Waarom dwepen mensen zo graag?

ESSAY Of het nou de uitblinker bij het komende WK voetbal is, de dalai lama of Nelson Mandela: onze behoefte aan helden is groot. Waar komt die ontembare neiging tot dwepen vandaan? En wat is het biologisch nut?

Het is tijd voor rood, wit en blauw
Onze jongens! ze spelen voor jou
In dorpen en steden komen alle fans bijeen
De oranjekoorts ontwaakt bij iedereen

We schreeuwen onze leeuwen naar de beker
We zijn een groot Oranjelegioen
Met bloed, zweet en tranen lukt het zeker
Nederland jij bent de kampioen!

Anderhalve week geleden stoomde Nederland Wordt Kampioen van Johnny de Mol en Jan Smit de Mega Top 50 binnen, waarmee het de eerste WK-kraker van 2014 werd. Alle ingrediënten van het klassieke dweeplied zitten erin: passie (voor ‘onze jongens’), liefde (voor ‘onze leeuwen’), hysterie (‘de oranjekoorts’) en een scheut groepsgevoel (‘we zijn een groot Oranjelegioen’), het geheel overgoten met het onvermijdelijke sausje van bloed, zweet en tranen.

De kans dat Nederland kampioen wordt, is volgens de 17 miljoen voetbaldeskundigen ter lande klein. Toch hoeft er in de eerste ronde van het WK maar iets goed te gaan, of ook de grootste cynicus staat hartstochtelijk met Jan en Johnny mee te brullen. Onze jongens!
Waarom dwepen mensen zo graag? Waarom staan ze uren in de rij om de dalai lama van dichtbij te zien, waarom barsten ze in tranen uit als ze een liedje horen van Ramses Shaffy, waarom gaan ze raar doen als ze op een terras een bekende Nederlander ontwaren die ze bewonderen?

Dweepdier

Omdat de mens nu eenmaal een dweepdier is, voortdurend op zoek naar nieuwe helden die hij op een schild kan hijsen, goed kan bestuderen en vervolgens kan nadoen. De belangrijkste functie van de held is die van voorbeeld. Mensen zijn na-apers: wezens die leren door andere wezens te imiteren, gestuurd door hun spiegelneuronen. Een baby doet de grimassen van zijn moeder na, het peutertje imiteert de tred van zijn vader. Volgens Sigmund Freud is die vader cruciaal bij het ontwikkelen van dweepgedrag: achter de behoefte van mensen aan autoriteiten die ze kunnen bewonderen en waaraan ze zich kunnen onderwerpen, schuilt volgens hem het sterke verlangen naar de vader, schreef hij in 1939.

Foto Rein Janssen

Foto Rein Janssen

Wanneer een kind ouder wordt, gaat het zijn voorbeelden buiten de deur zoeken: vrienden tegen wie het opkijkt fungeren dan als rolmodel, maar ook onbekenden, vaak met een glamoureus beroep: artiesten, sporters, schrijvers. Je kunt dwepen met vroeger, met dieren (paarden, Flipper), met gezondheid (Voedselzandloper), met merken (Apple), met een bepaalde kledingstijl of met jezelf (Narcissus, Louis van Gaal), maar de meeste mensen dwepen met een persoon op zekere afstand, die ze vooral kennen uit de media. Elke subgroep heeft zijn eigen dweepobject. Nederlandse wielrenners dwepen met Tim Krabbé, natuurkundigen met Stephen Hawking, wat oudere journalisten met drankzuchtige Amerikaanse schrijvers of musici, linksige economen met Piketty. De held heeft iets dat jij zou willen hebben – een geniaal brein, talent voor voetbal, macht en aanzien, succes bij de vrouwtjes – en liever nog zou je hem helemaal willen zíjn.

Tenzij de held voor dat streven te groot is.

Dweep, dweper, dweepst

• Francesco Petrarca,Sonnetten voor Laura (1348): ‘Ik huil van vreugde, ik lach terwijl ik ween. Leven en dood kwellen mij in gelijke mate: en dit, o liefste, komt door jou alleen!’

• Johann Wolfgang von Goethe, Die Leiden des jungen Werthers (1774): ‘Vandaag zat ik bij haar – ik zat, zij speelde op haar klavier, allerlei liederen, en met zoveel innigheid! Zoveel! – Zoveel! – Hoe moet ik het zeggen?’

• Tim Krabbé, De Renner(1978): ‘Ik pak mijn spullen uit mijn auto en zet mijn fiets in elkaar. Vanaf terrasjes kijken toeristen en inwoners toe. Niet-wielrenners. De leegheid van die levens schokt me.’

In 2012 schreef Ilja Leonard Pfeijffer in Vrij Nederland een ode aan zijn jeugdheld Johan Cruijff, naar aanleiding van diens 65ste verjaardag. Pfeijffer, geboren in 1968, haalde herinneringen op aan de jaren zeventig, toen tot hem doordrong dat Cruijff de weg, de waarheid en het leven was: ‘Nu ik terugdenk aan die tijd en aan voetballen op veldjes in de buurt, besef ik iets opmerkelijks. Tijdens het voetballen moest je altijd iemand zijn. Dat sprak je van tevoren af. Iedereen wilde altijd Rensenbrink zijn, of Van Hanegem, maar het was ook volslagen acceptabel om Willy van de Kerkhof te zijn, of Ruud Krol of zelfs Wim Suurbier. Maar niemand was ooit Cruijff. Dat mocht niet. Dat was onacceptabel. Dat was heiligschennis.’

Overigens was Johan Cruijff niet de eerste sportheld die goddelijke eigenschappen werd toegedicht. Toen in februari 1925 wereldkampioen schaatsen en wielrennen Jaap Eden overleed, schreef de Nieuwe Rotterdamsche Courant: ‘Aan de baar van deze geweldigen geweldenaar past het Holland dankbaar te zijn. Maar Eden is niet gestorven. Zulke figuren sterven niet.’

Volgelingenschap

Bij mensen met een gezond zelfbeeld en een normaal ontwikkeld zelfvertrouwen wordt de neiging tot dwepen rond het 25ste levensjaar doorgaans minder; maar verdwijnen doet ze nooit helemaal. In zijn boekDe natuurlijke leider (2011), over leiders en volgers, legt hoogleraar psychologie Mark van Vugt (Vrije Universiteit Amsterdam) uit waarom het volgelingenschap standaard in de menselijke psyche zit verankerd – een volgeling definieert hij als een individu dat zijn of haar acties afstemt op een ander individu, de leider, of op een idee: een religie, een politieke ideologie, een modetrend.

Om ons enthousiasme voor volgen en daarmee voor dwepen te kunnen begrijpen, schrijft Van Vugt, moeten we terug naar de wereld van onze voorouders: de vijandige omgeving van de Afrikaanse savanne, ‘een droog, meedogenloos terrein dat wemelde van de roofdieren, waar water en voedsel kostbare goederen waren die moeilijk te verkrijgen waren’. Daar loonde het om in gezelschap van anderen te zijn; individuen die lekker hun eigen ding wilden doen, liepen het gevaar geïsoleerd te raken van de groep. ‘In plaats van een maal te vinden, liepen ze het risico er zelf een te worden, waarmee ze hun genetische opvolging tot een akelig en abrupt einde zouden brengen.’

Foto Rein Janssen

Foto Rein Janssen

Mensen liepen in eerste instantie niet zozeer achter een leider aan als wel achter een groep: volgens Van Vugt kan leiderschapsgedrag theoretisch heel goed pas ná het volgelingenschap zijn ontstaan, toen goed geleide groepen meer nakomelingen kregen dan ordeloze troepen. Het volgen van zo’n leider bood volgelingen behalve de voordelen van het ‘horen bij een groep’ ook het gemak van een voorbeeld dat kon worden nageleefd.
In den beginne was de mens dus een volger. Veel meer dan het leiderschap zit het volgerschap in zijn genen. Ook in aantal zijn de volgers verre in de meerderheid. Toch worden over leiderschap duizenden boeken per jaar geschreven en over het volgerschap nul. Ook in de academische wereld gaat de aandacht vooral uit naar het alfamannetje. Het gedrag van de kudde, de volgzame schapen, wordt nauwelijks bestudeerd, constateerde Harvard-professor Barbara Kellerman in 2008 in Followership.

Kellerman onderscheidt in haar boek vijf soorten volgelingen, die zich van elkaar onderscheiden in de mate waarin ze het object van hun volgelingenschap zijn toegedaan. Aan de ene kant van het spectrum staan de ‘geïsoleerden’: apathische, onverschillige types. Aan de andere kan staan de ‘diehards’, die bereid zijn voor het object van hun volgelingenschap hun leven te geven.

Motieven

Van Vugt stelt zelf een andere indeling voor, eveneens in vijf categorieën. Waar Kellerman volgelingen onderscheidt op basis van hun toewijding, kijkt Van Vugt vooral naar hun motieven: waarom dwepen volgelingen met een leider, een idee of een modetrend? Zoekt hij macht en wil hij zelf belangrijk worden? Dan is hij een ‘leerling’. Is hij uit op het verwerven van wijsheid en inzicht, dan is hij een ‘discipel’. Wil hij vooral aansluiting bij een groep, dan is sprake van een ‘loyalist’; komt zijn toewijding voort uit de aantrekkingskracht van zijn held, dan is sprake van een ‘supporter.’ De vijfde categorie van Van Vugt is die van de ‘ondergeschikte’: die volgt omdat volgen nu eenmaal gemakkelijker is dan de weg wijzen.

Onder welke categorie de dwepende mens valt, hangt dus af van zijn motieven, maar meestal zal hij een discipel zijn (de volgelingen van Eckhart Tolle, de Boeddha, Nelson Mandela) of een supporter (de volgelingen van Bob Dylan, Martin Bril, Beyoncé, Obama, prinses Diana).

Verlossers uit vele windrichtingen

Als dwepen in de mens zit, volgt daaruit automatisch dat de behoefte aan helden en idolen van alle tijden is. En dat is dus ook zo. In zijn essayVoorbeelden & nabeelden (2005) wijst socioloog en senior onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau Joep de Hart erop dat de ‘hang naar idolen, gidsen, helden’ een constante is. ‘Zo’n tachtig jaar voordat de voormalige nummer 14 van Ajax zich voor de Catalanen ontpopte tot ‘El Salvador’ van Barcelona, gold Domela Nieuwenhuis voor de Friese veenarbeiders als ‘Us Ferlosser’.
Wel kunnen die verlossers, schrijft De Hart, tegenwoordig uit vele windrichtingen komen.

‘De enorme belangstelling voor de dood van André Hazes illustreert dat voor dweeplust of het uitgroeien tot een idool allang geen grootse prestaties, uitzonderlijke moed of voorbeeldige levenswandel meer worden gevraagd.’

Foto Rein Janssen

Foto Rein Janssen

En dat is relatief nieuw. Vanouds hoorde verering bij religie: Jezus werd omringd door bewonderaars en volgelingen, de meeste andere religieuze leiders eveneens.

Maar de sociale functie van religie wordt meer en meer overgenomen door sport, schrijft sportsocioloog Ruud Stokvis in zijn deze week verschenen Lege kerken, volle stadions (Amsterdam University Press). In navolging van de bekende antropoloog Desmond Morris, die in de jaren tachtig zei dat voor een belangrijk deel van de bevolking voetbalwedstrijden als vervanging dienden voor kerkdiensten en religieuze festivals, komt Stokvis tot de conclusie dat sport en religie veel gemeenschappelijke kenmerken hebben.

Terwijl religie veel van haar sociale functies in deze tijd verliest, zie je dat sport die functies vrij gemakkelijk kan overnemen. Andere instituties zoals onderwijs, massamedia, consumentisme en populaire muziek kunnen dat natuurlijk ook wel, zegt Stokvis, maar sport kan het van alle instituties het best: ‘Wat sport te midden van deze andere instituties zo belangrijk maakt, is dat het een combinatie van vormende, bindende en zingevende functies heeft.’

Zoals Hans Ulrich Gumbrecht in 2006 schreef in Lof van de sport: ‘Het stadion brult – er is geen ander woord voor – uit vijftigduizend kelen en ook uit die van jou, een aanzwellende soundtrack voor de vreugde en de golf van leven waarin je wordt ondergedompeld. Uren later, als je van het stadion terugloopt door de frisse lucht van een herfstachtige avond, uitgeput zoals je die week nog niet eerder bent geweest, zul je hieraan terugdenken als aan een moment van onwankelbaar geluk.’

Het is tijd, we zijn er weer bij 
Heel het land staat klaar, zij aan zij 
Met vrienden of familie 
In de kroeg of op het plein 
Iedereen leeft voor Oranje groot en klein

Het is tijd we komen er aan 
Laten onze leeuw niet in z’n hempie staan 
We houden van Oranje 
En strijden alsmaar door 
Onze vaderlandse helden gaan ervoor!