Voetbal achter de dijken

Nationale gevoelens bestaan en je kunt er dus maar beter rekening mee houden.

Laten we met de Belgen beginnen. België is in rep en roer nu de Rode Duivels weer een ronde verder zijn. Ik reed onlangs door de voormalige mijnstad Charleroi. Overal hing de Belgische driekleur over de vensterbank. Is dit een verbazende opleving van het Belgicisme? Tegelijk lees ik in de krant over een hopeloze kabinetsformatie, als gevolg van het vastgekoekte wantrouwen tussen Vlamingen en Walen. Het vieren van het voetbalsucces schijnt trouwens ook volkomen gescheiden te gebeuren – living apart together.

Wat dit wereldkampioenschap overweldigend laat zien, is dat nationale gevoelens bepaald niet op de terugtocht zijn. En vooral hoe ingewikkeld en gelaagd dat nationalisme is. Zelfs in België roepen ze dat ze de ­besten zijn, en tegelijkertijd speelt politiek België de finale tegen zichzelf. Nu Nederland, met zijn oranje tompoucen. Dat sport wel degelijk verbroedert, kun je aan ons gekleurde elftal afzien. De kerk is leeg, de politieke partij is dood. Afgezien van het ziekenhuis is het stadion de laatste plaats waar links en rechts, hoog en laag, elkaar ontmoeten.

Onderwijl kun je er niet omheen: Nederland in het oranje Roy Donders-juichpak is een klassen-verhaal. Die vlaggetjes van gevel tot gevel hangen niet bij u in de straat. Wel in de mindere straten van Almere en Hoogvliet, voor 70 cent per 5 meter bij de Action. De meestal somberende PVV-aanhangers zijn plotseling optimistisch. Zij geloven erin, aldus Maurice de Hond, meer dan de modale CDA’er in beteren doen.

Rutte is de Van Gaal van de politiek. Het is niet om aan te zien maar er wordt wel resultaat geboekt
Zo zijn sport en politiek wel degelijk innig verbonden. Rutte is de Van Gaal van de politiek. Het is niet om aan te zien maar er wordt wel resultaat geboekt. Vorige week was er veel te doen over de Van Gaal-haters. Dat zijn sportjournalisten die vinden dat de Hollandse school wordt verraden, dat de huidige generatie matig getalenteerd is en dat Nederland geen voetbalgidsland meer is. Mark Rutte is evenmin van de Hollandse school. In de politiek gaat het vandaag de dag om de pegels. Rutte zou het in zichzelf gekeerde Nederland belichamen, gericht op het nationale belang zoals 70 procent van de bevolking inderdaad schijnt te willen.

Is dat erg? Ja, vindt hoogleraar internationale betrekkingen Rob de Wijk, die deze kritiek van de week ventileerde bij de presentatie van de artikelenbundel Nationaal belang in meervoud. Terugtrekking achter de dijken is niet gratis, zei De Wijk. Vanwege het kleinzielige gedoe over Schengen zijn we al 2 miljard aan orders uit Roemenië misgelopen.

Schrijver Abdelkader Benali zong in zijn inleiding hetzelfde lied. Hij sprak over de Nederlandse ‘oikofilie’, de liefde voor het eigene. Volgens Benali is dit land overdreven met zijn eigen identiteit bezig. Ook hij herkende de Hollandse school van tolerantie en internationalisme niet terug. Nee, dan de immigranten. Zij zijn het tegenbeeld van de introverte Nederlander. Zij weten om te gaan met hun verbrokkelde identiteit, open te staan voor het andere. ‘Zij zijn burgers van Nederland en van de wereld.’

Van Brazilië tot Nigeria heerst de kermis van nationale saamhorigheid, al is het maar voor de duur van een kampioenschap
Ik zat erbij en dacht aan voetbal. Eén blik op de kolkende tribunes, al die mensen die dag na dag hun gezicht insmeren met de nationale kleuren. Je moet beslist poep in je ogen hebben om te denken dat dat alleen een Nederlandse kwaal is. Geen beter bewijs voor de stelling van de filosoof Peter Sloterdijk dat ‘kosmopolitisme het provincialisme van de verwenden’ is. Van Brazilië tot Nigeria heerst de kermis van nationale saamhorigheid, al is het maar voor de duur van een kampioenschap. Het enthousiasme voor het eigen land heeft alles met de globalisering te maken. Wat Nederland betreft, is het geen toeval dat juist de onderkant zo blij is met de natie. Alle sociale voorzieningen vallen binnen de landsgrenzen en zoals de uitdrukking luidt, is de verzorgingsstaat het vaderland van de gewone man.

Nationaal gevoel is als de olifant in de kamer. Het is er, iedereen doet mee, maar het mag niet, het kan niet. Je zou denken dat dat komt door de Tweede Wereldoorlog, maar nationalisme-ontkenning is van veel ouder datum. Politiek filosoof Isaiah Berlin schreef in 1972 (Nationalism: past neglect, present power) over zijn verbazing dat er in de 19de eeuw, toch de eeuw van de nationale staat, nooit serieus over nationalisme is nagedacht.

Dat komt doordat socialisten en liberalen een soort monsterverbond hadden gesloten. Nationalisme was een fase die moest worden overwonnen en dat was dat. Voor socialisten was het vals bewustzijn en stond het klassensolidariteit in de weg. Voor liberalen was het een obstakel voor vrijhandel. Aanhangers van beide ideologieën kwamen in 1914 op de koffie. De arbeiders gingen fluitend de vrolijke oorlog in. Politici, vooral van socialistische snit, in verbijstering achterlatend.

Het vervelende is dat al die nare in zichzelf gekeerde burgermannetjes niet alleen in het stadion zitten. Ze hebben ook stemrecht
En nu? Liberalisme en sociaal-democratie hebben allebei hun remplaçant in de Europese Unie gevonden: internationale solidariteit en vrijhandel. Nationale gevoelens worden net als een eeuw terug gezien als uitingen van regressie, ressentiment en rancune, verwerpelijk vanuit mensenrechtenblik en bovendien een dure hobby. Daarmee is het sentiment niet weg, irrationeel misschien, maar nog altijd krachtiger dan alle officiële ideologieën die wel een goedkeurend stempel kregen.

Wie denkt dat ontkenning van nationale gevoelens wel gratis is, neemt er nog even de uitslag van de laatste verkiezingen voor het Europees Parlement bij. Of kijkt naar Groot-Brittannië, straks wellicht geen lid meer van de EU. Want het vervelende is dat al die nare in zichzelf gekeerde burgermannetjes niet alleen in het stadion zitten. Ze hebben ook stemrecht. Prettige vakantie.