Recept voor een betere gezondheidszorg

Onze gezondheidszorg is gebouwd op gelijkheid en meetbaarheid. Maar mensen verschillen van elkaar, zegt geriater Joris Slaets. Hij stelt voor van het medisch consult weer een ontmoeting te maken.

Recept voor een betere gezondheidszorg: laat mensen hun verhaal vertellen

Correspondent Goede gesprekken
Lex BOHLMEIJER

Foto: Marijn Smulders (voor De Correspondent)

De Correspondent
Lex Bohlmeijer – in gesprek met Joris Slaets
SoundCloud

Interview

Hij is arts en heeft een grote belangstelling voor filosofie.

Dat is niet zo gek, want in zijn tak van sport, de ouderengeneeskunde, valt vaak maar weinig te genezen. Wat wel veel naar boven komt: de vraag naar de zin van het leven. En dan zijn het de filosofen die helpen een antwoord te formuleren.

In de Els Borst Lezing die Joris Slaets (1953) onlangs gaf Je kan de lezing hier terugvinden.citeerde hij dan ook de Joodse filosoof Emmanuel Levinas: ‘Ik benader de andersheid van een Ander vanuit de verbondenheid die ik met hem heb en niet door buiten de relatie te treden om over de termen ervan te reflecteren.’

Levinas keerde zich tegen het liberale gedachtegoed waarin autonomie, vrijheid en gelijkheid centraal staan. Voor hem zijn de belangrijkste waarden juist te vinden in verbondenheid. Precies zo denkt Slaets’ over de gezondheidszorg: de relatie tussen patiënt en arts is van groot belang, groter misschien wel dan autonomie of meetbaarheid.

Het relationele is bijna volledig weggefilterd uit medische procedures

Maar juist dit relationele aspect is bijna volledig weggefilterd uit de procedures – en dat is een schrijnend gemis.

Tijd voor het verhaal

In zijn lezing zette Slaets twee zorgperspectieven tegenover elkaar: het normatieve en het narratieve.

Onze gezondheidszorg is opgebouwd binnen het normatieve kader: de regels, procedures en modellen gelden zonder onderscheid des persoons. Ze zijn objectief en meetbaar. En ze zijn negatief geladen: binnen dit ‘luik’ streef je naar het wegnemen van klachten, ziekten, lijden.

In plaats daarvan stelt Slaets voor om een narratief kader in te bouwen. Daarin creëer je ruimte voor de patiënt om zijn of haar verhaal te vertellen. Het consult wordt zo een ontmoeting, luisteren wordt net zo belangrijk als het zoeken naar een oplossing of het opstellen van een behandelplan. Slaets is ervan overtuigd dat artsen dan veel betere medische besluiten gaan nemen.

Hoe meet je dat?

Belangrijke vraag, gezien de zorgverzekeraars, blijft natuurlijk hoe je dat dan allemaal meet. Bij de Leyden Academy on Vitality and Ageing Bezoek hier de website van de Leyden Academy on Vitality and Ageing.doen ze daar onderzoek naar. In opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ontwikkelen ze een zogeheten Leefplezierplan.

Want de oplossing is even simpel als elegant: in plaats van boekwerken vol te schrijven met objectieve waarnemingen (‘mevrouw is vannacht drie keer naar de wc geweest,’ enzovoorts) nodig je mensen uit om een klein verhaal te vertellen. Startpunt is de vraag: ‘Is er iets wat u vandaag geraakt heeft?’

Het antwoord mag positief of negatief zijn. Het verhaal kan verteld worden door de patiënt, de familie en de zorgverlener. Zij zijn de baas over hun verhaal.

En zij zouden op die manier weleens nieuw inzicht kunnen bieden in de échte kwaliteit van .

 

december 12, 2017Permalink

40 procent van tijd kwijt aan formulieren

Arts is 40 procent van tijd kwijt aan formulieren

Onderzoek

Door administratieve taken hebben artsen minder tijd voor patiënten.

Het komt regelmatig voor dat artsen dezelfde informatie over patiënten in meerdere systemen moeten verwerken.

Artsen zijn gemiddeld veertig procent van hun werkweek bezig met administratie. Vooral wijkverpleegkundigen (48,5 procent), maag-, darm- en leverspecialisten (43,2 procent) en psychiaters (39,4 procent) moeten veel administratief werk doen, waardoor ze minder tijd hebben voor het contact met patiënten. Medewerkers in de vragen zich bovendien regelmatig af waarom ze formulieren zitten in te vullen. Wekelijks besteden zij zo’n twee uur aan administratieve taken, terwijl ze geen idee hebben voor wie ze dat precies doen.

Dit blijkt uit de conclusies van de denktank ‘(Ont)Regel de Zorg’, die maandenlang onderzoek deed naar de vraag hoeveel tijd zorgprofessionals in hun werkweek besteden aan administratie.

Opdrachtgevers waren actiecomité Het Roer Moet Om, dat eerder met succes vocht voor vermindering van overbodige regels in de huisartsenzorg, en ledenorganisatie en dienstverlener VvAA (120.000 leden in de zorg).

De denktank deed specifiek onderzoek naar maag-darm-leverartsen, ziekenhuisverpleegkundigen, wijkverpleegkundigen, psychiaters, fysiotherapeuten en apothekers. De negen onderzoekers spraken met tientallen deskundigen en meer dan honderd medewerkers in de zorg.

De resultaten worden deze zaterdag of een conferentie in Utrecht voorgelegd aan minister Bruno Bruins (Medische Zorg, VVD).

Vijf uur voor intake

Vooral voor wijkverpleegkundigen – het zijn er zo’n 9.300 in Nederland – is de situatie zorgwekkend. Zij besteden gemiddeld 17 uur van een 35-urige werkweek aan het invullen van formulieren. Na het contact met patiënten is de wijkverpleegkundige gemiddelde wekelijks nog 3,5 uur bezig vast te leggen hoe die bezoeken zijn verlopen.

De ‘intake’ van een nieuwe patiënt kost buiten de gesprekken met diegene en familie nog eens meer dan vijf uur aan administratie. De verpleegkundige moet dit doen voor de zorgverzekeraar, voor de eigen organisatie, voor collega’s of voor de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).

Zorgverleners, schrijven de onderzoekers, snappen wel dat informatie moet worden vastgelegd om de kwaliteit van zorg op peil te houden (bijhouden patiëntendossiers), maar zien zóveel voorbeelden van onnodige bureaucratie, dat ze „gefrustreerd” raken.

Het komt regelmatig voor dat artsen dezelfde informatie over patiënten in meerdere systemen moeten verwerken. „Daarnaast ervaren zorgverleners de verplichte administratie als gebrek aan vertrouwen een aantasting van hun professionele autonomie.”

Overbodige regels

Er leven al langer zorgen over overmatige bureaucratie in de zorg. In augustus bleek uit een onderzoek van beroepsvereniging VvAA nog dat zestig procent van de zorgverleners last heeft van overbodige regels, procedures en voorschriften die hen belemmeren in hun werk. Niet eerder werd gekeken naar hoeveel tijd artsen eigenlijk kwijt zijn aan het invullen van administratie.

Maandag demonstreren ziekenhuis- en wijkverpleegkundigen én verzorgenden tegen de administratielast in hun werk. Ze zullen alle administratie die zij zelf overbodig achten, achterwege laten. Ze hopen zo aan te tonen dat ze meer tijd overhouden voor de patiënt en de klant.

november 18, 2017Permalink

Nederlanders met een migratieachtergrond

Het is oud nieuws dat mensen ouder dan ooit worden. Dat een bepaalde groep zo langzamerhand óók oud en kwetsbaar wordt, valt dus bijna niet op.

Nederlanders met een migratieachtergrond

Ik heb het over Nederlanders met een migratieachtergrond. Zij die in de jaren zestig, zeventig en tachtig hun vaderland verlieten om hier een nieuw leven te beginnen.

Voor de hand ligt dat oudere eerstegeneratiemigranten meegaan in het zorgsysteem als zij zorgbehoeftig worden. Dat is helaas makkelijker gezegd dan gedaan.

Zo zijn er aanwijzingen dat deze groep te laat de weg naar de dokter vindt. Als mensen dementie krijgen bijvoorbeeld. Onder anderen Philip Scheltens vertelde me dit.

‘De hoeveelheid mensen van Turkse of Marokkaanse afkomst met dementie is per jaar op de vingers van een paar handen te tellen. Die komen vrijwel nooit naar de dokter.’ Niet omdat ze er niet zijn, denkt de directeur van het Alzheimercentrum, maar omdat ze niet durven.

Er zijn meer tekenen aan de wand dat we een probleem over het hoofd zien. In ouderenzorginstellingen als verpleeghuizen kom je doorgaans bar weinig Nederlanders met een migratieachtergrond tegen.

De verklaringen? Oudere eerstegeneratiemigranten leunen doorgaans meer op hun kinderen en zijn dikwijls hulpbehoevender. Dat eerste is soms cultureel bepaald, dat tweede heeft met het gigantische verschil tussen laag- en hoogopgeleiden in Nederland te maken.

Hoe groot zijn de gezondheidsverschillen?

Want laagopgeleiden, waar veel eerstegeneratiemigranten onder vallen, leven maar liefst 19 jaar langer in ongezondheid dan hoogopgeleiden. Twintig jaar leven met aandoeningen als hartklachten, zere knieën, suikerziekte, rugklachten en andere ellende.

Dit gigantische verschil heeft niet zozeer met het verschil in kennis te maken, maar met het verschil in financiële mogelijkheden om gezondere keuzes te maken. En ongetwijfeld maakt de levensstijl van mensen uit de sociale omgeving ook uit, liet verouderingsprofessor David van Bodegom mij weten.

Het is extra zorgwekkend dat onder oudere migranten meer vraag moet zijn naar ouderenzorg, maar die zorgvraag vaker uitblijft. Hoe dat komt?

Het is zorgwekkend dat onder oudere migranten meer vraag moet zijn naar ouderenzorg, maar die zorgvraag dikwijls uitblijft

Het lijkt erop dat de ouderenzorg niet migrantbestendig is. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een uitzending van Bekijk hier de Nieuwsuur-uitzending over oudere migranten in de zorg.Nieuwsuur én het boek Yemma van Mohammed Benzakour. De roman gaat over zijn moeder, een eerstegeneratiemigrant, die na een beroerte afhankelijk wordt van verpleeghuiszorg.

Benzakour schrijft dat zijn moeder geen Hollandse hap wil eten en zij met haar zoon in de kelder – want dat mag niet op haar kamer of in de kantine – de meegebrachte Marokkaanse gerechten moet nuttigen.

Nu is dat wat mager om conclusies te trekken, dus zal ik in het onderzoek moeten duiken. Ik ben op de hoogte van het werk van Bekijk hier onderzoek door Pharos op dit gebied.expertisecentrum Pharos, dat zich specialiseert in gezondheidsverschillen. Maar er zullen ongetwijfeld meer onderzoekers of kenniscentra zijn die zich hierin verdiepen. Iemand tips?

november 12, 2017Permalink

we hebben een schuldenprobleem

Schulden: je komt er zo in, maar kom er maar eens uit. Want wie niet meer kan betalen, wordt verder op kosten gejaagd. En wie daarna van zijn schulden af wil komen, moet een bureaucratische triatlon lopen – ongetraind.

Beste gemeenten van Nederland, we hebben een schuldenprobleem

Correspondent Economie
Jesse FREDERIK
Illustraties door Leon Postma, Kwennie Cheng en Roel van Eekelen

8.000 keer werd vorig jaar een huis ontruimd, 20.000 keer werd de elektriciteit afgesloten, 89.000 keer meldde iemand zich bij de schuldhulpverlening en 3 miljoen keer belde ergens een deurwaarder aan. Een op de vijf huishoudens loopt risico op problematische schulden, meer dan 300.000 mensen hebben een bewindvoerder.

Niemand heeft hier baat bij. Schuldeisers zien hun geld niet terug. De belastingbetaler is miljarden kwijt aan een steeds verder uitdijend bureaucratisch moeras. Hulpverleners raken moedeloos van de protocollen, beslisbomen en zelfredzaamheidsmatrices. En de schuldenaar? Die is het lijdend voorwerp van al deze gekte: hij verliest zijn moed, zijn gezondheid, zijn hoop.

Dat moet veranderen. Als mensen in de schulden komen, moet er veel sneller zicht komen op een oplossing. Een oplossing die recht doet aan de verantwoordelijkheid van alle betrokkenen.

Daarom zijn wij, Jesse Frederik (De Correspondent), Ester Gould en Sarah Sylbing (Schuldig) en Annemarie Gehrels (Annemarie Gehrels Advies | Coaching | Training), de campagne Schuldvrij! begonnen.

Wij willen praktische voorstellen doen voor de verkiezingsprogramma’s voor de gemeenteraadsverkiezingen. Om een einde te maken aan dit geldverslindende systeem dat alleen maar verliezers kent.

1. Experimenteer met het overnemen van schulden

Na drie jaar schuldsanering krijgen schuldeisers vaak nog geen 10 procent van hun geld terug. Als gemeente kun je beter sneller om tafel met schuldeisers: ‘Jullie krijgen nu je 10 procent, dan nemen wij de schuld over.’

Dat is geen liefdadigheid, maar een investering.

Ga maar na: momenteel kost drie jaar een bewindvoerder aanstellen zo’n 5.000 euro. En dan is er aan het eind van de rit vaak bijna niks opgelost. Voor datzelfde geld kun je ongeveer 50.000 euro aan schulden opkopen en oplossen. Mits de schuldeisers, zoals gebruikelijk, akkoord gaan met 10 procent. Zo bespaar je niet alleen op de kosten van de bewindvoering, maar ook op uitkeringen, jeugdzorg, geestelijke gezondheidszorg, schuldhulpverlening, ziekteverzuim en ga zo maar door.

De gemeenten Den Haag en Leiden laten zien dat dit werkt. De verlammende stress valt weg door het schuldopkoopprogramma en er ontstaat ruimte om verder te kijken. Ruimte voor de schuldenaar die gebruikt kan worden om te investeren in het opdoen van financiële kennis om herhaling te voorkomen, in het volgen van een opleiding of het vinden van een baan.

Schuldsanering kan ook collectief geregeld worden. Maak met bijvoorbeeld woningcorporaties een afspraak over alle problematische schulden van inwoners van een gemeente. Zo kan enorm worden bespaard op uitvoeringskosten. Een saneringstraject voor een enkele burger kost de gemeente namelijk zo’n 3.000 euro, terwijl de afloscapaciteit van een schuldenaar met een minimuminkomen maar 1.800 euro is.

2. Geef schuldhulpverleners de mogelijkheid hun werk te doen

Niet alles kun je achter een Haags bureau of op een gemeentehuis voorzien. Toch is het werk van hulpverleners momenteel dichtgetimmerd in protocollen en beslisbomen. Al die regels gaan te veel uit van de zelfredzaamheid van burgers en geven te weinig ruimte aan het inschattingsvermogen van de hulpverlener.

Mensen die diep in de schulden zitten zijn niet zelfredzaam, blijkt keer op keer uit onderzoek. Regels worden te strikt toegepast, waardoor veel mensen uit een hulpverleningstraject vallen. Geef uitvoerders daarom meer ruimte om uitzonderingen te maken, want er is niet één formule. Niet elke schuld is gelijk geboren.

Geef hulpverleners daarnaast een bureaucratievrij budget dat ze naar eigen inzicht kunnen inzetten. Geld dat vrij te besteden is om echt maatwerk te leveren en zo grotere maatschappelijke problemen te voorkomen.

Op gemeentelijk niveau zijn hier al succesvolle pilots mee geweest. Uit de evaluatie van zo’n experiment in Zaanstad, waarbij sociale wijkteams 800.000 euro kregen om naar eigen inzicht te besteden, bleek hoe succesvol dit kan zijn.

3. Voorkom problematische schulden en wijs schuldeisers op
hun verantwoordelijkheid

Veel gemeenten geven meer uit aan bewindvoering dan aan schuldhulpverlening, en meer aan schuldhulpverlening dan aan schuldpreventie. Dat moet anders. Schuld vroeg signaleren is van groot belang. Het duurt vaak jaren voor mensen zich melden bij de schuldhulpverlening. Bovendien is het veel makkelijker om mensen te helpen als de schuldenlast nog klein is.

Maak daarom afspraken met woningcorporaties, zorgverzekeraars, energieleveranciers en waterbedrijven dat zij bij twee maanden achterstand melding doen bij de gemeente. De gemeente kan dan zorgen dat hulpverleners contact leggen met de bewoners, om hen te ondersteunen om weer grip te krijgen op hun geld. De gemeente Amsterdam heeft daar met het programma Vroeg Eropaf goede ervaring mee en in de gemeente Nijmegen loopt eveneens een succesvol project, Vindplaats Schulden.

Gemeenten kunnen ook kijken hoe ze nóg vroeger in actie kunnen komen. Door bijvoorbeeld samen met corporaties en nutsbedrijven alert te zijn op ingrijpende levensgebeurtenissen, zoals echtscheiding of verlies van een naaste. Zulke gebeurtenissen kunnen het recht op toeslagen stevig beïnvloeden, terwijl ingewikkelde formulieren invullen het laatste is waar je op zo’n moment aan denkt. Corporaties en andere bedrijven kunnen hun klanten dan in contact brengen met instanties die hen hierbij ondersteunen. De gemeenten Hilversum, Den Haag en Zwolle experimenteren hier al mee.

4. Het is tijd voor nieuwe ideeën

Helaas is de overheid vaak zelf onderdeel van het probleem. De Belastingdienst, het Centraal Justitieel Incassobureau, de zorgverzekeraars: veel schulden worden veroorzaakt door wet- en regelgeving uit Den Haag.

Schuldvrij! zal nog voorstellen presenteren om de landelijke politiek te verbeteren. Ondertussen kunnen gemeenten al veel doen om mensen te helpen. Door de decentralisaties wordt de toekomst van de verzorgingsstaat steeds meer lokaal bepaald. Er is ruimte om iets nieuws te proberen. En iets nieuws, dat is hard nodig

augustus 20, 2017Permalink

Amsterdam heeft lesje geleerd

Amsterdam is naar eigen zeggen een van de gemeenten die lessen trekken uit het verleden waar het gaat om de integratie van statushouders. Tot voor kort gold in de hoofdstad het adagium: eerst inburgeren; dan aan het werk. Sinds kort is dat andersom. Amsterdam kijkt nu welke vluchtelingen meteen aan de slag kunnen. De inburgering — het leren begrijpen van de Nederlandse taal en cultuur — moeten zij voortaan dan maar naast hun baan doen. Volgens een woordvoerder is de hoofdstad overgegaan tot deze beleidswijziging, omdat een heel groot deel van de vluchtelingen die al langer in Amsterdam wonen, nog altijd afhankelijk is van een bijstanduitkering. ‘Dat is een niet wenselijke en niet houdbare situatie.’ Inburgeren via werk Nu wordt meteen bij binnenkomst gekeken of iemand kan werken. Zo werkt een tamelijk kort geleden gearriveerde Syriër op het populaire stadsstrand bij het Amsterdamse café Roest. Hoop is dat de vluchtelingen juist via werk sneller inburgeren. Jonge statushouders gaan zo veel mogelijk naar school, omdat ze dan later het best integreren en een grotere bijdrage kunnen leveren aan de maatschappij. En vluchtelingen met trauma’s krijgen eerst . Uit een enquête van Kennisplatform Integratie & Samenleving bleek in juni dat ruim een derde van de gemeenten (36%) pas na afronding van de verplichte inburgering begint met begeleiding naar de arbeidsmarkt. Tegelijkertijd vinden de gemeenten zelf ook dat hierdoor veel tijd verloren gaat. De 197 geënquêteerde gemeenten gaven verder aan, in te schatten dat nog geen 10% van de statushouders direct bemiddelbaar is naar een baan. Zo’n 60% heeft pas kans op werk na het volgen van een aanvullende opleiding of vrijwilligerswerk, terwijl 30% vermoedelijk helemaal nooit aan de slag komt. Knelpunten zijn de gebrekkige kennis van de Nederlandse taal en arbeidsmarkt, trauma’s en andere gezondheidsproblemen.

 

Maatregelen om beroep op bijstand terug te dringen

Cover publicatie Maatregelen om beroep op bijstand terug te dringen

Hoe zorg je dat mensen zoveel mogelijk op eigen benen staan? Dat ze hun eigen inkomen verdienen en alleen van de bijstand gebruik maken als het echt niet anders kan? Het is een vraagstuk waar gemeenten, als uitvoerders van de Participatiewet, dagelijks mee bezig zijn.

De focus op de bijstand is des te groter omdat deze maar blijft groeien (in 2016 met 6 procent) 1 en de meerderheid van de gemeenten rode cijfers schrijft op het domein van werk & inkomen. Belangrijk dus om goed inzicht te hebben in feiten en cijfers rond de groei en de aanpak ervan.

Voor deze factsheet zijn 163 gemeentelijke analyses bestudeerd die gaan over de manier waarop gemeenten in de praktijk de instroom in de bijstand beperken en de uitstroom bevorderen. In de analyses geven gemeenten aan waarom zij in 2015 een tekort hebben op hun bijstandsbudget en wat zij daar aan gingen doen. Het totaaloverzicht geeft een goed beeld op welke manieren gemeenten proberen het beroep op de bijstand te verminderen.

augustus 6, 2017Permalink

Sociale gevolgen van een handicap

Meer aandacht nodig voor sociale gevolgen van een handicap

Op 26 juli 2017 geplaatst door

en ondersteuning richten zich te weinig op de van ziekte en beperkingen. Vooral mensen jonger dan 65 jaar ervaren veel negatieve gevolgen van hun ziekte of handicap. Dit blijkt uit het vierde rapport van MijnKwaliteitvanLeven.nl met resultaten van ruim 27.000 deelnemers.

Weinig energie om te doen wat je wil
De onderstaande resultaten laten zien dat er nog veel winst te behalen valt in de zorgsector en het sociale domein:

  • Meer dan de helft (58%) van de deelnemers geeft hun kwaliteit van leven een 6 of lager.
  • Ruim de helft (56%) van mensen jonger dan 65 jaar ontbreekt het aan energie om te doen wat zij willen.
  • Een aanzienlijk deel voelt zich weinig nuttig (30%) en heeft het gevoel weinig tot niets voor anderen te kunnen betekenen (23%).
  • 33,3 % met een ziekte of handicap heeft een gevoel van zorg en onzekerheid over de nabije toekomst.

Herziene versie Handreiking vroegsignalering van een LVB

Op 25 juli 2017 geplaatst door

Voor professionals in het sociale domein is het belangrijk dat zij een licht verstandelijke beperking of zwakbegaafdheid niet alleen bij kinderen en jongeren, maar ook bij (jong)volwassenen, zo vroeg mogelijk herkennen om overvraging te voorkomen. Deze herziene versie van de Handreiking vroegsignalering van een LVB en zwakbegaafdheid beschrijft de mogelijkheden voor vroegsignalering.

Slideshow
Bij mensen met een licht verstandelijke beperking (LVB) en zwakbegaafdheid is er veelal sprake van leerachterstanden, van problemen met het begrijpen van taal, met sociale vaardigheden en met alledaagse praktische vaardigheden, zoals het regelen van bankzaken.

Kans op overvraging
Aan het uiterlijk kun je echter niet zien dat iemand licht verstandelijk beperkt of zwakbegaafd is. Mede hierdoor worden ze vaker overvraagd op school, op het werk en in het alledaagse contact. Er wordt meer van hen gevraagd dan ze kunnen of aankunnen. Dit kan leiden tot faalervaringen, gevoelens van frustratie en een negatief zelfbeeld. Deze negatieve gevoelens kunnen zich op hun beurt uiten in o.a. opstandig gedrag. Ze worden dan gezien als lastig, terwijl het niet zozeer gaat om niet willen, als wel om niet kunnen.

Vroegtijdige signalering
Uit bovenstaande blijkt het belang van vroegtijdige signalering van een LVB/zwakbegaafdheid en het vervolgens aansluiten op de mogelijkheden van een persoon. Doordat het niet aan het uiterlijk te zien is dat iemand een LVB heeft of zwakbegaafd is, wordt het vroegtijdig herkennen ervan lastiger. Toch zijn er signalen in het kind, jongere of (jong)volwassene die direct kunnen wijzen op een LVB/zwakbegaafdheid. Maar ook andere kenmerken, zoals probleemgedrag van een jeugdige of problemen in de gezinssituatie, kunnen indirect wijzen op een mogelijke LVB/zwakbegaafdheid in een jeugdige of (jong)volwassene.

Herziene versie
De herziene versie van de Handreiking vroegsignalering van een LVB en zwakbegaafdheid beschrijft de mogelijkheden voor vroegsignalering bij (jonge) kinderen en jongeren, maar ook bij (jong)volwassenen, door professionals in het sociale domein. Zij zijn immers degenen die veelal als eerste met mensen met een LVB/zwakbegaafdheid te maken krijgen.

In de bijlage vindt u de handreiking

Bron: Landelijk Kenniscentrum LVB
Bron: Kennisplein gehandicaptensector

Kwetsbare gezinnen

Inspectie: wijkteams hebben kwetsbare gezinnen niet in de gaten

ANP

Kwetsbare gezinnen blijven te lang onopgemerkt en krijgen vervolgens niet de juiste hulp. Dat schrijven vijf rijksinspecties van het ministerie van Volksgezondheid in een rapport over de aanpak van gezinnen met meervoudige problemen.

De voor die gezinnen ligt sinds twee jaar bij de gemeenten, die voor die taak wijkteams hebben ingesteld. Maar die teams hebben geen gerichte aanpak en kunnen de ingewikkelde problematiek van de gezinnen niet aan, concluderen de inspecties die samenwerken onder de naam Toezicht Sociaal Domein.

Veiligheidsrisico’s

Op basis van onderzoek in zes gemeenten is gebleken dat de kwetsbare gezinnen niet tijdig gesignaleerd worden, en dat de teams vaak geen goed beeld hebben van alle problemen die er spelen. Daardoor kunnen ook de veiligheidsrisico’s voor de kinderen uit die gezinnen niet goed worden ingeschat, schrijven de onderzoekers.

Door beter samen te werken met andere instanties krijgen hulpverleners een completere indruk van de situatie in het gezin, luidt een van de conclusies van het rapport.

De inspecties stellen vast dat de hulpverleners in de wijkteams hoogopgeleid en zeer gemotiveerd zijn, maar dat hun taken duidelijker omschreven moeten worden. Ook moeten ze van de gemeenten meer tijd en geld krijgen.

POLITIEK WIL STRENGER TOEZICHT

POLITIEK WIL STRENGER TOEZICHT OP INSTELLINGEN VOOR BESCHERMD WONEN

-

Normal_depressief

De politiek wil dat de kwaliteit van bij beschermd wonen wordt aangepakt. Zo moeten er onaangekondigde inspectiebezoeken plaatsvinden en dienen individuele zorgklachten serieus genomen te worden. Hiermee reageert de politiek op een individueel geval: een 21-jarige jongen met autisme en gedragsproblemen die niet de zorg krijgt die hij nodig heeft. Dat meldt Omroep Gelderland.

De 21-jarige autistische Bart Bruil woonde beschermd bij Woonzorgnet. Hij werd volgens de instelling te agressief en moest weg. Woonzorgnet stelt enkel goede zorg te hebben geleverd aan de jongen. Volgens zijn ouders kreeg hij echter nauwelijks dagbesteding, geen begeleiding en werd er niet aan zijn doelen gewerkt. Diverse deskundigen hebben het zorgdossier van de jongen bekeken en concluderen hetzelfde: Bruil kreeg niet de zorg die hij nodig had.

“Dit soort situaties komen veel te vaak voor. Marktwerking heeft ervoor gezorgd dat er positieve zorginitiatieven zijn ontstaan, maar heeft er ook voor gezorgd dat zorgaanbieders geld verdienen belangrijker vinden dan de juiste zorg bieden”, zegt 50-Plusser Leonie Sazias. Volgens haar worden ouders bovendien monddood gemaakt. Ze pleit dan ook voor onderzoek op individueel klachtenniveau, wat niet bij Bruil is gebeurd.

De Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden (VGGM) kwam aangekondigd op bezoek bij Woonzorgnet. Iets wat Lea Manders, politicus in Arnhem, een verkeerde keuze noemt. Aangekondigde controles zijn gemakkelijker te doorstaan dan onaangekondigde bezoeken.

Diverse Kamerleden stellen bovendien het inkomen van enkele bestuurders van Woonzorgnet aan de kaak. Drie directeuren verdienden vorig jaar samen bijna 500.000 euro. SP-Kamerlid Lilian Marijnissen en VVD’er Sophie Hermans willen het probleem aan de kaak stellen. Waar Marijnissen vindt dat geld voor de zorg enkel naar de zorg moet, vindt Hermans dat er in ieder geval grenzen gesteld moeten worden. “Als de bedragen die in het artikel genoemd worden kloppen dan vraag ik mij af hoe de directie dat kan rechtvaardigen”, aldus D66-Kamerlid Vera Bergkamp.

Door: Redactie Nationale Zorggids

Meer tijd besteden aan de mensen waar het om gaat

Wees daar waar de nood is

‘Sociaal werkers: probeer jullie administratieve werk tot een uiterst minimum te beperken zodat jullie meer tijd kunnen besteden aan de mensen waar het om gaat’, die oproep doet Cornel Vader, voorzitter van de Raad van Bestuur van de professionele zorgtak van het Leger des Heils.

Vader heeft het aantal hulpvragen en hulpvragers bij het Leger des Heils de afgelopen jaren flink zien stijgen. In 2016 kwamen er bijvoorbeeld 37.500 unieke hulpvragen binnen bij zijn organisatie, 3000 meer dan in het jaar ervoor. ‘Dit is echt een forse toename en deze trend is al een paar jaar aan de gang. Al sinds de aanloop naar de transities wordt er meer en meer een beroep op ons gedaan.’

Cijfers

Het grootste deel van de hulpvragen kwam in 2015 voor de rekening van de laagdrempelige dag- en nachtopvang van het Leger des Heils. En ondanks dat de transities het mogelijk moeten maken dat mensen langer thuis kunnen blijven, hulp krijgen uit hun eigen netwerk en wijkteams de problemen zoveel mogelijk ondervangen en oplossen, neemt ook de vraag naar ambulante hulp bij het Leger des Heils toe. Vader: ‘De druk op onze capaciteit is fors. Het aantal bedden dat we hebben is beperkt en het aantal uren ambulant werk dat we kunnen bieden is gelimiteerd. Ondanks dat we vaak goede afspraken met bijvoorbeeld gemeenten, zorgverzekeraars en rijk kunnen maken over opvang en in- en verkoop, zal er wel iets moeten veranderen.’

Teken aan de wand

In 2016 had het Leger des Heils 4000 bedden beschikbaar, 300 meer dan een jaar eerder. Toch waren al deze bedden volgens Vader ook in 2016 allemaal meer dan honderd procent bezet. ‘Dit is een teken aan de wand. De mensen die bij ons aankloppen, hebben stevige indicaties en redden het niet zelfstandig, terwijl dat wel de bedoeling van de transities was.’

Mismatch

De bestuurder van de organisatie heeft ook wel een idee hoe dat komt. ‘De opbouw van buurtnetwerken en vangnetwerken gaat niet snel genoeg en het afbouwen van intramurale capaciteit gaat niet gelijk op met de opbouw van intensieve ambulante vormen van zorg. Er is echt een mismatch en nu moeten de wijkteams ineens allerlei multicomplexe en intensieve zorgvragen oplossen. Dat is absoluut onmogelijk gezien de caseload waar ze al mee te maken hebben.’

Goedkope woningen

Een ander probleem dat ervoor zorgt dat steeds meer mensen voor steeds langere tijd gebruik maken van de nachtopvang van het Leger des Heils, is het gebrek aan goedkope woningen. ‘Met goedkope woningen bedoel ik woningen voor 350 euro per maand. Dat prijsniveau is prima voor mensen die gestrand zijn en een doorstart willen maken. Maar die woningen zijn vrijwel niet beschikbaar.’ Vader vertelt dat het Leger des Heils daarom in gesprek is met corporaties en koepels om op korte termijn meer goedkope woningen te realiseren.

Ondersteuning

‘Maar daarmee zijn we er nog niet. Mensen stranden niet voor niets, er is altijd meer aan de hand. Alleen een goed huis is niet genoeg. Er moet ook voldoende ondersteuning voor deze mensen zijn, zodat ze leren omgaan met hun buren, hun schulden kunnen wegwerken en een plekje in de maatschappij krijgen. Intensieve begeleiding voor hen is gewoon nodig.’

Daar waar de eerste contacten met dak- en thuislozen worden gelegd, is het handig de meest ervaren hulpverleners in te zetten. Dat schrijft de Nederlandse Straatdokters Groep in een ‘boodschappenlijst’ voor gemeenten, politiek en hulpinstellingen. Lees meer >>

Verantwoordelijkheid

De bestuurder van het Leger des Heils verwacht dat het aantal mensen dat op straat terecht komt de komende anderhalf tot twee jaar nog verder toe zal nemen. ‘Ik hoop dat we daarna, als alle gemeenten gewend zijn aan hun verantwoordelijkheid, ook die mensen een goede plek en ondersteuning kunnen bieden. Natuurlijk doen we ons best om dat ook nu al te doen, maar gemeenten moeten wennen aan hun nieuwe verantwoordelijkheid en inzien dat ze meer moeten inzetten op het voorkomen van problemen dan op het oplossen als het al te laat is.’

Outreachend

In de tussentijd doen Vader en zijn collega’s hun uiterste best om iedereen die hulp nodig heeft, deze hulp te geven. Sociaal werkers kunnen hem hierin bijstaan. Hoe? Door outreachend te werken. ‘Wees daar waar de nood is in plaats van achter je bureau. Probeer je administratieve werk tot een uiterst minimum te beperken zodat je meer tijd kunt besteden aan de mensen waar het om gaat. Zorg daarnaast dat je goed op de hoogte bent van het lokale zorgaanbod en probeer met lokale zorgaanbieders in contact te komen om het aanbod nauw te laten aansluiten op wat de behoefte is van mensen die in de problemen zijn geraakt. Wijkteams kunnen daar een signalerende, en mede vormende, invloed op uitoefenen.’

Sophie van Hogendorp

Wijkteams hebben kwetsbare gezinnen niet in de gaten

Inspectie: wijkteams hebben kwetsbare gezinnen niet in de gaten

ANP

Kwetsbare gezinnen blijven te lang onopgemerkt en krijgen vervolgens niet de juiste hulp. Dat schrijven vijf rijksinspecties van het ministerie van Volksgezondheid in een rapport over de aanpak van gezinnen met meervoudige problemen.

De voor die gezinnen ligt sinds twee jaar bij de gemeenten, die voor die taak wijkteams hebben ingesteld. Maar die teams hebben geen gerichte aanpak en kunnen de ingewikkelde problematiek van de gezinnen niet aan, concluderen de inspecties die samenwerken onder de naam Toezicht Sociaal Domein.

Veiligheidsrisico’s

Op basis van onderzoek in zes gemeenten is gebleken dat de kwetsbare gezinnen niet tijdig gesignaleerd worden, en dat de teams vaak geen goed beeld hebben van alle problemen die er spelen. Daardoor kunnen ook de veiligheidsrisico’s voor de kinderen uit die gezinnen niet goed worden ingeschat, schrijven de onderzoekers.

Door beter samen te werken met andere instanties krijgen hulpverleners een completere indruk van de situatie in het gezin, luidt een van de conclusies van het rapport.

De inspecties stellen vast dat de hulpverleners in de wijkteams hoogopgeleid en zeer gemotiveerd zijn, maar dat hun taken duidelijker omschreven moeten worden. Ook moeten ze van de gemeenten meer tijd en geld krijgen.

april 23, 2017Permalink