wie hem brengt, heel anders kan overkomen. Misschien heeft een arm persoon wel heel weinig vertrouwen in een ambtenaar. Ook hier zouden ze in Amsterdam een proef mee kunnen doen.’

februari 14, 2016Permalink