GGZ voor ouders met problemen

 GGZ is er voor ouders met problemen, vertrouw hun kinderen aan betrokken naasten toe

van ouders met psychische en verslavingsproblematiek – jaarlijks minstens 577 duizend –  hebben steun nodig, maar moet die per se komen van de geestelijke gezondheidszorg (ggz)? Of kan die support ook, en wellicht liever, geboden worden door naasten? Socioloog en onderzoeker Elize Lam pleit voor een ggz op gepaste afstand.

Hulp schiet tekort voor risicokinderen, kopte Trouw pas verwijzend naar een onderzoek van het Trimbosinstituut. Door falende zouden psychische problemen of verslaving van ouders vaak overgaan op hun kinderen.[1] Een stevige conclusie die te weinig recht doet aan de werkelijkheid.

Niet in de laatste plaats omdat uitsluitend gewezen wordt naar gemeenten die onvoldoende preventieve zorg voor kinderen inkopen en naar professionals buiten de ggz die richtlijnen niet volgen. Er is geen aandacht voor de ggz-volwassenenzorg die al jaren te weinig oog heeft voor de context van cliënten, laat staan ze actief ondersteunt bij hun ouderschap. Terwijl dit voor kinderen zoveel kan uitmaken, zelfs het herstelproces van hun ouders kan bevorderen.[2]

ggz  Preventie als antwoord?

De preventietak van de ggz richt zich juist sterk op de minderjarige kinderen van haar cliënten. Om problemen bij hen voor te zijn, sporen preventiewerkers hen het liefst zo vroeg mogelijk op. Ze willen deze ‘nog-geen-patiënten’ [3] toeleiden naar programma’s waar ze met de ouderproblematiek leren om te gaan. Zo kunnen vierjarigen al meedoen aan lotgenotenclubs, zijn er ‘doe-praatgroepen’ vanaf zes jaar, cursussen en talloze hulpsites.[4]

Nederland is internationaal gezien koploper met haar gestandaardiseerde preventieaanbod, maar de doelgroep benut het nauwelijks. Pogingen om dit te veranderen zijn al jaren onsuccesvol. Dat veel jeugdigen lastig te motiveren zijn om ook in hun (soms spaarzame) vrije tijd met de ouderproblematiek bezig te zijn, en zich vaak niet willen identificeren met de ggz, de wereld van de ouder, lijkt preventiewerkers en andere professionals te ontgaan. Ook de claim van de ggz dat veel ontwikkelde interventies effectief zijn, vindt onvoldoende onderbouwing.[5]

Het professionele systeem wijst terecht op het belang om deze minderjarigen vroegtijdig op te merken en te ondersteunen. Maar is het ook wenselijk dat zij rechtstreeks doelgroep worden van de ggz omdat er iets aan de hand is met hun vader of moeder? Hoewel het veel van kinderen kan vragen om evenwicht te vinden in een onrustige thuissituatie, redt twee op de drie het zonder grote problemen.

Wat ouders mankeert, blijkt uiteindelijk niet doorslaggevend voor hoe het hun kinderen vergaat. Anders zou elk kind in hetzelfde gezin of met een ouder met eenzelfde soort diagnose dezelfde weg afleggen. Veel bepalender is hoe risico- en beschermende factoren van kind, ouders en omgeving op elkaar inwerken. Oftewel, de context waarbinnen een kind opgroeit, speelt mee, maar ook diens persoonlijkheid, hoe het reageert op stress en wie er om hem heen staan.

Netwerk biedt toegang tot ‘lichtere’ werkelijkheid

Essentieel voor een gezonde van een kind, is dat het kind kan zijn. Dat geldt ook voor de kinderen van psychiatrisch zieke en verslaafde ouders. Maar dat schiet er nogal eens bij in. Een betrokken netwerk kan juist dat kind-zijn faciliteren.

Opmerkzame volwassenen, liefst langdurig betrokken, kunnen het verschil maken – denk daarbij aan de ouders van een vriendje, een tante of een buurvrouw. Naasten voor wie het kind en niet de ouderproblematiek maar de onderlinge relatie vertrekpunt is en die in tegenstelling tot hulpverleners het gewone delen: samen naar de markt gaan, een spelletje doen maar ook een luisterend oor bieden als kinderen willen praten. Naasten die rekening houden met hun individualiteit.

Via betrokken netwerkleden kan het kind toegang krijgen tot een andere, lichtere werkelijkheid, en opveren zoals de Franse  Cyrulnik treffend zegt.[6] Alleen al te weten dat er iemand beschikbaar is, die weet wat er thuis speelt, geeft kinderen rust. Netwerkleden kunnen dienen als natuurlijke veerkrachtbeschermers, mits hun betrokkenheid de juiste intenties kent en hun steun aansluit op de behoefte van het kind. Bovendien moet het netwerk de kans krijgen om zijn plek in te nemen maar daar gaat het nog weleens mis.

Liefdevolle en duurzame relaties zijn heilzaam

Wetenschappelijk gezien staat het belang van sociale steun als beschermende factor voor deze kinderen als een huis. Dat erkent ook de ggz.[7] Om de impact van naasten voor hen te vergroten, moet het professionele systeem en het beleid het netwerk echter veel meer dan nu als essentiële partij erkennen. Niet vanuit een instrumentele overtuiging – minder middelen voor professionele inzet en – maar vanuit een fundamenteel weten dat liefdevolle en duurzame relaties met naasten heilzaam zijn.[8] Dat voorkomt de inzet van dure standaardinterventies.

Soms is een professional tijdelijk nodig om het netwerk aan te moedigen of te begrenzen. Ouders zijn daartoe niet altijd in staat. Af en toe kijkt diezelfde omgeving weg of heeft niet het beste met een kind voor, of onderschat ze haar potentieel door te veronderstellen dat wat zij te bieden heeft schril afsteekt tegen de mogelijkheden van professionals die ervoor gestudeerd hebben. Soms komt de steun van onbekende vrijwilligers omdat het netwerk uitgedund of overbelast is. Ook zij kunnen als steungever heel waardevol zijn.[9]

Focus op de ouders

Laten hulpverleners van de ggz en daarbuiten zich allereerst en vooral richten op de ouders met problemen (en hun partners), en hen adequaat ondersteunen bij hun ouderschap. Dat gebeurt nog veel te weinig, al zijn er enkele goede uitzonderingen.[10]

Het is niet nodig om kinderen standaard te behandelen, om de keten ‘van depressie’ te doorbreken.[11] Die kan ook worden doorbroken doordat ouders hun problemen te boven komen, of er zo mee om leren gaan dat ze er voor hun kinderen kunnen zijn, of doordat kinderen voldoende kunnen beschikken over omgevingsbronnen.

Laat professionals kinderen alleen rechtstreeks helpen wanneer ze vastlopen of als de hulpbronnen opdrogen. Dat vraagt lef en adequaat aansluiten bij ouders en kinderen. Ieder kind balanceert tenslotte op z’n eigen manier.

Elize Lam is socioloog, verbonden aan het associate lectoraat Informele netwerken en Laatmoderniteit van de Christelijke Hogeschool Ede en werkzaam als senior adviseur bij Stade Advies. Haar boek ‘Risicokind of evenwichtskunstenaar? Kind zijn ondanks een moeilijke thuissituatie’ verscheen dit najaar bij Scriptum. 

 

Bronnen:

[1] Oosterom, R. (2017, 15 februari). Hulp schiet tekort voor risicokind, Trouw.

[2] Van der Ende, P. C. (2016). Vulnerable parenting: A study on parents with mental health problems: Strategies and support. Groningen: Hanze University of Applied Sciences Groningen

[3] Abma, R, Jansz, J en van Drunen, P. (2001). Psychologische praktijken in: Jansz, J. & Drunen, van. P. redactie(2001). Met zachte hand. Opkomst en verbreiding van het psychologisch perspectief. 3e druk. De Tijdstroom, Leusden. pp17-36

[4] www.koppkvo.nl

[5] De enige twee interventies die wetenschappelijk onderzocht zijn betreffen ‘De ouder-baby interventie’ van Van Doesum en de doe-praatgroep voor 8-12 jarigen door Van Santvoort. Deze laatste groepsinterventie bleek slechts gedeeltelijk effectief en er bleek geen verschil te zijn in het bereiken van het hoofddoel  tussen onderzoeks- en controlegroep. Santvoort, F. van (2012). Support groups for children at risk. A study on risk levels and intervention effects in children of mentally ill or addicted parents. Proefschrift,  Radboud universiteit Nijmegen. Zie ook Zoon, M. & Berg, T. (2014:2,3). Wat werkt voor kinderen van ouders met psychische problemen? Nederlands Jeugdinstituut over effectiviteit interventies.

[6] Cyrulnik, B. (2002). Veerkracht. Over het overwinnen van jeugdtrauma’s. Ambo. Amsterdam; Cyrulnik, B. (2004). Spoken uit het verleden. Leven na een jeugd zonder warmte. Ambo. Amsterdam.

[7] Zie www.koppkvo.nl

[8] Zie bijvoorbeeld Perry, B. & Szalavitz, M. (2007:37-38). De jongen die opgroeide als hond en vele andere verhalen uit het dagboek van een kinderpsychiater. Scriptum Psychologie. Schiedam

[9] Zoals Big Brothers Big Sisters of een steungezin van Buurtgezinnen.nl.

[10] Bijvoorbeeld de methodiek “Ouderschap met Succes en Tevredenheid” (OST)

[11] Mierau, J. (2016, 13 december). Stop keten van depressie: begin bij kinderen. Geraadpleegd op 17 februari 2017.

 

Foto: Stephan Hochhaus (Flickr Creative Commons)

februari 24, 2017Permalink

Het simpele recept voor beter onderwijs

Consultant Jaap Versfelt zegde zijn baan op met een simpel idee: het kan leren van het bedrijfsleven. En leraren kunnen beter maken door samen te werken. Vier jaar later gebruiken bijna 500 zijn methode. Die is onwaarschijnlijk eenvoudig.

Het onwaarschijnlijk simpele recept voor beter onderwijs: leraren die samenwerken

Correspondent Onderwijs

Avatar Johannes Visser
Een 'bordsessie' volgens de leerKRACHT-methode. Foto: Florian Braakman (voor De Correspondent)

Een ‘bordsessie’ volgens de -methode. Foto: Florian Braakman (voor De Correspondent)

Wie hoort dat Jaap Versfelt (52) vier jaar geleden nog senior partner was bijMcKinsey en nu een lerarensalaris verdient, zal niet geloven dat de komende 2.500 woorden een succesverhaal beschrijven. Toch is dat het.Ga maar na: in 2012 begon hij met vijftien pilotscholen Stichting leerKRACHT. Nu, vier jaar later, is die stichting actief op bijna 500 scholen. Eén op de acht middelbare scholen doet mee, net als honderden basisscholen en zes pabo’s. 40 procent van de mbo’s heeft meerdere teams die meedoen. 200.000 leerlingen zitten op een school die werkt met de methode-leerKRACHT.Die scholen zijn enthousiast. 80 procent van de leraren op scholen die met leerKRACHT werken, zou de methode aanraden aan collega’s. Onderzoek Hier kan je een samenvatting lezen en het hele onderzoek downloaden.van de Universiteit Utrecht concludeert dat de methode vooralsnog kleine, maar positieve consequenties heeft voor het functioneren van leraren.Drie teams van de Onderwijsinspectie werken inmiddels ook met leerKRACHT, evenals een team op de afdeling primair onderwijs van het ministerie van Onderwijs.En aan het roer staat Jaap Versfelt – de man die in zijn eentje meer betekent voor de kwaliteit van het onderwijs dan tigduizend bestuurders en ambtenaren die nooit in de klas kijken. Hoe? Het antwoord is van een beschamende eenvoudigheid: door ervoor te zorgen dat leraren het hebben over de kwaliteit van hun lessen, opdat ze die samen verbeteren.Toch volgen er nu nog 2.000 woorden.

Wat er mis was met het onderwijs

Het verhaal van leerKRACHT begint in 2012, wanneer Versfelts vrouw op 46-jarige leeftijd besluit dat ze juf wil worden. Versfelt werkt op dat moment bij adviesbureau McKinsey, en vliegt de hele wereld over om bedrijven te helpen problemen op te lossen en een cultuur te creëren van ‘elke dag een beetje beter.’

Versfelt: ‘Mijn vrouw vertelde over Nadine, die haar rekenen gaf en een held was. Maar ook over de man die we thuis ‘video-Piet’ noemen: die zette een video op en die dacht dat dat lesgeven was. En dan zette-ie de week daarop per ongeluk dezelfde video op.’

Zijn vier zoons kwamen jaren geleden al thuis met kritische berichten

Die verhalen kende hij van zijn vier zoons. Die kwamen jaren geleden al thuis met dezelfde, kritische berichten. Maar daarvan dacht hij: ach, ’t zal de puberteit wezen, gewoon je best doen op school en het komt helemaal goed. Nu hoorde hij hetzelfde voor het eerst vanuit het perspectief van een volwassene.

Op een dag vroeg Versfelt aan zijn vrouw: ‘Zullen we die pabo beter gaan maken?’ Ze besloten een enquête te houden onder veertig zij-instromers en presenteerden de resultaten aan een teamleider. Maar die teamleider zei: ‘We herkennen ons totáál niet in dit beeld! Piet is onze topdocent!’ Versfelt: ‘Als ze eens bij Piet in de les was gaan kijken, dan was haar misschien opgevallen dat de helft van de groep tijdens de les de krant zat te lezen omdat ze gedwongen werden aanwezig te zijn. Piet interesseerde het allemaal geen ruk meer.’

Door naar de directie. Die nam een +1 mee.

‘Ik vraag: ‘En wie bent u?’’

Zegt die man: ‘Ik ben de advocaat.’

Versfelt was woedend. Hij kwam in zijn ogen met het grootste cadeau, de van leerlingen, en de directie kon alleen maar aan imagoschade denken. Hij vond het zó erg dat volgende generaties ook van deze mensen les zouden krijgen dat hij besloot ‘iedereen in het onderwijs te mobiliseren die gelooft dat we leraren op een podium moeten zetten – niet om ze te bewonderen, maar omdat we enorm hoge verwachtingen van ze hebben. Dat was de oprichtingsdag, het uur en de minuut van Stichting leerKRACHT.’

Hij zegde zijn baan bij McKinsey op.

Waarom leerKRACHT de leraar centraal zet

In de eerste maanden constateerde hij dat het Nederlandse onderwijs al best goed is. Maar hij constateerde ook dat het Nederlandse onderwijs al dertig jaar best goed was, en ondanks vele pogingen om het onderwijs te verbeteren niet nóg beter, excellent, werd.

Hoe kwam dat toch? Twee jaar eerder, in 2010, hadden buitenlandse oud-collega’s van McKinsey een rapport Hier kan je het onderzoek van McKinsey lezen.geschreven over manieren om het onderwijs te verbeteren. Voor hun onderzoek bezochten ze dertig landen met de vraag hoe ze hun onderwijs verbeterden. De studie concludeert dat landen die al goed onderwijs hadden en excellent zijn geworden, dat allemaal hebben gedaan door te investeren in de kwaliteit van de leraar.

In een praatje in De Balie Vanaf 32:40 is Jaap Versfelt aan het woord in deze videoregistratie.zegt Versfelt: ‘We hebben ons ziek geanalyseerd of er nog iets anders toe doet. Curriculum? Geld? De structuur van het onderwijs? Niets kunnen vinden. Oké, ik moet eerlijk zijn. We hebben één ding kunnen vinden dat er ook toe deed: de kwaliteit van de schoolleider. Wij helemaal blij, er is een tweede reden gevonden. Als je dan het doosje ‘schoolleider’ opendoet en je kijkt naar wat nu een goede schoolleider maakt? Die zorgt voor goede leraren.’

Hoe maak je leraren beter?

Maar hoe maak je leraren beter? Het motto van Stichting leerKRACHT is: ‘Iedere dag samen een beetje beter.’ Versfelt: ‘De effectiviteit daarvan is in talloze bedrijfstakken onderzocht, en talloze bedrijven werken op deze manier. De gekke Henkie hier heet het onderwijs.’ De Onderwijsraad adviseerde het ministerie gisteren nog Hier kan je het advies van de Onderwijsraad teruglezen.om samenwerking beter in te bedden in de dagelijkse onderwijspraktijk.

Want daar is samenwerken inderdaad niet de norm. De OESO concludeerde in maart van dit jaarHet onderzoek van de OESO is hier te downloaden.dat Nederlandse leraren in vergelijking met collega’s uit het buitenland veel in hun eentje werken. Dat is ook wat ik ervaar op mijn eigen school. Zodra het lesuur begint, gaan de meeste deuren dicht. Eens per jaar komt er iemand van de schoolleiding in mijn les kijken. Een bestuurder van de koepel zal je in m’n les helemaal nooit zien.

Versfelt komt die bestuurders regelmatig tegen. Tegen een van hen zei hij eens: ‘Ik heb een púúr hypothetisch voorbeeld: je hebt een uur vrij in je agenda. Ik snap dat het hypothetisch is want je hebt het natuurlijk héél druk, maar waar ga je dat uur aan besteden? Ik geef je twee opties. Je ziet er heel intelligent uit, dus je gaat heel veel verbeteringen bedenken die je scholen dan hopelijk gaan uitvoeren. Of je besteedt het uur aan het creëren van een cultuur waarin leraren zelf hun lessen verbeteren. Hoeveel scholen heb je?’

Ze had er 27.

‘Hoeveel leraren werken daar gemiddeld?’

Dat waren er dertig. Ruim 800 leraren in totaal dus.

Toen zei Versfelt: ‘Stel je voor dat je het voor elkaar krijgt dat elk van die leraren één keer per week één keer iets verbetert aan z’n lessen. Dat betekent 800 maal veertig schoolweken, is 32.000 verbeteringen. Ik ga je niet eens meer vragen hoe jij je uur moet besteden.’

Concreet betekent het dat leraren op eenleerKRACHT-school vier dingen doen: bij elkaar in de les kijken, samen lessen voorbereiden, feedback vragen aan leerlingen en ‘bordsessies’ houden. Versfelt: ‘Het is allemaal heel eenvoudig uit te leggen. Totdat je je realiseert dat je dit niet met een paar leraren doet die altijd enthousiast zijn, maar met iedereen. Niet af en toe, maar elke week. Niet omdat het moet van de schoolleider, maar omdat je het zelf wilt.’

Op het Adelbert College werken docenten iedere dinsdagochtend samen

Op het Adelbert College in Wassenaar (ruim 1.200 leerlingen van vmbo-t tot en met gymnasium) zijn leraren al een jaar bezig met de leerKRACHT-methode. Iedere dinsdag beginnen de lessen pas om 10 voor 10 en duren ze maar veertig minuten, zodat er ’s ochtends tijd is voor leraren om gezamenlijk lessen voor te bereiden en ‘een bordsessie te doen.’

Zo’n bordsessie is een wekelijks overleg van maximaal 15 minuten waarin – staand voor het bord en altijd in dezelfde volgorde – successen worden besproken, worden opgesteld, ‘leraaracties’ worden bedacht om die doelen te bereiken en lesbezoeken worden ingepland. Zo’n sessie begint altijd met de vraag hoe iedereen zich voelt. Leraren geven dat aan door middel van een blije, neutrale of droevige smiley – daar wordt dan kort bij stilgestaan.

‘Dat klinkt kinderachtig, maar is wel goed,’ vindt Martijn de Prenter (32), die sinds 2009 docent biologie en NLT is op de school. ‘De sfeer is namelijk allesbepalend. In sommige secties liepen dingen al jaren niet lekker, merken we nu op. Dat moet eerst worden opgelost voor je verder kan.’ Daarom deelt een docent wiskunde eerst met zijn collega’s dat zijn dochter in het weekend een knieband heeft gescheurd.

Er zijn ook successen. Er zijn veel aanmeldingen voor de personeelsbarbecue en het is iedereen gelukt met Bettermarks te werken. Op één docent na.

‘Daar kijken we straks naar, maar nu wil ik door.’ Tegen mij: ‘Normaal zetten we altijd een wekker.’

Overal in de school zijn vaksecties aan het werk. De docenten Nederlands hebben hun bordsessie al gehad en bereiden nu hun lessen voor. Bij de kunstvakken – zes blije smileys – zitten de sfeer en het tempo er goed in.

‘Vind je het leuk als ik bij jou kom kijken?’

‘Ik heb misschien nog wel iets om ze actiever te krijgen.’

‘Zullen we verder gaan? Even snel naar de acties. Heeft iedereen het materiaal gelezen over differentiatie?’

Dat heeft iedereen.

‘Zullen we al onze ideeën samenvoegen tot de perfecte les?’

‘Dan nemen we gewoon mijn lessen.’

Foto's: Florian Braakman
Foto’s: Florian Braakman

‘Het is taboe om er iets van te zeggen als iemand al vijf jaar slecht lesgeeft’

Tijdens de gezamenlijke sessie van de secties natuur- en scheikunde – vijf mannen, twee blije en drie neutrale smileys – worden ideeën gedeeld om meer aandacht te besteden aan verschillen tussen leerlingen in de les. Een gebrek daaraan was het voornaamste kritiekpunt van de Onderwijsinspectie, toen de school vorig jaar ondanks prima eindexamenresultaten het predicaat ‘zwak’ kreeg.

Michiel Wagter (44) is een van de docenten die zijn ideeën deelt. Hij werkt sinds acht jaar op het Adelbert College. Hij is blij met de aanpak van Stichting leerKRACHT, die zijn sectie naar eigen zeggen faciliteert in wat ze al jaren buiten al hun reguliere werk om moesten organiseren. ‘Voorheen kwam je minder vaak bij elkaar, maar dan wel twee uur lang. Dan kwam je twee maanden later weer bij elkaar en was 90 procent niet gebeurd.’

Daar kon je dan eenvoudig mee wegkomen. Wagter: ‘We spreken elkaar in het onderwijs niet aan op gedrag. Het is taboe om er iets van te zeggen als iemand al vijf jaar slecht lesgeeft.’ Voor hij leraar scheikunde en NLT werd, werkte hij op de afdeling sales van een reclamebureau. ‘Daar was de cultuur compleet anders. Sales was spijkerhard, dan flikkerde je er gewoon uit.’

Ook dat was niet goed, vindt hij, maar leerKRACHT probeert juist de middenweg te vinden. ‘Ik denk dat we meer opschuiven naar meer samenwerken en elkaar meer aanspreken. Nu gebeurt het meeste wel in plaats van niet. Maar we zijn er nog lang niet.’

Het Kandinsky College probeert nóg excellenter te worden

Op het Kandinsky College in Nijmegen, een school met 1.500 leerlingen voor vmbo, havo, vwo en gymnasium, leert het docententeam vandaag voor het eerst kennismaken met Stichting leerKRACHT. Vorig schooljaar zijn veertig docenten getraind om ‘aanjager’ te worden op hun eigen school. De komende acht weken trainen de aanjagers op hun beurt collega’s, zodat iedereen over twee maanden bekend is met de methode van leerKRACHT.

Niet dat het slecht gaat. De school kreeg in januari 2016 voor het vierde achtereenvolgende jaar het predicaat Excellente School toegewezen. Toch kan leerKRACHT de school helpen om nog net een stapje beter te worden, denkt afdelingsleider havo Angélique Vermeulen. Zij haalde de methode de school binnen, al was dat niet gemakkelijk. Ze moest met collega’s lobbyen bij de directie en kreeg met veel moeite voor elkaar dat er tijd werd vrijgemaakt. Toen collega’s voor de vakantie hoorden over de nieuwe plannen, was ook niet iedereen gelijk enthousiast. Vermeulen: ‘Mensen hadden zoiets van: er wordt ons weer iets opgelegd. En terecht. De afgelopen jaren zijn er allerlei onderwijsontwikkelingen van bovenaf de scholen ingegooid. Dat werkt niet.’

Werkt leerKRACHT wel?

In lokaal 27 is het allemaal nog even wennen. Een deel van de docenten staat rond het digibord, maar een enkeling is er toch bij gaan zitten. De successen staan op het bord. De ecologiedag ging ‘top,’ een van de docenten roemt haar mentorklas, een ander heeft een goed mentorgesprek gevoerd.

Een van de aanjagers vat samen: ‘En dit is dus hoe we voortaan doelen bespreken.’

Aarzeling in de groep. ‘Wat zijn die doelen dan?’

Vermeulen grijpt in. ‘Het idee is juist dat de doelen vanuit de docenten komen. Jullie zijn de experts.’

Foto's: Florian Braakman
Foto’s: Florian Braakman

In lokaal 18 zijn de doelen net in groepjes besproken. Op de lange termijn wil groep 1 inzetten op de zelfredzaamheid van leerlingen. Komende week zullen ze hun leerlingen vaker dingen zélf laten opzoeken. Groep 2 wil op zoek naar ‘effectieve didactiek’ om leerlingen woordjes te laten leren. Groep 3 wil dat leerlingen beter om leren gaan met ICT. ‘We vragen op dat gebied heel veel van ze, maar we leren het ze nooit.’

Elf blije, een neutrale en één droevige smiley: de middag was een succes

Er wordt afgesproken dat iedereen volgende week nadenkt over zijn eigen expertise op dat gebied. Aan het eind van de middag staan de successen op het bord, zijn de doelen besproken, zijn er leraaracties afgesproken en is er een planning gemaakt om bij elkaar in de les te kijken.

Tegen vijven komen alle aanjagers bij elkaar. Elf blije, één neutrale en één droevige smiley: de middag was een succes.

‘Iedereen deed mee.’

‘Ja. Het was constructief.’

‘Hmm. Mja.’

‘Jij gebruikte daar een mooi woord voor net.’

‘Onderzoekend leren?’

‘Nee, nee… Saamhorigheid!’

‘Rob, hoe is jouw smiley?’ Een twaalfde blije smiley.

Er komt nog iemand binnen. ‘Pff… neutraal.’ De neutrale smiley op het digibord telt op naar twee.

‘Niet alles hoeft ook in één keer hè?’

Foto's: Florian Braakman
Foto’s: Florian Braakman

Het doel van leerKRACHT: overbodig zijn

Wat mij opvalt tijdens de schoolbezoeken is dat de kwaliteit van de samenwerking per team sterk verschilt. De ene groep is zichtbaar nog niet op zijn gemak met de methode, terwijl een andere groep in een kwartier tijd veel afspraken weet te maken. Maar al die docenten hebben het wél over wat er in hun lessen gebeurt en zoeken samen naar oplossingen – en dat is winst.

Op de een of twee scholen die met leerKRACHT werken die Versfelt per week bezoekt, ziet hij wat hij ook ziet in alle bedrijven waar hij bij McKinsey mee werkte: dat het hartstikke zwaar en moeilijk is om zo’n cultuur te creëren.

‘Maar ik zie ook dat het lukt. Niet meteen, maar daarom hebben we ook een programma dat scholen twee jaar lang begeleidt.’ Op het Adelbert College schatten ze dat het nog vier tot zeven jaar kan duren voor het vanzelfsprekend is dat leraren gezamenlijk doelen stellen en elkaar daarop aanspreken. Als een nieuwe rector zou besluiten het wekelijkse overlegmoment uit de roosters te schrappen, zou alles in no-time terug bij het oude zijn.

Versfelt is daar niet bang voor. ‘Ik zie aankomen dat wat wij gestart zijn niet meer gestopt kan worden. Als dat tipping point bereikt is dan kunnen wij ons opheffen. Over een jaar komen de eerste studenten van pabo’s die gewend zijn om te werken in een cultuur van ‘samen elke dag een beetje beter.’ Dat soort pabo-studenten zal beweging willen krijgen in de huidige schoolcultuur.’

‘Dat had het ministerie ook kunnen doen, ja. Dat was denk ik heel slim geweest.’

oktober 2, 2016Permalink

Bussemakers kritiek op efficiency-denken

WIEL VEUGELERS

Bussemakers kritiek op efficiency-denken in het onderwijs vereist meer uitwerking
Minister van , Cultuur en Wetenschap Jet Bussemaker pleit voor meer idealisme en maatschappelijke betrokkenheid in het hoger onderwijs. Dat is veelbelovend, maar vergt nog wel uitwerking. Wat voor type intellectueel willen we eigenlijk?

 

Bussemakers kritiek op efficiency-denken in het onderwijs vereist meer uitwerking

Minister Bussemaker zei in Buitenhof dat ze het een goed idee zou vinden als tijdens hun opleiding meer in aanraking komen met de maatschappelijke werkelijkheid. Ze noemt het zelfs jammer dat op universiteiten nu bijna geen stage meer wordt gelopen. Als het aan de minister ligt, lopen studenten commerciële economie of toekomstige bankiers straks stage bij de schuldhulpverlening of bij deurwaarders. Haar pleidooi voor meer engagement herhaalde ze in een toespraak in december tijdens de opening van de International Human Rights Education Conference in de Nieuwe Kerk in Middelburg. Ze zei toen: ‘ zullen op niet alleen moeten opdoen, maar ook moeten leren over zichzelf, in relatie tot de om hen heen.’

Onderwijs moet appèl op idealisme en engagement doen

‘Bildung’, betrokkenheid en burgerschap’, is het antwoord van de PvdA-bewindsvrouw op de veelgehoorde kritiek dat het hoger onderwijs te zeer op de is gericht. De impliciete boodschap die van het huidige marktgerichte onderwijs uitgaat, is dat de calculerende student alles uit het onderwijs moet halen om zijn positie op de arbeidsmarkt later zo sterk mogelijk te maken. Wat het onderwijs dan echter niet of nauwelijks doet, is appelleren aan iemands idealisme en engagement. Het dikke ik staat voorop, verantwoordelijkheid nemen voor de ander en de samenleving, als het al wordt gedaan, volgt ver in de achterhoede.

De minister verbond in het televisieprogramma drie woorden aan elkaar: Bildung, betrokkenheid en burgerschap. Bildung is een moeilijk vertaalbaar Duits woord waarin met name de culturele waarden centraal staan. In zijn oorspronkelijke betekenis verwijst Bildung naar een klassiek-culturele oriëntatie in het onderwijs met een nadruk op de grote werken van de westerse beschaving. Het wordt evenwel ook gebruikt om een specifieke invulling van de persoonsvorming aan te duiden, een vorming die sterk op het individu is gericht.

Bildung en efficiëncydenken

Bildung wordt – en niet alleen door minister Bussemaker – naar voren geschoven als hèt antwoord op de eenzijdige oriëntatie van onderwijs op arbeid en efficiency-denken. Maar over beide invullingen van het begrip, het centraal stellen van culturele waarden en de sterk op het individu gerichte vorming, kun je zeggen dat ze meestal niet primair maatschappelijk betrokkenheid voortbrengen of dat ze het onderwijs in sterke mate met de samenleving verbinden.

In die zin is de relatie die Bussemaker legt tussen Bildung, betrokkenheid en burgerschap interessant. Zij spreekt zich niet zozeer uit voor een abstracte’, culturele en persoonsgerichte benadering, maar voor een benadering die de student daadwerkelijk verbindt met de samenleving. Een benadering waarin hij wordt uitgedaagd om na te denken over zijn maatschappelijke rol, nu en later. De sociale verantwoordelijkheid blijft in dit perspectief niet beperkt tot het persoonlijke, individuele succes van de student, maar gaat ook, of misschien wel vooral, over zijn maatschappelijke bijdrage.
Bussemakers interpretatie van Bildung kan leiden tot een verbreding van het efficiency-denken. Efficiency komt dan in het licht te staan van de vraag naar de bijdrage die studie en student leveren aan de totstandkoming van een duurzame, rechtvaardige en democratische samenleving.

In een televisieprogramma op de zondagmorgen heeft Jet Bussemaker in een min of meer toevallige bijzin dus een nieuw inhoudelijk perspectief op het hoger onderwijs geschetst. Een visie die veelbelovend is, maar nog wel uitwerking verdient. Wat bijvoorbeeld is de rol die universiteiten en hogescholen hebben in de ontwikkeling van een samenleving die meer omvat dan arbeidsmarkt en kenniseconomie alleen. Een samenleving waar burgers zich in solidariteit en betrokkenheid tot elkaar verhouden en oog hebben voor elkaars soms verschillende culturele en religieuze waarden.

Een breder perspectief op haar maatschappelijke functie behoort deel uit te maken van elk debat over de toekomst van het hoger onderwijs. Daarbij moet het in de eerste plaats gaan over de inhoud van het onderwijs en waar het studenten voor opleidt, ofwel wat voor type intellectueel willen we eigenlijk? Iemand die louter geïnteresseerd in zijn eigen persoonlijke ontwikkeling of gewin, of iemand die ook maatschappelijk betrokken is?

Wiel Veugelers is hoogleraar Educatie aan de Universiteit voor Humanistiek. Een eerdere versie van dit artikel verscheen opwww.didactief.nl.

Afbeeldingsbron: Vrede van Utrecht (Flickr Creative Commons)

februari 23, 2016Permalink