Zonder etiket is er geen geld voor zorg; dat is geschift

OPINIE – Malou van Hintum − 09/04/14, 13:30
© THINKSTOCK.

COLUMN Het is de overheid die de etikettenmachine voor psychische problemen op hoge toeren laat draaien. Hou daarmee op! Schrijft Malou van Hintum.

  •  

    Op basis van een DSM-classificatie kun je dus nooit bepalen of iemand wel of geen zorg nodig heeft, want een classificatie zegt bar weinig over iemands behoefte aan zorg of hulp.

  • © thinkstock.
  •  

    Een handboek met classificatiecriteria kan daarom nooit meer doen dan een niet-gespecificeerd etiket plakken.

Vanochtend is de Nederlandse vertaling van de DSM-5 verschenen, de vijfde versie van de Amerikaanse ‘Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders’. De Nederlandse versie maakt meteen al in de titel duidelijk dat de DSM géén ‘diagnostische bijbel’ is. De vertaling luidt namelijk: ‘Handboek voor declassificatie van psychische stoornissen’ (mijn cursivering). Is het belangrijk om een verschil te maken tussen diagnosticeren en classificeren? Jazeker.

Wie mensen classificeert, geeft hun een etiket op grond van een aantal algemene, niet persoonsgebonden kenmerken. Wie diagnosticeert, kijkt juist wel naar unieke individuele kwaliteiten en situaties. Vergelijk het met pudding. Als een aantal gerechten op een rij staat, kunnen we meestal vrij gemakkelijk de pudding daartussen aanwijzen. Maar dat zegt niets over die pudding zelf. Is-ie gekookt, koud bereid, gestoomd, gebakken of gestoofd (ja, dat kan allemaal met pudding). Is het vanille-, kokos-, mango-, of griesmeelpudding? Met of zonder sap, slagroom, verse vruchten, chocola? En hoeveel soorten griesmeelpudding zijn er wel niet?

Allemaal uniek
Mensen zijn nog veel ingewikkelder dan pudding. Een handboek met classificatiecriteria kan daarom nooit meer doen dan een niet-gespecificeerd etiket plakken. Want geen enkel mens met een psychische klacht is hetzelfde; ook niet mensen met overeenkomstige klachten. Ze zijn allemaal uniek.

Bij de een is de impact van die klachten veel groter dan bij de ander. De een kan er veel beter mee omgaan dan de ander. Het is de klinisch psycholoog of psychiater die in gesprekken met zijn cliënt en betrokkenen uit diens omgeving moet inschatten wat de ernst van iemands klachten is, hoe groot zijn disfunctioneren is, en hoeveel behoefte aan zorg hij heeft. Dat proces heet diagnostiek, en daarbij speelt de DSM-5 maar een kleine rol.

Afvinklijstje
Op basis van een DSM-classificatie kun je dus nooit bepalen of iemand wel of geen zorg nodig heeft, want een classificatie zegt bar weinig over iemands behoefte aan zorg of hulp. Het kan best dat je hoog scoort op een afvinklijstje, maar jezelf prima kunt redden. En, dat is minstens zo belangrijk: andersom komt ook voor.

Maar de overheid gebruikt de DSM wel als een poort naar zorg. Ze heeft bepaald dat alleen mensen met een DSM-etiket hulp van verzekeraars vergoed krijgen. Hulpverleners moeten daarom een aan de DSM gekoppelde DBC (diagnose-behandelcombinatie) openen, een code voor een ‘zorgproduct’, om hun behandelingen betaald te krijgen.

  •  

    Mensen hebben passende zorg nodig, en die krijgen ze op deze manier niet.

Geschift
Waarom legt de overheid een systeem op dat etiketten plakken uitlokt – want ja, zonder etiket is er geen geld voor hulp –  en roept ze tegelijkertijd dat mensen hun psychische klachten te veel ‘medicaliseren’? Dat is geschift.

Mensen hebben passende zorg nodig, en die krijgen ze op deze manier niet. Zorgverzekeraars en behandelaars weten dat ook. Ze zouden daarom hun kont tegen de krib moeten zetten, en weigeren te werken met een etikettenmachine die de zorg verkeerd verdeelt. Niet de algemene criteria in de DSM, maar specifieke klachten en behoeften van echte mensen moeten richtsnoer zijn voor behandeling. Is dat nou echt te veel gevraagd?

Malou van Hintum is columnist voor Volkskrant.nl.
@malouvh