GGZ voor ouders met problemen

 GGZ is er voor ouders met problemen, vertrouw hun kinderen aan betrokken naasten toe

van ouders met psychische en verslavingsproblematiek – jaarlijks minstens 577 duizend –  hebben steun nodig, maar moet die per se komen van de geestelijke gezondheidszorg (ggz)? Of kan die support ook, en wellicht liever, geboden worden door naasten? Socioloog en onderzoeker Elize Lam pleit voor een ggz op gepaste afstand.

Hulp schiet tekort voor risicokinderen, kopte Trouw pas verwijzend naar een onderzoek van het Trimbosinstituut. Door falende zouden psychische problemen of verslaving van ouders vaak overgaan op hun kinderen.[1] Een stevige conclusie die te weinig recht doet aan de werkelijkheid.

Niet in de laatste plaats omdat uitsluitend gewezen wordt naar gemeenten die onvoldoende preventieve zorg voor kinderen inkopen en naar professionals buiten de ggz die richtlijnen niet volgen. Er is geen aandacht voor de ggz-volwassenenzorg die al jaren te weinig oog heeft voor de context van cliënten, laat staan ze actief ondersteunt bij hun ouderschap. Terwijl dit voor kinderen zoveel kan uitmaken, zelfs het herstelproces van hun ouders kan bevorderen.[2]

ggz  Preventie als antwoord?

De preventietak van de ggz richt zich juist sterk op de minderjarige kinderen van haar cliënten. Om problemen bij hen voor te zijn, sporen preventiewerkers hen het liefst zo vroeg mogelijk op. Ze willen deze ‘nog-geen-patiënten’ [3] toeleiden naar programma’s waar ze met de ouderproblematiek leren om te gaan. Zo kunnen vierjarigen al meedoen aan lotgenotenclubs, zijn er ‘doe-praatgroepen’ vanaf zes jaar, cursussen en talloze hulpsites.[4]

Nederland is internationaal gezien koploper met haar gestandaardiseerde preventieaanbod, maar de doelgroep benut het nauwelijks. Pogingen om dit te veranderen zijn al jaren onsuccesvol. Dat veel jeugdigen lastig te motiveren zijn om ook in hun (soms spaarzame) vrije tijd met de ouderproblematiek bezig te zijn, en zich vaak niet willen identificeren met de ggz, de wereld van de ouder, lijkt preventiewerkers en andere professionals te ontgaan. Ook de claim van de ggz dat veel ontwikkelde interventies effectief zijn, vindt onvoldoende onderbouwing.[5]

Het professionele systeem wijst terecht op het belang om deze minderjarigen vroegtijdig op te merken en te ondersteunen. Maar is het ook wenselijk dat zij rechtstreeks doelgroep worden van de ggz omdat er iets aan de hand is met hun vader of moeder? Hoewel het veel van kinderen kan vragen om evenwicht te vinden in een onrustige thuissituatie, redt twee op de drie het zonder grote problemen.

Wat ouders mankeert, blijkt uiteindelijk niet doorslaggevend voor hoe het hun kinderen vergaat. Anders zou elk kind in hetzelfde gezin of met een ouder met eenzelfde soort diagnose dezelfde weg afleggen. Veel bepalender is hoe risico- en beschermende factoren van kind, ouders en omgeving op elkaar inwerken. Oftewel, de context waarbinnen een kind opgroeit, speelt mee, maar ook diens persoonlijkheid, hoe het reageert op stress en wie er om hem heen staan.

Netwerk biedt toegang tot ‘lichtere’ werkelijkheid

Essentieel voor een gezonde van een kind, is dat het kind kan zijn. Dat geldt ook voor de kinderen van psychiatrisch zieke en verslaafde ouders. Maar dat schiet er nogal eens bij in. Een betrokken netwerk kan juist dat kind-zijn faciliteren.

Opmerkzame volwassenen, liefst langdurig betrokken, kunnen het verschil maken – denk daarbij aan de ouders van een vriendje, een tante of een buurvrouw. Naasten voor wie het kind en niet de ouderproblematiek maar de onderlinge relatie vertrekpunt is en die in tegenstelling tot hulpverleners het gewone delen: samen naar de markt gaan, een spelletje doen maar ook een luisterend oor bieden als kinderen willen praten. Naasten die rekening houden met hun individualiteit.

Via betrokken netwerkleden kan het kind toegang krijgen tot een andere, lichtere werkelijkheid, en opveren zoals de Franse  Cyrulnik treffend zegt.[6] Alleen al te weten dat er iemand beschikbaar is, die weet wat er thuis speelt, geeft kinderen rust. Netwerkleden kunnen dienen als natuurlijke veerkrachtbeschermers, mits hun betrokkenheid de juiste intenties kent en hun steun aansluit op de behoefte van het kind. Bovendien moet het netwerk de kans krijgen om zijn plek in te nemen maar daar gaat het nog weleens mis.

Liefdevolle en duurzame relaties zijn heilzaam

Wetenschappelijk gezien staat het belang van sociale steun als beschermende factor voor deze kinderen als een huis. Dat erkent ook de ggz.[7] Om de impact van naasten voor hen te vergroten, moet het professionele systeem en het beleid het netwerk echter veel meer dan nu als essentiële partij erkennen. Niet vanuit een instrumentele overtuiging – minder middelen voor professionele inzet en – maar vanuit een fundamenteel weten dat liefdevolle en duurzame relaties met naasten heilzaam zijn.[8] Dat voorkomt de inzet van dure standaardinterventies.

Soms is een professional tijdelijk nodig om het netwerk aan te moedigen of te begrenzen. Ouders zijn daartoe niet altijd in staat. Af en toe kijkt diezelfde omgeving weg of heeft niet het beste met een kind voor, of onderschat ze haar potentieel door te veronderstellen dat wat zij te bieden heeft schril afsteekt tegen de mogelijkheden van professionals die ervoor gestudeerd hebben. Soms komt de steun van onbekende vrijwilligers omdat het netwerk uitgedund of overbelast is. Ook zij kunnen als steungever heel waardevol zijn.[9]

Focus op de ouders

Laten hulpverleners van de ggz en daarbuiten zich allereerst en vooral richten op de ouders met problemen (en hun partners), en hen adequaat ondersteunen bij hun ouderschap. Dat gebeurt nog veel te weinig, al zijn er enkele goede uitzonderingen.[10]

Het is niet nodig om kinderen standaard te behandelen, om de keten ‘van depressie’ te doorbreken.[11] Die kan ook worden doorbroken doordat ouders hun problemen te boven komen, of er zo mee om leren gaan dat ze er voor hun kinderen kunnen zijn, of doordat kinderen voldoende kunnen beschikken over omgevingsbronnen.

Laat professionals kinderen alleen rechtstreeks helpen wanneer ze vastlopen of als de hulpbronnen opdrogen. Dat vraagt lef en adequaat aansluiten bij ouders en kinderen. Ieder kind balanceert tenslotte op z’n eigen manier.

Elize Lam is socioloog, verbonden aan het associate lectoraat Informele netwerken en Laatmoderniteit van de Christelijke Hogeschool Ede en werkzaam als senior adviseur bij Stade Advies. Haar boek ‘Risicokind of evenwichtskunstenaar? Kind zijn ondanks een moeilijke thuissituatie’ verscheen dit najaar bij Scriptum. 

 

Bronnen:

[1] Oosterom, R. (2017, 15 februari). Hulp schiet tekort voor risicokind, Trouw.

[2] Van der Ende, P. C. (2016). Vulnerable parenting: A study on parents with mental health problems: Strategies and support. Groningen: Hanze University of Applied Sciences Groningen

[3] Abma, R, Jansz, J en van Drunen, P. (2001). Psychologische praktijken in: Jansz, J. & Drunen, van. P. redactie(2001). Met zachte hand. Opkomst en verbreiding van het psychologisch perspectief. 3e druk. De Tijdstroom, Leusden. pp17-36

[4] www.koppkvo.nl

[5] De enige twee interventies die wetenschappelijk onderzocht zijn betreffen ‘De ouder-baby interventie’ van Van Doesum en de doe-praatgroep voor 8-12 jarigen door Van Santvoort. Deze laatste groepsinterventie bleek slechts gedeeltelijk effectief en er bleek geen verschil te zijn in het bereiken van het hoofddoel  tussen onderzoeks- en controlegroep. Santvoort, F. van (2012). Support groups for children at risk. A study on risk levels and intervention effects in children of mentally ill or addicted parents. Proefschrift,  Radboud universiteit Nijmegen. Zie ook Zoon, M. & Berg, T. (2014:2,3). Wat werkt voor kinderen van ouders met psychische problemen? Nederlands Jeugdinstituut over effectiviteit interventies.

[6] Cyrulnik, B. (2002). Veerkracht. Over het overwinnen van jeugdtrauma’s. Ambo. Amsterdam; Cyrulnik, B. (2004). Spoken uit het verleden. Leven na een jeugd zonder warmte. Ambo. Amsterdam.

[7] Zie www.koppkvo.nl

[8] Zie bijvoorbeeld Perry, B. & Szalavitz, M. (2007:37-38). De jongen die opgroeide als hond en vele andere verhalen uit het dagboek van een kinderpsychiater. Scriptum Psychologie. Schiedam

[9] Zoals Big Brothers Big Sisters of een steungezin van Buurtgezinnen.nl.

[10] Bijvoorbeeld de methodiek “Ouderschap met Succes en Tevredenheid” (OST)

[11] Mierau, J. (2016, 13 december). Stop keten van depressie: begin bij kinderen. Geraadpleegd op 17 februari 2017.

 

Foto: Stephan Hochhaus (Flickr Creative Commons)

februari 24, 2017Permalink

Vergeten kun je leren. Leven met dementie

-activist en Dementiedagboekhouder Leo houdt zich met een flinke dosis positiviteit staande in een samenleving van mensen die hem vanwege zijn ontwijken of juist omarmen. Zijn tips voor omgaan met zijn ook handig als je geen dementie hebt.  Vergeten kun je leren. Leo geeft raad over met dementie
Correspondent Oud worden.

Heiba TARGHI BAKKALI

‘Soms hebben de dingen die je zegt nog maar een helft of een kwart van de waarde. Dat doet wel pijn,’ zegt Leo (1933) over hoe anderen soms reageren op zijn dementie.

Als het aan Leo ligt verandert dit. Daarom schudt hij honderden handen, doet hij zijn verhaal op podia en komt hij voor in twee boeken  en tal van krantenartikelen.

Zo werkt hij ook mee aan mijn project, de Dementiedagboeken,  waar inmiddels vijftien mensen met dementie aan meedoen, wekelijks komt er iemand bij. Met hun spraakberichten “schrijven” ze mee in mijn journalistieke agenda. 

Leo wil beslist niet dat zijn identiteit uitsluitend gedefinieerd wordt door zijn rotziekte: alzheimer. Hij is zoveel meer dan dat.

Hij is echtgenoot, hij is vader, hij is opa, hij heeft ook zijn hele leven gewerkt in de bouw. Eerst als timmerman, later als architect en ten slotte als bouwkundig adviseur. Hij is sociaal bewogen, kunstzinnig en spiritueel ingesteld. (Luister maar)

De Dementiedagboeken
Leo vertelt  Vergeten kun je leren. Leo geeft raad over leven met dementie
SoundCloud

Montage: Romanee Rodriguez

Leo’s lessen

Acht jaar geleden is bij Leo de ziekte van Alzheimer vastgesteld. Hij besloot niet bij de pakken neer te zitten, want dat past niet bij hem. Dus werd hij alzheimer-activist met alzheimer en leert hij nu anderen over zijn ervaring.

Zijn lessen uit jarenlang leven met dementie heeft hij samengevat in Alzheimer voor beginners - een zelfgemaakte brochure.  Dit boekje is bedoeld als reddingsboei voor mensen die ernstig beginnen te vergeten, door alzheimer maar ook door andere soorten dementie. Wat verrast is dat Leo’s lessen ook voor mensen zónder dementie nuttig kunnen zijn.  Zijn eerste en allerbelangrijkste les uit zijn brochure is dat je je probleem, het vergeten, meteen onder ogen moet zien. Dementie, dat kun je maar beter accepteren.

Gemiddeld leven mensen met dementie acht tot tien jaar met hun diagnose. Meestal is alleen de laatste fase van één à twee jaar bar en boos, maar in de praktijk associëren veel mensen de ziekte hiermee. In de periode daarvoor wonen de meeste mensen met dementie gewoon thuis. Maak er het beste van, raadt Leo aan. ‘Kies dus voor blijdschap.’

Hoewel hij acht jaar geleden de diagnose alzheimer kreeg, is hij heel mondig en maakt hij een scherpe indruk. Het is dat hij mij bij onze eerste ontmoeting vertelde dat hij dementie heeft, anders zou ik het misschien niet gemerkt hebben. Althans, niet meteen.

Nu ik Leo wat langer ken, merk ik wel wat van zijn vergeten. Als ik hem iets vertel, schrijft hij dat op in zijn jaloersmakend nette handschrift. Soms gebruikt hij een ongebruikelijk woord om iets te beschrijven, maar ik weet wel gelijk wat hij bedoelt. Sommige vragen ontwijkt hij soepel door van onderwerp te veranderen.

Waarom je tijdig actie moet ondernemen als je begint te vergeten

Dat mensen die beginnen te vergeten dat liever stilhouden is niet zo vreemd. Dementie is omgeven door stigma’s en taboes, waar je als mens met dementie dagelijks mee geconfronteerd wordt. Maar, zegt Leo: ‘Ik durf te zeggen dat iedereen bij jou in de straat het allang weet. Je kan het wel ontkennen, maar ze merken toch wel dat je veel vergeet.’

Maar juist heimelijkheid over beginnende dementie houdt de vooroordelen in stand, constateert Leo. ‘Als iedereen open over zijn dementie zou zijn, zou het schelen.’

‘Als je merkt dat je begint te vergeten moet je meteen aan de slag, metéén,’ zegt Leo, ‘nu kun je nog dingen leren. Als je twee jaar wacht, kun je het absoluut niet meer leren. Leren is met alzheimer heel moeilijk, omdat je het niet onthoudt.’

Er als de kippen bij zijn is een zinnig advies, want ingesleten gewoontes en routines blijven beter hangen bij mensen met dementie. Zo werkt het brein nu eenmaal. Alzheimer veroorzaakt bovendien nog een obstakel. Om een routine te kunnen bedenken heb je hersencapaciteit nodig in het deel van het brein dat met name de ziekte van Alzheimer aantast: het bovenbrein. In dit deel van het brein wordt je vermogen om te denken en te kiezen aangestuurd.

‘Ik maak me geen illusies over hoe het voor mij zal eindigen’

Leo leerde zichzelf een aantal routines aan in de tijd dat hij net begon te vergeten. Daar heeft hij nog steeds veel plezier van. Hij haalt ter illustratie een bakje met verzorgingsproducten uit de badkamer. ‘Dit heb ik ’s morgens nodig als ik me ga wassen,’ zegt hij. ‘Het is mijn systeem om niet te vergeten wat ik ’s ochtends al wel of nog niet heb gebruikt.’

De spullen, waaronder een tandenborstel, douchegel, deodorant, bodylotion en een haarborstel, haalt hij één voor één uit het bakje. En als hij klaar is, gaan ze weer terug in het bakje voor de volgende dag.

Leo heeft meer handigheden, zo zitten zijn portemonnee en sleutels met keyback  aan zijn broek gegespt en heeft hij een vaste plek voor zijn spullen.

‘Ik heb mezelf nog iets aangeleerd,’ zegt Leo. ‘Elke ochtend maak ik de douchecabine schoon met een wisser. Ik heb dat een keer een glazenwasser zien doen en vervolgens probeerde ik het net zo snel te doen als hij. Terwijl ik dat deed moest ik om mezelf lachen.’

Dagen achter elkaar herhaalde Leo steeds dezelfde handeling, totdat deze erin sleet. ‘Ik hoef de wisser maar beet te pakken en ik begin al te lachen. Best idioot, vind ik, als je erover nadenkt. Maar goed, dit is waarom ritme dus zo belangrijk is.’

‘Onbenullig’ klinken zijn voorbeelden, vindt Leo. ‘Maar, alles bij elkaar genomen zijn deze manieren essentieel om zo lang mogelijk zelfstandig te kunnen leven met dementie.’

Hoewel Leo positief in het leven staat, beseft hij terdege waar het voor hem, waarschijnlijk, zal eindigen: zittend in een stoel, niet langer beseffend wie hij is en wat hij hier doet. ‘Ik maak me daarover geen illusies,’ zegt hij.

Hoe anderen op je kunnen reageren als je zegt dat je dementie hebt

‘Diverse kennissen nemen mij niet serieus als ik zeg dat ik gediagnosticeerd ben met alzheimer,’ zegt Leo. ‘Een kennis zegt op de thee dingen als ‘ach, schei toch uit, je hebt helemaal geen alzheimer.’ Ik zeg voortaan dat dit mij pijn doet, dat is ook zo, al sta ik erboven.’

Leo legt uit dat het vooral pijn doet omdat de houding van anderen over zijn dementie doorwerkt in alles wat er beslist wordt. Leo vindt het vervelend dat ‘heel wat mensen’ afstand van hem houden omdat hij alzheimer heeft.

‘Je kunt het al aan iemands houding zien. Als je alzheimer hebt, dan ben je beladen. Dat is gewoon de realiteit, je hoeft je niks wijs te maken.’ Hij probeer ‘gewoon zichzelf’ te blijven. ‘Als ik op een nieuwjaarsfeestje ben, sta ik met iedereen te lullen en heb ik geen schroom over mijn alzheimer.’

Veel mensen met dementie krijgen steeds dezelfde reacties als ze vertellen dat ze dementie hebben. Een veelgehoorde reactie is volgens Leo: ‘ach, ik vergeet ook weleens wat’ of ‘ik ben ook ouder.’ ‘Ik ben dat inmiddels wel gewend, ik reageer er niet meer op,’ schokschoudert hij.

Hij praat liever met jonge mensen, omdat zij er volgens hem over het algemeen wél goed mee omgaan als ze horen dat je alzheimer hebt. Lachend: ‘Het kan zijn dat ik ze een beetje inpak, hoor. Eerst moet je een goede bodem leggen om zoiets te kunnen vertellen. Ik vraag eerst: ‘En? Wat hebben jullie gestudeerd vandaag?’ Dan praten we een poos, en dán vertel ik pas dat ik ook lekker bezig ben met studeren met alzheimer. Dan lachen ze en is het in orde.’

Het inpakken is essentieel om het gesprek prettig te laten verlopen, meent hij. ‘Als je dat niet zou doen, en meteen zou vertellen dat je alzheimer hebt, dan kun je het helemaal vergeten, je wordt dan afgeschreven. De meeste mensen praten niet met je als ze vooraf weten dat je alzheimer hebt, alsof je iets besmettelijks hebt.’

Hij merkt ook dat zijn levenslange ervaring als bouwkundige mensen niets meer zegt. Zijn adviezen over hoe om te gaan met het onderhoud van zijn appartementencomplex worden in de wind geslagen door de bewonerscommissie, merkt hij. ‘Ik laat het maar los, het moet wel, anders zou je geen leven hebben,’ zegt hij op zachte toon.

Wat Leo van de sociale obstakels in algemene zin vindt? ‘Dat is nu eenmaal de realiteit, zo is de maatschappij nu eenmaal,’ reageert hij. ‘Daar moet je mee om leren gaan, je moet het accepteren. Je moet er heel open instaan om daar geen last mee te krijgen. Wat ik heb geleerd is bij jezelf te blijven.’

Tot slot: wat kun je zelf doen als je dementie krijgt?

Leo heeft nog een paar tips voor wie dementie krijgt:

1. Wees optimistisch

Het is vooral belangrijk te kiezen voor blijdschap, stelt Leo. ‘Blijdschap levert blijdschap op.’ Het alternatief, boosheid, zorgt voor een negatieve spiraal waardoor je eerder angstig wordt, vindt hij. ‘Je moet niet over jezelf inzitten. Ik vind helemaal niet dat ik zielig ben en daarom heb ik ook geen angst.’ Volgens Leo moet je het ook wel een beetje in je hebben, die positieve inborst. ‘Als je het niet in je hebt, kun je eraan werken om het meer te krijgen, door verschillende strategieën uit te proberen. Blij zijn en optimisme zorgen dat je overeind blijft.’

2. Stop op tijd met autorijden

Stoppen met autorijden is voor de meeste mensen met dementie moeilijk te accepteren. Leo merkte op een gegeven moment dat hij moe werd van autorijden en minder geconcentreerd achter het stuur zat. ‘Als je slecht autorijdt, moet je daar gewoon mee stoppen. Ik heb zelf bepaald dat ik stopte met autorijden.’

3. Zoek rust op

‘Als we klaar zijn met praten ga ik mezelf terugtrekken om te mediteren,’ zegt Leo tijdens ons gesprek. ‘Dat is mijn manier om weer op te laden, ik krijg dan weer energie.’ Volgens hem is mediteren vooral voor mensen met dementie heel belangrijk. ‘Het helpt je om je gedachten te ordenen.’

4. Ga de natuur in, beweeg

Volgens Leo heeft de natuur in gaan hetzelfde, reparerende, effect. ‘In de natuur kun je in stilte met aandacht kijken naar de natuur, dat zorgt dat zorgen van je afglijden. Spinoza zei niet voor niets dat God en de natuur hetzelfde is.’ De natuur in gaan, gaat ook hand in hand met bewegen, waar Leo groot pleitbezorger van is. ‘Als je beweegt, doet alles het beter.’

Bij geen van de deelnemers aan de Dementiedagboeken vermelden we de achternaam. De volledige namen zijn bekend bij de hoofdredactie.

februari 12, 2017Permalink

Hoe schadelijk is het sinterklaascomplot?

 Hoe schadelijk is het sinterklaascomplot voor kinderen?

Nu eens even een ander Sinterklaasdebat: wat doet het met de tere kinderziel op een dag te ontdekken dat je al die tijd bedrogen bent?

Hoe schadelijk is het sinterklaascomplot voor kinderen?
© Illustratie Johan Kleinjan

Bij mij gebeurde het in de zomer van 1989. Locatie: onze achtertuin. Terloops bracht mijn moeder het ter sprake. Het moment was geregisseerd. Mijn oudere zus had in het voorafgaande jaar het nieuws een week voor pakjesavond te horen gekregen en dat was uitgelopen op een klein drama. Ze was verschrikkelijk boos geworden én gebleven tot 5 december, aldus mijn moeder. Zelf herinnert mijn zus zich enkel haar verdriet. Mijn ouders trokken lering uit dat debacle. In de augustuszon voelde het sinterklaasfeest ver weg en ik verwerkte mijn ontsteltenis ogenschijnlijk snel. Achteraf bezien heeft de onthulling toch behoorlijk wat indruk gemaakt. Ik herinner me elk detail – de zoekende woorden van mijn moeder, de witte tuinstoel waarin ik zat, de aardbeienlimonade die voor me op tafel stond: het staat in mijn geheugen gegrift.

Het moment dat je te horen krijgt dat Sinterklaas niet bestaat, is zo’n waar-was-jij-toengebeurtenis. Nagenoeg iedereen draagt het met zich mee. Het onthullen van het sinterklaascomplot lijkt een uniek Nederlands volksritueel, maar niets is minder waar. Elk westers land heeft zo zijn eigen variant op deze folklore; de Santa Claus-bestaat-niet-onthulling, ook wel The Big Moment, is verreweg de bekendste. Zo gezegd klinkt het onschuldig, maar is het dat ook? Vanaf het eerste moment dat het sinterklaasfeest in ons land in zwang raakte, is er met deze vraag geworsteld. Want hoe moreel verantwoord is liegen tegen kinderen? Als vader van een zoon van 5 heb ik me die vraag ook gesteld. En ook: schaadt zulk bedrog de kinderziel? Vóór de opkomst van de Zwarte Pietendiscussie hield deze pedagogische kwestie de gemoederen rond Sinterklaas al bezig. En dat doet ze nog steeds, weliswaar in de luwte van dat andere, veel fellere debat.

Als het kind vragen stelt, leg je die het beste bij hen terug. Kritisch denkvermogen prikkelen, heet dat

Liegende ouders brengen liegende kinderen voort, de ‘handleiding voor moeders en aankomende onderwijzers en onderwijzeressen’ van de kweekschool stelde het ruim anderhalve eeuw geleden glashelder. Al die verzinsels over Sinterklaas – dat paard op het dak en die cadeautjes door de schoorsteen – waren pure ‘zotteklap’ en allesbehalve onschuldig. Progressieve ouders en pedagogen vonden het sinterklaasfeest rond 1850 maar weinig verlichtend. Liegen was niet alleen amoreel, ook onverstandig. Want dat was hét recept om kinderen alle vertrouwen in volwassenen te laten verliezen. Daarom kozen deze opvoeders ervoor om van meet af aan eerlijk te zijn: Sinterklaas bestaat niet. Daartegenover stonden ouders die deze bezwaren niet zagen. Voor hen was het kinderfeest onschuldig en vreugdevol.

In de loop van de tijd heeft die laatste kijk op Sinterklaas stevig aan populariteit gewonnen. De meeste pedagogen vinden vandaag de dag dat ouders die hun kinderen in de goedheiligman laten geloven daarmee niks verkeerd doen. Sinterklaas is geen leugen volgens hen, maar een spel dat past bij de fantasie van kinderen. In de leeftijd van 3 tot ongeveer 7 jaar, is de grens tussen fantasiewereld en realiteit er eigenlijk niet. ‘Magisch denken’ heet dit ook wel. Net zoals kinderen overtuigd kunnen zijn dat feeën en kabouters bestaan, geloven ze in Sinterklaas, zeggen deze experts. Ga mee in hun fantasiespel, vinden zij. En als het kind vragen stelt, leg je die het beste bij hen terug – hoe denk jij zélf dat dat paard op het dak komt? Het kritisch denkvermogen prikkelen, heet dat.

Als de twijfel bij het kind zélf heeft postgevat, is het moment daar om eerlijk te zijn. Die gebeurtenis is in deze pedagogische visie een belangrijke stap in het volwassen worden, een heus coming of age-moment. Een kind wordt ingewijd in het complot waarvan alle oudere kinderen en ouders al wisten. Het kind dat van zijn geloof valt, komt terecht in de wereld van de volwassenen. Maar daarmee is de kous niet af, want er ligt een schone taak voor de 7-, 8- of 9-jarige. Van het kind wordt verwacht dat hij of zij het spel meespeelt. Dat is vaak alleen maar leuk, en niet alleen omdat het kind daarmee nog steeds verzekerd is van het feest, de gezelligheid en de cadeaus. ‘Dat ik meer wist dan mijn broertje en mijn klas-genoten die nog wel geloofden, gaf me een lekker gevoel’, vertelde een vriend. ‘Ik waande me superieur, want ik was een flinke stap verder dan zij.’

Méér dan vroeger proberen wij onze kinderen te behoeden voor teleurstellingen en tegenslag

Hoe schadelijk is het sinterklaascomplot voor kinderen?
© Johan Kleinjan

Voor veel kinderen is het moment dat ze te horen krijgen dat Sinterklaas niet bestaat verre van gelukzalig. Dat blijkt uit een onderzoek van emeritus hoogleraar genderstudies Mineke van Essen en intercultureel pedagoog Diana van Bergen. Zij stuitten op een enquête die in 1938 was gehouden onder kinderen door het toen gezaghebbende tijdschrift Het Kind. Geïnspireerd door deze vondst stelde de onderzoekers dezelfde vragen aan huidige kinderen in de leeftijd van 12 tot 18 jaar. Bijna 60 procent van hen zei ‘teleurstelling’, ‘leegte’ of ‘verdriet’ te hebben gevoeld, toen ze te horen kregen dat de goedheiligman een verklede versie was van de buurman/oom/

voetbaltrainer. Mijn zus is daarmee dus in goed gezelschap. Andere uitkomsten: iets meer dan een kwart deed het niet bijster veel, 5 procent was boos en 1 procent was opgelucht. Negatieve gevoelens hebben dus de overhand in de resultaten van deze aselecte steekproef.

Van Essen en Van Bergen wijzen op de verschillen met de resultaten uit 1938. Van alle vooroorlogse kinderen zei 39 procent ‘verdriet’ te hebben gevoeld; een stuk minder – 20 procent – dan hun moderne leeftijdsgenootjes. ‘Het kinderfeest was in 1938 heel wat minder zoet dan nu’, zegt Van Bergen. ‘Destijds werd echt geloofd dat je werd meegenomen in de zak naar Spanje. Die angst kan verklaren waarom beduidend minder kinderen verdrietig waren toen ze hoorden dat Sinterklaas niet bestond.’ Bovendien zijn de zieltjes van onze kinderen teerder dan die van hun vooroorlogse leeftijdgenootjes. Van Essen: ‘Méér dan toen proberen wij onze kinderen te behoeden voor teleurstellingen en tegenslag. In 1938 was dat anders, het leven was harder.’

Een beetje extra eelt op de kinderziel is misschien juist goed

De hamvraag: hoe schadelijk is dit alles? Volgens hoogleraar ontwikkelingspsychologie Willem Koops zijn de gevoelens die kinderen ervaren als ze worden toegelaten tot het sinterklaasgeheim niet bijster problematisch. Kinderen moeten leren omgaan met verdriet en teleurstellingen, vindt hij. ‘In de rest van hun leven zullen ze daar ook door worden opgeschrikt.’ Ook lijkt het hem onwaarschijnlijk dat het sinterklaasbedrog de vertrouwensrelatie tussen ouder en kind op de langere termijn negatief beïnvloedt. ‘Alleen als ouders veel vaker liegen, ook over andere zaken, kan de sinterklaasleugen schadelijk zijn. Maar dat staat dan nooit op zichzelf.’ De conclusie van Koops: er is geen gevaar voor blijvende schade. Een beetje extra eelt op de kinderziel is misschien juist goed.

Maar ondanks de relativerende woorden van Koops en andere deskundigen zijn er genoeg ouders die er heel anders over denken. Er knaagt bij hen iets, zoals ook het geval moet zijn geweest bij die vooruitstrevende ouders uit 1850.

Kindercommunicatietrainer Heleen Bos is een van hen. Met rustige stem vertelt ze dat ze overtuigd is dat de sinterklaasleugen wél schadelijk kan zijn voor de band tussen ouder en kind. Toen Bos hier onlangs over schreef op de oudersite kroost.org vond haar artikel veel weerklank. Ze was niet de enige die er zo over dacht. Natuurlijk, kinderen moeten leren omgaan met tegenslag en verdriet, zegt Bos. ‘Maar die momenten komen ze toch wel tegen, op het sportveld en op school. Als ouder kun je je kind er niet tegen niet behoeden, maar de teleurstelling over de Sint is onnodig. En: niet ongevaarlijk.’

Een sinterklaastrauma ligt altijd wel ergens op de loer

Bos baseert zich op de Canadese psychologe Jan Hunt, die onderzoek deed naar vertrouwen en zelfvertrouwen bij jonge kinderen. Zij schreef een artikel over het effect dat de onthulling van de Santa Claus-leugen had op haar eigen zoon. Die leugen, concludeert ze, kan een gevaar vormen voor het vertrouwen tussen kind en ouder. Koops ziet het volgens haar dus verkeerd. Dat beetje extra eelt op de tere kinderziel kan Hunt bovendien gestolen worden. De psychologe staat niet alleen in haar oordeel, blijkt uit de reacties op kroost.org.

Moet je als bezorgde ouder dan maar de stekker uit het sinterklaasfeest trekken en de blik voor de zekerheid alvast strak op de Kerstdagen richten? Er is altijd de optie om de mythe van Sinterklaas ook als een mythe te vertellen, stelt Anita Borst van website kiind.nl gerust. ‘Sinterklaas bestaat niet’ wordt dan ‘Sinterklaas bestond ooit’. Borst legt uit hoe ze het haar eigen kinderen vertelde. ‘Op de verjaardag van Sinterklaas was het altijd groot feest. Ter nagedachtenis van hem vieren we die dag nog steeds met snoep en cadeautjes.’ Een ‘rustige optie’ die geen afbreuk doet aan het bestaande sinterklaasverhaal, noemt Borst haar benadering.

Voor twijfelende ouders heeft hoogleraar Koops nog een anekdote, als geruststelling bedoeld. ‘Een vriendin van me was lerares op een basisschool. Jonge kinderen dus, die nog geloven’, vertelt de psycholoog. ‘Zij heeft ooit bij wijze van experiment zich voor de klas verkleed als Sinterklaas. Die kinderen zagen haar dus een mantel aantrekken en die mijter op doen, alles d’r op en d’r an. Toen ze klaar was, stond daar niet meer de juf, maar écht de goedheiligman. Als je het zo openlijk doet, is van bedrog geen sprake meer.’ Om vervolgens hard lachend vast te stellen: ‘Maar báng dat sommige kinderen desalniettemin waren, báng!’

Oftewel: wat je ook doet, de kinderfantasie is standvastig. En ook: een sinterklaastrauma ligt altijd wel ergens op de loer.

december 4, 2016Permalink