DOKTER, IK GOOGLE HET ZELF WEL EVEN

Beterweters

Goed dat patiënten steeds mondiger zijn, maar sommige slaan door. Ze leggen wetenschappelijke studies naast zich neer en onderbouwen hun met bij elkaar gegoogelde ‘’ om MRI’s te eisen of hun kinderen niet te laten inenten. Een oproep aan het gezond verstand: Wetenschap. Is. Geen. Mening.

TEKST RENATE VAN DER ZEE        , IK HET ZELF WEL EVEN’

‘U bent de dokter, u weet wat het beste voor mij is.’ Dat hoorde emeritus hoogleraar in eurologie Rien Vermeulen zijn patiënten vroeger nog vaak zeggen. Maar hij zag die houding van zijn ­patiënten in de loop der tijd ingrijpend veranderen. Steeds vaker zat er een patiënt tegenover hem die leek te denken dat hij het beter wist. Een voorbeeld uit zijn praktijk: ‘Ik vertelde een patiënt eens dat er twee behandelmogelijkheden waren, waarop hij antwoordde: “Nee, er zijn dríe mogelijkheden; kan ik geen bloedtransfusie krijgen?” Dat was een absurde optie – de man had geen bloedarmoede, maar een neurologisch probleem –, maar toen ik dat uitlegde, reageerde hij: “Maar mijn buurman is enorm opgeknapt van een bloedtransfusie!” Die buurman bleek iets heel anders te hebben dan hij, maar toen ik hem daarop wees, zei hij: “Nou, ik vind het er wel heel erg op lijken.” ’

Vermeulen kwam steeds vaker in dit soort gesprekken terecht. ‘Tegenwoordig aanvaarden veel mensen de deskundigheid van de arts niet meer. En dat zie je overal in de westerse wereld. Ik hoor van collega’s uit Europa en Amerika precies dezelfde verhalen.’

‘OOK MAAR EEN MENING’ ik google het zelf wel

Vroeger hadden mensen heilig ontzag voor artsen, maar tegenwoordig lijken steeds meer mensen te twijfelen aan de medische wetenschap. Als ze ziek zijn, googelen ze hun symptomen en gewapend met die kennis stappen ze de spreekkamer in. En als de arts er anders over denkt, lezen ze hem de les. Natúúrlijk is het goed dat patiënten zich informeren en mondig zijn. Met een kritische houding is niets mis. Maar als die resulteert in de overtuiging dat je het beter weet dan de arts en dat de medische wetenschap ‘ook maar een mening’ is, kan dat ronduit gevaarlijk zijn. Voor je eigen gezondheid, maar ook voor die van anderen.

 

Hoe groot die risico’s zijn, bleek eind vorig jaar toen er een discussie oplaaide over het vaccineren van kinderen. Steeds meer Nederlandse ouders twijfelen eraan of ze hun kinderen wel moeten laten inenten. Een kwalijke ontwikkeling, omdat het succes van het vaccinatieprogramma juist afhangt van zo veel mogelijk ingeënte kinderen. Maar we leven tegenwoordig in een wereld waar ‘alternatieve feiten’ lijken te bestaan. En dus laat presentator Jeroen Pauw in zijn praatprogramma uitgebreid ouders aan het woord die zonder een greintje wetenschappelijke onderbouwing roepen dat gevaccineerde kinderen veel meer gezondheidsproblemen hebben dan kinderen die niet gevaccineerd zijn, dat een vaccin ‘ontzettend veel gifstoffen’ bevat en dat het een ‘mythe’ is dat niet-ingeënte kinderen ziektes doorgeven. En begin dit jaar zagen we hoe presentator Filemon Wesselink voor zijn tv-programma Het is hier autistisch een Amerikaans echtpaar interviewde dat er heilig van overtuigd is dat hun zoon autistisch is geworden door zijn . Ze geloven ook dat ze hem hiervan hebben genezen met een dieet. Toen Filemon de moeder ermee confronteerde dat wetenschappers nooit een verband hebben gevonden tussen en vaccinaties, antwoordde ze vriendelijk lachend: ‘Zij hebben hun mening – en ik de mijne.’

Bij Pauw roepen ­ouders ­zonder een greintje weten schappelijke onderbouwing dat vaccins ‘heel veel gifstoffen’ bevatten

ONVERANTWOORDE RISICO’S

Hoe is dit mogelijk? Wat is er aan de hand in onze dat ouders talloze wetenschappelijke studies waaruit blijkt dat deze vaccins veilig zijn naast zich neerleggen en alleen kijken naar de niet- onderbouwde informatie? En dat ze op basis van die informatie vervolgens besluiten hun kinderen niet te laten inenten, met alle onverantwoorde risico’s voor hun kinderen – en die van anderen? Vermeulen: ‘Juist dankzíj de vaccinaties weten mensen niet meer hoe gruwelijk kinderziektes kunnen uitpakken. We maken niet meer mee dat kinderen ­sterven aan de mazelen, we weten niet meer wat polio teweegbrengt. Dus concluderen deze ­mensen dat vaccineren niet nodig is.’

Dat mensen artsen wantrouwen, is de paradox van de geneeskunde, legt Vermeulen uit.

‘De m ­ edische kennis heeft een geweldige ontwikkeling doorgemaakt, maar medici worden steeds vaker gezien als onkundig. Vóór de Tweede Wereldoorlog kon je nog gewoon doodgaan aan ­allerlei infectieziektes, die kans is nu enorm verkleind. Als je vroeger ziek was, dan hoopte je maar dat er iets aan te doen was. Maar mensen die nu een ziekte hebben, verwachten daar onmiddellijk vanaf geholpen te worden. En als dat niet gebeurt, dan is de arts incapabel.’

De geneeskunde is de afgelopen decennia dus enorm verbeterd, maar de waardering voor de arts is juist afgenomen. Dat heeft niet alleen te maken met de hoge verwachtingen die mensen hebben, maar ook met het afbrokkelen van het gezag sinds de ­jaren zestig. Kerken liepen leeg, iedereen kreeg inspraak, actiegroepen als Provo hadden maling aan elke vorm van autoriteit. Mensen zijn sindsdien op alle fronten veel mondiger geworden, en eisen in de spreekkamer tegenwoordig op hoge toon een MRI-scan, en wel onmiddellijk. Vermeulen: ‘Ik heb meegemaakt dat een patiënt vroeg: “Moet er niet een scan van mijn hoofd gemaakt worden? Daar kwam ik eigenlijk voor.” Toen ik antwoordde dat een scan niet nodig was, omdat het mij al duidelijk was wat hij mankeerde, geloofde hij me niet.’

Als je vroeger ziek was, hoopte je dat er iets aan te doen was. Nu verwachten mensen dat ze onmiddellijk worden geholpen

SECOND OPINION

José van Dijck, president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van ­Wetenschappen, maakt zich ernstig zorgen over het groeiende wantrouwen in de wetenschap. Ze schreef er onlangs een opiniestuk over in NRC die ze begon met een klinkende quote van de Amerikaanse senator Daniel Moynihan:

‘Iedereen heeft recht op zijn eigen mening, maar niet op zijn eigen feiten.’

Van Dijck: ‘Natuurlijk maken wetenschappers fouten, maar dat is geen reden om het vertrouwen in de hele wetenschap op te zeggen. De wetenschap biedt systemen om tot waarheidsvinding te komen. Als niemand meer waarde hecht aan die systemen, waar praten we dan nog over met elkaar? Als je experts niet meer respecteert en alleen nog uitgaat van wat je zelf gelooft, dan zijn er geen ankerpunten meer. Je ziet dat mensen de wetenschap, de journalistiek en de rechtspraak steeds meer wantrouwen. Geert Wilders heeft het bijvoorbeeld over een “nep-rechtbank”. Maar als we de rechtspraak niet meer vertrouwen, wie accepteren we dan nog wél als scheidsrechter? Artsen verschillen soms inderdaad van mening, en daarom bestaat er zoiets als een second opinion. Maar dan moet de patiënt niet roepen: “O, ze weten er dus niets van!’ Een second opinion is een noodzakelijke afweging, en natuurlijk kost dat tijd. Maar als je ziek bent, ben je ongeduldig.’

TEGENSTRIJDIGE ADVIEZEN

Op internet worden we overspoeld met informatie. Sterker nog, we hebben nog nooit zo veel informatie tot onze beschikking gehad, en dat is volgens Van Dijck een belangrijke oorzaak voor het wantrouwen. ‘Niet het krijgen van informatie is moeilijk, maar het op waarde schatten ervan. Op internet lijken alle bronnen gelijk. Het is voor veel mensen onmogelijk te bepalen welke informatie zinnig is en welke niet. Zo ontstaat er wantrouwen.’

Ook Vermeulen noemt die overload aan informatie verwarrend. ‘De ene dag lees je op internet: “Koffie is ongezond, je kunt er blaaskanker van krijgen.” Een paar dagen later blijkt uit een ander “onderzoek” dat koffie juist gunstig is voor dit of dat. Of neem alle adviezen die we de afgelopen jaren over alcohol hebben gehad. Er was een periode waarin gold: het is goed om elke dag een glas wijn te drinken. En nu wordt geadviseerd juist helemaal niet te drinken. Die tegenstrijdige adviezen leiden bepaald niet tot vertrouwen in de wetenschap.’ Als lid van de Vereniging tegen Kwakzalverij zag Vermeulen ook vaak genoeg dat mensen zich uit radeloosheid afkeerden van de reguliere geneeskunde. Hij kent de aangrijpende verhalen van mensen die hun heil zochten bij alternatieve genezers, want die stelden hen gerust: het was geen kanker, maar alleen een kwestie van, zeg, negatieve energie. Genezers die zelfs zo ver gingen patiënten te beloven dat ze een operatie door buitenaardse wezens konden ondergaan. Dat mensen daar intrappen, is natuurlijk niet alleen een kwestie van denken dat je het beter weet dan de arts, maar vaak ook van wanhoop.

WÉG VERTROUWENSBAND

Wantrouwen jegens artsen heeft, naast het voornoemde autoriteitsprobleem, de overvloed aan informatie en de hoge verwachtingen van patiënten, nog een andere oorzaak, en die ligt bij de medische wereld zelf. Vroeger had je je leven lang dezelfde huisarts en die kende je heel goed. Tegenwoordig zijn er groepspraktijken en is jouw arts er vaak niet als jij hem wilt bezoeken. Hoe bouw je dan een band met elkaar op? Wisselende artsen in ziekenhuizen vormen een nog groter probleem, en dat is slecht voor de vertrouwensrelatie tussen ­patiënt en arts. Want van je vaste arts die je al zo lang kent, neem je nu eenmaal meer aan dan van iemand die je net hebt ontmoet.

Ook Vermeulen steekt de hand in eigen boezem.

‘Er is een groot gebrek aan empathie in de medische wereld. Als mijn patiënt zegt dat hij net als zijn buurman een bloedtransfusie wil, dan zegt hij eigenlijk: “Ik wil net als mijn buurman beter worden.” Als ik dan reageer met: “Maar u heeft niet dezelfde ziekte als uw buurman”, komt die boodschap niet aan. Wat helpt, is een langer gesprek over de angsten en verwachtingen van de patiënt. Maar daar is in de huidige medische wereld geen tijd voor. Ik hoor tegenwoordig van collega’s dat ze hun kinderen afraden geneeskunde te gaan studeren. Omdat ze patiënten als lastig ervaren, inderdaad. Maar ook omdat de geneeskunde een soort massaproductie is geworden.’

ZIEKE SAMENLEVING

Toegang houden

Hoe moet dit verder met het groeiende wantrouwen jegens de wetenschap? Welke risico’s loopt onze gezondheid als mensen massaal denken dat ze op internet en sociale media betere informatie kunnen vinden dan in de spreekkamer? Hoogleraar evolutionaire psychologie Mark van Vugt riep onlangs op om de sociale normen te beïnvloeden, zodat niet vaccineren, net als roken of pesten, voortaan als ‘moreel verwerpelijk’ wordt gezien. José van Dijck vindt dat we heel alert moeten zijn. Omdat het wantrouwen in de wetenschap niet alleen mensen, maar ook onze samenleving ziek kan maken. ‘Als we de kennis van experts die al heel lang met bepaalde materie bezig zijn van tafel vegen, verdwijnt de bodem uit de maatschappij. Dan krijg je een samenleving waarin iedereen zijn eigen mening onderbouwt met zijn eigen alternatieve feiten. En dan leven we niet meer in een democratie, maar in een emocratie.’

maart 13, 2017Permalink

GGZ voor ouders met problemen

 GGZ is er voor ouders met problemen, vertrouw hun kinderen aan betrokken naasten toe

van ouders met psychische en verslavingsproblematiek – jaarlijks minstens 577 duizend –  hebben steun nodig, maar moet die per se komen van de geestelijke gezondheidszorg (ggz)? Of kan die support ook, en wellicht liever, geboden worden door naasten? Socioloog en onderzoeker Elize Lam pleit voor een ggz op gepaste afstand.

Hulp schiet tekort voor risicokinderen, kopte Trouw pas verwijzend naar een onderzoek van het Trimbosinstituut. Door falende zouden psychische problemen of verslaving van ouders vaak overgaan op hun kinderen.[1] Een stevige conclusie die te weinig recht doet aan de werkelijkheid.

Niet in de laatste plaats omdat uitsluitend gewezen wordt naar gemeenten die onvoldoende preventieve zorg voor kinderen inkopen en naar professionals buiten de ggz die richtlijnen niet volgen. Er is geen aandacht voor de ggz-volwassenenzorg die al jaren te weinig oog heeft voor de context van cliënten, laat staan ze actief ondersteunt bij hun ouderschap. Terwijl dit voor kinderen zoveel kan uitmaken, zelfs het herstelproces van hun ouders kan bevorderen.[2]

ggz  Preventie als antwoord?

De preventietak van de ggz richt zich juist sterk op de minderjarige kinderen van haar cliënten. Om problemen bij hen voor te zijn, sporen preventiewerkers hen het liefst zo vroeg mogelijk op. Ze willen deze ‘nog-geen-patiënten’ [3] toeleiden naar programma’s waar ze met de ouderproblematiek leren om te gaan. Zo kunnen vierjarigen al meedoen aan lotgenotenclubs, zijn er ‘doe-praatgroepen’ vanaf zes jaar, cursussen en talloze hulpsites.[4]

Nederland is internationaal gezien koploper met haar gestandaardiseerde preventieaanbod, maar de doelgroep benut het nauwelijks. Pogingen om dit te veranderen zijn al jaren onsuccesvol. Dat veel jeugdigen lastig te motiveren zijn om ook in hun (soms spaarzame) vrije tijd met de ouderproblematiek bezig te zijn, en zich vaak niet willen identificeren met de ggz, de wereld van de ouder, lijkt preventiewerkers en andere professionals te ontgaan. Ook de claim van de ggz dat veel ontwikkelde interventies effectief zijn, vindt onvoldoende onderbouwing.[5]

Het professionele systeem wijst terecht op het belang om deze minderjarigen vroegtijdig op te merken en te ondersteunen. Maar is het ook wenselijk dat zij rechtstreeks doelgroep worden van de ggz omdat er iets aan de hand is met hun vader of moeder? Hoewel het veel van kinderen kan vragen om evenwicht te vinden in een onrustige thuissituatie, redt twee op de drie het zonder grote problemen.

Wat ouders mankeert, blijkt uiteindelijk niet doorslaggevend voor hoe het hun kinderen vergaat. Anders zou elk kind in hetzelfde gezin of met een ouder met eenzelfde soort diagnose dezelfde weg afleggen. Veel bepalender is hoe risico- en beschermende factoren van kind, ouders en omgeving op elkaar inwerken. Oftewel, de context waarbinnen een kind opgroeit, speelt mee, maar ook diens persoonlijkheid, hoe het reageert op stress en wie er om hem heen staan.

Netwerk biedt toegang tot ‘lichtere’ werkelijkheid

Essentieel voor een gezonde van een kind, is dat het kind kan zijn. Dat geldt ook voor de kinderen van psychiatrisch zieke en verslaafde ouders. Maar dat schiet er nogal eens bij in. Een betrokken netwerk kan juist dat kind-zijn faciliteren.

Opmerkzame volwassenen, liefst langdurig betrokken, kunnen het verschil maken – denk daarbij aan de ouders van een vriendje, een tante of een buurvrouw. Naasten voor wie het kind en niet de ouderproblematiek maar de onderlinge relatie vertrekpunt is en die in tegenstelling tot hulpverleners het gewone delen: samen naar de markt gaan, een spelletje doen maar ook een luisterend oor bieden als kinderen willen praten. Naasten die rekening houden met hun individualiteit.

Via betrokken netwerkleden kan het kind toegang krijgen tot een andere, lichtere werkelijkheid, en opveren zoals de Franse  Cyrulnik treffend zegt.[6] Alleen al te weten dat er iemand beschikbaar is, die weet wat er thuis speelt, geeft kinderen rust. Netwerkleden kunnen dienen als natuurlijke veerkrachtbeschermers, mits hun betrokkenheid de juiste intenties kent en hun steun aansluit op de behoefte van het kind. Bovendien moet het netwerk de kans krijgen om zijn plek in te nemen maar daar gaat het nog weleens mis.

Liefdevolle en duurzame relaties zijn heilzaam

Wetenschappelijk gezien staat het belang van sociale steun als beschermende factor voor deze kinderen als een huis. Dat erkent ook de ggz.[7] Om de impact van naasten voor hen te vergroten, moet het professionele systeem en het beleid het netwerk echter veel meer dan nu als essentiële partij erkennen. Niet vanuit een instrumentele overtuiging – minder middelen voor professionele inzet en – maar vanuit een fundamenteel weten dat liefdevolle en duurzame relaties met naasten heilzaam zijn.[8] Dat voorkomt de inzet van dure standaardinterventies.

Soms is een professional tijdelijk nodig om het netwerk aan te moedigen of te begrenzen. Ouders zijn daartoe niet altijd in staat. Af en toe kijkt diezelfde omgeving weg of heeft niet het beste met een kind voor, of onderschat ze haar potentieel door te veronderstellen dat wat zij te bieden heeft schril afsteekt tegen de mogelijkheden van professionals die ervoor gestudeerd hebben. Soms komt de steun van onbekende vrijwilligers omdat het netwerk uitgedund of overbelast is. Ook zij kunnen als steungever heel waardevol zijn.[9]

Focus op de ouders

Laten hulpverleners van de ggz en daarbuiten zich allereerst en vooral richten op de ouders met problemen (en hun partners), en hen adequaat ondersteunen bij hun ouderschap. Dat gebeurt nog veel te weinig, al zijn er enkele goede uitzonderingen.[10]

Het is niet nodig om kinderen standaard te behandelen, om de keten ‘van depressie’ te doorbreken.[11] Die kan ook worden doorbroken doordat ouders hun problemen te boven komen, of er zo mee om leren gaan dat ze er voor hun kinderen kunnen zijn, of doordat kinderen voldoende kunnen beschikken over omgevingsbronnen.

Laat professionals kinderen alleen rechtstreeks helpen wanneer ze vastlopen of als de hulpbronnen opdrogen. Dat vraagt lef en adequaat aansluiten bij ouders en kinderen. Ieder kind balanceert tenslotte op z’n eigen manier.

Elize Lam is socioloog, verbonden aan het associate lectoraat Informele netwerken en Laatmoderniteit van de Christelijke Hogeschool Ede en werkzaam als senior adviseur bij Stade Advies. Haar boek ‘Risicokind of evenwichtskunstenaar? Kind zijn ondanks een moeilijke thuissituatie’ verscheen dit najaar bij Scriptum. 

 

Bronnen:

[1] Oosterom, R. (2017, 15 februari). Hulp schiet tekort voor risicokind, Trouw.

[2] Van der Ende, P. C. (2016). Vulnerable parenting: A study on parents with mental health problems: Strategies and support. Groningen: Hanze University of Applied Sciences Groningen

[3] Abma, R, Jansz, J en van Drunen, P. (2001). Psychologische praktijken in: Jansz, J. & Drunen, van. P. redactie(2001). Met zachte hand. Opkomst en verbreiding van het psychologisch perspectief. 3e druk. De Tijdstroom, Leusden. pp17-36

[4] www.koppkvo.nl

[5] De enige twee interventies die wetenschappelijk onderzocht zijn betreffen ‘De ouder-baby interventie’ van Van Doesum en de doe-praatgroep voor 8-12 jarigen door Van Santvoort. Deze laatste groepsinterventie bleek slechts gedeeltelijk effectief en er bleek geen verschil te zijn in het bereiken van het hoofddoel  tussen onderzoeks- en controlegroep. Santvoort, F. van (2012). Support groups for children at risk. A study on risk levels and intervention effects in children of mentally ill or addicted parents. Proefschrift,  Radboud universiteit Nijmegen. Zie ook Zoon, M. & Berg, T. (2014:2,3). Wat werkt voor kinderen van ouders met psychische problemen? Nederlands Jeugdinstituut over effectiviteit interventies.

[6] Cyrulnik, B. (2002). Veerkracht. Over het overwinnen van jeugdtrauma’s. Ambo. Amsterdam; Cyrulnik, B. (2004). Spoken uit het verleden. Leven na een jeugd zonder warmte. Ambo. Amsterdam.

[7] Zie www.koppkvo.nl

[8] Zie bijvoorbeeld Perry, B. & Szalavitz, M. (2007:37-38). De jongen die opgroeide als hond en vele andere verhalen uit het dagboek van een kinderpsychiater. Scriptum Psychologie. Schiedam

[9] Zoals Big Brothers Big Sisters of een steungezin van Buurtgezinnen.nl.

[10] Bijvoorbeeld de methodiek “Ouderschap met Succes en Tevredenheid” (OST)

[11] Mierau, J. (2016, 13 december). Stop keten van depressie: begin bij kinderen. Geraadpleegd op 17 februari 2017.

 

Foto: Stephan Hochhaus (Flickr Creative Commons)

februari 24, 2017Permalink

Allemaal naïef

Naïef en worden vaak in een adem genoemd. Als je eenmaal doorhebt hoe ellendig de is, moet je je daar blijkbaar naar gedragen. Maar hoe langer je erover nadenkt, hoe vreemder het is dat optimisme en naïviteit zo inwisselbaar zijn geworden.

We zijn , laten we ophouden dit elkaar te verwijten
Gastcorrespondent Afhankelijkheid
Rebekkade Wit
Illustratie: Bethany Walrond (voor De Correspondent)

Net na de Amerikaanse verkiezingen zei ik tegen iemand dat ik zin had om mijn brandweerpak aan te trekken.

Hij vroeg wat ik bedoelde. Het was een metafoor, zei ik. Ik had de drang om ‘iets te doen.’ Een vinger in een dijk steken, een brand blussen. Ook die brand was een metafoor.

Aan het einde van het gesprek zei hij dat hij blij was dat hij weer eens een ‘naïef en optimistisch iemand’ had ontmoet.

Ik wist niet wat ik daarvan moest denken, want ik voelde me helemaal niet naïef en optimistisch. Ik weet dat die woorden vaker naast elkaar staan, soms zelfs als synoniemen van elkaar worden gebruikt, maar waarom eigenlijk? Volgens mij omdat we ervan uitgaan dat als je de wereld eenmaal doorziet, je er van wordt. Als je eenmaal doorhebt hoe kut de wereld is, moet je je daar blijkbaar naar gedragen.

Iemand anders zei laatst tegen mij: ‘Soms ben ik bang dat jouw generatie denkt dat alles toch nog goedkomt.’ We keken op dat moment uit op een balkon waar iemand een heel kleine moestuin aan het aanleggen was. Eigenlijk was het een plantenbak, maar toen we vroegen wat hij aan het doen was, zei hij dat hij bezig was aan zijn moestuin. Ik denk niet dat dat naïef en optimistisch was. Ik denk eerder dat het een soort goedgemutste wanhoop was.

Ik heb wel vaker gehoord dat mijn generatie naïef en optimistisch zou zijn. Ik denk het niet. Als je mij kunt betrappen op hoop of een moestuin in mijn zinnen dan kan ik je verzekeren dat die gemaakt is van wanhoop. Optimisme of hoop suggereert wellicht dat je de krant niet leest, maar in mijn geval is hopen het enige wat ik kan doen met de wanhoop waar ik na het lezen van de krant mee achtergelaten word.

En zoals ik het gelul vind dat er na Auschwitz geen gedichten meer geschreven mochten worden, Dat stelde de Duitse filosoof Theodor Adorno. Dat stelde de Duitse filosoof Theodor Adorno. geschreven mochten worden, dat zwijgen de enige legitieme reactie was op de toestand, vind ik het gelul dat pessimisme of wanhoop de enige legitieme reactie is op de toestand van de wereld. Ja, hoe langer je erover nadenkt, hoe vreemder het is dat optimisme en naïviteit zo inwisselbaar zijn geworden.

Als je probeert te begrijpen wat Amerika in Vietnam te zoeken had, kom je al snel bij de dominotheorie uit. Het was het idee dat heel Zuidoost-Azië – nee, de hele wereld! – communistisch zou worden als Vietnam niet binnengevallen zou worden.

Ik stel me voor dat Dwight Eisenhower President van de Verenigde Staten (1953-1961) tijdens de Vietnamoorlog. echt een dominospel had uitgestald op een tafel in het Witte Huis voordat er vergaderd zou worden over de kwestie Vietnam. Dat de president de hele ochtend voorover gebogen had gezeten om de hele wereld in dominosteentjes uit te stallen.

De Amerikanen waren toen op het hoogtepunt van de angst dat het communisme een besmettelijke ziekte was en Eisenhower liet de regering zien wat er met de wereld zou gebeuren als Vietnam zou omvallen. Hij duwde het steentje om dat Vietnam moest voorstellen. Vervolgens vielen alle steentjes, zo had hij ze namelijk opgesteld en uiteindelijk viel ook het steentje dat Amerika moest voorstellen en iedereen aan die tafel was zo geschrokken van het feit dat het lichtgele steentje waarop een de U stond van United (States) dat ze begonnen aan een oorlog die twintig jaar zou duren.

In heel veel opzichten is de Vietnamoorlog verschrikkelijk naïef geweest, en over die naïviteit is niemand heel opgetogen

In heel veel opzichten is de Vietnamoorlog verschrikkelijk naïef geweest, en over die naïviteit is geloof ik niemand heel opgetogen. Toch is die oorlog niet als naïef de boeken ingegaan. Wel als een fout, maar niet als naïef. Waarom is naïviteit zo makkelijk aan het goede toe te schrijven, of het onschuldige, maar niet aan bijvoorbeeld oorlogen?

Toen ik op Google naar meer voorbeelden van naïeve oorlogen zocht, kwam op een site Hier kwam ik terecht. Hier kwam ik terecht. een site terecht waar iemand fulmineerde tegen de arrogantie en naïviteit van de westerse oorlogvoering. Dat je niet moet denken dat je zomaar een een democratie in kunt bombarderen. ‘Misschien zijn die landen nog wel eeuwen van een democratie verwijderd.’

Ik geloof niet dat hij doorhad dat de taal waarin hij zijn strijd tegen oorlog voerde, hoe hij sprak over ‘culturen die nog eeuwen verwijderd zijn van onze beschaving,’ dezelfde taal is die oorlogen rechtvaardigt.

Is dat naïef? Ik weet het niet. Ik denk niet dat hij zichzelf naïef vindt. Wat trouwens een heel vreemd neveneffect is van het woord. Zodra je anderen naïef noemt, ben je het per definitie niet zelf. Ik kan me voorstellen dat alle mensen die zeiden dat het wel meeviel met de besmettelijkheid van het communisme naïef werden genoemd en zo van de dominotafel werden gestuurd.

Het is een diskwalificatiemiddel dat heel effectief is.

Ik twijfel zelden aan de autoriteit van de scheidsrechter die mij van tafel stuurt door te zeggen dat ik naïef ben.

Iemand vertelde mij laatst dat zij een oom heeft die rijk is geworden met het vervoer van wapens. Als zij hem daarnaar vraagt zegt hij meestal dat de wereld ‘nu eenmaal corrupt is.’
‘En als je niet corrupt ben, ben je naïef.’ Ze vroeg hem tot welke categorie zij zelf dan behoorde volgens hem, waarop hij zei dat als ze een mening had over zijn werk, ze waarschijnlijk naïef was.

Los van het feit dat ik me schaamde ten aanzien van het hele universum voor die opmerking, werd ik ineens bang dat als mensen mogen kiezen tussen corrupt en naïef, ze dan liever corrupt zijn.

Christoffel Columbus schrijft Hier vind je een Nederlandse versie. Hier vind je een Nederlandse versie. schrijft in zijn scheepsdagboek uitgebreid over de ‘gedweeë en goedgelovige bevolking.’ Ik denk dat Columbus op dezelfde manier naar de inheemse Amerikanen keek als de corrupte oom naar zijn naïeve nichtje. De inheemse Amerikanen begrepen niet wat bezit was en werden door Columbus uitgelachen en naïef genoemd.

In 1854 werd in een Amerikaanse krant een speech gepubliceerd die Chief Seattle Hier vind je meer over die speech van het opperhoofd. Hier vind je meer over die speech van het opperhoofd. Chief Seattle had gehouden toen hij één van de laatste stukken land overdroeg aan ‘de blanke man’ en die beroemd geworden speech eindigde als volgt:

‘Het maakt niet uit waar wij de rest van onze levensdagen slijten. Lang kan het niet meer duren. Maar waarom zou ik rouwen om het ontijdige lot van mijn volk? Stam volgt op stam en natie volgt op natie, als golven van de zee. Het is de natuurlijke orde en verdriet is zinloos. Uw neergang ligt misschien in de verre toekomst maar zal zeker komen. Want zelfs de blanke man, wiens God met hem wandelde en sprak als met een vriend, is niet gevrijwaard van dit gemeenschappelijk lot. Wellicht zijn we dan uiteindelijk toch broeders. We zullen zien.’

Onlangs zat ik in Mexico naast een IT’er uit België de hele dag op een bus te wachten. Ik vermoed dat hij zichzelf niet naïef zou noemen, dat hij de wereld heus wel door had, omdat hij van alles kon doen met internet. Hij wist bijvoorbeeld een netwerk te hacken met zijn Belgische telefoon, om vervolgens via Google Translate een zinnetje te vertalen dat hij op het Instagramaccount postte van de Mexicanen met wie we net op de foto waren gegaan.

En toen ik vroeg of ik de foto mocht zien, ik stond er immers ook op, zag ik het zinnetje dat hij eronder had gezet. Er stond: Fue muy rico de satisfacerte y tus amigos. Wat min of meer betekent dat hij het erg leuk had gevonden om de jongen en zijn vrienden te bevredigen.

Aan het einde van de dag, spelend op zijn telefoon, zei hij verzuchtend dat we in de toekomst steeds minder gingen hebben. Hij doelde op het feit dat je tegenwoordig bijna alle software moet leasen, maar hij zei het op een toon alsof dat het einde van onze beschaving was.

Ik wou toen dat Chief Seattle bij ons op dat bankje zat. Als Chief Seattle nog zou leven, zou hij zien dat Mexico kapotgaat aan het hebben, dat er door alle drugskartels jaarlijks duizenden hoofden worden afgehakt om macht, geld en territorium te hebben. Hij zou denken aan zijn voorouders die werden uitgelachen, omdat ze nooit hadden stilgestaan bij de gedachte dat er iets te hebben valt. Hij wist allang dat het zo zou aflopen.

De jongen die mij naïef en optimistisch noemde was even oud als ik. Misschien zelfs jonger. Na het gesprek vroeg ik me af: wat is er gebeurd, wat heeft hij doorzien, welk licht is er tot hem gekomen, waardoor hij de wereld in haar volle glorie heeft gezien en hij de legitimiteit kreeg om te zeggen dat sommige dingen naïef zijn.

Want bij mijn weten is het woord alleen maar een alibi. Dat is de enige inhoud die het heeft.

Voor de oom is het een alibi om zijn eigen corruptie op de wereld af te schuiven.

Het is een middel dat alle tegenstanders uitschakelt om een oorlog te beginnen.

Het is iets dat je verbeelding gijzelt, iets waardoor je geneigd bent al je zintuigen te wantrouwen.

Iemand heeft wel eens tegen mij gezegd dat het naïef is te denken dat je met woorden mensen kunt overtuigen. Dat je de wereld zou kunnen veranderen met woorden. Die uitspraak suggereert dat er een wereld was voordat er woorden waren. Ik denk dat er veel dingen waren zonder woorden, maar doorgaans niet de dingen waar oorlog om wordt gevoerd.

Ik wist niet wat ik van die uitspraak moest denken, want ik ben altijd te overtuigen met woorden en ik ben toch ook ‘mensen.’

Bovendien had ik destijds net begrepen – via een vak dat ‘overzicht van de late middeleeuwen’ heette – dat de paus die mensen opstookte om op een kruistocht te gaan, paus Urbanus II, dat gedaan had met een adembenemende speech, waarbij hij de mensen een kerk voorstelde in Jeruzalem waarin God zelf gegijzeld was door de Palestijnen. God lag in een hoekje te kniezen in een kerk en wij moesten hem gaan bevrijden.

Het waren woorden die een beeld vormden waardoor iedereen z’n leven op het spel zette.
Het was een dominospel dat werd vergeleken met de wereld. Het was dat beeld dat een oorlog ontketende.

We zijn het allemaal, naïef, tot en met onze

Ik ben geen pleidooi aan het houden voor of tegen naïviteit. Het gaat erom dat we het allemaal zijn, naïef, tot en met onze dood. Wat betekent dat iemand naïef noemen altijd een zeer onrechtmatige greep naar de macht is.

Rutger Kopland – psychiater en dichter – heeft ooit een gedicht gemaakt gebaseerd op de speech van Chief Seattle. ‘Het opperhoofd spreekt.’ Kopland was hoogleraar in de psychiatrie, gespecialiseerd in depressie en daarom hoofd van de gesloten afdeling psychiatrie van het academisch ziekenhuis in Groningen. Zeven jaar voor zijn dood kreeg hij een zwaar auto-ongeluk. Hij raakte in een coma en toen hij daaruit ontwaakte, moest hij alles wat hij tot dan toe in zijn leven had geleerd, opnieuw leren. Thuis was hij onhandelbaar, waardoor hij op de gesloten afdeling belandde waar hij zelf ooit het hoofd van was.

In de documentaire De taal van het verlangen Hier vind je de documentaire De taal van het . Hier vind je de documentaire De taal van het verlangen. De taal van het verlangen vertelt hij dat hij werd tegengehouden op het moment dat hij naar buiten wilde. Het drong daar en dan pas tot hem door wat dat betekende. Niet naar buiten kunnen maakte hem zo woedend dat hij op die gesloten afdeling regelmatig dacht: ‘Wat is mij godverdomme overkomen.’

Ik stel me voor dat Kopland toen hij opgesloten zat, alle gezichten van al zijn patiënten ineens voor zich zag en het gevoel had dat hij ze nu pas ontmoette. Dat hij in zijn eentje, in een oneindig zwart gat van wanhoop, begreep wat het betekende om daar te liggen.

Dit verhaal achtervolgt mij, omdat ik soms bang ben dat we alle dingen die iemand maken tot wie hij is moeten meemaken voordat we elkaar kunnen ontmoeten. Echt ontmoeten. En de (schok over de) verkiezingsuitslag lijkt mij onder andere een gevolg van een schrijnend gebrek aan ontmoeting.

Ik dacht namelijk even dat als we elkaar zouden vinden en naar elkaar luisteren dat alles dan in ieder geval een beetje beter zou zijn.

We moeten elkaars worden, dacht ik, omdat je soms zin hebt je familie keihard tegen een muur te duwen, maar je wel samen de voorraadkast gaan uitmesten. Maar denkend aan Kopland geloof ik niet dat dat genoeg is. We moeten elkaar worden. Als we tenminste willen dat onze eenzaamheid de planeet niet vernietigt. En alhoewel ik daar allejezusweinig zin in heb, om ‘elkaar te worden’ bedoel ik, en weinig hoop koester over de bereidwilligheid van alle partijen om daaraan mee te werken, denk ik dat je er toch maar beter aan kunt beginnen. Maar dit zei ik niet tegen de jongen op het feestje, en daar heb ik nu spijt van. Het was naïef van mij om te denken dat hij me zou hebben uitgelachen.

november 27, 2016Permalink