Wat zijn E-nummers en waarom hebben ze zo’n vieze bijsmaak?

E-nummers: geen enkel debat over voeding wordt al zo lang en zo fel gevoerd. Maar wat zijn het eigenlijk? En hoe kunnen we onze verstandhouding ermee verbeteren? Voedseljournalist Rineke van Houten zocht het uit.

Sardines, boordevol smaakversterker E631!

Cantharellen, nu met kleurstof E161g.

E-nummers klinken kunstmatig, maar zijn dat lang niet altijd. Zeven van de tien zijn afkomstig uit plantaardige, dierlijke of minerale bronnen als citroenen, bieten en eieren. En een tomaat bevat er van nature dertien.

Bovendien zijn het de best onderzochte stoffen in ons voedsel. Waarom zijn ze dan zo’n bron van angst en wantrouwen?

Waar komt de slechte reputatie vandaan?

Dankzij E-nummers kunnen we ons voedsel langer bewaren, smaakt het beter, ziet het er aantrekkelijker uit en gaat het niet klonteren of schiften. Een supermarkt zonder producten met toegevoegde E-nummers zou in hoog tempo klanten verliezen. Want wij willen roze ham, geen grijze. We verkiezen romige yoghurt boven waterige. Wij houden van zoet, maar niet van dikmakers.

E-nummers komen tegemoet aan al die wensen.

Toch bleek uit een onderzoek van de Consumentenbond in 2010 dat de helft van de consumenten ‘soms of vaak bezorgd is over E-nummers.’ Van het gidsje Wat zit er in uw eten? van de Franse E-nummerhaatster Corinne Gouget zijn meer dan 100.000 exemplaren verkocht.

We eten ze elke dag, maar zijn er niet gerust op.

Een supermarkt zonder producten met toegevoegde E-nummers zou in hoog tempo klanten verliezen

Vooral berucht zijn de zoetstof aspartaam (E951) en de smaakversterker mononatriumglutamaat (E621), kortweg glutamaat en beter bekend als ve-tsin. Stoffen waarover consumenten al jaren klagen en waar keer op keer onderzoek naar wordt gedaan.

Neem de geruchten over kanker en onvruchtbaarheid: het is niet moeilijk om op internet getuigenissen en beweringen te vinden over de ‘ongezonde’ eigenschappen van aspartaam. Door de aanhoudende onrust zag de European Food Safety Authority (EFSA) zich vorig jaar genoodzaakt de veiligheid van dit E-nummer opnieuw te onderzoeken.

Na analyse van alle beschikbare wetenschappelijke onderzoeken, een ‘openbare raadpleging’ en gesprekken met belanghebbenden luidde de conclusie dat er ‘geen epidemiologisch bewijs’ is voor een relatie met kanker en dat zwangere vrouwen geen gevaar lopen. Ongezond wordt aspartaam pas bij grote hoeveelheden. Als een 60 kilo wegende persoon elke dag twaalf blikjes light-frisdrank drinkt, met daarin de maximale toegestane hoeveelheid aspartaam bijvoorbeeld. Ook voor glutamaat geldt dat alleen grote hoeveelheden schadelijk zouden zijn.

Waar komt het E-nummer vandaan?

Even terug. Wat zijn E-nummers eigenlijk? Om voedsel veiliger te maken en gevaarlijke hulpstoffen uit te bannen, besloot de Europese Economische Gemeenschap meer dan vijftig jaar geleden voedseltoevoegingen te reguleren. De eerste lijst toegestane additieven (uit 1962), bevatte enkel kleurstoffen. De regel: fabrikanten mochten voortaan alleen de goedgekeurde kleurstoffen toevoegen en waren verplicht deze op het etiket te vermelden. Om ruimte te besparen, kregen alle toegelaten stoffen de E (van Europa) plus een nummer.

In de jaren die volgden, verschenen ook lijsten met andere hulpstoffen als verdikkingsmiddelen, aroma’s en zoetstoffen. Inmiddels zijn er zo’n 350 E-nummers, waarvan de helft vrijwel nooit wordt gebruikt.

In welke producten welke toevoeging gebruikt mag worden en hoeveel er maximaal aan een product mag worden toegevoegd, wordt vastgesteld op basis van adviezen van de European Food Safety Authority EFSA. De zoetstof stevia (E960) is zo bijvoorbeeld toegestaan in onder meer lightfrisdranken, lightbier, jam, chocolade en snoep. De hoeveelheden zijn zo berekend, dat een gemiddelde consument per dag niet meer dan 4 mg per kilo lichaamsgewicht binnenkrijgt. De EFSA, betaald uit de EU-begroting, past de lijsten zonodig aan op basis van nieuw onderzoek en beoordeelt aanvragen voor nieuwe E-nummers of uitgebreider gebruik.

Waar komt onze huiver vandaan?

Ondanks de strenge regulatie en grote hoeveelheid onderzoek, blijven ze omstreden. Helpt meer informatie dan wel? Als dat zo was, was het wantrouwen ten aanzien van E-nummers al lang gestorven, stelt filosoof Dirk Haen in een publicatie in tijdschrift Krisis. ‘Het E-nummer heeft iets tragisch,’ aldus Haen. ‘Ooit geboren als kenmerk van betrouwbare en veilige voeding, slaagt het er niet in om goede naam te maken in de wereld van voeding.’

Haen zoekt de oorzaak in wat hij ‘zachte zorgen’ noemt. Hij ziet een steeds grotere groep consumenten die klaagt over smaakvervlakking, over het verdwijnen van culinaire tradities en over een nieuwe generatie die niet weet wat ze proeft. ‘Burgers zetten vraagtekens bij de wijze waarop voedseltechnologie een eenzijdige betekenis lijkt te geven aan onze relatie met voedsel: is gemak, efficiëntie en standaardisatie wel wat wij willen?’

De mondige burger die instituties en gezag niet meer automatisch vertrouwt en zelf wel bepaalt hoe en wat te eten. Het lastige is: dat wantrouwen wordt gevoed door fabrikanten die halve waarheden communiceren. Neem een pakje Sultana’s. Daar staat geen E-nummer meer op. Wat niet wil zeggen dat ze er niet in zitten. De fabrikant heeft er met alle huiver over E-nummers voor gekozen de additieven met hun oorspronkelijke naam op het pakje te vermelden. En dus staat er bijvoorbeeld natriumcarbonaat in plaats van E500.

We worden vaker om de tuin geleid. De slechte naam van glutamaat verleidt voedingsmiddelenbedrijven E621 te vervangen door ‘gistextract,’ waarin van nature glutamaat voorkomt. Op het pakje staat dan bij ingrediënten: gistextract. En niet: E621.

Of de fabrikant goed doet aan het vermelden van de chemische naam, is de vraag. In de psychologie is bekend dat moeilijke namen als risicovol worden beoordeeld. Dat zegt Marijn Poortvliet, universitair docent risicocommunicatie van Wageningen University. ‘Alleen al het feit dat een woord complex overkomt, is een reden om het product erachter gevaarlijk te vinden.’

Daarnaast speelt de achtergrond een rol. De 350 E-nummers zijn verschillend van herkomst en samenstelling, werking en risico. Een glansmiddel is niet te vergelijken met kleurstof, een smaakversterker is heel iets anders dan een emulgator. Het zou echter te ingewikkeld zijn om bij elk E-nummer af te wegen of je het wel of niet wilt. Om niet verstrikt te raken in onmogelijke keuzemomenten, gooien we daarom voor het gemak alle E-nummers op een hoop, legt Poortvliet uit. En dan is de slechte naam van E-nummers zoals aspartaam en ve-tsin al snel leidend.

Wat nu?

We begrijpen ze niet, ze staan ver van ons af, een paar twijfelgevallen verpesten het voor de rest en voedselfabrikanten gebruiken E-nummers op strategische wijze om ons om de tuin te leiden. Het ziet ernaar uit dat het vijftig jaar na dato niet meer goed komt tussen ons en de E-nummers. Fred Brouns, hoogleraar Innovatie Gezonde Voeding aan de Universiteit Maastricht, is door een blogger weleens uitgemaakt voor ‘moordenaar’ omdat hij schreef dat E-nummers de best onderzochte stoffen zijn. ‘Je wilt ons allemaal om zeep helpen!’ luidde de verwensing.

‘Zie je wel dat de EFSA aspartaam niet vertrouwt? Anders hadden ze er toch geen nieuw onderzoek aan gewijd?’

Een van de andere reacties die hij kreeg, laat bovendien zien dat het debat over E-nummers soms muurvast zit. ‘Zie je wel dat de EFSA aspartaam ook niet vertrouwt. Anders hadden ze er toch geen nieuw onderzoek aan gewijd?’ En toen hij tijdens een lezing nog eens een poging waagde uit te leggen hoe de veiligheid van E-nummers wordt onderzocht stond een blogger op en zei: ‘Ik geloof niet wat u zegt.’ Brouns: ‘Tsja, dan houdt het op.’

Afschaffen dan maar?

Brouns zou de discussie wel aan willen. ‘E-nummers vermelden is weinig zinvol. Waarom zet je een registratienummer – want dat is een E-nummer eigenlijk – op de verpakking als niemand weet wat het is en wat het doet?’

Hij pleit er dan ook voor de ‘bron van angst’ weg te nemen. ‘Natuurlijk willen we weten wat er in ons eten zit. Maar dat zou ook kunnen door fabrikanten te verplichten op aanvraag te laten weten wat er in de producten zit en aansprakelijk te stellen als ze additieven verwerken die niet zijn goedgekeurd.’

De additieven een nummer geven is achteraf gezien niet slim geweest, constateert sociaal-psycholoog Poortvliet. ‘Maar het afschaffen van E-nummers heeft geen zin. Dan moet je de chemische naam op het etiket zetten en dat begrijpen mensen ook niet. Wij vinden toevoegingen niet natuurlijk, daar komt het op neer. Behalve als het citroenzuur, pectine of caroteen heet; die namen komen vertrouwd over. Maar bij natriumglutamaat trekt er bij de meesten een waas voor de ogen.’

Hij sluit zich aan bij de constatering van filosoof Haen dat de ‘zachte zorgen’ van consumenten serieus moeten worden genomen. ‘Het afbrokkelende vertrouwen in de voedselketen en het gevoel dat we geen controle meer hebben over ons eten vraagt om transparantie van de voedselfabrikanten. Misschien niet de makkelijkste weg, maar wel een noodzakelijke.’

Dit verhaal is geschreven door gastcorrespondent Rineke van Houten.