Een manier om veroudering te keren.

van het Erasmus MC hebben een manier ontwikkeld om te keren.

Vollere vacht
Door oude muizen een experimenteel, zelfontwikkeld stofje te geven, werden deze fitter en alerter. De muizen kregen ze een vollere vacht terug en hun organen gingen weer beter functioneren.

Terugdraaien
Tot nu toe lukte het onderzoekers al wel om veroudering te vertragen. “Maar de tijd terugdraaien, bleek erg lastig”, zegt dr. Peter de Keizer, verouderingsbioloog van de afdeling Moleculaire Genetica van het Erasmus MC.

Kanker
Deze ontdekking kan helpen bij verdere onderzoek naar hoe mensen gezonder oud kunnen worden en ook hoe ze weer gezonder kunnen worden als ze eenmaal kwalen hebben ontwikkeld. Het nieuwe middel lijkt ook goed te werken tegen bepaalde uitbehandelde vormen van kanker. Mogelijk helpt het in de zoektocht naar therapieën daartegen.

Peptide
Belangrijkste element in het onderzoek is Proxofim. Dit is een peptide, een klein eiwit dat makkelijk in de cellen doordringt. Proxofim pakt cellen aan die een rol spelen bij veroudering. Het gaat om de senescente cellen, dat zijn cellen die zijn gestopt met delen, maar niet echt zijn.

Rennen
Proxofim maakt deze senecente cellen dood. “En het zet de omliggende stamcellen aan om nieuw weefsel te maken”, zegt De Keizer. “Bij de muizen was het effect enorm. Ze gingen na drie weken twee tot drie keer zoveel rennen in hun loopwieltjes, hun orgaanfunctie verbeterde en ze kregen na tien dagen weer meer haargroei.”

Ouderdom
De wetenschappers hebben Proxofim nog alleen getest op muizen. Ze willen hun onderzoek graag naar de kliniek brengen. De Keizer: “We hopen over een jaar of twee het onderzoek uit te breiden naar patiënten met agressieve vormen van kanker en in een nog later stadium onderzoek te doen naar ouderdomskwalen.”

Zonder kwalen
“We streven niet naar het eeuwig “, benadrukt hij, “maar langer leven zonder kwalen en in uitstekende gezondheid, dat zou prachtig zijn.”

 

- einde bericht -
 

Bron: Erasmus MC

maart 26, 2017Permalink

GGZ voor ouders met problemen

 GGZ is er voor ouders met problemen, vertrouw hun kinderen aan betrokken naasten toe

van ouders met psychische en verslavingsproblematiek – jaarlijks minstens 577 duizend –  hebben steun nodig, maar moet die per se komen van de geestelijke gezondheidszorg (ggz)? Of kan die support ook, en wellicht liever, geboden worden door naasten? Socioloog en onderzoeker Elize Lam pleit voor een ggz op gepaste afstand.

Hulp schiet tekort voor risicokinderen, kopte Trouw pas verwijzend naar een onderzoek van het Trimbosinstituut. Door falende zouden psychische problemen of verslaving van ouders vaak overgaan op hun kinderen.[1] Een stevige conclusie die te weinig recht doet aan de werkelijkheid.

Niet in de laatste plaats omdat uitsluitend gewezen wordt naar gemeenten die onvoldoende preventieve zorg voor kinderen inkopen en naar professionals buiten de ggz die richtlijnen niet volgen. Er is geen aandacht voor de ggz-volwassenenzorg die al jaren te weinig oog heeft voor de context van cliënten, laat staan ze actief ondersteunt bij hun ouderschap. Terwijl dit voor kinderen zoveel kan uitmaken, zelfs het herstelproces van hun ouders kan bevorderen.[2]

ggz  Preventie als antwoord?

De preventietak van de ggz richt zich juist sterk op de minderjarige kinderen van haar cliënten. Om problemen bij hen voor te zijn, sporen preventiewerkers hen het liefst zo vroeg mogelijk op. Ze willen deze ‘nog-geen-patiënten’ [3] toeleiden naar programma’s waar ze met de ouderproblematiek leren om te gaan. Zo kunnen vierjarigen al meedoen aan lotgenotenclubs, zijn er ‘doe-praatgroepen’ vanaf zes jaar, cursussen en talloze hulpsites.[4]

Nederland is internationaal gezien koploper met haar gestandaardiseerde preventieaanbod, maar de doelgroep benut het nauwelijks. Pogingen om dit te veranderen zijn al jaren onsuccesvol. Dat veel jeugdigen lastig te motiveren zijn om ook in hun (soms spaarzame) vrije tijd met de ouderproblematiek bezig te zijn, en zich vaak niet willen identificeren met de ggz, de wereld van de ouder, lijkt preventiewerkers en andere professionals te ontgaan. Ook de claim van de ggz dat veel ontwikkelde interventies effectief zijn, vindt onvoldoende onderbouwing.[5]

Het professionele systeem wijst terecht op het belang om deze minderjarigen vroegtijdig op te merken en te ondersteunen. Maar is het ook wenselijk dat zij rechtstreeks doelgroep worden van de ggz omdat er iets aan de hand is met hun vader of moeder? Hoewel het veel van kinderen kan vragen om evenwicht te vinden in een onrustige thuissituatie, redt twee op de drie het zonder grote problemen.

Wat ouders mankeert, blijkt uiteindelijk niet doorslaggevend voor hoe het hun kinderen vergaat. Anders zou elk kind in hetzelfde gezin of met een ouder met eenzelfde soort diagnose dezelfde weg afleggen. Veel bepalender is hoe risico- en beschermende factoren van kind, ouders en omgeving op elkaar inwerken. Oftewel, de context waarbinnen een kind opgroeit, speelt mee, maar ook diens persoonlijkheid, hoe het reageert op stress en wie er om hem heen staan.

Netwerk biedt toegang tot ‘lichtere’ werkelijkheid

Essentieel voor een gezonde van een kind, is dat het kind kan zijn. Dat geldt ook voor de kinderen van psychiatrisch zieke en verslaafde ouders. Maar dat schiet er nogal eens bij in. Een betrokken netwerk kan juist dat kind-zijn faciliteren.

Opmerkzame volwassenen, liefst langdurig betrokken, kunnen het verschil maken – denk daarbij aan de ouders van een vriendje, een tante of een buurvrouw. Naasten voor wie het kind en niet de ouderproblematiek maar de onderlinge relatie vertrekpunt is en die in tegenstelling tot hulpverleners het gewone delen: samen naar de markt gaan, een spelletje doen maar ook een luisterend oor bieden als kinderen willen praten. Naasten die rekening houden met hun individualiteit.

Via betrokken netwerkleden kan het kind toegang krijgen tot een andere, lichtere werkelijkheid, en opveren zoals de Franse  Cyrulnik treffend zegt.[6] Alleen al te weten dat er iemand beschikbaar is, die weet wat er thuis speelt, geeft kinderen rust. Netwerkleden kunnen dienen als natuurlijke veerkrachtbeschermers, mits hun betrokkenheid de juiste intenties kent en hun steun aansluit op de behoefte van het kind. Bovendien moet het netwerk de kans krijgen om zijn plek in te nemen maar daar gaat het nog weleens mis.

Liefdevolle en duurzame relaties zijn heilzaam

Wetenschappelijk gezien staat het belang van sociale steun als beschermende factor voor deze kinderen als een huis. Dat erkent ook de ggz.[7] Om de impact van naasten voor hen te vergroten, moet het professionele systeem en het beleid het netwerk echter veel meer dan nu als essentiële partij erkennen. Niet vanuit een instrumentele overtuiging – minder middelen voor professionele inzet en – maar vanuit een fundamenteel weten dat liefdevolle en duurzame relaties met naasten heilzaam zijn.[8] Dat voorkomt de inzet van dure standaardinterventies.

Soms is een professional tijdelijk nodig om het netwerk aan te moedigen of te begrenzen. Ouders zijn daartoe niet altijd in staat. Af en toe kijkt diezelfde omgeving weg of heeft niet het beste met een kind voor, of onderschat ze haar potentieel door te veronderstellen dat wat zij te bieden heeft schril afsteekt tegen de mogelijkheden van professionals die ervoor gestudeerd hebben. Soms komt de steun van onbekende vrijwilligers omdat het netwerk uitgedund of overbelast is. Ook zij kunnen als steungever heel waardevol zijn.[9]

Focus op de ouders

Laten hulpverleners van de ggz en daarbuiten zich allereerst en vooral richten op de ouders met problemen (en hun partners), en hen adequaat ondersteunen bij hun ouderschap. Dat gebeurt nog veel te weinig, al zijn er enkele goede uitzonderingen.[10]

Het is niet nodig om kinderen standaard te behandelen, om de keten ‘van depressie’ te doorbreken.[11] Die kan ook worden doorbroken doordat ouders hun problemen te boven komen, of er zo mee om leren gaan dat ze er voor hun kinderen kunnen zijn, of doordat kinderen voldoende kunnen beschikken over omgevingsbronnen.

Laat professionals kinderen alleen rechtstreeks helpen wanneer ze vastlopen of als de hulpbronnen opdrogen. Dat vraagt lef en adequaat aansluiten bij ouders en kinderen. Ieder kind balanceert tenslotte op z’n eigen manier.

Elize Lam is socioloog, verbonden aan het associate lectoraat Informele netwerken en Laatmoderniteit van de Christelijke Hogeschool Ede en werkzaam als senior adviseur bij Stade Advies. Haar boek ‘Risicokind of evenwichtskunstenaar? Kind zijn ondanks een moeilijke thuissituatie’ verscheen dit najaar bij Scriptum. 

 

Bronnen:

[1] Oosterom, R. (2017, 15 februari). Hulp schiet tekort voor risicokind, Trouw.

[2] Van der Ende, P. C. (2016). Vulnerable parenting: A study on parents with mental health problems: Strategies and support. Groningen: Hanze University of Applied Sciences Groningen

[3] Abma, R, Jansz, J en van Drunen, P. (2001). Psychologische praktijken in: Jansz, J. & Drunen, van. P. redactie(2001). Met zachte hand. Opkomst en verbreiding van het psychologisch perspectief. 3e druk. De Tijdstroom, Leusden. pp17-36

[4] www.koppkvo.nl

[5] De enige twee interventies die wetenschappelijk onderzocht zijn betreffen ‘De ouder-baby interventie’ van Van Doesum en de doe-praatgroep voor 8-12 jarigen door Van Santvoort. Deze laatste groepsinterventie bleek slechts gedeeltelijk effectief en er bleek geen verschil te zijn in het bereiken van het hoofddoel  tussen onderzoeks- en controlegroep. Santvoort, F. van (2012). Support groups for children at risk. A study on risk levels and intervention effects in children of mentally ill or addicted parents. Proefschrift,  Radboud universiteit Nijmegen. Zie ook Zoon, M. & Berg, T. (2014:2,3). Wat werkt voor kinderen van ouders met psychische problemen? Nederlands Jeugdinstituut over effectiviteit interventies.

[6] Cyrulnik, B. (2002). Veerkracht. Over het overwinnen van jeugdtrauma’s. Ambo. Amsterdam; Cyrulnik, B. (2004). Spoken uit het verleden. Leven na een jeugd zonder warmte. Ambo. Amsterdam.

[7] Zie www.koppkvo.nl

[8] Zie bijvoorbeeld Perry, B. & Szalavitz, M. (2007:37-38). De jongen die opgroeide als hond en vele andere verhalen uit het dagboek van een kinderpsychiater. Scriptum Psychologie. Schiedam

[9] Zoals Big Brothers Big Sisters of een steungezin van Buurtgezinnen.nl.

[10] Bijvoorbeeld de methodiek “Ouderschap met Succes en Tevredenheid” (OST)

[11] Mierau, J. (2016, 13 december). Stop keten van depressie: begin bij kinderen. Geraadpleegd op 17 februari 2017.

 

Foto: Stephan Hochhaus (Flickr Creative Commons)

februari 24, 2017Permalink

Vergeten kun je leren. Leven met dementie

-activist en Dementiedagboekhouder Leo houdt zich met een flinke dosis positiviteit staande in een samenleving van mensen die hem vanwege zijn ontwijken of juist omarmen. Zijn tips voor omgaan met zijn ook handig als je geen dementie hebt.  Vergeten kun je leren. Leo geeft raad over met dementie
Correspondent Oud worden.

Heiba TARGHI BAKKALI

‘Soms hebben de dingen die je zegt nog maar een helft of een kwart van de waarde. Dat doet wel pijn,’ zegt Leo (1933) over hoe anderen soms reageren op zijn dementie.

Als het aan Leo ligt verandert dit. Daarom schudt hij honderden handen, doet hij zijn verhaal op podia en komt hij voor in twee boeken  en tal van krantenartikelen.

Zo werkt hij ook mee aan mijn project, de Dementiedagboeken,  waar inmiddels vijftien mensen met dementie aan meedoen, wekelijks komt er iemand bij. Met hun spraakberichten “schrijven” ze mee in mijn journalistieke agenda. 

Leo wil beslist niet dat zijn identiteit uitsluitend gedefinieerd wordt door zijn rotziekte: alzheimer. Hij is zoveel meer dan dat.

Hij is echtgenoot, hij is vader, hij is opa, hij heeft ook zijn hele leven gewerkt in de bouw. Eerst als timmerman, later als architect en ten slotte als bouwkundig adviseur. Hij is sociaal bewogen, kunstzinnig en spiritueel ingesteld. (Luister maar)

De Dementiedagboeken
Leo vertelt  Vergeten kun je leren. Leo geeft raad over leven met dementie
SoundCloud

Montage: Romanee Rodriguez

Leo’s lessen

Acht jaar geleden is bij Leo de ziekte van Alzheimer vastgesteld. Hij besloot niet bij de pakken neer te zitten, want dat past niet bij hem. Dus werd hij alzheimer-activist met alzheimer en leert hij nu anderen over zijn ervaring.

Zijn lessen uit jarenlang leven met dementie heeft hij samengevat in Alzheimer voor beginners - een zelfgemaakte brochure.  Dit boekje is bedoeld als reddingsboei voor mensen die ernstig beginnen te vergeten, door alzheimer maar ook door andere soorten dementie. Wat verrast is dat Leo’s lessen ook voor mensen zónder dementie nuttig kunnen zijn.  Zijn eerste en allerbelangrijkste les uit zijn brochure is dat je je probleem, het vergeten, meteen onder ogen moet zien. Dementie, dat kun je maar beter accepteren.

Gemiddeld leven mensen met dementie acht tot tien jaar met hun diagnose. Meestal is alleen de laatste fase van één à twee jaar bar en boos, maar in de praktijk associëren veel mensen de ziekte hiermee. In de periode daarvoor wonen de meeste mensen met dementie gewoon thuis. Maak er het beste van, raadt Leo aan. ‘Kies dus voor blijdschap.’

Hoewel hij acht jaar geleden de diagnose alzheimer kreeg, is hij heel mondig en maakt hij een scherpe indruk. Het is dat hij mij bij onze eerste ontmoeting vertelde dat hij dementie heeft, anders zou ik het misschien niet gemerkt hebben. Althans, niet meteen.

Nu ik Leo wat langer ken, merk ik wel wat van zijn vergeten. Als ik hem iets vertel, schrijft hij dat op in zijn jaloersmakend nette handschrift. Soms gebruikt hij een ongebruikelijk woord om iets te beschrijven, maar ik weet wel gelijk wat hij bedoelt. Sommige vragen ontwijkt hij soepel door van onderwerp te veranderen.

Waarom je tijdig actie moet ondernemen als je begint te vergeten

Dat mensen die beginnen te vergeten dat liever stilhouden is niet zo vreemd. Dementie is omgeven door stigma’s en taboes, waar je als mens met dementie dagelijks mee geconfronteerd wordt. Maar, zegt Leo: ‘Ik durf te zeggen dat iedereen bij jou in de straat het allang weet. Je kan het wel ontkennen, maar ze merken toch wel dat je veel vergeet.’

Maar juist heimelijkheid over beginnende dementie houdt de vooroordelen in stand, constateert Leo. ‘Als iedereen open over zijn dementie zou zijn, zou het schelen.’

‘Als je merkt dat je begint te vergeten moet je meteen aan de slag, metéén,’ zegt Leo, ‘nu kun je nog dingen leren. Als je twee jaar wacht, kun je het absoluut niet meer leren. Leren is met alzheimer heel moeilijk, omdat je het niet onthoudt.’

Er als de kippen bij zijn is een zinnig advies, want ingesleten gewoontes en routines blijven beter hangen bij mensen met dementie. Zo werkt het brein nu eenmaal. Alzheimer veroorzaakt bovendien nog een obstakel. Om een routine te kunnen bedenken heb je hersencapaciteit nodig in het deel van het brein dat met name de ziekte van Alzheimer aantast: het bovenbrein. In dit deel van het brein wordt je vermogen om te denken en te kiezen aangestuurd.

‘Ik maak me geen illusies over hoe het voor mij zal eindigen’

Leo leerde zichzelf een aantal routines aan in de tijd dat hij net begon te vergeten. Daar heeft hij nog steeds veel plezier van. Hij haalt ter illustratie een bakje met verzorgingsproducten uit de badkamer. ‘Dit heb ik ’s morgens nodig als ik me ga wassen,’ zegt hij. ‘Het is mijn systeem om niet te vergeten wat ik ’s ochtends al wel of nog niet heb gebruikt.’

De spullen, waaronder een tandenborstel, douchegel, deodorant, bodylotion en een haarborstel, haalt hij één voor één uit het bakje. En als hij klaar is, gaan ze weer terug in het bakje voor de volgende dag.

Leo heeft meer handigheden, zo zitten zijn portemonnee en sleutels met keyback  aan zijn broek gegespt en heeft hij een vaste plek voor zijn spullen.

‘Ik heb mezelf nog iets aangeleerd,’ zegt Leo. ‘Elke ochtend maak ik de douchecabine schoon met een wisser. Ik heb dat een keer een glazenwasser zien doen en vervolgens probeerde ik het net zo snel te doen als hij. Terwijl ik dat deed moest ik om mezelf lachen.’

Dagen achter elkaar herhaalde Leo steeds dezelfde handeling, totdat deze erin sleet. ‘Ik hoef de wisser maar beet te pakken en ik begin al te lachen. Best idioot, vind ik, als je erover nadenkt. Maar goed, dit is waarom ritme dus zo belangrijk is.’

‘Onbenullig’ klinken zijn voorbeelden, vindt Leo. ‘Maar, alles bij elkaar genomen zijn deze manieren essentieel om zo lang mogelijk zelfstandig te kunnen leven met dementie.’

Hoewel Leo positief in het leven staat, beseft hij terdege waar het voor hem, waarschijnlijk, zal eindigen: zittend in een stoel, niet langer beseffend wie hij is en wat hij hier doet. ‘Ik maak me daarover geen illusies,’ zegt hij.

Hoe anderen op je kunnen reageren als je zegt dat je dementie hebt

‘Diverse kennissen nemen mij niet serieus als ik zeg dat ik gediagnosticeerd ben met alzheimer,’ zegt Leo. ‘Een kennis zegt op de thee dingen als ‘ach, schei toch uit, je hebt helemaal geen alzheimer.’ Ik zeg voortaan dat dit mij pijn doet, dat is ook zo, al sta ik erboven.’

Leo legt uit dat het vooral pijn doet omdat de houding van anderen over zijn dementie doorwerkt in alles wat er beslist wordt. Leo vindt het vervelend dat ‘heel wat mensen’ afstand van hem houden omdat hij alzheimer heeft.

‘Je kunt het al aan iemands houding zien. Als je alzheimer hebt, dan ben je beladen. Dat is gewoon de realiteit, je hoeft je niks wijs te maken.’ Hij probeer ‘gewoon zichzelf’ te blijven. ‘Als ik op een nieuwjaarsfeestje ben, sta ik met iedereen te lullen en heb ik geen schroom over mijn alzheimer.’

Veel mensen met dementie krijgen steeds dezelfde reacties als ze vertellen dat ze dementie hebben. Een veelgehoorde reactie is volgens Leo: ‘ach, ik vergeet ook weleens wat’ of ‘ik ben ook ouder.’ ‘Ik ben dat inmiddels wel gewend, ik reageer er niet meer op,’ schokschoudert hij.

Hij praat liever met jonge mensen, omdat zij er volgens hem over het algemeen wél goed mee omgaan als ze horen dat je alzheimer hebt. Lachend: ‘Het kan zijn dat ik ze een beetje inpak, hoor. Eerst moet je een goede bodem leggen om zoiets te kunnen vertellen. Ik vraag eerst: ‘En? Wat hebben jullie gestudeerd vandaag?’ Dan praten we een poos, en dán vertel ik pas dat ik ook lekker bezig ben met studeren met alzheimer. Dan lachen ze en is het in orde.’

Het inpakken is essentieel om het gesprek prettig te laten verlopen, meent hij. ‘Als je dat niet zou doen, en meteen zou vertellen dat je alzheimer hebt, dan kun je het helemaal vergeten, je wordt dan afgeschreven. De meeste mensen praten niet met je als ze vooraf weten dat je alzheimer hebt, alsof je iets besmettelijks hebt.’

Hij merkt ook dat zijn levenslange ervaring als bouwkundige mensen niets meer zegt. Zijn adviezen over hoe om te gaan met het onderhoud van zijn appartementencomplex worden in de wind geslagen door de bewonerscommissie, merkt hij. ‘Ik laat het maar los, het moet wel, anders zou je geen leven hebben,’ zegt hij op zachte toon.

Wat Leo van de sociale obstakels in algemene zin vindt? ‘Dat is nu eenmaal de realiteit, zo is de maatschappij nu eenmaal,’ reageert hij. ‘Daar moet je mee om leren gaan, je moet het accepteren. Je moet er heel open instaan om daar geen last mee te krijgen. Wat ik heb geleerd is bij jezelf te blijven.’

Tot slot: wat kun je zelf doen als je dementie krijgt?

Leo heeft nog een paar tips voor wie dementie krijgt:

1. Wees optimistisch

Het is vooral belangrijk te kiezen voor blijdschap, stelt Leo. ‘Blijdschap levert blijdschap op.’ Het alternatief, boosheid, zorgt voor een negatieve spiraal waardoor je eerder angstig wordt, vindt hij. ‘Je moet niet over jezelf inzitten. Ik vind helemaal niet dat ik zielig ben en daarom heb ik ook geen angst.’ Volgens Leo moet je het ook wel een beetje in je hebben, die positieve inborst. ‘Als je het niet in je hebt, kun je eraan werken om het meer te krijgen, door verschillende strategieën uit te proberen. Blij zijn en optimisme zorgen dat je overeind blijft.’

2. Stop op tijd met autorijden

Stoppen met autorijden is voor de meeste mensen met dementie moeilijk te accepteren. Leo merkte op een gegeven moment dat hij moe werd van autorijden en minder geconcentreerd achter het stuur zat. ‘Als je slecht autorijdt, moet je daar gewoon mee stoppen. Ik heb zelf bepaald dat ik stopte met autorijden.’

3. Zoek rust op

‘Als we klaar zijn met praten ga ik mezelf terugtrekken om te mediteren,’ zegt Leo tijdens ons gesprek. ‘Dat is mijn manier om weer op te laden, ik krijg dan weer energie.’ Volgens hem is mediteren vooral voor mensen met dementie heel belangrijk. ‘Het helpt je om je gedachten te ordenen.’

4. Ga de natuur in, beweeg

Volgens Leo heeft de natuur in gaan hetzelfde, reparerende, effect. ‘In de natuur kun je in stilte met aandacht kijken naar de natuur, dat zorgt dat zorgen van je afglijden. Spinoza zei niet voor niets dat God en de natuur hetzelfde is.’ De natuur in gaan, gaat ook hand in hand met bewegen, waar Leo groot pleitbezorger van is. ‘Als je beweegt, doet alles het beter.’

Bij geen van de deelnemers aan de Dementiedagboeken vermelden we de achternaam. De volledige namen zijn bekend bij de hoofdredactie.

februari 12, 2017Permalink

Wat doe je als mensen met een doodswens geboren lijken te zijn?

 

a9cbe56a-75fa-4168-8f1c-ac4cb234111b

Gastcolumn Inge Schilperoord

GASTCOLUMNIn de geestelijke gezondheidszorg doen we er alles aan om zelfdoding te voorkomen. En dat moet ook. Maar soms is het lijden van een patiënt haast niet te verdragen, schrijft gastcolumnist Inge Schilperoord.

Inge Schilperoord werkt als forensisch psycholoog bij onder andere het Pieter Baan Centrum. Haar debuutroman Muidhond won de Bronzen Uil 2015 13 december 2015, 07:00
Als eerste bespreken we hetzelfde als we ieder gesprek doen. Zijn suïcidewens

‘Is Jan al klaar met scheren? Hebben we het mesje terug?’ De groepsleidster van Jans afdeling kijkt vragend om zich heen. Een collega verlost haar. ‘Ik heb het hier.’ Zorgvuldig bergt hij het potentiële gevaar voor Jans polsslagader weer op bij de toiletartikelen.

Een paar minuten later zit ik bij Jan ‘op cel’, zoals dat in het Pieter Baan Centrum heet. Aan de andere kant van het raam begint het te schemeren. Uitgeblust zit hij op bed. Zijn slappe lichaam en voorzichtige glimlach lijken haast onverenigbaar met het geweld in zijn dossier. Zijn kruin wordt verlicht door een scherpe cirkel licht van de plafondlamp.

Als eerste bespreken we hetzelfde als we ieder gesprek doen. Zijn suïcidewens. ‘Er een einde aan te maken, eindelijk,’ zoals hij met fluisterstem zegt. Ik vraag naar details, luister, laat hem praten. Doe wat het suïcidepreventieprotocol voorschrijft. Ga na hoe concreet zijn ideeën zijn. En: hoe erg is zijn somberheid? Kan ik afspraken met hem maken? Hoe zit het met zijn antidepressiva? Moet ik de psychiater nog eens bij hem langs sturen?

Uitzichtloosheid
Interieur van een kliniek.
Interieur van een kliniek. © ANP
Alles om te voorkomen dat iemand zich van het leven berooft. Logisch. Heel goed. Maar wezenlijk iets veranderen aan de uitzichtloosheid van Jans situatie doet dit niet. En ik vraag me af hoe dit alles voor hem is. Vindt hij onze zorg prettig? Of vergroot het juist de vervreemding, de afstand? Zelf voel ik paradoxaal genoeg juist in dit soort ‘zorgende’ gesprekken die kloof tussen patiënt, of in Pieter Baan Centrum: observandus, en psycholoog het meest. Ik probeer zijn gedrag te begrijpen, duiden, reguleren. Maar we komen uit zo’n andere wereld. Wanneer ik vraag hoe hij het psychologisch onderzoek beleeft, kijkt hij naar de grond en haalt zijn schouders op.

Laatst hoorde ik psychiater Bram Bakker bij Kunststof praten over suïcide en de tragische dood van zijn vriend Joost Zwagerman. Op dezelfde bevlogen manier als ik hem vaker had horen praten over zelfmoord, en hoe dit te voorkomen. Maar nu klonk hij machtelozer. ‘Waarom heeft hij mij niet gebeld?’ zei hij, doelend op de dagen voorafgaand aan Zwagermans dood. Hiermee implicerend dat hij, of wie dan ook, hier misschien nog iets aan had kunnen veranderen. Immers, zo blijkt uit studies en uit overlevering, aan suïcidaliteit ligt vaak een depressie ten grondslag. En een depressie is te behandelen. Als je geluk hebt.

Donkere jeugd
Zoals te verwachten, was Jans jeugd donker. Een labiele, dronken moeder die hem bij haar in bed dwong

Maar hoe zit dat met die mensen, die met een doodswens geboren lijken te zijn? Die zich niet anders herinneren dan dat ze dood willen? Zoals Jan. Zijn tante vertelde aan de maatschappelijk werker van het Pieter Baan Centrum dat hij als kind al pogingen deed zich te verhangen in de schuur. Tevergeefs. Bij de zwerfkatten uit de buurt lukte het hem overigens wel.

Zoals te verwachten, was Jans jeugd donker. Een labiele, dronken moeder die hem bij haar in bed dwong. Een gewelddadige vader. In een van de psychologische vragenlijsten schrijft hij met een priegelig, naar achter hellend handschrift: Ik voel bij niemand aansluiting. Ben altijd alleen geweest. 25 jaar aan psychologische, psychiatrische en medicamenteuze behandelingen hebben hier geen verandering in gebracht.

De enige gelukkige periode in Jans leven was de lente waarin hij als vrijwilliger in een manege werkte. Tot hij, tot zijn eigen walging, zijn lievelingspaard mishandelde. Niet veel later pleegde hij zijn delict. Op een avond dronk hij twee flessen brandewijn, pakte zijn vleesmes, en wachtte de halve nacht om de hoek van het café om een oud drinkmaatje te verwonden.

Agressie
In de psychoanalyse wordt depressie wel opgevat als een vorm van agressie. Naar binnen gekeerde agressie. Agressie naar jezelf. Moord, en zelf-moord als twee kanten van eenzelfde medaille. Bij Jan lijkt dit te kloppen. Wanneer hij maar genoeg walgt van zijn leven, van het feit dat hij leeft, wil hij het leven beschadigen, doden. Dat van zichzelf, of van een ander. Waarna zijn agressie weer zijn zelf- walging voedt. Sinds hij zijn maatje richting de intensive care hakte, wil hij zeker niet meer leven. ‘Ik ben het niet meer waard.’

Maar nu zal hem gevangenisstraf wachten en een lange, mogelijk eindeloze tbs-behandeling. De paar therapievormen die hij nog niet heeft ondergaan, zullen worden uitgeprobeerd. Misschien krijgt hij andere medicatie. Meer medicatie. En de suïcidecontrole zal blijven. Tot het hem misschien, op een onbewaakt moment, zal lukken.

Wanneer ik aan het einde van de dag naar de bushalte loop is het donker. Er valt een aarzelende motregen. De wind rukt wat aan de laatste bladeren. Vanavond ga ik sporten, eten met vrienden in een nieuw restaurant; morgen een weekend naar Antwerpen. Vlak voor ik mijn eigen leven weer instap, zie in gedachten Jan op zijn cel zitten. Vanavond, morgen, zondag. Zonder scheermesje.

De patiënt ‘Jan’ in deze column is een fictieve patiënt, opgebouwd uit verhalen van echte patiënten.

Inge Schilperoord werkt als forensisch psycholoog bij onder andere het Pieter Baan Centrum. Haar debuutroman Muidhond won de Bronzen Uil 2015. Deze maand is zij gastcolumnist van Volkskrant.nl

 

 

december 13, 2015Permalink